Back to top

Kroniek 2001-2003

De zevenentwintigste aflevering van de Kroniek bestrijkt een periode van drie jaar en bevat publicaties verschenen tussen 1 januari 2001 en 15 december 2003. Intussen ontplooiden de medewerkers enkele nieuwe initiatieven: een elektronische versie van de eerste vijfentwintig afleveringen is consulteerbaar op de website van de Vlaamse Werkgroep Boekgeschiedenis (http://www.boekgeschiedenis.be/kroniek/index.htm). Eerlang verschijnen ook registers op deze afleveringen. Het gebruik van de Kroniek als onderzoeksinstrument werd dan weer gedemonstreerd in P. DELSAERDT, "Dertig jaar boekgeschiedenis in Vlaanderen: enkele aantekeningen bij de 'Kroniek van het gedrukte boek in de Nederlanden"', in P. DELSAERDT & K. DE VLIEGER-DE WILDE (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen: nieuwe instrumenten en benaderingen. Brussel, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, 2004, p. 9-13.
Met ingang van deze aflevering ondergaat het medewerkersbestand enkele wijzigingen: redacteur Elly Cockx-Indestege werkt voortaan nog mee als recensent, maar heeft de redactionele verantwoordelijkheid overgedragen. Pierre Delsaerdt, die hoofdzakelijk publicaties over de achttiende eeuw besprak, neemt volledig afscheid. De redactie bedankt hen voor hun jarenlange inspanningen ten bate van de Kroniek.
Na de rubriek 'Algemeenheden' zijn de notities chronologisch gerangschikt en gegroepeerd per thema of onderwerp (met het trefwoord in vetjes): 1. Literatuurbericht en Vakwoordenboeken; 2. Bibliografie (methodologie en repertoria); 3. Drukmateriaal; 4. Zetten en drukken; 5. Drukkers, steden, regio's; 6. Boekversiering en -illustratie; 7. Boekband; 8. Bibliotheken en Bibliofilie; 9. Boekhandel en Uitgeverij; 10. Onderwerpen.
Lezers worden van harte uitgenodigd om hun suggesties aan de redactie te bezorgen.

 

3213. – Lotte HELLINGA (ed.), The scholar & the database papers presented on 4 November 1999 at the CERL Conference hosted by the Royal Library, Brussels. – London: Consortium of European Research Libraries, 2001. – xiii, 91 p.: omslag, tab.; 21 cm. – (CERL Papers, 2).
Het 'Consortium of European Research Libraries' is een vereniging van bibliotheken met oud-boekenbezit (midden vijftiende tot midden negentiende eeuw), over Europa verspreid, die hun bezit kenbaar maken door middel van een databank, de 'Hand Press Book' (HPB). Een en ander bestaat al een aantal jaren en groeit gestadig aan: zowel het aantal meewerkende bibliotheken als het aantal titels in de databank. Het is van groot belang dat met de gebruikers van de databank contact wordt gehouden, om ervaringen uit te wisselen, te discussiëren en het gebruik van de 'goudmijn' te stimuleren. Daartoe worden her en der seminaries en bijeenkomsten georganiseerd. Het secretariaat van het Consortium berust bij Lotte Hellinga (Londen). In het najaar 1999 kwam Brussel aan de beurt met als thema het probleem van de kwantificeerbaarheid: bijvoorbeeld, tot welke historische conclusies kan de informatie van de databank leiden? In hoever beantwoordt het gebodene aan de realiteit? Dit scepticisme (of beter gezegd: deze waarschuwing) geuit door Hugh Amory (Houghton Library, Harvard University, Cambridge MA) en Henri-Jean Martin (auteur van Livre, pouvoirs et société à Paris au XVIIe siècle) werd weliswaar niet door de meeste andere sprekers gedeeld: men wil een ruimere waaier en een verfijning van de gegevens, uitgaande van een brede context. Dit boekje is de neerslag van de lezingen die er werden gehouden. Maureen Bell (University of Birmingham) had het over 'A quantitative survey of British book production 1475-1700'; Margaret Lane Ford (Christie's, Londen): 'History counts: masterformes in quantitative analysis for the history of the book'; Maria López-Vidriero (Biblioteca Real, Madrid): 'Face aux attentes des chercheurs: réflexions sur les bases de données rétrospectives'; Henryk Hollender (UB Warschau): 'Quantification, national heritage and automation strategy'; Jaroslava Kasparová (Nationale Bibliotheek van Tsjechië, Praag): 'Le catalogage automatisé des livres anciens et recherches dans le domaine de l'histoire du livre: le cas de la République tchèque. Conception du traitement, son état actuel, perspectives d'avenir'; David McKitterick (Trinity College Library, Cambridge): 'Bibliography and woeful ignorance – or, why does the seventeenth century look different in Cambridge libraries?'; Pierre Delsaerdt (Universiteit Antwerpen): 'Les banques de données bibliographiques: cartes routières ou instruments de recherche pour l'histoire du livre au XVIIIe siècle'; Jean-Dominique Mellot (Bibl. nat. de France): 'Le Répertoire d'imprimeurs/libraires de la BnF (v. 1500-v. 1810): premiers enseignements quantitatifs et qualitatifs'; Andrey C. Massevitch & Alla V. Ostrovskaya (INST. Russische Literatuur, Moskou): 'The authority file for names of persons of eighteenth- and nineteenth-century Russia in the Institute for Studies in Russian literature: a Utopian project'. Uit de benadering door mensen uit zeer diverse landen – zelfs binnen Europa! blijkt onder meer hoe problematisch catalogisering en 'thesaurisering' wel kunnen zijn. [E.C.-I.]

3214. – Susanne BESSLICH, Register zum Gutenberg-Jahrbuch 1987-2000 in Gutenberg Jahrbuch, 2002, p. 241-291.
Registers op auteurs, persoonsnamen, plaatsnamen, zaken. [E.C.-I.]

3215.In memoriam Max Israel (1916-2001) in De boekenwereld, 18, 2001-2002, p. 146-148, portr.
Beminnelijk man en markant antiquaar aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam, overleed geheel onverwacht. Zoals zijn broer Nico was ook hij uitgever. Zoals zijn broer overleefde hij de holocaust. [E.C.-I.]

3216. – Bob DE GRAAF, Nico Israel, 1919-2002 in Quaerendo, 32, 2002, p. 173-174, portr.; +Nico Israel (1919-2002) in De boekenwereld, 18, 2001-2002, p. 268-273, portr.
De primus inter pares noemt antiquaar Bob de Graaf de op 83-jarige leeftijd overleden Nico Israel, bij leven gevestigd aan de Keizersgracht in Amsterdam, bekend voornamelijk om zijn atlassen en reisverhalen maar ook om boeken op het gebied van de geschiedenis van de wetenschappen. Een tijdlang was hij ook uitgever. [E.C.-I.]

3217. – Henning WENDLAND, Philobiblon. Register der Jahrgänge 1/1957 bis 45/2001 in Philobiblon, 45, 2001, p. 341-394.
Het tijdschrift, met de ondertitel Eine Vierteljahrsschrift für Buch- und Graphiksammler, uitgegeven door Ernst Hauswedell & Co te Stuttgart, en aan de leden van het bibliofielengenootschap Maximilian-Gesellschaft bezorgd, heeft zijn publicatie stopgezet. De laatste aflevering bevat een compleet register van de auteurs en hun bijdragen, en een namen- en onderwerpsregister over de vijfenveertig jaargangen van zijn bestaan. [E.C.-I.]

3218. – Bert CARDON e.a. (eds.), 'Als ich can'. Liber amicorum in memory of professor dr Maurits Smeyers. – Paris; Leuven; Dudley, MA: Peeters, 2002. – 2 bdn. (XXXIX, 1742 p.): ill.; 27 cm. – ISBN 90-429-1233-2 (Peeters Leuven); 2-87723-694-3 (Peeters France).
Post mortem verschenen huldealbum, met de bibliografie van Smeyers en bijna tachtig opstellen over miniatuurkunst en aanverwante gebieden. Enkele zijn ook voor de historicus van het gedrukte boek belangrijk en komen in deze Kroniek afzonderlijk aan de orde. [E.C.-I.]

3219. – Hannie VAN GOINGA, De geschiedenis van de Dr. P.A. Tiele-Stichting 1953-2003. – [Den Haag]: Sr. P.A. Tiele-Stichting; (Zutphen): Walburg Pers, (2003). – 88 p.: omslag, ill.; 24 cm. – ISBN 90-5730-269-1.
Pieter Anton Tiele (1834-1889) werd eerst custos van wat thans de universiteitsbibliotheek van Amsterdam is, daarna bibliothecaris van de Leidse universiteitsbibliotheek. Met het opstellen van de catalogus van de verzameling Nederlandse reisbeschrijvingen van Frederik Muller affirmeerde Tiele zich als bibliograaf. Handschriften, incunabelen, pamfletten volgden. Toen Wytze Hellinga het initiatief nam tot de oprichting, in 1953, van een stichting ter bevordering 'van de wetenschap van het boek en de drukkunst en de daarmede samenhangende technieken' werd deze naar Tiele genoemd. Met ingang van 1954 werd een bijzondere leerstoel in de wetenschap van het boek en de bibliografie opgericht, met als eerste titularis Herman de la Fontaine Verwey. Andere leerstoelen volgden. Na vijftig jaar werd de stichting in 2003 omgevormd tot een breder samenwerkingsverband boekwetenschap: "Daarmee is 'Tiele' uitgegroeid tot een nationaal platform dat de bevordering van de boekwetenschap in de breedste zin beoogt en daartoe uiteenlopende organisaties en belangen bundelt." [E.C.-I.]

3220. – Paul HOFTIJZER, De lof der boekdrukkunst. Zutphen: Walburg Pers, (2003). – 31 p.; 24 cm. – ISBN 90-5730-252-7; Frans A. JANSSEN, Verleden en toekomst van het gedrukte boek. Tiele-lezing 2003. – Zutphen: Walburg Pers; Den Haag: Dr. P.A. Tiele-Stichting, (2003). – 25 p.: facs.; 24 cm. – ISBN 90-5730-268-3.
Uitgave van respectievelijk de eerste en de tweede Tielelezing. Zoals de hierboven vermelde geschiedenis van de stichting, zijn ook deze twee plakketjes bijzonder fraai verzorgd, gezet uit de Lexicon nr. 1 van Bram de Does in een smaakvol betiteld omslag in kleur, met brede flap. [E.C.-I.]

3221. – Ton CROISET VAN UCHELEN In memoriam Paul Valkema Blouw (1916-2000) in De boekenwereld, 17, 2000-2001, p. 138-142, portr.; Ton CROISET VAN UCHELEN, In memoriam Paul Valkema Blouw (1916-2000) in Quaerendo, 31, 2001, p. 87-96, portr.
Verrassende levensbeschrijving van een man die de (boek)historici slechts in zijn laatste levensfase hebben gekend. Het verschijnen van zijn levenswerk heeft hij gelukkig nog mogen beleven. Lees, in aansluiting, de uitvoerige bespreking van zijn Typographia Batava door M. de Schepper. De Engelse versie in Quaerendo is niet geheel dezelfde tekst, maar wordt gevolgd door een bibliografie. PVB is vroeg in het boekenvak terechtgekomen, maar laat in de boekwetenschap. Zijn eerste publicatie dateert van 1979, zijn laatste moet nog verschijnen. Het is al vaker in de Kroniek geschreven maar mag hier wel worden herhaald: de grote gave en verdiensten van PVB bestonden erin de vondsten van historisch graafwerk te analyseren en de interpretatie ervan tot een uitstekend geschreven boeiend verhaal te maken, geheel in de trant van zijn mentor Herman de La Fontaine Verwey. Plannen bestaan om zijn gebundeld oeuvre in het oorspronkelijke Nederlands te publiceren. [E.C.-I.]

3222. – Francine DE NAVE, In memoriam Leon Voet, 14 september 1919 – 13 september 2002 in De Gulden Passer, 80, 2002, p. 1-7, portr.
Goed gestoffeerd en met liefde geschreven portret van de grote Plantijnkenner en museumconservator. Zijn Golden Compasses en Plantin Press blijven de fundamenten voor verdere Plantijnstudie. Zie ook: Marcus de Schepper, 'In memoriam Leon Voet (1919-2002)' in Bibliotheek- & archiefgids, 79, 2003, p. 44-46. [M.d.S.]

3223. – Werner WATERSCHOOT, Schouwende fantasye: opstellen. – Gent: Academia Press, 2002. – iv, 275 p.: omslag, ill.; 24 cm. – ISBN 90-382-0316-0.
Naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag hebben collega's en vrienden negentien opstellen van WW gebundeld en rond volgende thema's gegroepeerd: Middeleeuwen, Rederijkers, Vroege Renaissance (Lucas d'Heere, Jan Baptist Houwaert, Jan van der Noot), Boekdrukkunst en Feestcultuur. In laatst genoemde categorie komt de negentiende eeuw aan bod via de bibliofilie. Er is een tabula gratulatoria, geen register! Overigens keurig uitgevoerd. Voor wie geen overdrukken van Waterschoots artikelen bezit, is dit boek ten zeerste aanbevolen. [E.C.-I.]

3224. – Piet VERKRUIJSSE, Moeilijk en dogmatisch, maar wel buitengewoon rijk: verleden, heden en toekomst van de analytische bibliografie in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 9, 2002, p. 7-23, ill.
Als een vademecum voor de boekarcheoloog zou je deze bijdrage kunnen bestempelen. In een notendop zet Nederlands befaamdste analytisch bibliograaf van het ogenblik deze 'moeilijke, dogmatische en veelzijdige materie' (naar het woord van de Fransman Roger Lauffer) op heldere en omvattende wijze uiteen. Aangetoond wordt hoe de weg, soms met rare gewassen begroeid, vanaf het eindproduct, het gedrukte boek, als het ware in retrograde tot het beginpunt, de kopij, moet worden gelopen. Omdat de term analytische bibliografie een beschrijving na de analyse impliceert, en omdat slechts met 'de scherven van de totale oplage' kan worden gewerkt, verkiest PV de term boekarcheologie. Behalve ten behoeve van een diepgaande beschrijving van de druk kan zij immers ook ten grondslag liggen aan bijvoorbeeld tekstgeschiedenis en -editie. Boekarcheologisch onderzoek mondt namelijk logischerwijs uit in een uitputtende monografie van een drukker/uitgever. Verplichte lectuur voor jong en oud (maar vooral jong) die inzicht willen verkrijgen in het gedrukte boek uit de handpersperiode. [E.C.-I.]

3225. – Johan HANSELAER, BelEdiMar: een website voor Belgische drukken van vóór 1801 in De Gulden Passer, 80, 2002, p. 201-211, ill.
Voorstelling van een website waarop boeken worden geregistreerd die vóór 1801 in België werden gedrukt en die sinds 2001 op veilingen en in antiquariaten werden verkocht. De boeken worden chronologisch gelist, voorzien van indices op plaats- en persoonsnamen, en trefwoorden. Medio 2002 waren er 1600 edities gerepertorieerd, medio 2004 zijn er dat reeds meer dan 4000. Op zijn manier vormt de website stilaan een belangrijke aanvulling op het in kaart brengen van het boek, gedrukt in België vóór 180l. Het adres: http://www.biobibdata.net/belhome_NL.html [J.H.]

3226. – Marieke VAN DELFT & Clemens DE WOLF (eds.), Bibliopolis: geschiedenis van het gedrukte boek in Nederland. – Zwolle: Waanders, 2003. – 317 p.: ill. – ISBN 90-400-8780-6.
Bibliopolis sluit zich als jongste telg aan bij een reeks indrukwekkende studies die het boek in al zijn aspecten vanuit een nationaal-historisch perspectief benaderen. De invloedrijkste voorbeelden hiervan zijn de vierdelige Histoire de l'édition française (1982-1986) en The Cambridge History of the Book in Britain, waarvan reeds twee van de zeven delen verschenen (1999-2002). Net als zijn buitenlandse voorgangers is Bibliopolis het resultaat van een vruchtbare krachten bundeling van experts in het vakgebied. Een tweede overeenkomst ligt in de cultuurhistorische benadering van het onderwerp. Naast de studie van het boek als fysiek object, gaat er veel aandacht naar de situering in een brede maatschappelijke context. Toch verschilt Bibliopolis op één cruciaal punt: het is in oorsprong een elektronisch systeem! Het gelijknamige project van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag resulteerde in 2002 in een multimediale geschiedenis van het in Nederland gedrukte boek, raadpleegbaar via internet (www.Bibliopolis.nl). Het boek Bibliopolis is een afgeleid product van deze website. Het bevat naast het 'Handboek' (een historisch overzicht van 1460 tot heden) een selectie afbeeldingen uit de Beeldbank en de belangrijkste literatuurverwijzingen. De vraag is echter of het op papier afdrukken van een elektronisch systeem tot een goed boek leidt. De structuur en inhoud van Bibliopolis zijn immers bepaald door de vereisten van het internet. Dit blijkt duidelijk uit de chronologisch-systematische opbouw. Die leidt tot een uitermate gestandaardiseerd, maar gefragmenteerd corpus: 160 tussentitels splitsen de tekst op in onderdelen van één of twee pagina's. Voor een webpublicatie zijn deze cesuren noodzakelijk, maar in een gedrukt boek bemoeilijken ze de lectuur. Een strakke webstructuur laat immers geen ruimte om hypotheses te stellen, die vervolgens uit te werken en uiteindelijk tot een conclusie te komen. Daarom kan Bibliopolis ook niet als een leesboek of monografie beschouwd worden, maar moet het eerder gezien worden als een beknopt naslagwerk. Daarnaast zijn enkele essentiële elementen bij het overzetten van de tekst op papier verloren gegaan. Op de internetversie van het Handboek leiden de vele links naar andere teksten, afbeeldingen, trefwoorden en studies. In de gedrukte versie ontbreekt elke kruisverwijzing, verklaring of voetnoot. Hier ligt de grootste tekortkoming van Bibliopolis. Het boek is niet levensvatbaar zonder de website. Om op eigen benen te kunnen staan, had het minstens biografische gegevens over de belangrijkste personen moeten bevatten en een woordenlijst waarin vaktermen worden toegelicht. Bibliopolis heeft de wens naar een diepgravende geschiedenis van het gedrukte boek in de Nederlanden niet ingelost. Dat was ook niet de ambitie van de samenstellers. Als gids naar de website, is het boek wel geslaagd. Het systeem Bibliopolis verdient het ook om in de schijnwerpers te staan. Het is een uniek instrument waar zowel wetenschappers, onderwijzers en geïnteresseerden terecht kunnen. [S.v.R.]

3227. – Joost DEPUYDT & Goran PROOT, Handleiding STCV. – Antwerpen, 2002. – 145 p.; 30 cm. (Publicaties van het STCV-project, 1); Stijn VAN ROSSEM, Goran PROOT & Pierre DELSAERDT, De Short Title Calalogus Vlaanderen (STCV): de bibliografie van het zeventiende-eeuwse boek in Vlaanderen in De Gulden Passer, 81, 2003, p. 201-217; Stijn VA ROSSEM, Goran PROOT & Pierre DELSAERDT The 'Short Title Catalogue Vlaanderen (STCV)': the bibliography of seventeenth-century books in Flanders in Quaerendo, 33, 2003 p. 336-354.
Het gebeurt niet zo vaak dat er in België langlopende projecten omtrent historische bibliografie worden opgezet. Gelukkig werd in 2000 het STCV-project opgestart, waarmee een bibliografie werd aangevat van alle drukwerken die in de zeventiende eeuw het licht zagen op het grondgebied van het huidige Vlaanderen (Brussel inclusief). Aangezien het volume massaal is, beperkte men zich tot de Nederlandstalige publicaties. Op die manier wordt een lacune opgevuld van het zusterproject in Nederland, de STCN, waarin alle publicaties die in Nederland gedrukt werden voor 1801 én alle Nederlandstalige publicaties die buiten de grenzen van Nederland het licht zagen, worden opgenomen. Let wel: in de STCN is er één uitzondering, België.
De handleiding werd rond twee delen opgebouwd – namelijk (1) selectiecriteria, definities en bibliografische eenheden, en (2) de bibliografische beschrijving – en wordt afgesloten met een reeks bijlagen.
Wat de selectiecriteria betreft gaat het dus om werken, gedrukt tussen 1 januari 1601 en 31 december 1700, in Vlaanderen (inclusief Brussel), waarbij werken met een dubbeladres waarvan één buiten Vlaanderen, buiten beschouwing worden gelaten. Werken waarvan men vermoedt dat ze in Vlaanderen werden gedrukt, of die in het verleden aan Vlaanderen werden toegeschreven, worden opgenomen. Bij twijfelgevallen spelen twee criteria: werden de boeken vanuit een Zuid-Nederlands gezichtspunt geschreven, én doen de typografische kenmerken aan Vlaanderen denken. Blijft de twijfel nog bestaan, dan wordt het werk opgenomen met een vermelding van twijfelachtigheid. De werken moeten in het Nederlands geschreven zijn, of er moeten zich substantiële onderdelen in het Nederlands in het boek bevinden. Plano's of eenbladdrukken en tweezijdig gedrukte plano's worden niet opgenomen, evenals couranten, tijdschriften en brieven van ambassadeurs. Nieuwsbriefachtige geschriften worden wel opgenomen, met uitzondering van de Nieuwe Tijdingen van Abraham Verhoeven: hiervoor wordt naar de BB verwezen. Ook liederen op vliegende bladen zijn te vinden in de STCV, evenals atlassen en verzamelingen gravures, indien zij van een typografische titelpagina zijn voorzien. De behandeling van deze laatste is summier.
De bijlagen bestaan uit een aantal nuttige lijsten: lijst van bijbelboeken, een schema om het formaat te bepalen en een controlelijst voor de paginering, een lijst om de inhoud te karakteriseren en een lijst om de vorm te beschrijven en een omrekening van de Romeinse kalender. Natuurlijk is er ook een lijst met bibliografische afkortingen.
Wat de beschrijving betreft, heeft het weinig zin om de vele zeer doordachte regels hier te vermelden of te bespreken. Nuttiger lijkt het ons om te zien wat het werken met de handleiding heeft opgeleverd op de website http://www.stcv.be/.
Om de STCV te doorzoeken kan men van 10 zoeksleutels gebruik maken: titel, woord uit de titel, auteursnamen-persoonsnamen, auteursnamen – instellingen/organisaties, uitgever, plaats van uitgave, taal, trefwoord, vingerafdruk en plaatskenmerk. Wanneer we 'jezuïeten' intikken bij auteursnamen-instellingen/organisaties, worden er ons 7 verwijzingen gepresenteerd: 3 naar het SJ-college in Antwerpen, 1 naar het SJ-college in Brussel en Mechelen, en 2 naar het SJcollege in Brugge. Een fiche geeft ons de volgende informatie: een verkorte titel, auteur, instelling/organisatie, impressum (uitgever, plaats, jaar), editie, collatie (formaat, katernenummering, paginering), opmerking, taal, trefwoorden, illustratie, nummer (= vingerafdruk) en bibliotheken. Bij de eerste vier items wordt steeds vermeld waar de betreffende informatie werd gevonden: titelpagina, document of extern. Onder het item 'auteur' komen 'alle personen of instanties die inhoudelijk of artistiek betrokken waren bij de totstandkoming van het boek' zoals auteurs, illustratoren, en andere, maar geen gededicasseerden en andere 'passieve auteurs'. Wanneer het boek uit verschillende delen (hier volumes) bestaat wordt de collatie opgesplitst: eerst wordt katernnummering en paginering van deel I gegeven, daarna van deel Il, enzovoort. Onder 'Opmerking' wordt allerhande informatie ondergebracht, zoals bijvoorbeeld of er meerdere edities in hetzelfde jaar werden uitgebracht. Jammer is wel dat er geen link is voorzien naar de beschrijving van de verwante editie. Ook de bibliografische referenties zijn hier te vinden. Er is echter op dit moment (informatie september 2004) iets misgelopen, want er wordt wel verwezen naar volume en pagina, maar niet naar het boek. Zo vinden we bij 'Ambrosivs door het bestier van edeldom' volgende opmerking: 'There exists also a Latin edition of this programme, cf. II, 236, nr. 27'. Onder de taal is de doeltaal te vinden, maar bij vertalingen wordt ook de brontaal en de mediërende taal opgenomen. Onder 'trefwoorden' wordt er zowel naar de inhoud als naar de typografie verwezen. Zo vinden we o.a. volgende reeks onder trefwoord: Christelijke leer; Illustraties op de titelpagina/in het voorwerk; Lettertype romein; Titelpagina typografisch. De vingerafdruk is volledig gebaseerd op de regels van de STCN.
In de STCV werden tot nu toe een vijf collecties verwerkt: Centrale Bibliotheek UFSIA, het Ruusbroecgenootschap (UFSIA), Stadsbibliotheek Antwerpen, het Tabularium (in de Centrale Bibliotheek) en de collectie van de Bibliotheek Theologie van de K.U.Leuven en de collectie van de Gentse Universiteitsbibliotheek. Tot nu toe werden er 3802 beschrijvingen, gebaseerd op 7368 exemplaren, opgenomen op de website. Nog enkele cijfers: van Adriaan Poirters werden er 37 edities opgenomen, van Cornelius Hazart 93 en van Arnout van Geluwe 49. Onder de drukkers is Michiel Cnobbaert koploper met 180 drukken, daarna volgen Hieronymus I Verdussen met 145 drukken en Bauduyn Manilius met 138 drukken. Zowel de handleiding als de website zijn prachtige werkinstrumenten voor al wie met het oude Nederlandstalige boek in Vlaanderen te maken heeft. We mogen hopen dat deze website continu wordt aangevuld (ook al is dit thans niet het geval), zodat er op termijn een volwaardige bibliografie op het net te vinden is. Kortom, dit smaakt naar meer, véél meer. [J.H.]

3228. – Ludo SIMONS, Het bedrijf van de uitgever in De lokroep van het bedrijf Handelaars, ondernemers en hun samenleving van de zestiende tot de twintigste eeuw. Liber Amicorum Roland Baetens. – Antwerpen: Universiteit Antwerpen-UFSIA, Vakgroep Geschiedenis, Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis, 2001, p. 161-175 = Bijdragen tot de geschiedenis, 84, 2001, p. 161-175.
Lexicografische verkenning van de term 'uitgever' tegenover 'editeur', 'uitgeversmaatschappij' tegenover 'uitgeverij', 'drukker' tegenover 'boekhandelaar'. Als voorbeeld wordt Hendrik Conscience aangehaald: 'In 't Wonderjaer' verscheen te Antwerpen 'ter drukkery van de weduwe I.S. Schoesetters'; zij was geen uitgeefster, wel drukker en boekhandelaarster. Buschmann en Van Dieren waren drukkers-uitgevers, Rogghé, Hoste, De Meester en De Seyn daarentegen boekhandelaars-uitgevers. [W.W.]

3229. – Jeanne BLOGIE, Répertoire des catalogues de ventes de livres imprimés. VI. Catalogues provenant de divers pays et appartenant à la Bibliothèque royale Albert Ier. – Bruxelles: Libr. Fl. Tulkens, 2003. – vij p., 849 kol. – (Collection du Centre national de l'archéologie et de l'histoire du livre = Nationaal Centrum voor de archeologie en de geschiedenis van het boek, IV, 6).
Andermaal is B erin geslaagd een gedeelte van de grote collectie veiling- en prijscatalogi van de Brusselse Koninklijke Bibliotheek te beschrijven (zie Kroniek nrs. 453, 822, 1844 en 2779). Na de Belgische, Franse, Britse, Nederlandse en Duitse zijn thans in één klap alle andere landen aan de beurt: Europese (Italië, Zwitserland !), Afrikaanse, Australische en Amerikaanse (Verenigde Staten!). Alles is weer uitgevoerd met de beproefde acribie en ontsluiting (registers per land). Een supplementdeel zal het grote werk weldra afsluiten. Hier past alleen bewondering en dankbaarheid. [M.d.S.]

3230. – Frank DAELEMANS & Geert WISSE (eds.), Pour l'histoire du papier peint: sources et méthodes = Voor de geschiedenis van papierbehang: bronnen en methoden. Actes du colloque tenu à Bruxelles le 22 novembre 1996 = Handelingen van het colloquium ter Brussel gehouden op 22 november 1996. Brussel = Bruxelles, 2001. – 247 p.: omslag, ill.; 26 cm. (Archives et bibliothèques de Belgique, numéro spécial 55 = Archief- en Bibliotheekwezen in België, extranummer 55). ISSN 0775-0722.
Boekbinders hebben ook al eens stukken van behangselpapier gebruikt als schutbladen en omslagen van brochures. De boekbandhistoricus kan er baat bij vinden inzicht te krijgen in de bronnen, monumentale en schriftelijke; in dit opzicht zijn de bijdragen in deze bundel verhelderend. [E.C.-I.]

3231. – Walter WILKES, Was ist eine Faksimile? in Aus dem Antiquariat, 2002, 11, p. A522-A531.
Door een bijdrage van Stephan Füssel 'Vom Steindruck zum Internet – Faksimiles im Medienumbruch' (Die Struktur medialer Revolutionen. Festschrift für Georg Jäger. Ed. Sven HANUSCHEK, Frankfurt am Main, Peter Lang, 2000) werd de auteur geïnspireerd tot een hernieuwd bekijken van wat een facsimile eigenlijk is. Wilkes gaat in op definitie(s), vervaardiging van facsimiles en druktechniek. [E.C.-I.]

3232. – Pascal FULACHER, Peinture et poésie: le dialogue par le livre in Le livre & l'estampe, 48, 2002, 158, p. 81-99, ill.
Besprekingsartikel van het in de titel genoemde boek van Y. Peyré (Parijs, Gallimard, 2001, 272 p.), naar aanleiding waarvan ook tentoonstellingen werden (en worden: in New York PL in 2006) georganiseerd. Aanleiding: 125 jaar geïl1ustreerde poëzie in boekvorm. Vrucht van jarenlang onderzoek en reflectie, noemt Fulacher het een mijlpaal in de geschiedenis van de benadering van het geïllustreerde boek: het kunstschildersboek ('livre de peintre'), het kunstenaarsboek ('livre d'artiste'), nu een moderne versie van het pictura et poesis. [E.C.-I.]

3233. – Jan VAN DER STOCK, Early prints [in] the Print Collection of the Royal Library of Belgium. – London: Harvey Miller Publishers, 2002. – 184 p., XVI pll.: ill.; 32 cm. – ISBN 1-872501-29-X.
De collatie weerspiegelt niet de omvang van dit boek: buiten de 16 kleurenplaten zijn er ook 574 zwart/wit afbeeldingen: elke prent, uit de vijftiende en vroege zestiende eeuw, is afgebeeld. De beschrijving die terecht summier is gehouden, bevat alle essentiële gegevens, zoals de identificering van het onderwerp, eventuele auteur, plaatsnummer in het Brusselse Prentenkabinet, de afmetingen, de staat, de herkomst en de verwijzingen naar basiswerken als Lehrs, Hollstein The Illustrated Bartsch, en andere (er is een uitstekende bibliografie). In wezen gaat het om zelfstandige prenten. Toch is er af en toe een band met de boekillustratie. Het meest treffende voorbeeld hiervan is ongetwijfeld de reeks houtsneden bekend als de Passie Delbecq-Schreiber, die in de loop van de zestiende eeuw in talrijke, hoofdzakelijk Antwerpse drukken opduiken. Verder zijn er kleine (vaak devotieprenten) en grote prenten met tekst uit losse letter gezet. Met andere woorden, de bibliograaf die zich met geïllustreerde drukken uit de vijftiende en vroege zestiende eeuw inlaat, mag dit nieuwe standaardwerk niet ignoreren. Ook de boekhistoricus kan zijn voordeel doen met het overzicht van voormalige verzamelingen; bibliofilie en iconofilie gaan vaak hand in hand! Het is niet te geloven dat nu pas deze uitermate belangrijke verzameling grafiek werd ontsloten. Wij mogen de auteur er zeer dankbaar om zijn. [E.C.-I.]

3234. – Angelika PABEL, Erste gemeinsame Jahrestagung des Arbeidtskreises für die Erfassung und Erschließung historischer Bucheinbände (AEB) und der Belgisch-Nederlands Bandgenootschap in Einbandforschung, 13, 2003, p. 4-8.
Deze eerste gemeenschappelijke bijeenkomst van twee bandengenootschappen vond plaats in de Johannes a Lasco Bibliothek Große Kirche Emden, van 26 tot 28 september 2002. Jos Hermans (VB Groningen) hield een toespraak die in het bijzonder de tentoonstelling (zie nr. 3251) toelichtte. De regio Friesland / Groningen / Ostfriesland vormde destijds één cultuurgebied, wat zijn sporen heeft nagelaten in de boeken uit die tijd. Overzicht van de referaten. De Johannes a Lasco Bibliothek Große Kirche Emden, met haar belangrijke oude-boekenbestand en haar dynamische directeur, Walter Schulz, vormde de uitgelezen plek om beide evenementen te organiseren. [E.C.-I.]

3235. – Emile VAN DER VEKENE, Dictionnaire illustré des relieurs ayant exercé au Grand-Duché de Luxembourg depuis le XVIIe siècle jusqu'à nos jours. – (Luxembourg): Ed. Saint-Paul, (2002). – 226 p.: ill.; 26 cm. – ISBN 2-87963-414-8.
Niet meteen te verwachten maar zeker niet te versmaden bronnen werden geconsulteerd om tot deze nomenclatuur te komen die om en bij de 500 namen van boekbinders in het Groothertogdom bevat. Dit naslagwerk bevat grotendeels ongepubliceerd materiaal en is daardoor bijzonder waardevol. Onder meer de vele contacten die Van der Vekene met levende boekbinders onderhield, hebben er voor gezorgd dat ook de meest recente generatie goed vertegenwoordigd is. Een uitgebreidere recensie verscheen in De Gulden Passer, 81, 2003, p. 224-225. [E.C.-I.]

3236.Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 2000. – Amsterdam: De Buitenkant, 2001. – 167 p.: ill.; 22 cm. – ISBN 90-76452-52-9; ISSN 1383-4584; Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 2001. Amsterdam De Buitenkant, 2002. – 199 p.: ill.; 22 cm. ISBN 90-76452-04-0; ISSN 1383-4584; Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 2002. – Amsterdam: De Buitenkant, 2003. – 148 p.: ill.; 22 cm. – ISBN 90-76452-741; ISSN 1383-4584.
De lichtzwartgrijs linnen band met zilveropdruk maakt van het achtste jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen (2000) weer een 'bibliofiel' juweeltje. Het negende jaarboek (2001) zit in een geelachtiggroen linnen band met blauwviolette schutbladen met strooipatroon van NGB. Het tiende (2002) in donkerrosa met opdruk in ultramarijn en schutbladen in bleekblauw. Het achtste en het tiende bevatten één katern kleurenafbeeldingen. Na telkens de inleiding van Sjaak Hubregtse en het jaarverslag door Isa de La FontaineVerwey volgen de artikelen die hieronder in de betrokken rubrieken zijn ondergebracht. [E.C.-I.]

3237. – Rudolf DE SMET (ed.), Les humanistes et leur bibliothèque = Humanists and their libraries. Actes du Colloque international = Proceedings of the International Conference, Bruxelles, 26-28 août 1999. – Leuven: Peeters; Paris; Sterling, Virginia, 2002. – 286 p.; 24 cm. – ISBN 90-429-1044-5; 2-87723-591-2.
Het Brusselse colloquium behandelde niet zozeer de inhoud van de humanistenbibliotheken, dan wel de context en de motieven van eigenaren en gebruikers. Te vermelden zijn hier: Thomas D. Walker, 'The web of Renaissance humanists, their libraries, and the organization of knowledge in Pre-Enlightenment Europe' (p. 17-23); Concetta Bianca, 'Le cardinal de Cuse en voyage avec ses livres' (p. 25-36); James Hirstein, 'La bibliothèque de Beatus Rhenanus: une vue d'ensemble des livres imprimés' (p. 113-142); Paul Nelles, 'The Renaissance ancient library tradition and christian antiquity' (p. 159-173); Thomas Berns, 'Philosophie de la bibliothèque de Montaigne: le difficile trajet des mots aux choses' (p. 193-209); C.S.M. Radernaker, 'A famous humanist's library. Gerardus Joannes Vossius (1577-1649) and his books' (p. 247-257); Alain Dierkens, 'Les humanistes et leur bibliothèque: quelques considérations générales' (p. 259-267). De bijdragen met betrekking tot de (Zuidelijke) Nederlanden komen verder afzonderlijk aan bod. Het geheel is ontsloten door een 'Index nominum' (p. 269-286). Een verzorgde bundel – al zouden de humanisten schrikken van de door hen verfoeide letter op de omslagillustratie ... [M.d.S.]

3238. – Carmélia OPSOMER, A la recherche des bibliothèques perdues in Bulletin de la Classe des Lettres. Académie royale de Belgique, 6e série, XII, 1-6, 2001, p. 201-218.
Tekst van een lezing gehouden door de conservator van de Handschriften en Incunabelen in de Universiteitsbibliotheek Luik. Zij is niet op zoek gegaan naar ex-libris en eigendomsmerken – hoe nuttig ook – maar heeft een poging gewaagd de draad op te nemen van de dialoog tussen de boeken en de mensen, een gesprek dat in alle stilte verloopt (het woord van Martin Heidegger indachtig). Achtereenvolgens geeft zij voorbeelden van de geschiedenis van naar alle windstreken verspreide collecties, van reconstructies van bibliotheken door de (boek)historicus, van de plaats van voornamelijk particuliere bibliotheken in de intellectuele geschiedenis. [E.C.-I.]

3239.Honderd jaargangen van Biekorf 1890-2000 in Biekorf, 100, 2000, p. 297-338.
Samenvattende titel voor een aantal bijdragen. Vooreerst R. van Eenoo, Rede uitgesproken op 16 september 2000 (p. 297-304). Hij wijst op de uniciteit van 'Biekorf' in zijn verschillende rubrieken. L. Vandamme, Biekorf honderdvoud: het verhaal van een lees- en leerblad (p. 305-311) legt nadruk op de verbondenheid met het Brugse Sint- Lodewijkscollege via de opeenvolgende hoofdredacteurs, onder wie vooral Antoon Viaene (hoofdredacteur 1929-1979) op de voorgrond trad. C. Devyt bezorgt een alfabetische lijst Biekorfmedewerkers (1890-2000) (p. 312-315). D. Geirnaert, Honderd Biekorf Jaargangen en het WNT (316-334) gaat na welke plaats 'Biekorf' als bron voor het WNT inneemt. Er blijken 1124 citaten gebruikt te zijn van 1891 tot 1998. L. van Biervliet, Biekorf als bekoring (p. 335-338) verklaart het langdurig succes door de unieke bonte mengeling van auteurs en bijdragen. Ook hier wordt de rol van Viaene onderstreept. [W.W.]

3240.Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis. – Leiden Nederlandse Boekhistorische Vereniging, 8, 2001. – 211 p.: omslag, ill.; 23 cm. – ISBN 90-75133-08-1; ISSN 1381-0065; Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis. Leiden: Nederlandse Boekhistorische Vereniging, 9, 2002. 203 p.: omslag, ill.; 23 cm. – ISBN 90-75133-09-X; ISSN 1381-0065; Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis. Leiden: Nederlandse Boekhistorische Vereniging, 10, 2003. 243 p.: omslag, ill.; 23 cm. – ISBN 90-75133-10-3; ISSN 1381-0065.
De ondertitel van het achtste Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis in lichtvioletblauw omslag, 'Het kompt altemael aen op het distribuweeren', duidt aan dat het om een themanummer gaat (het gaat natuurlijk niet om het distribueren in de letterkast!); het wordt ingeleid door hoofdredacteur Hannie van Goinga. In tien artikelen komen o.m. aan bod publiciteit, handelsusances, verkrijgbaarheid van boeken, en een begin van onderzoek naar het transport van boeken. Het negende jaarboek steekt in een helgroen omslag waarop het titelblad van Bohns Gysbrecht van Aemstel-uitgave gereproduceerd staat. Het tiende jaarboek zit in een scharlaken rood omslag. Het betreft opnieuw een themanummer met de titel 'Bij de tijd: boeken in Nederland 1950-2000'. [E.C.-I.]

3241.Catálogo de las reales patronatos. Volumen I: manuscritos e impresos del Monasterio de las Descalzas reales de Madrid. Volumen II: Manuscritos e impresos del Monasterio de las Huelgas reales de Burgos. [Coordinación: Isabel Balsinde, Ester Quintana]. (Dir.: Maria Luisa López-Vidriero). Madrid: Patrimonio nacional, 1999. – 2 bdn. (696, 191 p.): ill.; 24 cm. (Catálogo de la Real Biblioteca, 14).
Belangrijke catalogus van over de 3.000 nummers: beschrijvingen met signaturen en aantekeningen over illustratie en band; geen bibliografische referenties. Talrijke registers. Onder de Zuidnederlandse drukken zijn de Antwerpse, tussen 1543 en 1774, uiteraard veruit het talrijkst. [E.C.-I.]

3242. – John BURY & Paul BREMAN (compil.), Writings on Architecture Civil and Military c1460 to 1640. A Checklist of Printed Editions. – HES & De Graaf Publishers BV, 2000. 122 p. – ISBN 90-6194-428-7.
Bibliografieën en catalogi van kunstboeken en meer specifiek van architectuurboeken, zijn reeds lang een werkterrein van bibliografen en kunsthistorici. Denken we maar aan de Katalog der Ornamentstichsammlung der Staatlichen Kunstbibliothek Berlin (1939), Cicognara's Catalogo ragionato dei libri d'arte et d'antichità (1821), of The Fowler Architectural Collection of the Johns Hopkins University. Catalogue (1961). Voor de militaire boeken is er o.a. Cockle, A bibliography of military books up to 1642 (1900) en Jähns, Geschichte der Kriegswissenschaften (1889-91). Aan deze reeks hebben Bury en Breman een checklist toegevoegd van edities van werken geschreven tussen ca. 1460 (met uitzondering van Vitruvius) en ca. 1640. De checklist bestaat uit ongeveer 365 titels geschreven door ca. 280 auteurs. Platenreeksen worden slechts vermeld wanneer ze bedoeld waren als modellen of ter illustratie van de zuilenorden; voor reisboeken, gidsen en stadsgeschiedemssen geldt ongeveer hetzelfde. Vooral die worden vermeld, die geillustreerd werden en die belangrijke verwijzingen bevatten naar gebouwen, vooral naar resten van antieke Romeinse gebouwen, opnieuw omdat zij als modelboeken gediend kunnen hebben. Wat niet werd opgenomen zijn boeken over: geometrie, wiskunde, perspectief e.a. technische boeken voor architecten, boeken omtrent stadsplanning en tuinen, de iconologie [sic!] van burgerlijke en militaire architectuur, technische handboeken voor handwerklieden uit de bouw (schrijnwerkerij en steenkapperij), literatuur omtrent grafmonumenten, ornamenten, inscripties en meubels. Ook werken omtrent belegeringstechnieken en gidsen naar sacro monti werden achterwege gelaten. De lijst gaat van Giacomo Acconcio (+ 1585) en Alberti (1404-1472) tot Zûccolo (laatste kwart zestiende/ eerste kwart zeventiende eeuw) en omvat circa 280 auteurs. Van elke auteur wordt behalve de levensdata de werken in short-title opgegeven met plaats en jaar van publicatie. Tussen rechte haakjes wordt soms wat commentaar gegeven (zoals bij Zuccolo’s Discorsi, waar gezegd wordt dat er zich op pp. 231-269 een Discorsi intorno alla forticationi bevindt, geillustreerd met 3 houtsneden) of waar er wordt verwezen naar facsimiles.
Voor auteurs, op één of andere manier (geboren, gestorven, geleefd, gedrukt) met België verbonden, wordt er verwezen naar
1. Androuet du Cerceau, gedrukt in Antwerpen 1551 en 1562 (niet BT: prentenreeks).
2. Arias Montanus, Antiquitatum Judaicarum libri IX, plaats van uitgave is volgens de samenstellers Lyon, maar bij nader onderzoek blijkt dit Lugduni Batavorum of dus Leiden te zijn. Dit werk is nogmaals verschenen in 1660. (London, Oxford, Cambridge) en in 1696 (Frankfurt am Mam) in het Tractatuum Biblicorum, hoc est variarum in diversas materias biblicas commentationum.
3. Hans Blum. Een Nederlandse vertaling door Hans Liefrinck werd gedrukt in Antwerpen in 1572, 1575, 1640 en 1642. De twee zestiende-eeuwse edities worden niet vermeld in BT maar deze vermeldt op zijn beurt wel een editie 1592 (BT 7950). Een Franse vertaling werd ook in Antwerpen gedrukt in 1551 (BT 338).
4. Coecke van Aelst, gedrukt in Antwerpen in 1539 (NK 589).
5. Damant, Le Sieur, gedrukt in Brussel 1630. Bedoeld wordt Juste Damant (of D'Amant).
6. De Beste, hs in KB Brussel, ca. 1595-1599, nooit volledig gepubliceerd, wel gedeeltelijk in 1994.
7. Felini, gedrukt in Luik 1631.
8. Francart, gedrukt Brussel 1616/1617.
9. Lipsius' De amphitheatro, Antwerpen/Leiden 1584, 1585. Leiden 1589 aan te vullen met "[same setting with Antwerpen imprint]" (BB L-139); Antwerpen 1598, 1604, 1621. Ook in Gravius (Leiden 1694-99) en in vele edities van de Opera omnia.
10. Noyen (= ab Oya), gedrukt in Antwerpen 1558 (niet in BT: prentenreeks).
11. Pasino, Discours, Antwerpen 1579 (BT 3942; PP 1955), maar de originele Discorsi, gedrukt Antwerpen 1570 niet in BT en geen exemplaren gevonden via het internet.
12. Rubens, Palazzi di Genova. Te vermelden waard, maar buiten het tijdsbestek van de samenstellers: ed. Herbert W. Rott in Corpus Rubenianum Ludwig Burchard 22, gepubliceerd in 2002 in 2 vols.
13. Schille, gedrukt in Antwerpen 1573 (BT 4660: enkel de titelpagina bestaat gedeeltelijk uit zetwerk), 1578, 1580 en ca. 1593 (deze laatste drie niet BT: prentenreeks).
14. Serlio, met verwijzingen naar Coecke van Aelst.
15. Stevin, gedrukt in Leiden 1594 en 1634, en in Amsterdam 1624. De Duitse vertaling door Gothard Artus gedrukt in Frankfurt 1608 en 1623.
Een aantal andere opmerkingen: s.v. Du Praissac. Zacharias Heyns, niet Heyms, is de vertaler en de titel begint met Krychs-Handelinge en niet Crychs-handelinge. Een editie van de Discours militaires werd ook gedrukt in Rouen, 1633 en het Handbüchlein werd ook gedrukt in Leipzig [1631] (VD17 39: 120381S). s.v. Marlianus. Een Epitome van J.B. Marlianus' Romae door A. Oliverius werd gedrukt in Wesel, 1547. Nederlandse parafrases door P. Merula werden gepubliceerd in Nederlandstalige Liviusvertalingen, zoals Leiden, 1635 en Amsterdam 1646. Aan de opmerking 'or appended to editions of Livy, Frankfurt 1568, 1578; Paris 1552, 1573' mag toegevoegd worden 'and in many more' (onder andere Frankfurt 1628). Idem s.v. Pomponius Laetus. Marlianus' werk werd onder andere ook gepubliceerd in: Onuphrii Panuinii, Bartholomaei Marliani, Petri Victoris, Iani Iacobi Boissardi Topographia Roma: cum tabulis geographicis, imaginibus antiqua et novae urbis, inscriptionibus, marmoribus aedificiis sepulchris, et quicquid est a veneranda antiquitate; magna diligentia aeri incisis (Frankfurt 1627). De tekst werd ook nog in Venetië in 1650 (Ritratto di Roma antica, nel quale sono figurati i principali templi, teatri, afiteatri .... ) gedrukt, alsook in 1732 in Rome.
Het boek wordt omschreven als een quick-reference guide en inderdaad voor het opzoeken van werken van een gekende auteur is het best bruikbaar. Opvallend zijn alleszins de uitgebreide lijsten van werken van Serlio en Vitruvius. De informatie die verschaft wordt, is echter bijzonder/te kort: enkel een plaats en jaar van uitgave is nogal pover. Er wordt niet verwezen naar bestaande exemplaren of bibliografie. En dit laatste is een grote tekortkoming: nergens in het boek is te vinden welke de bronnen de samenstellers gebruikt hebben, zodat sommige werken (vb. de Discorsi van Pasino) een mysterie blijven. Slechts onder sommige lemmata is een bibliografie te vinden, zoals bijvoorbeeld onder de Mirabilia Romae, Vignola of Vredeman de Vries, maar deze vervangt dan een lijst van de edities. Een ander groot gebrek, zeker voor een quick-reference guide, is de afwezigheid van een register. Nochtans had een register op persoonsnamen en plaatsnamen een bijzonder goed hulpmiddel geweest. Wanneer de gebruiker wil te weten komen welke werken in Antwerpen gedrukt werden, of welke teksten fra Giovanni Giocondo geëditeerd heeft, moet hij het hele boekje doorwerken. Kortom, het boek is handig uitgegeven, maar de informatie is te beperkt in vergelijking tot de hoge kostprijs. [J.H.]

3243.Donation du Baron van Bogaert. Livres imprimés précieux. Catalogue rédigé par Anne ROUZET, Jeanne BLOGIE et Georges COLIN. – Bruxelles: Librairie Fl. Tulkens, 2002. 272 p.: ill.; 24 cm.
Catalogus van de schitterende collectie Franse literatuur (zeventiende-twintigste eeuw) van Ludo van Bogaert (zie nr. 3450), met als zwaartepunten 'Port Royal' en Paul Valéry. De uitzonderlijk fraaie exemplaren zitten in even uitzonderlijke banden (beschreven door Georges Colin) en bevatten vaak toegevoegde documenten (autografen, brieven etc.). Twee Renaissance-auteurs zijn vertegenwoordigd met een aantal contemporaine uitgaven van hun hoofdwerken: Montaigne (nrs. 1230-1235) en ... Antwerpenaar Jan van der Noot (nrs. 1795-1797 !). Met uitvoerige registers op: auteurs, kunstenaars, drukkers en boekverkopers, boekbinders (vooral Devauchelle en Semet & Plumelle), autografen en herkomsten, en 'Divers'. Smaakvolle uitgave, gezet uit de DTL Albertina van Chris Brand en keurig vormgegeven door Antoon de Vylder. [M.d.S.]

3244. – Jean-Alexis VANDEPUTTE, La bibliothèque d'Armand Simon, surréaliste hainuyer. Catalogue des éditions anciennes (1640-1830). Avec un texte inédit et sept reproductions d' oeuvres de l'artiste. – Mons: Université de Mons-Hainaut, 2001. – XXXV, 287 p.: ill. (Editions universitaires de Mons. Répertoires, 4). ISBN 2-87325-017-8.
De Henegouwse surrealistische beeldende kunstenaar Armand Simon (1906-1981) bezat een omvangrijke bibliotheek (ruim 9.000 banden), die hij aan de universiteitsbibliotheek van Mons/Bergen (Hg.) naliet. 283 werken in 594 banden dateren uit de periode vóór 1831: 13 uit de zeventiende eeuw, 78 uit de achttiende en 200 uit het begin van de negentiende eeuw (waaronder veel 'contrefaçons'). Het oudste boek is – merkwaardig genoeg – de beroemde Afbeeldinghe van d'eerste eeuwe der Societeyt Iesu (Antwerpen 1640). Er zitten enkele grote reeksen bij (onder meer de Voyages imaginaires, Amsterdam-Parijs, 1787-1789-an III in 39 banden). De boeken worden in thematisch/alfabetische volgorde behandeld en beschreven volgens de ISBD(A), met een vrij gedetailleerde inhoudsopgave (zeer interessant én nuttig). Als verdere ontsluiting zijn er talrijke registers: op auteurs en titels (p. 225250), kunstenaars (p. 251-259), drukkers per plaats (p. 260-270, vooral Parijs) en chronologisch (p. 271-273), een onderwerpenregister (p. 274-278), een per taal (andere dan Frans, p. 279), een op herkomsten (inclusief antiquaren, p. 280-285), een op handschriften en maculatuur, en op de 'contrefaçons' en de prijsboeken. Hoewel de collectie geen hoogtepunten bevat is deze vakkundige catalogus een nuttige bouwsteen voor de regionale en nationale boekgeschiedenis. [M.d.S.]

3245. – Berthe LHOIST-COLMAN, Les Renoz, papetiers liégeois (1781-1837) in Bulletin de la Société des Bibliophiles liégeois, 24, 2001, p. 281-331, ill.
In dit exclusieve jaarboek (want voorbehouden aan de leden) verschijnen sporadisch bijdragen in verband met het boek. Dit artikel is zowat een familiekroniek waarin de papierfabricage voor ons van belang is. Alles begon met de vader van Henri-Joseph-Albert Renoz (gedoopt in 1767) die in 1781 van de Grauwzusters in Luik 'les moulins dits moulins polets' verwierf. [E.C.-I.]

3246. – Daniel D'HERDT, Aanvulling bij De boekhandel en het boekdrukkersbedrijf in Aalst van 1700 tot 1830 in Het land van Aalst, 54, 2002, p. 311-314.
Aanvulling op Kroniek 22 nr. 2554. Er wordt verwezen naar drukken van Philippus de Brauw (1673-1699), Judocus Lodovicus D'Herdt (1772-1795), Jean Jacques Du Caju (ca. 1795), Jozef Sacré (1817-1849) en C.G. Spitaels (1824-1830). [J.H.]

3247. – Ludo VANDAMME & Marleen DEWULF (eds.), Oude drukken, dode letter? De vele gezichten van het oude boek. – Brugge: Openbare Bibliotheek, 2001. – 47 p.: omslag, ill.; 29 x 24, 5 cm.
Tussen de stad Brugge en de Vlaamse Gemeenschap werd een zogenaamd Convenant Cultureel Erfgoed gesloten met als opdracht een deel van het Brugse erfgoed te valoriseren. Daartoe werd de Erfgoedcel Brugge opgericht, die deze publicatie en de bijhorende tentoonstelling tot stand heeft gebracht. De coördinatie lag bij de openbare bibliotheek De Biekorf en haar verantwoordelijke voor het Historisch Fonds, maar de organisatoren konden rekenen op de medewerking van alle Brugse bewaarbibliotheken. In een aantal capita selecta werd het boek als object, als drager van inhoud en als historische bron aan de hand van voorbeelden uit Brugse bibliotheken voor een breed publiek in nieuw ontworpen toonkasten tussen de rekken opgesteld; niemand kon de boeken en documenten bijgevolg niet zien! Elk hoofdstuk bevat een goede inleidende tekst en een beschrijving van de tentoongestelde stukken. Bijzonder nuttig voor alle vakgenoten is de gids met praktische informatie betreffende de Brugse bibliotheken die een deel van dit erfgoed onder hun hoede hebben. De (digitale) ontsluiting hiervan, waarover in een laatste hoofdstuk, is de essentiële opdracht van het project. Het gaat om de oude Brugse drukken, 1473-1830, met inbegrip van gelegenheidsdrukwerk en overheidsdrukwerk. Incunabelen (Mansion, Brito ... ), schoolboekjes en muziekboeken, geillustreerde werken en banden, voor elk wat wils. Een tweede fase van het project zal gaan over de catalogisering van de drukken in Brugse bibliotheken bewaard. Beide deelprojecten zullen finaal in een geautomatiseerd VUBIS-bestand op het internet toegankelijk zijn. De fraai gepresenteerde brochure is zinvol samengesteld en overvloedig gei1lustreerd. [E.C.-I.]

3248. – Jan ANSEEUW, Guido BRUYNEEL, Stefanie GILTÉ, Sofie LEYTS, Ludo VANDAMME, Brugge, stad vol boeken in Brigitte Beernaert [... et al.], Brugge op zijn kant. Geïllustreerde wandelgids in 100 verhalen. Oostkamp: Stichting Kunstboek, 2002, p. 124-181, ill. – ISBN 90-5856-059-7.
Een verrassend boek! Naast 'Middeleeuws Brugge' (p. 6-65), 'De schaduwkant van Brugge' (p. 66-123) en 'Brugge aan tafel' (p. 182-239) – drie titels die een lezer wel kan, verwachten in een moderne wandelgids – is er het uitvoerige deel over boeken en bibliotheken in Brugge. Het beschrijft vijfentwintig panden of plaatsen die van belang zijn geweest in de Brugse boekenwereld: adressen van drukkers. boekhandelaren, antiquaren en verzamelaars van de vijftiende eeuw tot nu, evenals publieke plaatsen waar stads- en kloosterbibliotheken waren ondergebracht. De informatie is vrij uitvoerig en niet oppervlakkig – hier was een kennershand aan het werk! Van Vrelant en Goltzius, over de stadsbibliotheken en de familie Van Praet, tot de antiquariaten van Achille van Acker en de Vandeveldes – dit boek biedt de liefhebber een fascinerende wandeltocht aan. [M.d.S.]

3249. – Jozef JANSSENS & Remco SLEIDERINK (eds.), De macht van het schone woord. Literatuur in Brussel van de 14de tot de achttiende eeuw. – Leuven: Davidsfonds, 2003. 270 p.: ill; 24 cm. ISBN 90-6306-465-9.
Publicatie bij een tentoonstelling over (Nederlandse) literatuur in Brussel 1300-1800. Op die tentoonstelling waren belangrijke Brusselse handschriften en drukken te zien. In de opstellen bundel is helaas geen boekhistorisch artikel opgenomen, al komt Thomas vander Noot natuurlijk occasioneel aan bod. Overigens aardig overzicht van het literaire leven. [M.d.S.]

3250. – Edward VAN EVEN, Louvain dans le passé et dans le présent. – Leuven: Peeters, 2001. – 2 dl. (XVI, 684 + 430 p.): ill.; 37 cm. – ISBN 90-429-1017-8.
Van Evens 'Louvain' uit 1895 blijft het monumentale werk over de Leuvense stads geschiedenis – mede omdat het heel wat documenten en illustraties bevat van het Leuven dat in twee wereldoorlogen vreselijk werd geschonden. Alleen daarom al was een heruitgave noodzakelijk. De immer actieve Leuvense (muziek)historicus Gilbert Huybens heeft er echter ook voor gezorgd dat er een tweede deel aan werd toegevoegd. Daarin treft men onder meer aan: een biografie van Van Even (1821-1905) door Raymond van Uytven, een bibliografie van deze stadshistoricus door Gilbert Huybens, een studie over de 'Genese van een boek' (i.c. 'Louvain') ook door Huybens én een zeer gedetailleerd register op 'Louvain' met systematische verwijzingen naar latere literatuur. Elly Cockx-Indestege heeft dat gedaan voor de Leuvense drukkers, zodat die zeer verspreide informatie nu ook in één deel beschikbaar is. Overigens is de herdruk ook een fraai boekwerk geworden. [M.d.S.]

3251. – Jos M.M. HERMANS, Bücheinbande des 15. und 16. Jahrhunderts in Groningen und Ostfriesland: Aspekte spätmittelalterlicher und frühmoderner Buchkultur. – Wuppertal: Foedus Verlag, 2002. – 28 p.: ill.; 30 cm. (Veröffentlichungen der Johannes a Lasco Bibliothek, hrsg. Walter Schulz, 6). ISBN 3-932735-71-4.
Tentoonstellingscatalogus naar aanleiding van de gezamenlijke vergadering van het Duitse en het Belgisch-Nederlandse Bandengenootschap (zie nr. 3234). Twee grote delen: de decoratieve aspecten van de bandversiering, de Groningse en Ostfriese banden. Zeer instructieve catalogus over minder bekende banden. [E.C.-I.]

3252. – J. SPOELDER, Prijsboeken op de Latijnse school. Een studie naar het verschijnsel prijsuitreiking en prijsboek op de Latijnse scholen in de Noordelijke Nederlanden, ca. 1585-1876, met een repertorium van wapenstempels. With an summary in English. – Amsterdam & Maarssen: APA-Holland Universiteits Pers, 2000. – xix+852 p.: omslag, ill.; 22, 5 cm. ISBN 90-302-1222-5.
Spoelders werk over prijsboeken kan in twee delen verdeeld worden: de tekst, waarin het fenomeen prijsboeken bestudeerd wordt, en het repertorium van wapenstempels op prijsboeken van de Noord-Nederlandse Latijnse scholen van de zestiende tot en met de achttiende eeuw. Voor een bespreking en reactie op het werk van Spoelder, zie ook Archief- en bibliotheekwezen in België, 91, 2000, 3-4, p. 185-197. [J.H.]

3253. – J. Paul LISSENS, Emmanuel de Bom, stadsbibliothecaris. Publicatie bij de gelijknamige tentoonstelling, Antwerpen, Stadsbibliotheek, Nottebohmzaal, 4 september – 19 oktober 2003. – [Antwerpen: Stadsbibliotheek, 2003]. – 62 p.: omslag, ill.; 15 x 21 cm.
Emmanuel de Bom (1868-1953) was, naast een veelzijdig schrijver, ook een bekwaam bibliothecaris. In de Antwerpse Stadsbibliotheek organiseerde hij tentoonstellingen (waarbij hij een beroep kon doen op de ijverige bibliograaf Prosper Arents), catalogiseerde de incunabelen en bouwde de instelling uit tot een model bewaarplaats van het gedrukte Vlaamse erfgoed. Aardige, sfeervolle publicatie. [M.d.S.]

3254. – C[arine] D[UJARDIN], De intacte kloosterbibliotheek van de Hasseltse grauwzusters in KADOCin Nieuwsbrief, 2003, 4, p. 4-5, ill.
Archief en bibliotheek van de grauwzusters-franciscanessen in de Demerstraat te Hasselt, zijn overgebracht naar de bibliotheek van het KADOC. De kloosterbibliotheek bevat om en bij de 500 titels tussen 1589 en 1931. Waard om te worden onderzocht. [E.C.-I.]

3255. – Christiane BERKVENS-STEVELINCK, Magna commoditas. Geschiedenis van de Leidse universiteitsbibliotheek 1575-2000. Beeldredactie: Arnoud Visser. – Leiden: Primavera Pers/Universitaire Pers Leiden, 2001. – 264 p.: omslag, ill.; 29 cm. – ISBN 90-74310-71-0.
Uitvoerig geïllustreerd overzicht. Dit Leidse verhaal kon slechts beginnen dankzij de inbreng van Zuid-Nederlanders als M. Smetius, C. Plantijn, L. Elzevier en B. Vulcanius. [M.d.S.]

3256. – Pierre DELSAERDT, Suam quisque bibliothecam: boekhandel en particulier boekenbezit aan de oude Leuvense universiteit, 16de-18de eeuw. – Leuven: Universitaire Pers 2001. – 861 p.: ill.; 25 cm. – (Symbolae Facultatis Litterarum Lovaniensis, series A, 27). – ISBN 90-5867-169-0.
Met de uitspraak (in de titel) van de Leuvenaar Erycius Puteanus en met de emblematische houtsnede uit Alciato's verzameling emblemata op de stofwikkel is het behandelde onderwerp perfect aangekondigd: geleerde professoren op zoek naar het boek voor hun bibliotheek. De auteur, conservator van de historische collecties in de UFSIA, verdedigde in de lente van 2001 met glans zijn proefschrift en kon de voldoening smaken dit lijvige boek nog binnen het jaar gepubliceerd te zien. Hiervoor weze de Universitaire Pers Leuven in de persoon van prof. Dirk van den Auweele, terecht gefeliciteerd. Het verscheen in de reeks Symbolae van de Letterenfaculteit, door Scheerders van Kerchove gebonden in het inmiddels wel bekende ultramarijnlinnen. Het binnenwerk is uitermate bevredigend: papier, letter, typografie en druk bevorderen in hoge mate de lectuur van deze 'turf waarin de uiteenlopende aard van teksten een doordachte keuze vergt. Het moet gezegd, de lectuur is ook om een andere reden aangenaam. de auteur verstaat de kunst om vaak veel detailinformatie te bieden, in een synthese te vatten en dit alles in een uitstekend en elegant Nederlands uit te drukken. Ik druk de hoop uit dat aankomende wetenschappers zich hierdoor laten inspireren en verder dat hij de boekwetenschap, ook in het Nederlands, mag blijven bevorderen. Het uitgangspunt van deze dissertatie was tweeledig: wat. stond er bij een hoogleraar thuis op de plank en hoe verwierf hij zijn boeken. Op de zeven hoofdstukken volgt een groot aantal bijlagen van uiteenlopende aard maar van wezenlijk en blijvend belang. In hoofdstuk I wordt het 'eigen gelaat van de Leuvense boekcultuur' belicht met o.m. de rol daarin van stad en universiteit. In hoofdstuk II wordt een panorama geschilderd van het Leuvense boekbedrijf, waarmee de basis is gelegd voor een Leuvense bibliografie (die nog altijd op haar bewerker wacht!). Het in bijlage gepubliceerde repertorium van 'Leuvense drukkers, boekbinders en boekverkopers 1425-1797' levert een aanzienlijk aantal (in Rouzet en BT) onbekende namen op. In hoofdstuk III, 'Een humanistische boekhandel naast het Collegium Trilingue' leren we de Brusselaar Hieronymus Cloet, boekverkoper te Leuven, kennen. Wat had hij in 1543 aan boeken in voorraad? Cloet was slechts bekend uit een Leuvens procesdossier. In bijlage (over de honderd pagina's) is Cloets boekhandelsinventaris gepubliceerd en de titels geïdentificeerd met behulp van bibliografische standaardrepertoria. Veilingen en veilingcatalogi vormen het onderwerp van hoofdstuk IV. Boekenveilingen werden te Leuven gehouden vanaf medio zestiende eeuw. De eerste Leuvense gedrukte veilingcatalogus dateert uit 1636. Twee casussen worden extra onder de loep genomen: de boekhouding van Georgius Lipsius en de registers van Joannes Franciscus van Overbeke, beiden boekverkoper in Leuven. Van de vier bijlagen bij dit hoofdstuk is de lijst van Leuvense boekenveilingen tot 1797 (met register), al dan niet met catalogus, voor de lezer de belangrijkste. De bibliotheken van de hoogleraren Henricus Crockaert (1581) en Libertus Fromondus (1653) worden bestudeerd en de inventaris gepubliceerd in hoofdstuk V en VI. In het laatste hoofdstuk, VII, laat D het licht vallen op een aantal achttiende-eeuwse professorenbibliotheken. Veel meer dan op openbare bibliotheken en veel meer dan nu, was de geleerde in de Moderne Tijd op zijn eigen bibliotheek aangewezen. Het boekenbezit van particulieren kennen is dus van essentieel belang om inzicht te verwerven in de geschiedenis van de 'wetenschappelijke informatievoorziening' van wetenschappers in die periode. Elders in dit tijdschrift is deze publicatie uitvoerig besproken. Daarom heb ik mij hier beperkt tot een overzicht van de inhoud in vogelvlucht en tot de boekverzorging. [E.C.-I.]

3257. – Dirk IMHOF, Aanwinsten van het Museum Plantin-Moretus in 2002 in De Gulden Passer, 81, 2003, p. 219-222, ill.
De rijke verzameling drukken van de 'Officina Plantiniana' werd ook in 2002 met enkele bijzondere uitgaven of exemplaren verrijkt: vier Plantijnse uitgaven, zes Moretusdrukken, en een bijzonder exemplaar van een Raphelengiusdruk. [M.d.S.]

3258. – Jean-Louis DECHERF & Laurence RIOCHELLE e.a., Université catholique de Lille: 25 ans d'acquisition pour le fonds patrimonial de la Bibliothèque: une rétrospective de l'histoire du livre. Exposition du 14 juin au 24 juillet 2002. [Lille: Université catholique]; (Roubaix: Impr. Vervaeke), 2002. – 111 p.: couv., ill.; 30 cm.
Hoofdbibliothecaris Decherf biedt een geschiedkundig overzicht van de bibliotheek van deze universiteit, opgericht in 1873 en van meet af aan behoedster van boeken. Aan de hand van twintig capita selecta was de bedoeling de evolutie van het gedrukte boek te tonen, met medewerking van een rist deskundigen. Er zijn Antwerpse drukken bij, drie van de vier polyglotte Bijbels, de Bijbel van Douai uit 1582, een aantal Nederlandstalige drukken uit leper, Sint- Winoksbergen en Duinkerke. En nog meer interessante zaken. Registers ontbreken niet! [E.C.-I.]

3259. – Peter GIJSBERS en Anton VAN KEMPEN (eds.), Deugdelijke arrebeid vordert lang bepeinzen: jubileumboek uitgegeven ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan van uitgeverij Bohn 1752-2002. – Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 2002. – xv, 350 p.: omslag, ill.; 25 cm. – ISBN 90-313-2525-2.
In alle opzichten voortreffelijk uitgegeven gedenkboek (in een vormgeving van Peter Matthias Noordzij !). Deel I, van 1725 tot 1900 staat in het teken van uitgeverij, drukkerij en boekhandel. Deel II belicht het bedrijf Erven F. Bohn als wetenschappelijke uitgeverij (1900-1950). Deel III, van 1950 tot heden, volgt de ontwikkeling van De Erven F. Bohn tot Bohn Stafleu VanLoghum, uitgevers in groot verband. Volgen nog enkele nuttige bijlagen en register. Fraai geïllustreerd. [E.C.-I.]

3260. – Lotte HELLINGA, Alastair DUKE, Jacob HARSKAMP, Theo HERMANS (eds.), Elaine PAINTIN (medew.), The Bookshop of the World: The role of the Low Countries in the booktrade 1473-1941. Proceedings of a conference held in London 15-17 September 1999 organized by The Association for Low Countries Studies; University College London, Centre for Dutch and Flemish Culture; The British Library, Dutch and Flemish Section; Wellcome Institute for the History of Medicine. – 't Goy-Houten: HES & De Graaf, 2001. – 332 p.: ill. – ISBN 90-6194-039-7.
De lezingen van het geslaagde gelijknamige congres in de nieuwe British Library (15-17 september 1999) zijn nu ook gebundeld in een keurige publicatie. Twee algemene lezingen openen het boek: Lotte Hellinga 'The bookshop of the world: books and their makers as agents of cultural exchange' (p. 11-29) en Ludo Simons 'The fortunes and misfortunes of book publishing in Flanders' (p. 31-47). De meeste bijdragen hebben vooral betrekking op de Noordelijke Nederlanden, maar zijn uiteraard het lezen meer dan waard. Een aantal artikelen wordt elders in deze kroniek besproken. Het hele boek is ontsloten door een uitvoerig register. Een nuttig overzicht derhalve van de veelvoudige wegen die boeken uit de Nederlanden aflegden en een boeiende uitnodiging tot verdere exploratie. Aanbevolen lectuur voor (boek)historici. [M.d.S.]

3261. – Carmélia OPSOMER, L'almanach de Mathieu Laensbergh et les savoirs médiévaux in Bulletin de la Société des Bibliophiles liégeois, 24, 2001, p. 113-141, ill.
De almanak bestudeerd vanuit de invalshoek 'volksboek'. De beroemdste (?) vertegenwoordiger van dit soort lectuur is Mathieu Laensbergh. Niettemin wordt aan de voorgangers ook aandacht besteed. [E.C.-I.]

3262. – Bert VAN SELM, De Amadis van Gaule-romans: productie, verspreiding en receptie van een bestseller in de vroegmoderne tijd in de Nederlanden. Met een bibliografie van de Nederlandse vertalingen. Bezorgd en uitgegeven door Berry Dongelmans. Met medewerking van Sylvia van Zanen en Elizabet Zeeman. – Leiden: Stichting Neerlandistiek Leiden, 2001. – 240 p.: ill.; 24 cm. (SNL-reeks, 8). – ISBN 90802290-8-3.
De Leidse boekhistoricus Bert van Selm (1945-1991) was geboeid door het verschijnsel 'populaire literatuur' en hij heeft tal van inzichten uit de moderne boekwetenschap daarop toegepast. De zestiende-eeuwse bestseller Amadis de Gaule fascineerde hem en hij heeft jarenlang aantekeningen gemaakt om diens drukgeschiedenis in kaart te brengen. Enkele collega's hebben zijn onvoltooid gebleven materiaal zoveel mogelijk persklaar gemaakt en het door bijkomend onderzoek aangevuld. Dit boek omvat een uitvoerig inhoudsoverzicht van de roman-fleuve (24 'boeken'), een stand van zaken en reconstructie van de publicatie geschiedenis in de Nederlanden, een onderzoek naar de boekenprijzen (o.m. uit voorraadcatalogi) en de verspreiding en receptie van het werk in de Nederlanden. Daarop volgt een bibliografische beschrijving van de Nederlandstalige Amadisromans. Als extraatje is een uitvoerige samenvatting toegevoegd van het onderzoek van Sylvia van Zanen naar de invloed van de Franstalige Antwerpse edities op de Nederlandstalige uitgaven. Hoewel niet geheel afgerond en in enkele onderdelen wat gedateerd (de behandeling van de boekenprijzen), is Van Selms postume boek een welgekomen bijdrage tot de Nederlandse boekgeschiedenis. [M.d.S.]

3263. – Stefan KIEDRON, Nederlandse 'emblemata' in de bibliotheken van Wroclaw in De steen van Alciato: literatuur en visuele cultuur in de Nederlanden. Opstellen voor prof dr. Karel Porteman bij zijn emeritaat = The Stone of Alciato: Literature and visual culture in the Low Countries. Essays in honour of Karel Porteman. Eds. Marc van Vaeck, Hugo Brems & Geert H.M. Claessens. – Leuven: Peeters, 2003, p. 1063-1083, ill. – ISBN 90-429-1374-6.
In de rijke oude collecties van Wroclaw/Breslau bevinden zich talrijke edities van emblematabundels uit de Nederlanden, waaronder zelfs Nederlandstalige van Heinsius, Roemer Visscher én ... Jan van der Noot. [M.d.S.]

3264. – Marcus de SCHEPPER, 'Amblemata voor de uldinge'. Een zestigtal 'onbekende' Zuid-Nederlandse embleemdrukken in de Brusselse Koninklijke Bibliotheek in De steen van Alciato (zie nr. 3263), p. 1085-1118, ill.
In Landwehrs Emblem and fable books printed in the Low Countries 1542-1813 (1988) komen wel een aantal emblematische gelegenheidsteksten voor, maar daar moeten er veel meer van zijn geweest. Een verkenning van een aantal convoluten met gelegenheidspublicaties bewaard in de Brusselse Koninklijke Bibliotheek leverde meteen een zestigtal aanvullingen op: bijkomende exemplaren, maar vooral nog met beschreven emblemata publicaties. Die worden in extenso beschreven (titelpagina, collatie, inhoud, exemplaren) en verder ontsloten met registers op drukkers en boekverkopers, personen en plaatsen. [M.d.S.]

3265.The children's world of learning 1480-1880. A collection of printed books, manuscripts, broadsheets and prints illustrating four centuries of education and popular culture in Western Europe with emphasis on the Low Countries. – 't Goy-Houten (Utrecht): FORUM Antiquarian Booksellers S. Hesselink, 1994-2002. – 10 bdn.: ill.; 30 cm.
Samen vormen deze tien afleveringen één grote catalogus van kinderboeken, een standaardwerk waar men niet meer om heen kan. Een bespreking door Carl-Ernst Kohlhauer verscheen in Aus dem Antiquariat, 2003, 4, p. 308-311. [E.C.-I.]

3265bis. – Chris COPPENS m.m.v. Ingrid DE POURCQ, Boek & kind. 3 x driemaal zeven en nog wat kinderboeken & boekenkinderen in de Universiteitsbibliotheek Leuven. – Leuven: Universiteitsbibliotheek, 2002. – 49 p.: ill.; 21 cm.
Catalogus bij de gelijknamige Leuvense tentoonstelling (21 april – 10 juli 2002). Bij elk exemplaar is ook de herkomst vermeld. Met registers op auteurs en anoniemen, drukkers en uitgevers, en natuurlijk herkomsten. [M.d.S.]

3266. – Jeroen SALMAN, Terug naar Luilekkerland. Een publicatiegeschiedenis van vijf eeuwen in De boekenwereld, 17, 2000-2001, p. 232-260, ill.
Luilekkerland – 'daer men de kost cruijcht sonder wercken' (Verhael met den almanach van het Luylecker-landt, Antwerpen 1692) – heeft steeds tot de verbeelding gesproken. S schetst, vertrekkend van de twintigste-eeuwse uitlopers in kinderboeken en strips, hoe dit thema enkele eeuwen in boek en prent aan bod is gekomen. Met Noord-Nederlandse voorbeelden en een enkel Zuid-Nederlands. Bedoeld als begeleidende tekst bij de tentoonstelling (juli-oktober 2001) in het Museum van het Boek. [M.d.S.]

3267. – Paul VRIESEMA (+), Eulenspiegel-Drucke in niederländischer Sprache von ca. 1520 bis 1830: eine Bibliographie [Bearbeitet von André Th. Bouwman und José A.E. Bouman] in Quaerendo, 32, 2002, 1-2, p. 3-59, ill.
Paul Vriesema, de in 1989 overleden pionier van de STCN, had jarenlang materiaal verzameld voor een bibliografie van de Nederlandstalige Uilenspiegeldrukken. Twee vakgenoten hebben het nagelaten materiaal persklaar gemaakt, aangevuld en gepubliceerd. Het resultaat mag er zijn: 83 edities bekend in 118 exemplaren, waaronder 49 met slechts één exemplaar – het boekenpatrimonium blijft kwetsbaar! De oudst bewaarde druk is de Antwerpse van Michiel Hillen van Hoochstraten (NK 2088: ex. Kopenhagen). De beschrijving omvat: transcriptie van de titelpagina (en vaak ook een foto ervan), collatie met inhoudsopgave, exemplaarinformatie en een bibliografisch of filologisch commentaar. Registers op drukkers (vooral Amsterdam en Antwerpen, maar ook Gent), bewaarplaatsen, en een ordening volgens de Zuid- of Noord-Nederlandse teksttraditie sluiten dit belangrijke overzicht af. [M.d.S.]

3268. – Kristian JENSEN (ed.), Incunabula and their readers: printing, selling and using books in the fifteenth century. – (London): The British Library, 2003. – X, 291 p.: ill.; 25, 5 x 18 cm. – ISBN 0-7123-4769-0.
Als bijdrage tot de viering van het Gutenbergjaar 2000 organiseerde de British Library een conferentie in de University of London. Een keuze van elf lezingen weerspiegelen duidelijk de invalshoek die men zich voorop had gesteld, te weten de onderlinge relaties tussen auteur, drukker, illustrator (productie), de economische imperatieven (verspreiding) en de rol van kopers en lezers (receptie), het inmiddels klassiek geworden patroon. Geen van deze bijdragen heeft rechtstreeks iets met de Nederlanden te maken; de bespreking van het drieluik 'De zeven sacramenten' van Rogier van der Weyden – althans van de boeken die op dit schilderij voorkomen (zie ook de mooie stofwikkel) – door Christina Dondi maakt echter veel goed! Maar vóór alles is dit boek voor de incunabilist en de boekhistoricus meer dan lezenswaard. Eén niet te onderschatten nadeel: de noten staan niet aan de voet van de pagina, maar zijn achterin gebundeld onder de titel 'Notes', met als enige kopregel 'Notes': een gehaspel als je de noten wil lezen – waartoe ze toch bestemd zijn! Blaise Agüera y Arcas (Princeton University) onderzoekt aan de hand van matrijzen en stempels in Gutenbergs Donatus-Kalender-type het (tijdrovend) vervaardigen van matrijzen en stempels: waarom heeft Gutenberg eenzelfde letter verschillende malen gegraveerd? In het raam van de bewerking door Lotte Hellinga (BL Londen) van BMC XI presenteert zij een onderdeel: 'Tradition and renewal: Establishing the chronology of Wynkyn de Worde's early work' (van de 48 drukken uit de vijftiende eeuw zijn weinige gedateerd). De vernieuwing bestaat in een poging tot begrip van hoe letter geproduceerd werd en welke haar functie was bij het weergeven van tekst. Meer dan één artikel in deze publicatie is aan getijdenboeken gewijd: géén overbodige luxe, want die stellen nog steeds de nodige problemen. Mary Beth Winn (State University of New York, AY) onderzoekt de illustraties in Parijse getijdenboeken, meer bepaald de 'borders and repertoires'. Met repertoire is bedoeld de lijst van iconografische thema's die in sommige getijdenboeken is afgedrukt. Christina Dondi (Bodleian Library, Oxford) levert een fundamentele bijdrage met haar onderzoek naar 'the developement of the texts in printed form' van ongeveer 425 getijdenboeken gedrukt vóór 1501: De inhoud blijkt lang niet zo 'uniform' te zijn als men geneigd is te denken. Zij behandelt de in Italië en Frankrijk gedrukte Horae ad usum Romanum. Mary Kay Duggan (University of California, Berkeley) interesseert zich voor 'Reading liturgical books’: lezen, maar ook zingen, ja handelingen verrichten. Lilian Armstrong (Wellesley College, MA) heeft het over de verluchting met de hand van venetiaanse bijbels, voornamelijk tot 1480. Incunabulisten kennen het verschijnsel, maar weten er vaak niet zoveel van. Kristian Jensen (BL Londen) bespreekt drie aspecten van de bijbeldruk: 'Printing the Bible in the fifteenth century: devotion, philology and commerce'. John L. Flood (University of London) nodigt uit met de intrigerende titel 'Volentibus sibi comparare infrascriptos libros impressos...: printed books as a commercial commodity in the fifteenth century'. Als het boek niet bij de lezer komt, is 't al moeite voor niet! Holger Nickel (Gesamtkatalog, Berlijn) buigt zich over de incunabeluitgaven die het woord 'oratio' bevatten. Falk Eisermann (UB Leipzig) gaat in op een thema waarmee hij bijzonder vertrouwd is, de eenbladdrukken of planodrukken: oorsprong, transmissie, lezers. Bettina Wagner (BSB Munchen) tenslotte geeft een boeiend verhaal van de incunabelcollectie van het benedictijner klooster in Regensburg en de catalogus ervan door Dionysius Menger in 1501 samengesteld. [E.C.-I.]

3269. – Lotte HELLINGA, Printing history as cultural history in Gutenberg Jahrbuch, 2001, p. 20-26.
Terloops wordt gezegd dat H. Junius in zijn Batavia illustrata uit 1566 voor het eerst het woord incunabulum gebruikt om een vroege druk, i.c. de Nederlandse editie van het Speculum Humanae Salvationis, aan te duiden. Het woord is juridisch jargon met de betekenis van eerste, oorspronkelijke, nieuwe vorm. [E.C.-I.]

3270. – Bart OP DE BEECK, Rond de wieg in Archives et Bibliothèques de Belgique = Archief- en Bibliotheekwezen in België, 72, 2001, p. 237-260.
Dit is een besprekingsartikel waarbij de centrale thema's incunabel en incunabulistiek zijn. De bespreking van Martin Davies, The Illustrated Incunabula Short-Title Catalogue on CD-ROM (Reading: Primary Source Media in association with the British Library, 1997- [=IISTC], Lotte Hellinga (ed. in chief) & Martin Davies (ed.), Incunabula: the Printing Revolution in Europa, 1455-1500. [Full text on microfiche] (Reading: Research Publications, 1993- [=IPRE] en Gerard van Thienen & John Goldfinch (eds.), Incunabula printed in the Low Countries: a census (Nieuwkoop: De Graaf, 1999) [=ILC], zijn aanleiding geweest om, naast en rond de eigenlijke recensie, lezenswaardige beschouwingen en historische uitweidingen te bezorgen, gestoffeerd met tal van bibliografische verwijzingen. Voor de aankomende bibliograaf-incunabulist is dit artikel verplichte lectuur. [E.C.-I]

3271. – Elly COCKX-INDESTEGE, Classica et humanistica: een Belgische incunabelcollectie uit de twintigste eeuw in De Gulden Passer, 81, 2003, p. 1-113, ill.
Gedetailleerde catalogus van 128 incunabeledities aanwezig in een Belgische privéverzameling, met voornamelijk klassieke auteurs, humanisten en de grote namen uit de christelijke middeleeuwen. Bijzondere aandacht is besteed aan de exemplaarkenmerken: versiering, band, gebruik en herkomst. De systematisch beschreven of afgebeelde (oudere) bandversiering maakt dit 'artikel' ook een belangrijke bijdrage voor boekbandhistorici. Het geheel is ontsloten door allerlei registers (auteurs, drukkers, boekbanden, herkomsten) en concordanties. Bovendien is de publicatie verlucht met 24 (!) kleurenillustraties. Een model in zijn genre en hopelijk ook een inspirerend voorbeeld. [M.d.S.]

3272. – Jean-François GILMONT & Roland HISSETTE, Une omission et sa restitution dans un incunable des Commentaires moyens d'Averroès sur la 'Logica vetus' (Venise, 1489) in Miscellanea Bibliothecae Apostolicae Vaticanae, VIII, 2001, p. 257-298, ill. (Studi e testi, 402).
Inhoudelijk heeft dit onderzoek niets met de Nederlanden te maken, methodologisch is de neerslag ervan van universeel belang. Hissette is vertrouwd met Averroes en zijn werk en heeft de 'bibliologische' anomalie grondig geanalyseerd terwijl de boekhistoricus Gilmont de gang van zaken – hoe is de anomalie ontstaan? – probeert te reconstrueren. Daarvoor gaat hij stapsgewijs alle mogelijke handelingen van zetter, drukker en binder na. Dit artikel illustreert op ideale wijze de nauwe samenhang tussen teksteditie en bibliografie. [E.C.-I]

3273. – Holger NICKEL, Inkunabeln als Lagerproblem Mischexemplare in Aus dem Antiquariat, 2003, 1, p. 29-33.
Cijfermatige benadering van wiegedrukken opgeslagen in de drukkerij/boekhandel. Met de uitvinding van de beweegbare drukletter veranderde niet enkel de techniek, ook drong zich een nieuwe organisatie op bij het verhandelen van boeken. Men realiseert zich niet zo gauw het soms astronomische aantal bedrukte vellen dat ligt te wachten op de verdere afwikkeling! Dat bij het sorteren en afnemen van deze vellen soms wel eens iets fout liep, is niet verwonderlijk. Informatief en plezierig geschreven artikel, opgedragen aan de Darmstadtse handschriften- en incunabelspecialist Kurt Hans Staub. [E.C.-I.]

3274. – Lore SPRANDEL-KRAFFT, Ein Donatfund in Würzburg in Einbandforschung, 12, 2003, p. 9-12, ill.
Maculatuur in een Straatsburgse druk uit 1495 van een schoolboek (Hubay, Würzburg 1837), bestaande uit een dubbelblad, blijkt na onderzoek een fragment te zijn van een 27regelige Ars minor-uitgave op perkament, gedrukt in het Salicetotype, (1495?). Misschien behoort het wel tot een onbekende uitgave. [E.C.-L]

3275. – Geert H.M. CLAESSENS, Schaken met de dood: een rijmprent uit de late vijftiende eeuw in De steen van Alciato (zie nr. 3263), p. 461-475, ill.
De rijmprent door W.L. Schreiber in zijn Holzschnitte aus offentlichen Bibliotheken Norddeutschlands (Straatsburg, 1923), nr. 6 gereproduceerd naar het enig exemplaar in de DB van het toenmalige Königsberg (nu Kaliningrad), is vermoedelijk verloren gegaan. Schreiber lokaliseert de xylotypografie in Vlaanderen tussen 1470 en 1485. Claessens, die hier vorm en inhoud bestudeert en in zijn context plaatst, neemt Brabant in overweging Welke incunabulist ontfermt zich over dit blad? [E.C.-L]

3276. – Sorin CIUTACU, Flemish-English cultural corridors: William Caxton and his cultural revolution in The bookshop (zie nr. 3260), p. 55-60.
Hoewel Caxtons kennismaking met boekproductie in het Rijnland plaatsvond (Keulen !), is het toch de economische en culturele connectie tussen Vlaanderen en Engeland die hem tot het drukken van zijn Engelse teksten bracht. [M.d.S.]

3277. – Dennis SCHOUTEN, 'Hypothese op hypothese stapelen': theorieën over de Freeska Landriucht-drukkerij, een overzicht in De boekenwereld, 17, 2000-2001, p. 166-194, ill.
Op grond van het lettertype konden zes incunabeluitgaven aan de zogenaamde Freeska-Landriuchtdrukkerij worden toegeschreven. Geen enkele is gedateerd maar zijn tussen 1483 en 1486 te plaatsen. S analyseert en synthetiseert in een zeer overzichtelijk artikel het resultaat van de talrijke studies die sedert de achttiende eeuw aan de (nog steeds) ongedetermineerde druk van het Freeska Landriucht (ILC 1407) werden gewijd. In zijn recente watermerkenonderzoek heeft Gerard van Thienen die datering kunnen verfijnen, maar meer dan een bevestiging is het niet. S probeert bij wijze van afronding zeven nieuwe zoekpistes aan te geven. Plezierig geschreven en met pittige portretten van sommige van de betrokken onderzoekers verlucht. [E.C.-I.]

3278. – Alain ARNOULD, Boethius op de drempel van een nieuw tijdperk: van handschrift naar druk en van druk naar handschrift. De productie van Boethius' De consolatione Philosophiae als voorbeeld van de overgang van geschreven naar gedrukte boek in het laat 15de-eeuws Vlaanderen in 'Als ich can' (zie nr. 3218), I, p. 47-70, ill.
Met reproducties in kleur van pagina's met miniaturen uit de druk van Arend de Keysere naar het exemplaar in Cambridge University Library, UB Utrecht, KB Brussel, British Library London, naast een paar uit handschriften. De publicatie van Mariken Goris (niet Gorris zoals in de lijst, met een ander werk) over Boethius in het Nederlands (zie Kroniek 26 nr. 3131) ontbreekt in het literatuuroverzicht. Nuttig is de lijst van exemplaren voorzien van miniaturen. [E.C.-I.]

3279. – Anne DUBOIS, La bibliothèque de Philippe de Hornes, seigneur de Gaesbeek et un Valère Maxime exécuté dans l'atelier de Colard Mansion in 'Als ich can' (zie nr. 3218), I, p. 611-627, ill.
Uit een archiefstuk, gedateerd 1480 (geciteerd door C. Carton in 1847) blijkt dat het gaat om een handschrift door Mansion vervaardigd voor Filips van Hoorn, heer. van Gaasbeek, door de auteur geïdentificeerd als Parijs, Bib. de l’Arsenal, ms. 5194. De legger blijkt de editio pnnceps te zijn, gedrukt vóór 1476 door de zg. 'Drukker van Flavius Josephus' (Polain 3898)! Aan de literatuurlijst kan worden toegevoegd M.- T. Lenger, 'Contribution de la codicologie à l’étude des incunables’ verschenen in Calames et cahiers: mélanges de codicologie et de paléographie offerts à Léon Gilissen. Ed. J. Lemaire & E. Van Balberghe, Bruxelles, Centre d'Etudes des manuscrits, 1985, p. 99-106. [E.C.-I.]

3280. – Gisela GERRITSEN-GEYWITZ, The Utrecht printer Nicolaus Ketelaer in Quaerendo, 31, 2001, p. 137-147, ill.
Veel concrete data over het leven van de Utrechtse drukker Nicolaas Ketelaer zijn niet bekend, met uitzondering dan van de boeken die hij samen met Gerard de Leempt heeft gedrukt. De laatste stand van onze kennis ter zake dateert van wat de Hellinga's en S. Corsten hebben gepubliceerd. GGG is er nu in geslaagd iets meer licht in de duisternis te laten schijnen dankzij informatie uit het Utrechts Archief gehaald, die onder andere bevestigt wat bekend was over zijn afkomst en kapitaalkracht. Toch blijven er vraagtekens: wie van de twee Claes Ketelaers, vader (+1488) en zoon (+ 1510), heeft samen met De Leempt de ons bekende boeken gedrukt (1473-1474)? Waar rubricering en penwerk normaal op de plaats van bestemming (koper) werden aangebracht hebben beide drukkers een aantal van hun boeken (24 op de 140) 'afgewerkt' op de markt gebracht en dus zelf voor een en ander ingestaan. De grote gelijkenis bovendien van het penwerk in elf drukken – ook aan te treffen in minstens één handschrift uit de Utrechtse kartuis – kan niet anders dan wijzen op één en hetzelfde atelier. Laat de boeken ook zèlf spreken, is de gulden raad van GGG. [E.C.-I.]

3281. – Margriet HÜLSMANN, Gedecoreerde handschriften uit tertiarissenconventen in Amsterdam en Haarlem: boekenbezit versus boekproductie in Ons geestelijk erf, 74, 2000, p. 153-180, ill. [=De derde orde van Franciscus in het bisdom Utrecht. Lezingen van het symposium op 8 oktober 1999 te Amersfoort georganiseerd door de mediëvistenkring van de Vrije Universiteit Amsterdam. Eds. Koen Goudriaan & Thom Mertens].
Voor de incunabulist methodologisch belangrijke bijdrage over boekdecoratie. [E.C.-I.]

3282. – Hanneke DE BRUIN, Illustraties in gedrukte getijdenboeken uit en voor de Nederlanden in Millennium, 14, 2001, p. 104-127, ill.
Aan de hand van alle gedrukte Nederlandse getijdenboeken met illustraties van 1475 tot 1530, wil dB nagaan of er een 'standaard beeldmodel', elders 'beeldstandaard', bestaat. De illustraties zijn thematisch in kaart gebracht (tabel van drie bladzijden); de bibliografische identiteit van de 34 drukken (23 incunabelen, 11 postincunabelen) zit helaas opeengepakt in één lange voetnoot – dit is niet erg handig, het is geen bijzaak! Als vergelijkingsmateriaal worden de Parijse getijdenboeken er – terecht – bijgehaald. Gerard Leeu zou met de cyclus in zijn druk uit 1491 (KC I 835a = ILC 1229) grote invloed hebben gehad. Het overerven en kopiëren van blokken zorgt automatisch voor een sterke verspreiding. Of dit een bewust aangedragen beeldstandaard is, wil ik even in twijfel trekken. Is dit niet veeleer iconografisch bepaald? Voor de postincunabelperiode blijkt dit volgens dB inderdaad zo te zijn: de diversiteit in de uitbeelding is veel groter. Het lijkt mij in deze materie, en met het vooropgestelde doel, van meer belang naar de interpretatie en de stijl te kijken dan naar de voorstelling. Terecht komt dB dan ook tot de bevinding dat er van een 'alles-overlappende beeldstandaard' geen sprake is. Tot slot probeert dB de oorsprong van de afbeeldingen te duiden. Het zou goed zijn als het onderwerp in een ruimer verband – andere teksten met analoge illustratie – zou worden onderzocht. [E.C.-I.]

3283. – Dominique VANWIJNSBERGHE, Réalité et fiction chez le maître du livre d' heures de Dresde: le frontispice du cartulaire de l' Hôpital Saint-Jacques de Tournai (Tournai, Bibliothèque de la Ville, ms. 27) in 'Als ich can' (zie nr. 3218), II, p. 1509-1546, ill.
Het handschrift is door de Doornikse binder Janvier gebonden. [E.C.-I.]

3284. – Margriet HÜLSMANN, Cambridge. Fitzwilliam Museum Ms. McClean 94: its decorative penwork and what it tells us about the book's production in 'Als ich can' (zie nr. 3218), I, p. 577-700, ill.
Onderdeel van dit uitgebreid onderzoek over penwerk is de boekband. De stempelband van het besproken handschrift, met zijn Lam-Gods-met-wimpelpaneel, wijst, evenals de kalender van het handschrift, naar Hoorn. Ook andere exemplaren met dit paneel zouden dus als Fries kunnen worden aangezien. In een overzichtstabel van zeven handschriften met analoge zogenaamde 'Utrechtse' kalenders, blijkt dat er vier zijn met hetzelfde paneel, en twee met een van de negen variante panelen. [E.C.-I.]

3285. – Sylvie KARPP-JACOTTET, Die spätmittelalterlichen Einbände aus dem niederrheinischen Kreuzherrenkonvent Marienfrede in Gutenberg Jahrbuch 2003, p. 284-295, ill.
Methodologisch en illustratief voorbeeldige bijdrage over een klooster binderij in het Nederrijnse gebied dat tot hetzelfde cultuurgebied behoorde als onze streken. [E.C.-I.]

3286. – Carmélia OPSOMER, La reliure: 1400-1550 in Art en Namurois: La sculpture 1400-1550. Exposition... Namur, Musée des arts anciens. Catalogue. Ed. Jacques TOUSSAINT. Namur: Société archéologique: Service de la Culture de la province de Namur, 2001, p. 361-370, ill. (Monographies du Musée des arts anciens du Namurois, 22).
Drievoudige bronnen liggen aan de basis van de vraagstelling in hoeverre de boekbanden in de vijftiende en zestiende eeuw wel 'Naams' zijn: de banden zelf, de oude inventarissen, de getuigen van vorsers en belangstellenden. Verschillende banden zijn afgebeeld (helaas wat klein, en zonder enig wrijfsel van stempels) en beschreven. [E.C.-I.]

3287. – Renaud ADAM, Un incunable de l' archevêque François Buisseret (1549-1615): Réserve précieuse de la Bibliothèque royale à Bruxelles, Inc B 1277 in Annales de la Société archéologique de Namur, 77, 2003, p. 57-63.
Buisseret was aartsbisschop van Kamerijk en heeft tussen 1585 en 1586 deze Bernardinus van Siena verworven. Door Johann Amerbach gedrukt in een niet nader genoemd jaar (Polain 566) kan het boek, afgaand op een rubriceringsdatum in het exemplaar te München (BSB-Ink B-298), vóór 1490 of misschien in 1490, zijn gedrukt. Vóór hem was het exemplaar in het bezit van Rooklooster, ten behoeve van Rolandus Asbroeck en confraters. Wat er na de dood van de aartsbisschop mee gebeurde bleek ook te traceren. [E.C.-I]

3288. – Renaud ADAM, La bibliothèque du prieuré du Val-des-Écoliers à Houffalize: 8 volumes conservés à la Bibliothèque royale de Belgique in Archives et Bibliothèques de Belgique = Archief- en Bibliotheekwezen in België, 73, 2002, p. 311-333.
Van de bibliotheek in de priorij van reguliere kanunniken Sint-Catharina te Houffalize (prov. Luxemburg; dertiende-achttiende eeuw) zijn twee catalogi bewaard, beide uit de achttiende eeuw. In 1786 wordt een inventaris opgesteld, bestemd voor Brussel waar de boeken door Joseph Ermens openbaar werden verkocht. Adam bestudeert aan de hand van deze bronnen volume, aard en inrichting van de bibliotheek. Hij pikt er vervolgens de incunabelen uit en geeft de lijst van boeken die in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel zijn beland, met toelichting. [E.C.-I]

3289. – Albert DEROLEZ, Early humanism in Flanders: new data and observations on the library of Abbot Raphael de Mercatellis (+ 1508) in Les humanistes (zie nr. 3237), p. 37-57, ill.
En marge van zijn grote Corpus catalogorum Belgii heeft Derolez voor de gelegenheid de humanistenbibliotheken onderzocht. Behalve leden van de Adornesfamilie en de bekende jurist Filip Wielant zijn er voornamelijk bibliotheken te vinden bij de geestelijkheid in Vlaanderen, Brabant, Luik en Namen. Behalve drukken zijn er natuurlijk ook handschriften in de catalogi en inventarissen aan te treffen. D gaat in het bijzonder in op Raphael de Mercatellis waarover hij reeds eerder publiceerde, maar kan nu nieuwe handschriften aan de lijst toevoegen. Hij toont aan hoe, inzake het schrift de 'Bourgondische' bibliofilie het hier haalt op het humanistische schrift: in zijn handschriften wordt een 'gothico-humanistica’ gebruikt. [E.C.-I]

3290. – Eric Marshall WHITE, Long lost leaves from Gutenberg's Mons-Trier II Bible in Gutenberg Jahrbuch, 2002, p. 19-36.
De 'detective stories' in verband met Gutenbergs 42-regelige bijbel worden ons met de regelmaat van een klok opgedist. In 1988 deed Gunther Franz de bevindingen van het onvolledig exemplaar, in Trier en in Mons bewaard, uitvoerig uit de doeken (Zie Kroniek 14 nr. 1178). White kan nu aantonen dat er meer (bekende) fragmenten tot dit exemplaar behoren. [E.C.-I]

3291. – Koen GOUDRIAAN, Boekdistributie langs kerkelijke kanalen in de late Middeleeuwen in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 8, 2001, p. 43-57, ill.
De publicatie van M. Oosterbosch over een contract gesloten tussen Dirk Martens en de abt van de benedictijnenabdij Werden en Egmond (Zie Kroniek 24 nr. 2841) vormt de rode draad bij het onderzoek van G naar de rol die kerkelijke organen bij de verspreiding van voornamelijk Latijnse drukken tot ca. 1540 speelde, de relatie met gevestigde 'distributeurs'. Dat de geestelijkheid zich bemoeide met de kopij ligt nogal voor de hand, maar de verspreiding van deze zeg maar officiële teksten bleek uiteindelijk toch een commerciële aangelegenheid te zijn; de markt hiervoor was trouwens erg belangrijk. De Kerk was hier consument, geen distributeur. Daarnaast bestond, weliswaar op veel kleinere schaal het drukwerk in opdracht: wat G religieus propagandawerk noemt zoals aflaatteksten, werd wèl door de kerkelijke instanties gefinancierd. De investering hiervan is natuurlijk ook niet te vergelijken met het bekostigen van missalen en brevieren! In verband met het door Oosterbosch bestudeerde contract wijst G terecht op een mogelijke verklaring inzake een Parijse drukkerij: misschien was er grote haast mee gemoeid en kon Martens de grote opdracht op korte termijn niet aan. Toen ik dit stuk pas gelezen had, verscheen van Mary Kay Duggan, Politics and text: bringing the liturgy to print in Gutenberg Jahrbuch 2001 (p. 104-117), zeer lezenswaard maar geen enkele Nederlandse druk van een liturgisch boek komt in de behandelde periode (ca. 1455 tot in de jaren 1480) voor. Iets voor Koen Goudriaan? [E.C.-I]

3292. – Mariken GORIS, Boethius's 'Consolatio Philosophiae' and the early printing tradition in The bookshop (zie nr. 3260), p. 49-54.
Bondig overzicht van de vroegste gedrukte tweetalige teksttraditie aan de hand van Anton Kobergers Latijns-Duitse uitgave uit 1473 (GW 4573) en de Gentse Latijns-Nederlandse incunabel van Arend de Keysere (GW 4574). [M.d.S.]

3293.Circuler et naviguer ou Les index à l'époque humaniste in Nugae humanisticae sub signo Erasmi, 2, 2001, p. 9-90.
Nummer 2 van het tijdschrift, uitgegeven door het Musée de la Maison d'Erasme, is aan de derde bijeenkomst (Disputatiunculae, 3) gewijd; het onderwerp had betrekking op de ontsluiting van werken uit de tijd van de humanisten door middel van registers. De inleiding tot het onderwerp door Reinhard Bodenmann en Jean-François Gilmont is uitstekend: door wie worden registers gemaakt, wanneer, waarom en hoe. Alexandre Vanautgaerden gaat in op Erasmus' brief over de registers op de Adagia. Het is slechts een greep uit de bundeling bijdragen (Zie Kroniek 25 nr. 3009 en Kroniek 26 nr. 3136). [E.C.-I.]

3294.Offrir un livre, ou La dédicace à l'époque humaniste in Nugae humanisticae sub signo Erasmi, 3, 2003, p. 9-90.
De tweede Disputatiunculae, eind 1999, zijn later dan gewoonlijk verschenen. Het hoofdartikel over het onderwerp is van Jean-François Maillard, 'Le rôle de la dédicace et de la page de titre dans la naissance de la critique philologique'. Marie Theunissen-Faider heeft de brief van Badius die de Parabolae sive Similia van Erasmus (1516) inleidt, uitgegeven, vertaald en becommentarieerd. [E.C.-I.]

3295. – Luc KNAPEN, Catalogue des éditions de XVIe siècle conservées à la bibliothèque de l'abbaye de Maredsous in Revue bénédictine, 113, 2003, p. 169-198.
Aanvullingen en correcties bij Kroniek 13 nr. 991. Sinds 1986 werd de abdij bibliotheek van Maredsous verrijkt met een 40tal nieuwe werken, gedrukt in de zestiende eeuw. Zestien van deze werken werden geschonken door Mlle Arlette Thiernesse, zes door kanunnik Gérard Fransen en twee werken met betrekking tot de geschiedenis van de benedictijnerorde: werden aangekocht met de steun van de Amis de la bibliothèque de Maredsous. De beschrijvingen, genummerd met een bis-nummer zodat ze tussen de beschrijvingen van de catalogus van 1986 in te passen zijn, zijn verschillend van die in de catalogus. De titel werd nu volledig getranscribeerd, waarbij de afkortingen werden opgelost. Bij elke beschrijving wordt de collatie opgegeven, alsook de inhoud van het werk. Dit laatste ontbreekt in de catalogus. Ook de band en de herkomstgegevens zijn uitgebreider beschreven. De lijst referentiewerken werd aangevuld met een aantal standaardwerken Bij deze aanvullingen worden werken beschreven, gedrukt in Amiens, Bazel, Frankfurt/Main Lyon, Nürnberg, Parijs, Rouen, Straatsburg, Turijn en Venetië. Er is ook een nummer dat gedrukt werd bij Joannes Moretus en weduwe Plantijn, één bij Christoffel Plantijn en één bij Willem Vorsterman. Ter aanvulling: M35bis (Mekerchius) is BT 2073 en C75 Clenardus is BT 5446. [J.H.]

3296. – Martine DE BRUIN & Johan OOSTERMAN m.m.v. Clara STRIJBOSCH e.a., Repertorium van het Nederlandse lied tot 1600. – Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde; Amsterdam: Meertens Instituut, Koninklijke Nederlandse Akademie van wetenschappen, 2001. – 2 bdn (919 p.); ill., 25 cm. Met CD-Rom. (Studies op het gebied van de cultuur in de Nederlanden, 4). – ISBN 9072474-42-2; ISSN 1375-985X.
Van de elektronische databank van Nederlandse eenstemmige liederen tot 1600 is het. substantiële gedeelte op papier uitgegeven; de ontsluiting (registers en allerlei zoekmogelijkheden) en een keuze uit de liedteksten bestaan enkel in digitale vorm. Band 1 bevat het repertorium van 7.621 alfabetisch gerangschikte liedteksten (zonder muzieknotatie). Band 2 bevat 1.158 eveneens alfabetisch gerangschikte liedmelodieën (zonder tekst, 'op de wijze van'), de bronnenopgave, de bibliografie en de afbeeldingen. Het gaat om Nederlandstalige liederen waarvan de melodie van andere dan Nederlandse origine van zijn. De hiervoor geëxcerpeerde bronnen zijn handschriften – 265 – en drukken – 522. Met behulp van een volgnummer en een code, alfabetisch op bewaarplaats voor de handschriften, op auteur of verkorte titel voor de drukken, is hiervan een lijst aangelegd. De bibliografie die aan de basis van de heuristiek ligt, beslaat om en bij de zestig bladzijden. Om de ontsluiting van incipits in variërende oude spellingen mogelijk te maken, zijn de incipits herspeld. De auteurs hebben aangekondigd dat spoedig na het verschijnen de databank op het web zal worden geplaatst en uitgebreid met de liedteksten zelf. Zowel uitgave als project is het resultaat van een Vlaams-Nederlandse samenwerking. [E.C.-I.]

3297. – Jean-François GILMONT, La fabrication du livre au XVI siècle. – [Bruxelles]: Musée de la Maison d'Erasme, 2003. – 15 p.: omslag, ill.; 25 cm. (Colloquia in Museo Erasmi, V).
Plaquette verschenen bij gelegenheid van twee lezingen, als een inleiding op het onderwerp opgevat. Respectievelijk wordt gehandeld over hoe een boek werd geproduceerd (praktische organisatie in de drukkerij, reglementen, enzovoort) en wat de implicaties van de handelwijzen konden zijn op het eindproduct (analytische bibliografie). [E.C.-I.]

3298. – Alfons DEWITTE, De Historie (1569-1578) van broeder Cornelis Adriaenszoon van Dordrecht: auteur en drukker in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis, 140, 2003, p. 111-127, ill.
De Historie van broeder Cornelis Adriaensen van Dordrecht werd gedrukt in 1569 en herdrukt in 1576 zonder opgave van plaats en drukker. Het tweede deel verscheen in 1578, 'buyten Noirdwitz'. Beide delen zouden de woordelijke weergave bevatten van de sermoenen van de Brugse minderbroeder Cornelis Adriaenszoon van Dordrecht (1521-1581), uitgesproken tussen 24 februari 1566 en 14 juni 1569. De taal en het woordgebruik zijn echter zo scabreus dat de tekst een satire geworden is op de preken van de minderbroeder. In de BT, nrs. 1467-1468 (niet vermeld in het artikel!), wordt Brugge als drukkersplaats van deel I opgegeven en H. Goltzius als mogelijke drukker. In Machiels (C-691-693) wordt voor de 1569-editie geen plaats van uitgave of drukker gesuggereerd. De herdruk werd gedrukt in Delft in 1576 en het tweede deel, zoals hierboven vermeld, buyten Noirdwitz'. Voor dit tweede deel wordt er verwezen naar de STC voor de toeschrijving aan A. De Solempne. De toeschrijving aan H. Goltzius is sinds de artikelen van Fontaine Verwey en Valkema Blouw achterhaald. Nu wordt er vanuit gegaan dat deel I in 1569 in Gent bij Gillis vanden Rade werd gedrukt en deel II in Antwerpen bij dezelfde drukker. De auteur geeft hiervoor een lijstje met typografische argumenten, waaruit blijkt dat nogal wat materiaal van Hendrik vande Keere afkomstig is. De rest van het artikel belicht de verschillende betrokkenen bij het boek en het referentiekader waarin het boek moet gelezen worden. Joris Cassander wordt omwille van zijn irenisme geviseerd door broeder Cornelis. Cornelis Wouters, patronus en secretaris van Cassander, wordt naar voren geschoven als de hoofdredacteur van de tekst. In het werk wordt naar een groot aantal Duitse auteurs verwezen en het was Wouters die belangrijke Duitse contacten had. Jan Casteels, de waarnemer van de Brugse situatie, zou de inleiding bij de Historie geschreven hebben, alsook de vertalingen van de brieven van Steven Lindius. Zo blijft het 16de-eeuwse Brugge naar voor komen als een centrum met een intens cultureel leven'. [J.H.]

3299. – Paul J. SMITH, De titelprenten van Marcus Gheeraerts in De steen van Alciato (zie nr. 3262) p. 535-557, ill.
Analyse van de titelprenten van Warachtighe fabulen (1567), de Franse versie daarvan Esbatement moral (1578), de Latijnse Mythologia ethica (1579) en Moermans Apologi creaturarum. [M.d.S.]

3300. – Herman PLEIJ, Marcus Gheeraerts als dichter? in De steen van Alciato (zie nr. 3262), p. 1019-1029, ill.
In een vab de Parijse exemplaren van De warachtighe fabulen der dieren (1567) bevinden zich enkele handschriftelijke gedichten. P komt tot het besluit dat Gheeeraerts die teksten heeft geschreven en gebruikt, mogelijk als een geschenk bij zijn opname m het Sint-Lucasgilde te Antwerpen. [M.d.S.]

3301. – E. HOFMAN, Liederen en refreinen van Frans Fraet? in Spiegel der letteren, 42, 2000, p. 227-258.
Hofman schrijft in dit artikel negentien teksten, zeven liederen en twaalf refreinen, toe aan Frans Fraet. Het gaat om teksten uit de bundels Hier zijn ghestelt vier Liedekens ghecopuleert uut dat oude ende nieuwe Testament (1551-1552), Een suyverlijck ende schriftuerlijck Boecxken van drie Schriftuerlijcke Liedekens (1556), Veele Schoone Gheestelijcke ende Schriftuerlijcke Refreynen (1558) en tenslotte de Codex Adriaen Wils (1599-ca. 1630) in de KB te Brussel. Voor de toeschrijving gebruikt hij zowel intertekstuele verbanden met bekend werk van Fraet, als externe aanwijzingen. De activiteit van Frans Fraet (= Magnus vanden Merberghe van Oesterhout en Cornelis van Nieuhuys) als drukker komt enkel in de inleiding ter sprake, waarbij verwezen wordt naar artikelen van Valkema Blouw (Zie Kroniek 18 nr. 1894). Misschien verbergt Fraet zich ook achter de zinspreuk Gheeft God die eere, maar meer onderzoek is hiervoor nodig. [J.H.]

3302. – Gaston IMBO, Enkele prominenten (uit de 13de tot de 17de eeuw) van het illustere geslacht van Waesberghe (Gent ,Geraardsbergen) en inzonderheid kanunnik Jan van Waesberghe (1585-1639) auteur van 'Gerardimontium …’ (1627), de eerste geschiedenis van Geraardsbergen in De Heemschutter, 178, 2001, p. 23-40, ill.
Genealogisch artikel over de familie van Waesberghe. Over Jan I van Waesberghe (Antwerpse drukker), die in feite Jan VII van Waesberghe is, wordt niets meer gezegd dan in Rouzet, behalve dat zijn eerste echtgenote Jeanne van Damme heette. Over zijn zoon, de Rotterdamse drukker, wordt niets meer gezegd dan in Rouzet. [J.H.]

3303. – Werner WATERSCHOOT, Antwerp: books, publishing and cultural production before 1585 in Urban achievement in Early Modern Europe. Golden Ages in Antwerp, Amsterdam and London. Ed. Patriek O'Brien e.a. Cambridge: Cambridge University Press, 2001, p. 233-248.
Overzicht van Antwerpen als drukkers- en uitgeverscentrum in de vijftiende en zestiende eeuw, met aandacht voor wijzigingen in de politieke, economische en culturele context. [M.d.S.]

3304. – Marie Thérèse ISAAC, Panorama de l'imprimerie anversoise au XVIe siècle in Eulalie. Mediathèques, librairies et lecteurs en Nord-Pas-de-Calais, 3, 2002, p. 95-107.
Overzicht van de belangrijkste Antwerpse drukkers uit de zestiende eeuw met enkele biografische gegevens en aanduidingen omtrent hun productie. Alle stukjes werden geschreven met Rouzet bij de hand, nieuwe bibliografie werd niet gebruikt. Ook voor Plantijn werd van de traditionele werken gebruik gemaakt (Golden Compasses en PP), alsook van een beperkt aantal recente publicaties (uit 1984, 1989 en 1997). [J.H.]

3305. – Edmond ROOBAERT, De zestiende-eeuwse Brusselse boekhandelaars en hun klanten bij de Brusselse clerus in Liber Amicorum Raphaël de Smedt. IV: Litterarum Historia. Ed. André Tourneux. Leuven: Peeters, 2001, p. 47-70. – (Miscellanea Neerlandica XXVI).
Brussel is gedurende de zestiende eeuw steeds een boekenstad van secundair belang geweest. De auteur wil aan dit beeld niets veranderen, maar op basis van archiefonderzoek (voornamelijk de registers van testamenten uit het archief van Sint-Goedele) geeft hij een duidelijke aanzet om de rol van de Brusselse clerus in het boekenmilieu te duiden. Het werk dat Roobaert in dit artikel presenteert is niet min: verschillende aspecten, steeds met verwijzing naar de bronnen, komen hier aan bod. Vooral de testamenten blijken een rijke bron van inlichtingen te zijn. Niet alleen gunnen zij ons een blik in de bibliotheken van de Brusselse clerus (de auteur verwijst naar een aantal bibliotheken met werken in de volkstaal), maar ook relaties met Brusselse (en andere) boekhandelaars komen er naar voren. Zo wordt in de testamenten verwezen naar uitstaande schulden bij boekhandelaars en boekhandelaars die optreden als schatters, opkopers en testamentuitvoerders. Jammer is dat uit de bronnen niet altijd blijkt om welke boekhandelaars het gaat, zie onder andere de gevallen Hugen de Mol en Hendrik de librariër. Soms duikt er een totnutoe onbekende boekhandelaar op, zoals Anthonis Zuerneels. Belangrijk is ook te vermelden dat de Brusselse clerus soms mededingers waren van de boekhandelaars: ook zij traden op als schatters, kopers op openbare veilingen en als boekhandelaars. Tenslotte hadden sommige leden van de Brusselse clerus niet zo'n sympathieke relatie met de boekhandelaars: zij traden op als censors die voorafgaandelijk nog te drukken tekst of zetsel onderzochten. Roobaert heeft hier een waardevol artikel gepresenteerd dat als inleiding een must is voor al wie zich in lokaal archiefonderzoek, met het oog op de geschiedenis van het boek, wil inwerken. En dit is meer dan nodig. [J.H.]

3306. – Pierre DELSAERDT, A bookshop for a new age: the inventory of the bookshop of the Louvain bookseller Hieronymus Cloet, 1543 in The bookshop (zie nr. 3260), p. 75-87.
Cloets boekhandel was te Leuven vlakbij het humanistische Collegium Trilingue gelegen. Bij een razzia rond ketterse publicaties werd een inventaris van zijn boekhandel opgemaakt. D analyseerde die lijst grondig en toont aan dat humanistische auteurs het oude curriculum hadden ingepalmd. Het hele verhaal (en de hele lijst) is te vinden in zijn magistrale proefschrift (zie nr. 3256). [M.d.S.]

3307. – Martin TIELKE, Die Emder Buchdruck des 16. Jahrhunderts in Wolfenbütteler Notizen zur Buchgeschichte, 27, 2002, p. 3-41.
Vanaf 1554 werd er in Emden gedrukt. De excentrische ligging van de stad (ver weg van 'Brussel' en aan zee) maakte haar tot een ideale vrijhaven voor drukkers van religieus en politiek 'gevoelig' materiaa1. T brengt een goede synthese van de recente studies over Emdens rol in de Opstand met name van het werk van A. Pettegree en P. Valkema Blouw (Zie Kroniek 20 nr. 2202 en Kroniek 23 nr. 2694). [M.d.S.]

3308. – Claude SORGELOOS, Un post-incunable retrouvé: l' 'Usus annuli astronomici' de Gemma Frisius, Louvain et Anvers, 1534 in Quaerendo, 31, 2001, p. 255-264, ill.
De bibliotheek van het Cultura Fonds te Dilbeek heeft een onbekende postincunabel verworven, namelijk de Usus annuli astronomici van Gemma Frisius. De tekst zelf was reeds eerder bekend, want hij komt o.a. voor als annex in de Cosmographia van Petrus Apianus, gedrukt in 1539, bij Arnold Birckman en G. Coppens van Diest. Van de editie, verworven door het Cultura Fonds, was totnogtoe geen exemplaar bekend alhoewel F. van Ortroy wel vermoedde dat zulk een editie moest bestaan hebben. Het boek is een in-8° en bestaat uit 16 ongenummerde bladen. Op het titelblad wordt vermeld dat het boek verkocht wordt door de auteur te Leuven en in het colofon wordt de drukker vermeld: de officina van Joannes Grapheus. Het internet, en meer bepaald de Karlsruhe Virtueller Katalog, heeft nog twee exemplaren aan het licht gebracht: het ene bevindt zich in de UB Augsburg (Oett.Wallerstein-Bibl. 02/IY.1O.8.24angeb.2) en is er samengebonden met Marcus Antonius Coccius Sabellicus, De omnium gentium omniumque seculorum insignibus, het andere bevindt zich in de Stadsbibliotheek van Trier. In deze laatste bibliotheek bevindt er zich ook een ongedateerde editie die in 1533 gedateerd wordt, en een Franse vertaling gedateerd 1534. [J.H.]

3309.Refereynen, Gent 1539. (Ten geleide: Dirk Coigneau, Werner Waterschoot). – [Gent]: (Comité van de Gentse Rederijkers, 2001). – 220 p.
Facsimile-editie, op 200 exemplaren, van de druk uit 1539 door Joos Lambrecht naar het exemplaar in de UB Gent, G 179. De commentaar volgt in een later Jaarboek van De Fonteine. [E.C.-I.]

3310. – W. WATERSCHOOT, Een mooie garderobe, maar voor wie? in Millennium, 13, 1999, p. 31-36.
Naar aanleiding van Saskia Raue, Een nauwsluitend keurs. Aard en betekenis van 'Den triumphe ende 't palleersel van den vrouwen' (1514) s.l. n. d. [diss. Universiteit van Amsterdam 1996], 455 p. – druk van Thomas van der Noot. [E.C.-I.]

3311. – Alison SAUNDERS, Franco-Dutch publishing relations: the case of Christopher Plantin, in De steen van Alciato (zie nr. 3263), p. 999-1017.
Als internationaal drukker/uitgever/boekverkoper heeft Plantijn zijn activiteiten over verschillende landen verspreid. Frankrijk, en meer bepaald Parijs, speelde hierin een bijzonder belangrijke rol. Saunders, die zich vooral toespitst op de jaren '60 van de zestiende eeuw, merkt op dat Frankrijk op de tweede plaats komt wat betreft buitenlandse boekenverkoop voor het jaar 1566: voor niet minder dan 3480 fl. (op een totaal van 16343 fl.) werd er aan Frankrijk verkocht, enkel de Nederlanden en Duitsland gingen Frankrijk vooraf. Ook voor Plantijn als boekenkoper komt Frankrijk zelfs op de eerste plaats, gevolgd door de Nederlanden en Duitsland. Ook hier betreft het het jaar 1566. Uit de handelsbetrekkingen met Frankrijk blijkt trouwens dat er meer verhandeld werd dan alleen maar boeken: ook kant, astrolaben en zelfs melkproducten worden door Plantijn naar Frankrijk uitgevoerd. De handelsbetrekkingen zijn vooral gesitueerd in Parijs; het gaat om handel met Arnoul L'Angelier, zijn weduwe, en haar tweede echtgenoot Lucas Breyer, Martin Le Jeune en Michel Sonnius. Ook Plantijns productie werd door Frankrijk beïnvloed: tweetalige edities, Nederlandse vertalingen van Franse teksten, etcetera. Een belangrijk aandeel hierin vormen de embleemboeken. Plantijn drukte de Franse embleemboeken van Paradin en Symeoni en liet die van Sambucus en Junius in het Frans door Jacques Grévin vertalen. In deze vroege periode maakte Plantijn zich ook schuldig aan piraterij van Franse boeken, die in Lyon waren gedrukt. Tenslotte heeft Plantijn ook Franse literatuur gedrukt, die voor de Franse, beter: de Parijse, markt was bestemd. Hieruit blijkt dat Plantijn zich op de Parijse markt wou profileren als een concurrent van de Lyonese drukkers. Plantijns aandacht voor Parijs was ook ingegeven door het feit dat hij er familie had wonen en dat de concurrentie er minder sterk was dan in Lyon met De Tournes en Roville. Het artikel wordt afgesloten met een lijst van primary sourees waarin voor het merendeel Plantijndrukken werden opgenomen, echter zonder verwijzing naar het PP-nummer. [J.H.]

3312. – Claudine LEMAIRE, Le plan de Bruxelles de Gilles van der Hercken (1535) in Bruxelles et la vie urbaine: archives – art – histoire. Recueil d'articles dédiés à la mémoire d'Arlette Smolar-Meynart (1938-2000) . Ed. Frank DAELEMANS & André VANRIE. – Bruxelles, 2000 (Archives et Bibliothèques de Belgique, numéro spécial 64), p. 227-241, ill.
Bewust plan van Brussel op zeven heuvels, met zeven poorten, zeven fonteinen, enzovoort, is één van de in hout uitgesneden afbeeldingen in een handschrift (Oxford, Bodleian Lib., Ms. Douce 373) waarvan tekst en illustratie al even intrigerend zijn. Het handschrift is geschreven en geïllustreerd door Gillis van der Hercken (1491-1538) in de priorij Zevenborren. [E.C.-I.]

3313. – Elly COCKX-INDESTEGE, Nogmaals de Passie Delbecq-Schreiber: de illustratie van hs. 830/1370 8E in de Stadtbibliothek Trier in 'Als ich can' (zie nr. 3218), I, p. 435-444, ill.
Ongeveer de helft van de houtsneden die het handschrift in Trier – overigens niet exact te dateren – illustreren, behoren tot de reeks van de Meester van de Passie Delbecq-Schreiber. Ze zijn ingekleurd en bedoeld als substituut voor miniaturen. [E.C.-I.]

3314. – Karen., L. BOWEN, Illustrating books with engravings: Plantin’s working practices revealed in Print Quarterly, 20, 2003, p. 3-34, tab.
Plantijn schatte dat hij ongeveer 1000 afdrukken van een koperplaat kon maken vooraleer hij een nieuwe nodig had. Dit zorgde natuurlijk voor problemen wanneer hij een werk in een grotere oplage wou drukken, of wanneer hij eenzelfde illustratie in verschillende populaire edities wou afdrukken. Daarom lijken een aantal van Plantijns publicaties onlogisch inconsequent, aangezien de selectie van de platen varieert van exemplaar tot exemplaar. B onderzoekt de hele gang van zaken aan de hand van één werk, namelijk Benito Arias Montanus' Humanae salutis monumenta, en meer bepaald de octavo-edities. Minutieus legt de auteur eerst uit dat Plantijn drie verschillende tekstedities heeft gedrukt van de Monumenta, in 1571, 1575 en 1581. B heeft 27 exemplaren onderzocht en kan hieruit concluderen dat (1) de illustraties op verschillende momenten aan de eerder gedrukte bladen werden toegevoegd, bij de datering spelen de randen een belangrijke rol (2) dat er acht verschillende groepen van illustraties waren: 2 voor 1571, 2 voor 1575 en 4 voor de 1581-editie (dat er vier verschillende groepen waren voor de 1581-editie heeft ermee te maken dat Plantijn toen versleten platen heeft gebruikt om de talrijke exemplaren te illustreren) en (3) dat de vervanging van oude platen door nieuwe een dateerbaar patroon vormen. Zo werden de gravures van Pieter Huys en een anonieme graveur vervangen door die van Jan Wierix. Ten slotte onderzoekt B 27 exemplaren van de Monumenta en kan besluiten dat vele ervan bestaan uit delen die op verschillende momen ten werden gedrukt, gaande van enkele maanden tot zelfs tien jaar. Dit artikel, dat met zoveel zin voor detail en precisie werd geschreven, is een must voor iedereen die de boekillustratie van de zestiende eeuw bestudeert. [J.H.]

3315. – Karen LEE BOWEN & Dirk IMHOF, Book illustrations by Maarten de Vos for Jan Moretus I in Print Quarterly, 17, 2001, p. 259-289, ill.
Aan de basis van deze studie liggen het Plantijnse archief en de drukken van Jan Moretus. De auteurs hebben aangetoond dat Maarten de Vos veel meer tekeningen voor Plantin heeft geleverd dan men tot nog toe aannam. Dit geldt zowel voor de missalen in folioformaat als voor de kleinere boeken. Door de grote verspreiding en de talrijke herdrukken van de Plantijnse drukken reikt De Vos' invloed dan ook veel verder. Misschien had het artikel gewonnen bij een althans visueel meer gestructureerd geheel (paragrafen, tussentiteltjes). [E.C.-I.]

3316. – Kees SCHEPERS & Hanneke DE BRUIN, Pars pro toto: reconstructing a sixteenth-century edition in Quaerendo, 31, 2001, p. 17-25.
In een handschrift van circa 1440 dat bewaard wordt in de KB Brussel bevindt zich een blad met twee houtsneden, dat waarschijnlijk afkomstig is van een onbekende postincunabel. Onder elk van de houtsneden, die respectievelijk een kruisafname en een pietà voorstellen, bevindt zich een tweeregelig vers. Beide illustraties behoren tot de 'zuilreeks', genoemd naar het meest opvallende kenmerk. De reeks werd in 18 incunabeledities gebruikt, waarvan de eerste werd gedrukt door Hugo Janszoon van Woerden in 1498 (CA 111). Van Woerden gebruikt sommige houtsneden tot in 1519. Ook in drukken van andere drukkers (Jan Seversz, Willem Vorsterman, Peter Jansz) komen de houtsneden voor. Peter Jansz heeft het laatst gebruik gemaakt van een illustratie uit deze reeks: circa 1540 heeft hij Christus aan het kruis gebruikt als een frontispice voor Die vijftien bloetstortingen ons liefs heeren Iesu Christi (NK 2519). Als startpunt om de volledige editie van het ene blad te reconstrueren, gebruiken de auteurs NK1355 Leven ons Heeren, in houtsneden met onderschriften. De illustraties in deze editie zijn afkomstig van de beroemde Delbecq-Schreiber Passie-reeks. De vergelijking met NK1355 stelt wel een probleem: aangezien het Brussels blad de signatuur Dij draagt zal de structuur van de volledige editie bestaan hebben uit A-C4 D8, met wel de bedenking dat één illustratie werd weggelaten. Andere mogelijkheden zorgen voor een overschot aan bladen. [J.H.]

3317. – Jurgen GEIβ, Einbände für den Barther Reformator Johannes Block (1470/80-1544/45). Teil 1: Einführung. Werkstatten aus Antwerpen in Einbandforschung, 12, 2003, p. 22-31, ill.
Barth, in Vorpommern gelegen, sloot in 1533 bij de Reformatie aan; Johannes Block hield er de eerste 'hagepreek'. 123 banden met handschriften, incunabelen en vroege drukken uit de Kirchenbiblioth, hebben nu een onderkomen gevonden in het Niederdeutsche Bibelzentrum in het voormalig hospitaal Sankt Jurgen. Geiss heeft de bibliotheek van Block bestudeerd. De meeste boeken zitten in hun oorspronkelijke band. Aantekeningen erin vertellen ons waar Block zijn boeken, gebonden, verwierf: in de hansesteden in het Oostzeegebied. Ze zijn afkomstig van handelsplaatsen die relaties onderhielden tot in het verre Balticum: voornamelijk de kuststrook van Oost- en Noordzee. Geiss heeft deze banden naar plaats van oorsprong in groepen ondergebracht en beschreven. Antwerpen komt eerst aan de orde daarna volgen Danzig, Dorpat, Stralsund en enkele andere oorden. Het probleem met de Duitse benadering van boekbandstudie is dat men wenst uit te gaan van een atelier dat kan gelokaliseerd worden. Vaak zullen die met een noodnaam (hier in het Nederlands omschreven) worden aangeduid (in casu 'Bogenfries met lelies'; 'Meester van het wapen van Antwerpen', Rijksadelaar, Granaatappel met kruisbloem' 'Gekroonde rijksadelaar'). In eerste instantie laat de auteur zich leiden door vermoedens of aanwijzingen, veeleer dan door bewijzen. Na voltooiing van deze studie kan hij hier allicht meer klaarheid in brengen. [E.C.-I.]

3318. – Jos KOLDEWEIJ, Servatius in veelvoud: Maastrichtse boekbanden, miniaturen, pelgrims tekens en zegels in 'Als ich can’ (zie nr. 3218), I, p. 701-742, ill.
Inzake de boekbanden gaat K hoofdzakelijk terug op Brassinne en Verheyden. In voetnoot 9 is een lijst van exemplaren en literatuur gegeven. [E.C.-I.]

3319. – Guido PERSOONS, Petrus Alamire: bedenkingen bij een belangrijke tentoonstelling – nieuwe Antwerpse Alamiregegevens en bijdragen tot de biografie in 'Als ich can' (zie nr. 3218), II, p. 1107-1131, ill.
De tentoonstelling 'De schatkamer van Alamire: muziek en miniaturen uit Keizer Karels tijd' te Leuven, was voor P de aanleiding om opnieuw in de bronnen te gaan graven. In dit verband zij alleen de paragraaf over de Mechelse boekbinder Jan Tys vermeld. P heeft het voornamelijk over wat hij niet met de gebruikelijke naam 'dieren-in-rankenpanelen' aanduidt. De archiefbijlagen 1493-1525 uit het archief van de Antwerpse Kathedraal, zijn voor ons in zover van belang dat er namen van binders (Goessen de boecbynder) en mededelingen over banden in staan. [E.C.-I.]

3320. – Anne-Marie LEGARÉ, Les faits de Jacques de Lalaing: enluminés par le maître d'Antoine Rolin in 'Als ich can' (zie nr. 3218), p. 773-793, ill.
Een van de twee besproken handschriften, Valenciennes 1518, steekt in zijn oorspronkelijke band met ruitenpatroon, beschreven in voetnoot 31. [E.C.-I.]

3321. – Alexandre VANAUTGAERDEN, Item ein schöne Bibliothec mit eim Register: un deuxième inventaire de la bibliothèque d'Érasme (à propos du manuscrit C Vla 71 de la Bibliothèque universitaire de Bäle) in Les humanistes (zie nr. 3237), p. 59-111, ill.
Het is bekend dat Erasmus zijn bibliotheek nog tijdens zijn leven heeft verkocht aan de Poolse edelman Joannes a Lasco, maar het vruchtgebruik behield tot zijn dood. Dan werden de boeken verzonden en van dat aantal een 'Versandliste' gemaakt. Die lijst is sedert de publicatie ervan in 1936 steeds als inventaris van dé bibliotheek van Erasmus beschouwd. Hoewel enkele geleerden vaag verwezen naar nog een (andere) lijst zijn de onderzoekers daar nooit nader op ingegaan. V geeft deze 'Catalogus librorum Erasmi Roterodami’ hier uit en behandelt de eerste conclusies van een confrontatie met de 'Versandlist'. Het resultaat is verbluffend: de vele titels van Erasmus' eigen werken die in de 'Versandlist' ontbreken, blijken in de 'Catalogus' te staan. Een plausibele hypothese luidt dan als volgt: (1) Lasco heeft ontvangen wat in 1525 was overeengekomen; (2) Erasmus heeft zijn bibliotheek verder aangevuld en wellicht ook bewust een aantal eigen publicaties buiten de overeenkomst gehouden; (3) uit deze privécollectie hebben enkele vrienden geput voor ‘souvenirs’; (4) de geannoteerde exemplaren van Erasmus' eigen werken heeft Amerbach bewaard voor de redactie van de Opera omnia (1540). In bijlage wordt ook de 'Versandlist' nog eens gepubliceerd zodat de onderzoeker voortaan het hele dossier ter beschikking heeft en de plots veel omvangrijkere bibliotheek kan verkennen. Een kapitale studie! [M.d.S.]

3322. – Gilbert TOURNOY & Michel OOSTERBOSCH, The library of Pieter Gillis in Les humanistes (zie nr. 3237), p. 143-158, ill.;
Renaud ADAM, 'Sum Petri Aegidii'. Kanttekeningen bij een recent opgedoken boek uit de bibliotheek van Pieter Gillis (1486-1533) in De Gulden Passer, 81, 2003, p. 171-181, ill.
De bibliotheek van de Antwerpse griffier en vriend van Erasmus, Pieter Gillis (1486-1533) mag zich terecht verheugen in de belangstelling van filologen en boekhistorici. Gillis was zelf een vrij productief (tweederangs)humanist en dus ook een hartstochtelijk lezer en verzamelaar. Op korte tijd verschenen er twee overzichtsartikelen die zijn boekenbezit presenteren aan de hand van drie bronnen: bewaarde exemplaren, gegevens uit de publicaties en brieven van Erasmus en Gillis en de handschriftelijke inventaris van de bibliotheek van de Antwerpse kanunnik Willem Heda (zie nr. 3333). Uit diens omvangrijke bezit kocht Gillis een aantal Griekse boeken. In het kader van het project 'Hic liber pertinet... Catalogus van de herkomsten van de incunabelen bewaard in de Koninklijke Bibliotheek van België' identificeerde R. Adam nog een boek van Gillis: de Abbreviatio super Decades Blondii van Aeneas Silvius Piccolomini (Pius II !). De bijlage (p. 177-180) geeft de huidige stand van zaken weer: 36 titels. [M.d.S.]

3323. – Rudolf DE SMET, La bibliothèque de Marnix de Ste Aldegonde à travers sa correspondance in Les humanistes (zie nr. 3237), p. 211-230, ill.
In 1599 werd in Leiden de catalogus gepubliceerd van de te veilen bibliotheek van de edelman-politicus-schrijver Filips van Marnix van St-Aldegonde (1540-1598). S analyseert de daarin vermelde titels in verband met Marnix' correspondentie en 'netwerken' (politiek, religie, universiteit, humanistenmilieu). Na het facsimile van de catalogus (1964) en deze verkenning ligt het terrein open voor een grondige studie (met identificatie van de bewaarde exemplaren). [M.d.S.]

3324. – Jeanine DE LANDTSHEER, The library of bishop Laevinus Torrentius: a mirror of otium and negotium in Les humanistes (zie nr. 3237), p. 175-191, ill.;
Renaud ADAM, Un incunable de la bibliothèque de Liévin Torrentius (1525-1595) retrouvé (Bruxelles, Bibliothèque royale, Réserve Précieuse, INC B 1192) in Bulletin de la Société Royale Le Vieux-Liège, 2002, 298, p. 335-337.
De Luikse humanist en Antwerpse bisschop Torrentius was een bijzonder invloedrijk personage in de Zuidelijke Nederlanden. In de woelige jaren 1565-1595 heeft hij zowel Plantijn als Lipsius de nodige kerkelijke protectie bezorgd. Ook uit zijn bibliotheek blijkt dat hij een man van hun niveau was. Aan de hand van de post-mortemcatalogus (Hs. 3974-3975, Koninklijke Bibliotheek Brussel) toont dL de variëteit en diepgang van de verzameling aan. De in noot 11 aangekondigde editie van deze catalogus (met identificatie van de bewaarde exemplaren) verschijnt in De Gulden Passer 2004. A kon naast een incunabel van Pieter Gillis (zie nr. 3322) ook een uit de bibliotheek van Torrentius thuisbrengen: deel 5 van de Griekse 'editio princeps' van Aristoteles, in 1498 bij Aldus Manutius in Venetië verschenen. Een nieuw getuigenis van het hoge niveau van diens collectie. [M.d.S.]

3325. – A. DEWITTE, 100 £ vl. aan boeken, Brugge 1539 in Biekorf, 104, 2004, p. 87.
Leonard Casenbroot laat in een contract, bij zijn tweede huwelijk, vastleggen dat hij bij het overlijden van zijn echtgenote recht heeft op 200 £ vl. en alle zinne boucken of 100 £ vl. [J.H.]

3326. – Karel MANNAERTS, Het testament en de bibliotheek van pastoor Jan van Cauweghem (Geel ca. 1540-Etterbeek 1599) in Eigen Schoon en de Brabander, 86, 2003, p. 289-304, ill.
Jan van Cauweghem was pastoor van de parochie van Sint-Geertrui in Etterbeek tussen 1593 en 1599. Voordien had hij in Leuven gestudeerd, was hij kanunnik van Tholen in Zeeland en kanunnik van de Sint-Dimfna in Geel. Van de periode tussen 1583 en 1593 is niets bekend. In zijn testament wordt over zijn boeken niets gezegd, maar in de boedelbeschrijving die daags na zijn overlijden werd gemaakt door notaris Philips van Asbroeck, worden de boeken netjes opgesomd. De pastoor bezat 75 boeken, waaronder 6 brevieren. Er waren natuurlijk ook bijbels, getijdenboeken (waaronder één in het Frans), missalen en psalters, en sermoenenverzamelingen aanwezig. Opvallend in de bibliotheek is wel de aanwezigheid van klassieke literatuur: Persius, Seneca, Cato, Terentius, Plautus. Ook schoolboeken waren aanwezig: Erasmus (De conscribendis epistolis en Progymnasmata), een syntaxis (van Custos Brechtanus, of Macropedius, of Varennius) en Macropedius (Elementa en Epistolae). Uit zijn Tholense tijd dateert misschien de Cure (keure) van Zeelant. Opmerkelijk is ook één juridisch werk, met name de Institutiones Justiniani. Zoals reeds in een eerdere bespreking opgemerkt (Zie Kroniek 26 nr. 3143), maakt de auteur gebruik van vreemde sigels en worden sommige referentiewerken niet vermeld. [J.H.]

3327. – Chris COPPENS, Fondscatalogi als marketingstrategie. Een onderzoek naar lijsten van drukkers en boekhandelaren tot 1600 in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 8, 2001, p. 27-42, tab.
Aangezien de productie van gedrukte boeken fundamenteel verschilt van de handschriftenproductie, namelijk de grote hoeveelheid exemplaren (variërend van 100 tot 2000 in de 15de en 16de eeuw), zag de drukker zich genoodzaakt om met zijn boeken naar de klanten te gaan. Peter Schoeffer drukte reeds in 1469/70 een lijst van zijn productie als publiciteit voor zijn cliënteel. Dit voorbeeld werd door velen gevolgd in de vijftiende eeuw en raakte in de zestiende eeuw verbreid. Formeel zijn er drie soorten catalogi/lijsten: eenbladdrukken, catalogi in boekvorm en lijsten gedrukt aan het einde van een 'gewoon' boek. De eenbladdrukken waren bedoeld om geafficheerd te worden en konden boeken bevatten die door verschillende drukkers waren gedrukt. Ze waren te koop op plaatsen die in handschrift op het blad konden vermeld worden. De schikking van de titels kan elke mogelijke vorm aannemen: willekeurig, op onderwerp, op voor- of familienaam van de auteur, etcetera. De beschrijving van de boeken is elementair, het jaar wordt niet steeds vermeld. Ook de prijzen van de boeken werden niet gedrukt, wel zijn ze op sommige lijsten in handschrift toegevoegd. Tussen 1500 en circa 1540 werden er geen catalogi gedrukt, met uitzondering van die van Aldus Manutius en zijn opvolgers. In de Zuidelijke Nederlanden hebben enkel Plantijn en zijn opvolgers catalogi uitgegeven. Ook van Silvius zou een lijst bestaan hebben (circa 1565) maar die is verloren gegaan. Het artikel sluit af met een chronologische lijst van de bekende edities met aantallen van bekende exemplaren. [J.H.]

3328. – P. DE BAETS, Bruhesius te Brugge (1548-1550) in Biekorf, 103, 2003, p. 37-43.
De medicus Bruhesius heeft zich in Brugge een plaats verworven door het schrijven van prognosticaties of almanakken. De man was afkomstig uit de Brabantse Kempen (Rijthoven) waar hij omstreeks 1513 zou geboren zijn. Hij overleed in 1570 of 1571. In 1547 wordt Cornelis Schuute door het Brugse stadsbestuur gedagvaard omdat hij de vloer aanveegde met Bruhesius' almanak, terwijl het stadsbestuur de Brugse chirurgijnen had opgelegd om Bruhesius' almanak te volgen. De verdediging van Schuute overtuigde het stadsbestuur niet, zodat hij zijn argumenten uiteenzette in de Disputatio astrologica et medica contra Petrum Bruhezium a Rythoven, gedrukt te Antwerpen in 1547 (niet in BT). Ook deze verdediging heeft voor Schuute niets uitgehaald want Bruhesius' almanak voor 1548, 1549 en 1551 (alle drie niet in BT, maar van de laatste wel een exemplaar in Brugge RA) werd door het Brugse stadsbestuur verplicht gemaakt voor chirurgijnen en barbiers. In 1550 verscheen te Antwerpen de Magnum et perpetuum almanach (niet in BT), dat direct gecontesteerd werd door François Rapaert omwille van de combinatie astrologie-geneeskunde. Petrus Haschardus repliceerde hierop met zijn Clypeus astrologicus, Leuven, 1551 (BT 5916 vermeldt de editie van 1552). Bruhesius schreef ook nog een werk over de gunstige invloed van het Ardense water in de omgeving van Luik en Aken, dat in 1555 gedrukt werd bij Loeus. Exemplaren van deze editie bevinden zich in het Musée d'histoire naturelle in Parijs, Wellcome Library, British Library, Edinburg, Erlangen-Nürnberg UB en Zurich. Twee andere werken van Bruhesius verschenen in 1592 te Frankfurt in een verzamelwerk van Henricus Garetius. Het artikel wordt besloten met een genealogisch schema. [J.H.]

3329. – Alastair HAMILTON, Arabische cultuur en Ottomaanse pracht in Antwerpens Gouden Eeuw. – [Antwerpen]: Museum Plantin-Moretus, 2001. – [12], 132, 36 p.: omslag, ill.; 32 x 24 cm. (Publicaties van het Museum Plantin-Moretus en het Stedelijk Prentenkabinet, 39).
Voor de bibliograaf veel vertrouwde namen van auteurs wier werk vooral in Antwerpen van de pers kwam, werk dat meer of minder baanbrekend is geweest wat betreft de kennis in West-Europa van het Nabije Oosten, de Arabische taal en cultuur. Geschreven door een kenner bij uitstek, op heel bijzondere wijze geïllustreerd. Stuk voor stuk ook heel bijzondere handschriften en exemplaren van drukken; hieraan leverde een particuliere collectie, de Arcadian Library in Londen, een substantiële bijdrage. [E.C.-I.]

3330. – Wim FRANÇOIS, De Leuvense theologen en de eerste gedrukte bijbels in de volkstaal (1522-1533). Een feitelijk gedoogbeleid? in Trajecta, 11, 2002, p. 244-276, ill.
In zijn Apologia pro Dialogo van 1525 (gepubliceerd 1550) stelde de Leuvense theoloog Jacobus Latomus dat bijbelvertalingen in de volkstaal toegelaten waren, mits ze conform de rechte leer van de Kerk waren. In de De ecclesiasticis scripturis et dogmatibus (1533) van Johannes Driedo komen bijbelvertalingen bijna niet meer aan bod en wanneer dit toch het geval is, komen er reserves naar voren. Voor Driedo waren Hebreeuws, Grieks en Latijn de bijbelse talen bij uitstek, terwijl de andere talen waren ingesteld om de res humanae te betekenen en dus onvoldoende waren om de Schrift te vertalen, of om geloofskwesties te behandelen. De terughoudendheid van de nochtans als progressief bekend staande Driedo is te verklaren vanuit het veranderde, namelijk meer gepolariseerde, godsdienstig-politieke klimaat in de Lage Landen. De polarisering wordt duidelijk gemaakt aan de hand van de opeenvolgende plakkaten en ordonnanties, waarmee reformatorisch-geïnspireerde geschriften worden verboden. Het gedogen van vertaalde bijbelteksten komt hierop neer dat zij konden gepubliceerd worden zolang er geen glossen, inleidingen of andere begeleidende teksten werden mee gepubliceerd. Zo werd onder andere de Liesveltbijbel van 1526, alhoewel hij zeker voor het N.T. volledig op Luthers bijbelvertaling was gebaseerd (en dus niet voldeed), niet expliciet verboden in het plakkaat van 1529. Ook de Vorsterman-bijbel van 1528, die ook een sterke invloed van de Luthervertaling vertoont, kreeg onder andere van de Leuvense theoloog Nicolas Coppin een cum gratia et privilegio, waarschijnlijk omdat Vorsterman aanmerkingen van de Leuvense theologen in zijn editie had verwerkt. Ook de plaatselijke, vooral Antwerpse, autoriteiten waren niet geneigd om krachtdadig tegen de bijbelvertalingen op te treden, omdat zij vreesden zo de drukactiviteit te verstikken. Een versnelling in het vervolgen van bezitters en drukkers van bijbelvertalingen komt er na 1531, toen de Parijse theologen de bijbelvertalingen, alsook Erasmus' pleidooi voor een lekenbijbel, krachtig veroordeelden. Toch lieten ook zij nog een achterpoortje open: bepaalde bijbelboeken mochten toch aan leken (in de volkstaal) worden toegestaan, mits ze samen met een passende uitleg, stichtend werden geacht voor het morele leven van de gelovigen. [J.H.]

3331. – Anne-Laure VAN BRUAENE, Printing Plays. The Publication of the Ghent Plays of 1539 and the Reaction of the Authorities in Dutch Crossing, 24, 2000, p. 265-284.
Het Gentse festival van 1539 werd zo kort gevolgd door de Gentse opstand dat de autoriteiten snel een verband tussen de twee legden. De nieuwigheid was de publicatie van de teksten, kort na de spelen. De spelen vonden plaats in juni-juli 1539, reeds op 31 augustus werden de teksten gedrukt bij Joos Lambrecht (NK1926). De reactie van de overheid bleef echter niet uit: Adolf vander Noot, kanselier van Brabant, rapporteerde op 6 oktober 1539 aan de gouvernante dat de Gentse spelen, die in één volume waren gedrukt, bol stonden van Lutherse ideeën. In een ordonnantie van 10 juli 1540 werden de drukken van de Gentse spelen verboden, en van dan af gebeurde dit in alle indices van de verboden boeken: 1546, 1550, 1558, enzovoort. Van de spelen bestaan nog drie edities (NK1927, 1928 en 3890), zonder plaats van uitgave of drukker, maar wel gedateerd 15 en 25 oktober 1539. Deze edities, bestemd voor een Brabants publiek (ordening van de spelen. en spelling), waren te koop 'int huys van Delft' (= Matthias Crom). Volgens de auteur zijn de drie edities geantedateerd en het werk van Matthias Crom, die bijna exclusief evangelische en expliciet protestantse teksten drukte. Andere mogelijke drukkers zijn Frans Fraet en Adriaen van Berghen. Een vijfde editie, naar de Antwerpse (en niet naar de Gentse!) edities, werd gedrukt in Wesel in 1564 door Hans de Braecker. Alles wijst er op dat de gedrukte spelen populair waren en volgens de auteur niet alleen omwille van hun controversiële inhoud. De spelen zelf werden tijdens het landjuweel, noch kort erna gecontesteerd; pas wanneer ze gedrukt werden en de teksten in een andere context gebruikt konden worden, kregen ze een nieuwe dimensie. De teksten werden voorwerp van discussie en reflectie, getuige hiervan het formaat van de drie Antwerpse edities (in-8°), en dit wilden de autoriteiten tegen elke prijs vermijden. [J.H.]

3332. – Matthi FORRER, Dwalend door de Nederlanden aan de hand van Guicciardini in De Boekenwereld, 19, 2002, p. 86-100.
Dit uitgebreide artikel is een bespreking van Guicciardini illustratus. De kaarten en prenten in Lodovico Guicciardini's Beschrijving van de Nederlanden van Henk Deys, Mathieu Franssen, Vincent van Hezik, Fineke te Raa en Erik Walsmit (Utrecht, 2001). Na de inleiding, waarin kort de geschiedenis van de Descrittione wordt beschreven onder verwijzing naar De la Fontaine Verwey en Touwaide, definieert Forrer Guicciardini illustratus: een beschrijving van de volledig geïllustreerde edities, wat neerkomt op een beschrijving van 26 van de 58 edities (Touwaide), waarvan drie totnogtoe onbekende. De bespreking is bijzonder kritisch: er wordt gewezen op de betwistbare methodologie om enkel volledig geïllustreerde edities te beschrijven, op niet onderzochte bibliotheken die een gedrukte catalogus bezitten, op onduidelijkheden in de beschrijving van de varianten, op een mogelijk te snelle nalezing van de drukproeven, en op de keuze van en de bijschriften bij sommige afbeeldingen. Het tweede deel van het artikel gaat dieper in op de afbeeldingen van Amsterdam. Ook hier worden veel storende fouten of onduidelijkheden opgemerkt. Forrer besluit dat het heerlijk is om een overzicht te hebben van de illustraties in Guicciardini, maar merkt toch op dat met een geleerde redactie en een groep van neo-wetenschappers vele storende fouten en omissies vermeden hadden kunnen worden. [J.H.]

3333. – Koert VAN DER HORST, Willem Heda and his edition of his Historia episcoporum Ultrajectensium in Quaerendo, 33, 2003, p. 267-284, ill.
Willem Heda, een invloedrijke figuur in de Noord-Nederlandse Kerk en secretaris van Maximiliaan, was samen met onder andere Erasmus, Alardus en Barlandus één der eersten om het humanisme en de Renaissance in het Noorden te introduceren. In 1520 vestigde Heda zich permanent in Antwerpen, waar hij tot 1525 op de Groenplaats woonde. Willem Heda, samen met vier andere kanunniken, kreeg van het kathedraalkapittel van Utrecht de opdracht om een nieuwe geschiedenis van Utrecht te schrijven. Hiervoor maakten zij gebruik van de Chronographia van Johannes de Beka, alsook van veel autenthiek archivalisch materiaal. Deze geschiedenis is echter nooit tijdens Heda's leven verschenen. Pas in 1612 werd het werk in Franeker bij Rombertus Doyema gedrukt. Een tweede, verbeterde en vermeerderde editie van de hand van Arnoldus Buchelius, verscheen in 1642 in Utrecht. Waarom werd dit werk niet eerder gedrukt? Heda had dit zeker verwacht, zoals blijkt uit de dedicatie, en ook het Utrechts kapittel moet deze bedoeling gehad hebben. Meer nog, er bestaat een bifolium (Utrecht UB ms 787) met de gedrukte tekst van de dedicatie. Aan de hand van o.a. de initiaal 'A' kan het blad toegeschreven worden aan Michiel Hillen van Hoochstraten. Wat de datering betreft, is 1 mei 1521 (datering van de dedicatie) als terminus post quem te gebruiken en op basis van een handschrift in Utrecht UB (ms 0.B.6.), de legger voor Hillen, is de terminus ante quem 1524. Het gedrukte blad was een 'eerste proef om te zien hoe het boek er zou uitzien. Waarschijnlijk was het ook de bedoeling om dit voor te stellen aan het kapittel, zodat dit kon kennismaken met de novis formis excudenda, m.a.w. de romein. En misschien is dit lettertype wel de reden waarom de Historia nooit werd gedrukt. Misschien vreesde het kapittel dat de nieuwe letter nog te onbekend was en dat daarom het boek een financiële ramp zou worden. Of stond de letter misschien te zeer symbool voor het Habsburgse centralisme en het Erasmiaanse modernisme, zodat het hele project werd afgelast? Tenslotte vermeld ik nog noot 7: daar wordt verwezen naar de inventaris van o.a. de bibliotheek, alsook naar een handschriftelijke veilingscataloog (met prijzen en namen van kopers!) die bewerkt wordt door dr. M. Oosterbosch. [J.H.]

3334. – Anna E.C. SIMONI, Sans frontières: italo-dutch books 1565-1629 in La Bibliofilia, 104, 2002, p. 57-82, ill.
De auteur brengt zeven Italiaanse werken, die buiten Italië werden gepubliceerd, onder de aandacht van het Italiaanse publiek. Het gaat om de Descrittione van Lodovico Guicciardini, de Delle guerre di Fiandra van Pompeo Giustiniano (Antwerpen: Joachim Trognaesius, 1609), I carichi militari van Lelio Brancaccio (Ibid., 1610), L. Melzo's Regole militari sopra il governo della cavalleria (Ibid., 1611), F. della Croce's Theatro militare (Antwerpen: H. Aertssens, 1617) en L'essercitio (Ibid., 1625), en M. Florio's Historia de la vita e de la morte de Giovanna Graia [= Lady Jane Grey] (Middelburg: R. Schilders, 1607). Elke bespreking bevat een korte biografie van de auteur, de ontstaansgeschiedenis van het werk en latere herdrukken. De auteur wijst in de laatste regels van het artikel expliciet op haar bedoeling: boeken die (te) ver van het moederland van hun auteur worden gepubliceerd zijn dikwijls onbekend en worden vergeten door hun landgenoten. Dit artikel poogt hieraan iets te veranderen. [J.H.]

3335. – Marcus DE SCHEPPER, Jacobus Jasparus' Genealogia filiorum Nicolai Everardi (1549): facsimile met inleidende aantekeningen in Liber amicorum Raphaël de Smedt. IV, Litterarum historia. Ed. André Tourneux, Leuven: Peeters, 2001, p. 99-122, facs.
In 1549 liet Jacobus Jasparus Danus, Neolatijns dichter uit Aarhus, de Genealogia op eigen kosten drukken bij Gillis Coppens van Diest, te Antwerpen. Het enig bekende exemplaar, onlangs opnieuw aan het licht gekomen is hier in facsimile opgenomen en heeft aanleiding gegeven de andere geschriften van Jasparus op te sporen en op een rijtje te zetten. Als toemaat doken er op de valreep nog vier boeken uit Jasparus' bibliotheek op in de Koninklijke Bibliotheek. [E.C.-I.]

3336. – Jan DE GRAEVE & Jean MOSSELMANS, Van de Romeinse agrimensores tot de 16de-eeuwse landmeters. Catalogus van de tentoonstelling ingericht ter gelegenheid van het 125 jaar bestaan van de Unie van de Landmeters-Experten van Brussel in de Nassaukapel van de Koninklijke Bibliotheek van België. Inleidingen, mededelingen en comentaren [sic] van dhr. Gérard Chouquer, Jan De Graeve, Michel de Waha, Cédric Lavigne, Philippe Godding en Jean Mosselmans. – Brussel: ULEB met de medewerking van het Ministerie van Financiën, Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen, 2001. – 192 p.: ill.; 29 cm. – (Catalogus C 255). – ISBN 90-6637-114-5.
Deze catalogus, gepubliceerd n.a.v. de 125ste verjaardag van de stichting van de Unie van de Landmeters-Experten te Brussel vormt een aanvulling op de catalogus die 25 jaar geleden werd gepubliceerd: De landt-meeters van de XVIe tot de XVIIIe eeuw in onze provincies. Deze laatste catalogus is nog steeds een naslagwerk voor boeken en instrumenten betreffende de landmeetkunde. Onder de 199 nummers bevinden zich patenten en commissies, edicten en ordonnantiën, beschrijvingen van de Moeren en instrumenten. Ook als bibliografisch naslagwerk kan de catalogus dienst doen: onder de Praxis Geometriae worden voor de zestiende eeuw 8 werken beschreven, voor de zeventiende eeuw 18 werken en voor de achttiende eeuw 30 werken. Ook onder plannen worden nog een aantal gedrukte boeken (atlassen) beschreven.
De catalogus, die onlangs is verschenen, bespreekt de periode ervoor: van de Romeinen tot de zestiende eeuw. In het eerste hoofdstuk wordt een historisch overzicht gegeven van het beroep van de landmeters en in het tweede hoofdstuk wordt de situatie in Brussel verder uitgelegd. Komen ook nog aan bod: de Romeinse agrimensores, de kennisoverdracht in de middeleeuwen (vooral zuidwest Frankrijk), astrolabia en landmeetkundige instrumenten. Voor de lezers van de Kroniek vermelden we het hoofdstuk omtrent boeken over landmeetkunde uit de zestiende eeuw (p. 163-178) en omtrent boeken over landmeetkundige instrumenten (p. 179-185). In beide hoofdstukken samen worden drie werken, gedrukt in de Nederlanden, voorgesteld: De waerachtige const der geometrië, gedrukt bij van der Noot in Brussel (1513), de Cosmographie van Gemma Frisius, gedrukt bij Bonte te Antwerpen in 1553 en Practyck des landmetens van Johan Sems en Jan Pieterszoon Dou, gedrukt in Amsterdam in 1600. De beschrijvingen van deze, en andere werken in de catalogus, zijn echter ondermaats: geen collatie, geen bibliografische verwijzmgen en een begeleidende commentaar die soms weinig zeggend, dan weer onduidelijk is. Ook het boek zelf getuigt van haastwerk: een typografie die niet doorheen het boek werd aangehouden (de letter is trouwens te schraal), onduidelijke afbeeldingen, geen indices. Een gemiste kans voor een onderwerp dat 25 jaar eerder veel beter werd uitgewerkt. [J.H.]

3337. – Riccardo RIZZA, Mariken van Nieumeghen and Mary of Nemmegen .' a hopeless case? in The bookshop (zie nr. 3260), p. 61-74.
Status quaestionis van de betwiste verhouding tussen beide teksten, deels ook met gegevens over hun drukgeschiedenis. [M.d.S.]

3338. – Werner WATERSCHOOT, Beeld breekt woord. Illustratie en tekst in 'Das Buch Extasis' van Jonker Jan van der Noot in De steen van Alciato (zie nr. 3262), p. 655-672.
Van der Noot heeft zich altijd en overal bemoeid met de vormgeving van zijn teksten. Na zijn terugkeer uit Engeland gebruikte hij het meegebrachte illustratiemateriaal bij de productie van Das Buch Extasis. Een bibliografische analyse van dit werk brengt enkele anomalieën aan het licht die verband houden met het invoegen van illustraties. [M.d.S.]

3339. – Johan GERRITSEN, The text of the Edict of Abjuration (1581) in Quaerendo, 33, 2003, p. 285-293.
Van het 'Plakkaat van Verlatinge' bestaan er verschillende versies: er zijn de minuten in het ARA Den Haag met een overvloed aan veranderingen en toevoegingen, de vorm waarin de tekst werd gedrukt toont eveneens wijzigingen, maar ook tijdens het drukken werden nog veranderingen doorgevoerd. In de facsimile van deze tekst uit 1979, naar de tekst die werd gedrukt door Charles Silvius, werd hierop echter niet ingegaan. De auteur vraagt zich af waarom de tekst, gedrukt door Charles Silvius (gezworen drukker van de Staten van Holland), werd verkozen boven die van Plantijn, drukker van de Staten Generaal (voor wiens opvolgers de facsimile was bedoeld). Via een diepgaande tekstanalyse komt de auteur tot het besluit dat de Plantijnse tekst de meest autoriteit bezit en deze tekst had moeten gekozen worden. [J.H.]

3340. – Dirk COIGNEAU, 'Tot Babels schande'. Een refreinfeestbundel in het calvinistische Brussel (1581) in Spiegel der letteren, 43, 2001, p. 205-223, ill.
Veel refreinfeestbundels zijn er niet bekend. Het genre ging van start met de publicatie, door de Gentse drukker. Joos Lambrecht, van de refreinen en spelen van zinne die ten gehore werden gebracht in 1539 op het feest georgamseerd door De Fonteine. Echt vlot liep het niet met deze werken want we moeten wachten tot 1563 vooraleer de volgende worden gepubliceerd. Het gaat om de publicatie van de wedstrijd te Brussel (26 juli 1562), georganiseerd door De Korenbloem, door Michiel van Hamont. Een jaar later publiceerde Willem Silvius de wedstrijd die in Rotterdam plaats had. gevonden op 9 juli 1562. Opnieuw volgt er een onderbreking, nu tot 1574 en 1575. Dan verschijnen er op initiatief van de kerkmeesters van de Sint-Jacob in Antwerpen een aantal boekjes met refreinen, die dienst deden als loten in de loterij. Op die manier zijn het dan ook niet echt refreinfeestbundels, aangezien ze niet de neerslag vormen van een wedstrijd. Eerder is het omgekeerd: de Antwerpse wedstrijd werd georganiseerd om de boekjes te kunnen publiceren. In 1581 verschijnt bij Aelbrecht Heyndricksz te Delft de volgende bundel naar aanleiding van de wedstrijd die er werd gehouden tussen 19 en 21 juni 1581 en georganiseerd werd door De Rapenbloem. De refreinfeestbundel van Brussel, waarvan het unieke exemplaar zich in Parijs BN bevindt, werd in 1581 bij Jan Van Brecht gedrukt. De bundel is om twee redenen opmerkelijk: ten eerste brengt het de refreinen samen van twee feesten (4 en 8 september 1581) en. ten tweede werden de deelnemers, in tegenstelling tot de vorige, nu extra aangespoord om polemische stelling te nemen tegen de afgoderij. Deze vrijheid van meningsuiting was slechts een kort leven beschoren: in 1585 werd Brussel ingenomen door Farnese en een dergelijk evenement heeft nooit meer plaatsgevonden. [J.H.]

3341. – Hans VAN DE VENNE, Cornelius Schonaeus, 3. Bibliographia Schonaeana (1569-1964 ). A bibliography of the printed works of Cornelius Schonaeus Goudanus. – Amersfoort: Florivallis, 2003. – 465 p.: ill.; 24 cm. – (Haerlem reeks, 15.3). – ISBN 90-75540-23-8.
Definitieve, herziene en aangevulde editie in boekvorm van de bibliografie die in 1983-1986 in afleveringen verscheen in Humanistica Lovaniensia (Zie Kroniek 10 nr. 642, Kroniek 11 nr. 758, Kroniek 12 nr. 926 en Kroniek 13 nr. 1029). Dat er geen nieuwe edities zijn opgedoken bewijst de initiële grondigheid van de aanpak van de auteur. Thans zijn wat kleinere correcties aangebracht, bijkomende exemplaren vermeld, waar nodig het commentaar verfijnd etcetera. Ook konden enkele uitgaven aan een drukker worden toegewezen – een analytisch-bibliografische prestatie in het geval van een zo doorploegd terrein als het in Engeland gedrukte boek 1595-1691! Met, vanzelfsprekend, een uitvoerig register op persoonsnamen, op plaatsnamen, op drukkers en boekverkopers, op drukkersplaatsen en op Schonaeusteksten. Finis coronat opus (magnum). [M.d.S.]

3342. – Margret POPP & Eberhard ZWINK, Verwirrspiel um eine Bibel: Der englische Reformator William Tyndale und sein Neues Testament: das Stuttgarter Exemplar in Philobiblon, 45, 2001, p. 275-324, ill.
Niet rechtstreeks ter zake voor de Kroniek – het gaat om een druk toe te schrijven aan Peter Schöffer te Worms, 1526 – maar de detective story (want dat is het) van het enig compleet exemplaar in de Württembergische Landesbibliothek is te boeiend en ook te exemplarisch om het de bibliograaf te onthouden. Van Tyndale zijn overigens verschillende uitgaven zonder impressum in de Zuidelijke Nederlanden gedrukt.
Philobiblon, Eine Vierteljahrschrift für Buch- und Graphiksammler (Hauswedell) beëindigt met deze aflevering en een compleet register van auteurs en hun bijdragen, en een namen- en onderwerpsregister over de vijfenveertig jaargangen zijn bestaan. [E.C.-I.]

3343. – Paul ARBLASTER, Gergely JUHÁSZ, Guido LATRÉ (red.), Het testament van Tyndale. – Turnhout: Brepols, 2002. – 201 p.: ill. – ISBN 90-5622-045-4.
In 1997 ontdekten onderzoekers uit Leuven en Louvain-laNeuve dat de eerste volledige Engelstalige bijbel in Antwerpen werd gedrukt. Deze ontdekking gaf aanleiding tot een grootschalig onderzoeksproject aan de K.U. Leuven, gesteund door de UCL, naar Engelse bijbels, gedrukt in Antwerpen. De tentoonstelling 'Het testament van Tyndale' vormt hiervan een resultaat en werd opgezet in het kader van de viering van 125 jaar Museum Plantin-Moretus. De begeleidende tentoonstellingscatalogus werd in twee delen opgedeeld, namelijk een reeks van vijf artikelen omtrent Tyndale, de bijbel, Engeland en Antwerpen, en een catalogus die bestaat uit 120 nummers.
Francine de Nave bespreekt in het eerste artikel de relatie tussen William Tyndale (circa 1494-1536) en de Antwerpse drukkers. Antwerpen was tot omstreeks 1545 het typografische centrum voor de verspreiding van de Hervorming in de Nederlanden. Een 14-tal drukkers zorgden er voor de publicatie van de werken van Luther in het Latijn en het Nederlands. In 1523 publiceerde Adriaen van Berghen een volledige Nederlandse vertaling van de Lutherse versie van het Nieuwe Testament. Twee jaar later volgde Hans I van Ruremund met de eerste Nederlandse vertaling met Lutherse inslag van het Oude Testament. In 1536 bezorgde Jacob van Liesvelt de eerste complete bijbelvertaling in het Nederlands naar de tekst van Luther. Ook in andere talen werden Lutherse werken gedrukt: een Deense vertaling van het N.T. door Christiern Pedersen, gedrukt in 1529 door Willem Vorsterman en een Franse bijbelvertaling van Jacques Lefèvre d'Etaples door Martin Lempereur (= de Keyser) in 1530. Alhoewel er in Italië minder nood bestond aan buitenlandse producten, werd in Antwerpen in 1538 een heruitgave gedrukt van de Italiaanse vertaling van het N.T. In 1543 werd de Spaanse vertaling van het N.T. van Francisco de Enzinas gedrukt bij Steven Mierdmans. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er ook een Engelse vertaling in Antwerpen werd gedrukt. De vertaling van Tyndale werd in 1526 gedrukt te Worms en werd herdrukt in 1527 bij Christoffel van Ruremund. In 1534 verscheen er bij Maarten de Keyser een verbeterde editie van de vertaling.
Guido Latré onderstreept in zijn tekst het belang van Tyndale als hervormer van taal en cultuur, en zijn rol als vertaler. Tyndale's vertaling van het N.T. en van de helft van het O.T. werd gebruikt in de eerste volledige Engelstalige gedrukte bijbel, m.n. de Coverdale-bijbel. Deze bijbel werd voorbereid door Miles Coverdale (1488-1568), leerling van Tyndale en waarschijnlijk gedrukt door de Keyser. Omwille van de precaire situatie waarin Tyndale zich bevond – hij zat gevangen in het kasteel van Vilvoorde op beschuldiging van ketterij – werd zijn naam in de bijbel niet vermeld. Dit was trouwens ook het geval in latere bijbels, zoals de Matthewbijbel. De betekenis van Tyndale's vertaling voor de Engelse taal is niet te onderschatten: uitdrukkingen als Fighting the good fight of the signs of the times zijn voor het eerst te vinden in Tyndale's vertaling. Ook tussenwerpsels en aansprekingen die exegetisch niet helemaal orthodox zijn, zoals Ah sir en tush verlevendigen zijn vertaling.
In kort bestek schetst Gergely Juhász de overlevering van de Heilige Schrift tot het begin van de Reformatie en biedt hij een overzicht van een aantal theologische kwesties tijdens de vroege Reformatieperiode. Tussen protestanten en katholieken bestonden tegenstrijdigheden over welke bijbel en welke methode men moest gebruiken bij het interpreteren van de Schrift.
Een echte stimulans voor verder onderzoek is het artikel van Andrew Hope 'over het smokkelen van verboden boeken uit Antwerpen naar Engeland in de jaren 1520 en 1530'. Hij belicht hier de rol van de uitgevers en drukkers en van Engelse handelaars die dienst deden als smokkelaars van de verboden boeken. Aan de kant van de drukkers stonden de Keyser en Ruremund en aan de kant van de uitgevers speelde zeker Franz Birckman een belangrijke rol. Maar over wie er verder nog geld investeerde in het drukken van Engelse bijbels is er totnogtoe nog weinig geweten. Ook over wie er boeken smokkelde – en dit is natuurlijk niet verwonderlijk – bestaat nog veel onduidelijkheid.
Dezelfde auteur bespreekt in een uitgebreid artikel het onderzoek naar de oorsprong van de Coverdale-bijbel. Van 1938 tot 1997/2000 werd aangenomen dat deze bijbel in Keulen werd gedrukt. Voor 1938 geloofde men dat de drukplaats Zurich was. De huidige stelling, door Guido Latré in The Bible as Book: The Reformation (ed. O. O'Sullivan) verdedigd, dat de Coverdale-bijbel in Antwerpen was gedrukt, werd reeds in 1884, in het Londense literaire tijdschrift The Athenaeum, geopperd. Hope beschrijft in zijn boeiende tekst het begin van het onderzoek met Fry en Dibden die de stelling Zürich onderuit haalden. Vervolgens is er de controverse tussen W.J.C. Moens en Henry Stevens uit Vermont. De eerste had in zijn aankondiging van de publicatie van de Registers van de Nederlandse Hervormde Kerk, Austin Friars, Londen, vermeld dat hij gegevens zou publiceren die 'wellicht een definitief antwoord zouden geven op de vraag waar de Coverdale-bijbel werd gedrukt'. Het ging om een beëdigde verklaring (1609), opgemaakt door Emanuel van Meteren, dat zijn vader 'Miles Coverdale in Antwerpen opdracht had gegeven om de bijbel in het Engels te vertalen' en dat zijn vertaling daarna werd gedrukt door Jacob van Meteren en Edward Whytchurch 'in Parijs en in Londen'. Dit bracht Henry Stevens in het verweer, aangezien hij een gelijkaardig document reeds eerder had bekend gemaakt, waarover Moens niet had gerept. Samen met de drukplaats werd ook de positie van Coverdale ter discussie gesteld. Was hij een vertaler of enkel maar een corrector? William Aldis Wright was de grote pleitbezorger van Coverdale als vertaler. Tegen het eind van de negentiende eeuw werd een compromis bereikt: Coverdale had de bijbel in Antwerpen vertaald met de financiële steun van van Meteren, maar de vertaling werd gedrukt door Froschover in Zürich. Zürich werd verkozen omdat C.D. Ginsburg beweerde dat hij bladen bezat van een Duitse bijbel, gedrukt door Froschover, met identieke lettertypes aan die van de Coverdale-bijbel. Bij nader onderzoek bleek dit niet het geval te zijn. Keulen werd vanaf de jaren '30 de drukplaats. Recent onderzoek maakt echter duidelijk dat Keulen niet zo waarschijnlijk is, zodat opnieuw de hypothese van Antwerpen veld wint. Mede dankzij deze catalogus.
Het catalogusgedeelte werd onderverdeeld in negen stukken die verschillende aspecten van Tyndale, de bijbel, de Reformatie en Antwerpen illustreren. De catalogus opent met een stuk over Tyndale's reputatie na zijn dood. Hierin worden een aantal martelaarsboeken besproken, zoals die van John Foxe en Adriaan van Haemstede, alsook het Tyndale monument in Vilvoorde en herdenkingspenningen. In het gedeelte over de Reformatie worden onder andere portretten getoond van de belangrijkste hoofdrolspelers zoals Luther, Karel V, Hendrik VIII en Christiaan II van Denemarken. 'De bijbel van de humanisten' gaat dieper in op het werk van kardinaal Ximénez, Erasmus en op bijbelstudies, met een bijzondere aandacht voor de Hebreeuwse traditie. Zo wordt er een Hebreeuwse bijbel besproken, gedrukt door Daniel Bomberg in Venetië. Werken van Willem van Branteghem, Amerotius, Th. Gaza, Reuchlin, Johannes Campensis en Nicolaus Clenardus werden gesitueerd binnen het gedeelte 'Hulpmiddelen voor de vertalers'. In 'De bijbel voor de Reformatie' komen een aantal. Nederlandstalige bijbelvertalingen en -bewerkingen voor die niet door de Reformatie werden beïnvloed. Het gaat hier om werk van Jacobus de Voragine en Ludolphus de Saxonia, alsook om een aantal anonieme werken. Het meest uitgebreide gedeelte vormt 'Bijbels in de volkstaal in Antwerpen (1523-1540)'. In 34 catalogusnummers worden de bijbelvertalingen beschreven die door de Reformatie beïnvloed werden. Het gaat hier om bijbels in het Duits, Nederlands, Frans, Deens en Engels. William Tyndale wordt uitvoerig belicht in de 'Tyndale en de bijbel'. Drie controverses komen hier aan bod: die met George Joye omtrent de herziening van Tyndale’s vertaling, die omtrent de echtscheiding van Hendrik VIII en de controverse met Thomas More. Uit dit gedeelte blijkt duidelijk dat Tyndale, zoals ook die andere held uit het Engels humanisme, niet altijd fijnzinnig uit de hoek kwam. Het einde van de catalogus wordt gevormd door een aantal nummers omtrent het gevangenschap, de ondervraging en de terechtstelling van Tyndale. In de catalogus zijn er twee nummers die torenhoog boven de andere uitsteken: natuurlijk gaat het hier om het enige exemplaar, met een afbeelding van de titelpagina, van Tyndale's vertaling waarschijnlijk gedrukt in Worms in 1526 en de laatste brief van Tyndale waarin hij vraagt om kledij om zich te verwarmen in de gevangenis, alsook om een Hebreeuwse bijbel, een Hebreeuwse spraakkunst en een Hebreeuws woordenboek.
Deze catalogus vormt in feite een tweeluik met een eerdere tentoonstelling in het Museum Plantin-Moretus met name Antwerpen, Dissident drukkerscentrum (ADDC) uit 1994. Waar de nadruk in deze laatste vooral ligt op de tweede helft van de zestiende eeuw, gaat het in de Tyndale-catalogus vooral over de eerste helft van de eeuw. De werken die in beide catalogi besproken worden, geven duidelijk de verschuiving aan die in de zestiende eeuw in Antwerpen heeft plaatsgevonden: van een grote bijbelproductie in de verschillende Europese talen in het begin van de eeuw, naar meer polemisch werk in de tweede helft. Een vergelijking tussen beide catalogi drong zich dan ook op en daaruit blijkt een groot verschil in de catalogusbeschrijvingen: waar de ADDC-catalogus geschreven is voor de boekhistoricus met onder andere bijzondere aandacht voor het exemplaar zoals uitgebreide bandbeschrijvingen en vermelding van ingebonden werken, is de Tyndale-catalogus vooral gericht op de kerkhistoricus. De boekbeschrijvingen zijn ongelijk en vele zijn eerder summier gehouden, de inhoud van de boeken daarentegen wordt uitvoerig en gedetailleerd belicht. Zo wordt o.a. een bespreking gegeven van de kleur van het paard van de dood in de Apocalyps (nr. 44) en van een stater (nr. 67), en wordt er een interessante vergelijking gemaakt tussen More en Tyndale (nr. 110). Ter aanvulling geven we hier de ontbrekende verwijzingen naar de ADDC-catalogus: nr. 1 = ADDC 105; nr. 17= ADDC 108: nr. 19 = ADDC 4; nr. 88 = ADDC 21 (p. 104, niet 100); nr. 90 = ADDC 27; nr. 98 = ADDC 6; nr. 102 = ADDC 22; nr. 103 = ADDC 23; nr. 109 = ADDC 15. Bij het Novum Testamentum (nr. 33) van Erasmus werd geen literatuur vermeld: een verwijzing naar Erasmiana Lovaniensia (1986) nr. 49 had veel goed kunnen maken. Bij de vertaling van Erasmus Enchiridion militis christiani (nr. 76) mocht verwezen worden naar BB E-1082 en bij de Ordinantien (nr. 112) naar NK 3636-3638. Deze catalogus, goed ingebonden en met afbeeldingen die meestal scherp werden afgedrukt, is een degelijk naslagwerk voor de vroege Reformatie in Antwerpen. Een must voor al wie interesse heeft voor de zestiende eeuw en voor de Reformatie. [J.H.]

3344. – A. DEWITTE, De eerste Vives-vertaling in Utrecht, 1531? in Biekorf, 101, 2001, p. 91.
In de Brugse stadsrekeningen (september 1525. – september 1526) wordt vermeld dat Hendric Nieuwlant 5 lib. 12 sc. en 4 den. gr. betaald werd voor de vertaling en het drukken (translateren ende prenten) van verschillende boeken vander manieren omme t'onderhout van den armen. In 1529-30 wordt Huubrecht de Crooc betaald voor het drukken van de ordonnantie up tstic vanden aermen lieden. Het boek, De subventione pauperum, was in 1523 door Lodewijk van Praet gevraagd aan Vives, blijkens een gratuiteit uit de Brugse stadsrekeningen. [J.H.]

3345. – Peter O. MÜLLER, Deutsche Lexikographie des 16. lahrhunderts: Konzeptionen und Funktionen frühneuzeitlicher Worterbücher. – Tübingen: Niemeyer, 2001. – XX, 668 p.: ill.; 25 cm. (Texte und Textgeschichte, 49). – ISBN 3-48436049-6.
Indrukwekkende studie van in het zestiende-eeuwse Duitse taalgebied verschenen woordenboeken. Met ook een grondige bibliografische beschrijving van de besproken werken, waaronder H. Junius en J. Murmellius (p. 568-601). [M.d.S.]

3346. – Piet VERKRUIJSSE, Plaatjes kijken: raadsels rond illustraties in oude boeken. Twaalfde Bert van Selm-lezing. – Leiden: Stichting Neerlandistiek Leiden, 2003. – 2 dln. in 1 bnd. (24 p., [18] ffpl.): omslag, ill.; 21, 5 x 15, 5 cm. – ISBN 90-807276-3-6.
Aan de hand van drie vertalingen door Mattheus Smallegange onderzoekt Verkruijsse de uitgeversstrategieën bij het op de markt brengen van boeken met illustraties. Als boekarcheoloog en analytisch bibliograaf probeert hij de drukgeschiedenis te reconstrueren van Afbeelding van t' oude Romen (1661) en Afbeeldinghe van t' nieu Romen (1661) waarbij hij aandacht schenkt aan de illustratietechniek en de implicaties daarvan voor het productieproces en de kosten, de keuze van de prenten, de volgorde in het productieproces en de keuze om de prenten al dan niet binnen de katern te plaatsen. Bij Den Arbeid van Mars (1672) met prenten van Romeijn de Hooghe probeert hij zowel de rivaliteit als de samenwerking tussen de uitgevers Van Meurs en Ianssonius van Waesberge te verklaren. Bij het laatste voorbeeld Verhandeling van den godtsdienst, legerschikking krygstucht, en badstoven der oude Romeinen (1684) gaat hij na hoe het werk aan de diepdrukpers in de praktijk verliep. Het boekje is op een originele manier samengesteld zodat prenten en tekst bij het lezen perfect met elkaar kunnen worden gecombineerd. [H.M.]

3347. – A. DEWITTE, Bibliopolae te Brugge in de vroege zeventiende eeuw in Biekorf, 103, 2003, p. 307.
Artikel omtrent bestellingen, in de jaren '30 van de zeventiende eeuw, van het Sint-Donaaskapittel bij N. Breyghel (miscanons, dodenmissen en 'images'), bij Anthonius de Tollenare (perkament) en bij de weduwe van de boekbinder Jan Vijncx, met name Judoca Timmerman, en bij Carel van Brussel (bindwerk). [J.H.]

3348. – Anna E.C. SIMONI, The Ostend story: early tales of the great siege and the mediating role of Henrick van Haestens. – 't Goy-Houten: HES & De Graaf, 2003. 232 p.: ill.; 25 cm. – (Bibliotheca Bibliographica Neerlandica, 38). – ISBN 90-6194-159-8.
Het jarenlange Beleg van Oostende (1600-1604) maakte veel indruk in West-Europa en werd zelfs een ‘universiteit van de krijgskunst' genoemd. Allerlei verhalen en getuigenissen werden aan beide zijden verzameld en gepubhceerd. De Leidse drukker en uitgever Hendrik van Haestens (gest. 1629) schreef er een aantal werken over: De bloedige ende strenge belegeringhe der stadt Oostende in Vlaenderen (1613), Beschrijvinghe des machtigen heyrtochts ... Van ghelycken bloedige ende strenge belegeringe der stadt Oostende (1614) en La nouvelle Troye ou Memorable histoire du siege d'Ostende (1615). S toont aan dat Van Haestens zich grotendeels baseerde op een eerder gepubliceerd Duits werk: Belägerung der Statt Ostende. Iournal: Tagregister und eigentliche Beschreibung (. .. ) uit '1604'. Zij analyseert Haestens' bronnen, gebruik van illustraties en liminaire literaire teksten enzovoort. Het hele verhaal is aanschouwelijk gepresenteerd en brengt een verdwenen wereld weer tot leven. Voor de boekhistoricus is de boodschap duidelijk: kijken mag, maar lezen moet! Aanbevolen spannende lectuur. [M.d.S.]

3349. – Paul BEGHEYN, The collection of copperplates by members of the Wierix family in the Jesuit church 'De Krijtberg' in Amsterdam in Quaerendo, 31, 2001, p. 192-204, ill.
Begheyn beschrijft een verzameling van 75 koperplaten met gravures van de familie Wierix die in de zomer van 2000 in de Amsterdamse jezuïetenkerk 'De Krijtberg' is opgedoken. Begheyn vermoedt dat ze rond 1800 uit de Zuidelijke Nederlanden naar het Noorden zijn gebracht. In een appendix geeft hij een lijst van de koperplaten. Vijf onbekende platen worden wat uitvoeriger beschreven, voor de andere verwijst hij naar varianten en overeenkomsten met de nummers in de inventaris van Mauquoy-Hendrickx. De Wierixen werkten vaak voor de jezuïeten wat hij illustreert in een tweede appendix met de nummers uit Mauquoy-Hendrickx gemaakt voor de jezuïeten. [H.M.]

3350. – Paul BEGHEYN, Het oudste boekenbezit van de Nijmeegse jezuïetenstatie in Numaga. Jaarboek, 47, 2000, p. 89-101, ill.
Het gaat zowel over de oudste drukken als over de drukken in het vroegste stadium door de Nijmeegse jezuïeten verworven. B gaat in op de geschiedenis van de exemplaren en van de collectie tot in recente tijden toe. De 23 incunabelen, waarvan in bijlage de lijst is gegeven, bevinden zich nog steeds in het Berchmannianum (Prov. Bibl. Nederlandse Jezuïeten); het overige van de collectie is nu in de Rijksuniversiteit Limburg te Maastricht ('Jezuïetenbibliotheek'). [E.C.-I.]

335l. – Eugeen VAN AUTENBOER, Heer Johan Geerlinckx + 1638. Kanunnik-schutter-boekenbezitter te Turnhout in Taxandria. Jaarboek van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van de Antwerpse Kempen, 72, 2000, p. 171-179.
In het Archief van het Sint-Pieterskapittel van Turnhout bevinden zich testament en boedelinventaris van de in 1638 overleden kanunnik J(oh)an Geerlinckx. De lijst van boeken is in bijlage afgedrukt (p. 178-179). Het gaat om een veertigtal titels (zonder impressum, datum of formaat), vooral typische religieuze werken en 'vakliteratuur' voor een contrareformatorisch priester. De meeste werken zijn uiteraard in het Latijn, enkele titels in het Nederlands en het Frans. En er is ook een 'Primera parte de la Vida del Picaro Guzman' [M.d.S.]

3352. – Prosper ARENTS, De bibliotheek van Pieter Pauwel Rubens: een reconstructie. Bewerking Frans Baudouin, Lia Baudouin, Elly Cockx-Indestege, Jacques de Bie, Marcus de Schepper. Eindredactie Alfons K.L. Thijs, in De Gulden Passer, 78-79 (2000-2001), 387 p., ill.
P. Arents had het plan opgevat om een virtuele bibliotheek van Rubens te reconstrueren maar bij zijn dood in 1984 bestond dit werk slechts in de vorm van zeer veel notities. Een tiental mensen hebben aan de afwerking van het werk gearbeid. A. Thijs leidt het werk in met een uitvoerige biografie van Prosper Arents waarbij hij vooral aandacht schenkt aan zijn literaire werk, zijn bibliografische publicaties en zijn belangstelling voor Rubens. F. Baudouin schetst Rubens als 'pictor doctus', de schilder die ook veel belangstelling voor boeken had. Baudouin legt ook verbanden tussen de aankoop van bepaalde boeken en de artistieke en diplomatieke activiteiten van Rubens. Hij toont ook aan dat Rubens geen uitzonderlijk grote bibliotheek had voor Antwerpen, maar dat die in elke geval wel het stempel geleerdenbibliotheek verdient. Een Engelse versie van deze tekst, P.P. Rubens and his books, verscheen in Les humanistes (zie nr. 3237), p. 231-246. Vooral drie bronnen hebben gediend om de bibliotheek te reconstrueren: de journalen van Balthasar I Moretus, waarin de boeken staan die Rubens bij hem kocht; de brieven van Rubens en de veilingcatalogus van Albert Rubens, de oudste zoon van Rubens. Aangezien slechts van 3 titels een exemplaar bekend is, dat wel degelijk in het bezit van Rubens is geweest, zijn al de andere titels voor een groot deel hypothetisch. Rubens heeft ongetwijfeld meer boeken bezeten dan er uit de bewaarde bronnen te achterhalen valt en vaak is het ook moeilijk om te bepalen welke editie hij van een werk bezat. De catalogus is geordend op basis van de bronnen waaruit de gegevens zijn gehaald. Zo is de catalogus verdeeld in negentien categorieën gaande van boeken met zijn ex-libris: met een opdracht aan Rubens; werken waarvoor hij zelf prenten heeft gemaakt; werken gekocht in de Officina Plantiniana; door hem zelf gepubliceerde werken; met gedichten of brieven aan hem gericht; vermeld in zijn correspondentie; boeken vermeld in de Petits Mémoires van Peiresc; boeken die Rubens voor vrienden zocht, boeken met een ex-libris van Philips Rubens, door deze geschreven of gekocht in de Officina Plantiniana, met gedichten of opdrachten aan hem gericht, of vermeld in zijn correspondentie. Werken met bijdragen van Albert Rubens, mogelijke lectuur van P.P. Rubens in de catalogus van Albert Rubens zoals werken op het vakgebied van P.P. en werken van vrienden van P.P. en tenslotte werken waaraan Rubens citaten kan ontleend hebben. Bij elke titel wordt de context gegeven waarin het werk wordt vermeld, de bibliografische beschrijving met vindplaatsen en secundaire literatuur en soms nog extra commentaar zoals het onderzoek of de aantekeningen in het Schilderboeck van de hand van Rubens zelf zijn. Het geheel wordt toegankelijk gemaakt via een persoonsnamenregister en een register op drukken en uitgevers per plaats. Het boek sluit af met een facsimile van de veilingcatalogus van Albert Rubens (1658) waarvan het enige bekende exemplaar in de BN in Parijs wordt bewaard. Ook op deze catalogus is een persoonsnamenregister gemaakt. [H.M.]

3353. – Frans A. JANSSEN, De boekencollectie van Thysius in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen 2001, p. 103-116, ill.
Tekst van de lezing gehouden bij de feestelijke heropening van de Bibliotheca Thysiana te Leiden op 27 oktober 2001. Janssen stelt Johannes Thysius, overleden in 1653, terecht als voorbeeld van een boekenverzamelaar wiens collectie na zijn dood voor het publiek toegankelijk moest worden. Hij wordt in hetzelfde kader geplaatst als Thomas Bodley, kardinaal Federico Borromeo (Bibl. Ambrosiana), bisschop Angelo Rocca (Bibl. Angelica) en kardinaal Mazarin. Opmerkelijk is de rol die Mazarins bibliothecaris, Gabriel Naudé, heeft gespeeld. [E.C.-I.]

3354. – Roger NOEL, L'inventaire du libraire montois Jean Havart en 1627 in Archives et Bibliothèques de Belgique = Archief- en Bibliotheekwezen in België, 72, 2001, p. 91-105. [= Actes du Congres de Mons. Sixième congrès de l'Association des cercles francophones d'histoire et d'archéologie de Belgique et LIIIe congrès de la Fédération des cercles d'archéologie et d'histoire de Belgique, Soignies 24-27 août 2000. Ed. Pierre-Jean Foulon].
Met het oog op de aanvraag van een koninklijk patent om in Mons als boekhandelaar aan de slag te blijven, liet Havart op 22-23 december 1627 een inventaris maken van zijn winkelvoorraad. N analyseert het document: de boeken werden plank per plank beschreven, een eerdere editie van de tekst is hoogst onbetrouwbaar, en het sortiment bestond vooral uit contrareformatorische devotiewerken en 'littérature de cour'. Jammer dat het document niet in extenso is bijgevoegd. [M.d.S.]

3355. – Kees GNIRREP, De intekenaren op de 'Reizen door Klein Asia' van Cornelis de Bruijn (1698) in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 8, 2001, p. 59-71, ill.
Cornelis de Bruijn gaf in 1698 zijn met meer dan 200 koperplaten geillustreerde beschrijving van zijn reis door het Nabije Oosten uit in eigen beheer. Hij slaagde erin om 624 kopers te laten intekenen op 1330 exemplaren, een vrij nieuwe verkooptechniek voor die tijd. Gnirrep slaagt erin om tweederden van de namen in de lijst van intekenaren, die achter de voorreden is toegevoegd, te identificeren. Daarbij valt op dat slechts 13 % ervan uit het boekenvak komt, en dat een groot aantal particulieren op meerdere exemplaren intekenden: veel personen uit de kring van Willem III, handelaren, zeevaarders en professoren. Dit laat Gnirrep veronderstellen dat er een alternatief boekendistributiecircuit moet bestaan hebben. [H.M.]

3356. – Paul ARBLASTER, Policy and publishing in the Habsburg Netherlands 1585-1690, in The Politics of Information in Early Modern Europe. Ed. Brendan Dooley & Sabrina A. Baron. – London & New York: Routledge, 2001, p. 179-198. (Routledge Studies in Cultural History, 1).
Arblaster geeft een overzicht van het ontstaan van de kranten in de Zuidelijke Nederlanden en bekijkt daarbij vooral de relatie tussen drukkers en overheid. Het is na 1585 niet gemakkelijk om als drukker een licentie te verkrijgen. Bovendien moet voor elke uitgave nog een approbatie worden gevraagd. Voor 1600 wordt het nieuws vooral verspreid via pamfletten. Abraham Verhoeven evolueert van drukker van nieuwspamfletten naar krantenuitgever met zijn Nieuwe Tijdingen. De hele zeventiende eeuw door zal de overheid voortdurend proberen de kranten en de nieuwsberichten te controleren. Anderzijds spannen drukkers als Pierre Hugonet en later Adrien Foppens zich in om als krantenuitgever een monopolie te verkrijgen. [H.M.]

3357. – Paul ARBLASTER, London, Antwerp and Amsterdam: journalistic relation; in the first half of the seventeenth century in The bookshop (zie nr. 3260), p. 145-150.
Vergelijking tussen de drie steden en hun productie van 'kranten' en nieuwstijdingen. [M.d.S.]

3358. – Otto LANKHORST, Newspapers in the Netherlands in the seventeenth century, in The Politics of Information in Early Modern Europe. Ed. Brendan Dooley & Sabrina A. Baron. – London & New York: Routledge, 2001, p. 151-159. (Routledge Studies in Cultural History, 1).
Lankhorst schetst de kennis over de kranten in de Republiek tijdens de zeventiende eeuw en betreurt het gebrek aan een goede bibliografie. Hij probeert de vroegste kranten te dateren en beschrijft hun lay-out. Enerzijds is er voor de courantiers een gunstig klimaat door de grote geletterdheid van het publiek en door de vrij milde censuur, anderzijds probeert de overheid hen te controleren onder andere door hen 'recognitiegeld' te doen betalen. Bij de overheid bestond ook grote belangstelling voor buitenlandse kranten, dat blijkt uit de hoge bedragen die gespendeerd werden aan de aankoop ervan. [H.M.]

3359. – Jan MATERNÉ, Brabantse boekdistributie en contrareformatorische conjunctuur. Kostbare drukken en het gewestelijk boekhandelscircuit van de Antwerpse Officina Plantiniana, einde 16de – midden 17de eeuw, in Bijdragen tot de Geschiedenis, 84, 2001, p. 513-534. [= De Brabantse stad. Twaalfde colloquium: Nijvel 23-25 september 1999. Het verbruik in de Brabantse steden.]
Na een korte status quaestionis van het onderzoek naar de rol van de boekhandel bekijkt Materné het distributienetwerk van de Moretussen in de regio Brabant, waarbij hij particuliere boekenkopers en professionele boekhandelaars onderscheidt. Met de gegevens uit de grootboeken vergelijkt hij de schuldpositie van de zakelijke entiteiten in de Europese boekhandel met deze in Antwerpen en Brussel in 1651 en 1670. De cijfers tonen na het midden van de zeventiende eeuw een duidelijke neerwaartse trend voor wat het aantal boekhandelsrelaties betreft zodat alleen de grotere steden als Leuven en Brussel overblijven. De verkaring voor deze teruggang ligt volledig bij de Moretussen, die zich alsmaar meer concentreren op het uitgeven van liturgische werken en de voorkeur geven aan samenwerking met meer kapitaalkrachtige boekhandelaars. [H.M.]

3360. – Dirk IMHOF, Return my woodblocks at once: dealings between the Antwerp publisher Balthasar Moretus and the London bookseller Richard Whitacker in the seventeenth century in The bookshop (zie nr. 3260), p. 179-190, ill.
De correspondentie van Plantijns kleinzoon Balthasar Moretus bevat ook een briefwisseling met de Londense boekhandelaar Richard Whitacker. Moretus 'leende' hem tegen een flink bedrag de houtblokken van Dodoens 'Kruidboek' voor een nieuwe editie van Gerards 'Herbal' . Whitacker nam ruim zijn tijd en gaf de blokken pas na lang aandringen terug. Een mooie illustratie van on(der)benutte gegevens uit het zo rijke Plantijnse Archief. [M.d.S.]

3361. – Noël GOLVERS, Ferdinand Verbiest, s.J. (1623-1688) and the Chinese heaven: the composition of the astronomical corpus, its diffusion and reception in the European republic of letters. – Leuven: University Press & Ferdinand Verbiest Foundation KULeuven, 2003. – 670 p.: ill.; 24 cm. (Leuven Chinese studies, 12). – ISBN 90-5867-293-X.
Identificering, beschrijving en localisering van over de tweehonderd exemplaren van de astronomische publicaties van Verbiest zijn de conditio sine qua non geweest om dit astronomisch corpus te bestuderen. Die publicaties zijn op traditionele wijze (in Europa) gedrukt of als blokboeken vanuit Peking verspreid. Dat Verbiests bijdrage tot de meest ophefmakende getuigen maakt van de aanwezigheid van de jezuïeten in China in de zeventiende en ook de achttiende eeuw, staat buiten kijf. Dat het bibliografisch kluwen van edities, uitgaven en staten, nu grondig is aangepakt en ontward is de grote verdienste van de classicus Golvers, onderzoeker bij de Verbiest-stichting Elke titel is gerelateerd aan het gehele oeuvre, heeft aldus zijn eigen plaats gekregen en is gedateerd. Hierdoor heeft de wordingsgeschiedenis van het oeuvre duidelijke contouren gekregen. Maar Golvers heeft ook profijt getrokken uit de exemplaarkenmerken van alle exemplaren zoals handgeschreven opdrachten, eigendomsmerken, omslagen, titeletiketten: hij heeft zodoende de verscheping naar Europa kunnen traceren. Tenslotte is hij nagegaan hoe Verbiests werk in Europa is ontvangen; het bleek duidelijk dat er vele aspecten aan vastzitten zoals het astronomische, het sinologische, het historische, het taalkundige, ja het 'bibliofiele'. Dit verleent ons op zijn beurt een kijk in de Europese collecties waar Verbiests te vinden zijn (voornamelijk Berlijn, Firenze, Leiden, Munchen, Parijs, Praag, Rome, Sint-Petersburg, Warschau en Wenen). Maar ook in tal van andere Europese bibliotheken worden werken van Verbiest aangetroffen: om bij de Nederlanden te blijven: de UB Amsterdam, de Stadsbibliotheek Antwerpen, Spermalie te Brugge, de Bollandisten te Brussel, de KB Brussel, het Observatorium te Ukkel (Brussel), de UB Leiden, de UB Gent, de KB Den Haag, MMW te Den Haag, de Jezuïeten te Heverlee. Deze studie bevestigt wat men wist: Verbiest leverde een fundamentele bijdrage tot de kennis van de westerse astronomie in het Verre Oosten, tot de geschiedenis van de missies van de jezuïeten in China en tot de kennis van de drukkunst in dezen. [E.C.-I.]

3362. – Stijn BUSSELS, Een onuitgevoerde intrede te Gent van Justus de Harduyn en David Van der Linden in Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 55, 2001, p. 237-250.
De intrede van don Ferdinand in Antwerpen in 1635 is wel bekend, dankzij de medewerking van Rubens. Ook over de intrede in Gent, samengesteld door Guillielmus Becanus werd al heel wat geschreven. Echter, de voorloper van dit werk, de onuitgevoerde intrede van Justus De Harduyn en David Van der Linden, is veel minder bekend. Het werk werd nochtans ook gedrukt en heeft steun ontvangen van het Gentse stadsbestuur. Wat was de reden dat het Gentse stadsbestuur het werk van de Jezuïeten verkoos boven dat van De Harduyn en Vander Linden? Dat is wat de auteur wenst te onderzoeken. Goeden Yever tot het Vader-land, want zo luidt een deel van de Nederlandstalige titel van het werk, werd voor een belangrijk deel samengesteld door de historicus David Lindanus. Centraal staan namelijk de grote vorsten die de Nederlanden hebben bestuurd, te beginnen bij Julius Caesar en eindigend bij de aartshertogen Albrecht en Isabella. Ook als classicus moet Lindanus een groot aandeel gehad hebben in het Latijnse gedeelte. Op het deel van De Harduyn is het moeilijker een zicht te krijgen. De auteur meent dat de dichter meer heeft gedaan dan alleen maar vertaald. Het thema van de intrede: de lievelijcke vre, waer na dat alle menschen als naer het beste goed ten allen tijde wenschen, kortom de vredelievendheid, komt in vele werken van De Harduyn terug. Ook het grote aandeel van tableaux vivants en aanverwante theatrale vormen zijn sterk beïnvloed door het rederijkersmilieu waarin De Harduyn vertoefde. Deze laatste, de tableaux vivants, zijn een mogelijke reden waarom Gent niet voor deze intrede koos. In de evolutie van de intredes is namelijk te merken dat er steeds meer voor triomfbogen werd gekozen vanuit centralistische overwegingen van de overheid: tableaux vivants laten teveel burgers en rederijkers toe op het podium. Een andere reden is dat de band tussen Gent en de Jezuïeten veel nauwer was, dan die tussen Gent en De Harduyn-Lindanus: beide laatste hadden op professioneel noch op privé vlak enig uitstaans met de stad. Inhoudelijk zijn er wel redenen voor het Gentse stadsbestuur om een subsidie toe te kennen: de voorkeur voor de nieuwe gouverneur-generaal, de Spaanse kroon. en de Rooms-katholieke Kerk. Dat de intrede niet werd uitgevoerd, heeft misschien ook wel te maken met de hoge verwachtingen die te nadrukkelijk in de werk van De Harduyn en Lindanus werden geformuleerd. [J.H.]

3363. – JAN MATERNÉ, De contrareformatorische boekbusiness in Antwerpens nazomertijd. De eerste losse Moretusdrukken van Lipsius' controversiële Mariatraktaten op de Europese boekenmarkt in Bijdragen tot de Gechiedenis, 84, 2001, p. 149-160. [= De lokroep van het bedrijf. Handelaars, ondernemers en hun samenleving van de zestiende tot de twintigste eeuw. Liber Amicorum Roland Baetens.]
Materné geeft een overzicht van de publicatiefrequentie van de drukken van Lipsius, die een bevoorrecht auteur van de Officina Plantiniana was. Hij bekijkt hoe aan het beeld van Lipsius als voorbeeldig en overtuigd katholiek humanist is gewerkt, onder andere door de publicatie van Diva Virgo Hallensis (1604) en Diva Sichemiensis sive Aspricollis (1605), twee propagandistische werken die pasten in de aartshertogelijke politiek maar veel kritiek uitlokten van protestantse zijde. In vergelijking met andere werken van Lipsius werden ze slechts op vrij beperkte schaal verspreid, ondanks het feit dat een aanzienlijk deel ervan via Frankfort toch op de internationale markt kwam. [H.M.]

3364. – Herman KERKHOVE, Een Heyligh Boeckxken ... en Lorette in Annalen. Geschied- en oudheidkundige kring van Ronse en het tenement van Inde, 50, 2001, p. 39-41, ill.
Een mirakel met een valk in het kader van de devotie tot O.L.V. van Lorette is aanleiding om te verwijzen naar de Spiegel van philagie van Adriaan Poirters, gedrukt in 1674 bij Jacobus Woons in Antwerpen. [J.H.]

3365. – Pierre SWIGGERS, Gramayes Specimen litterarum & linguarum vniverso orbis in Ex officina. Bulletin van de vrienden van de Leuvense Universiteitsbibliotheek, 14, 2001, p. 2-3.
Dit Specimen, een in-4° van 21 of 22 folia, werd gedrukt bij Joannes Masius te Ath in 1622. Het is een tabellarisch overzicht van schriftsystemen en talen. De publicatiegeschiedenis van dit werkje is zeer complex. Er bestaan twee reeksen drukken (beide uit 1622 met een identieke titel) waarvan de ene gededicasseerd werd aan de senaat, raad en het volk van Brugge, en de andere met opdracht aan Jean de Tserclaes, baron van Tilly en Marbais. Maar binnen elke reeks zijn er ook nog eens verschillen. De twee exemplaren die de Leuvense UB heeft kunnen verwerven vormen een belangrijke aanwinst als getuige van het taalgenealogisch onderzoek uit de zeventiende eeuw. [J.H.]

3366. – J. LECHNER, Repertorio de obras de autores españoles en bibliotecas holandesas hasta comienzos del siglo XVIII. – 't Goy-Houten: HES & De Graaf, [2001]. – 361 p.; 24 cm. (Bibliotheca bibliographica neerlandica, 37).
L heeft jarenlang onderzocht welke werken van Spaanse auteurs er in de (Noordelijke) Nederlanden bekend waren. Daartoe heeft hij niet alleen bibliografieën en catalogi van oude drukken (STCN etcetera) en vertalingen doorgeploegd, maar vooral de door Bert van Selm weer onder de aandacht gebrachte veilingcatalogi. Daarvan heeft hij er honderden uitgeplozen. Het geheel is een uitgebreid repertorium geworden van uitgaven die op een of andere manier bekend waren in de Republiek. Daaruit blijkt nu overduidelijk dat Spaanse auteurs zeer goed vertegenwoordigd waren in Nederlandse (privé)bibliotheken en dat hun invloed derhalve heel wat groter was dan totnogtoe kon worden vermoed. Alle aangetroffen auteurs en titels worden alfabetisch gepresenteerd, met verwijzingen naar referentiewerken (vooral Palau en Peeters-Fontainas). Met de bijlagen (werken over Spanje, woordenboeken en grammatica's, werken over Amerika) samen goed voor 5834 titels. Uitvoerige registers op personen (inclusief drukkers en boekverkopers), publicatieplaatsen (Antwerpen !), veilingcatalogi, en een bibliografie sluiten dit levenswerk af. Een 'Fundgrube' voor bibliografen, boek- en literatuurhistorici en hispanisten. [M.d.S.]

3367. – Peter ALTENA, Over verlichte boekenbrandjes in 1720 en 1732: 'En smyt die grollen in 't vier' in Nieuw letterkundig magazijn, 20, 2002, p. 2-5, ill.
Een titelprent uit 1720 inspireerde Justus Van Effen, redacteur van De Hollandsche Spectator, twaalf jaar later tot het gedicht 'Den Winter op de Helicon'. Hierin roept hij op tot het verbranden van alle slechte dichtwerken. Dit pleidooi is verrassend omdat boekverbranding in de eerste plaats geassocieerd wordt met tirannieke heerszucht, niet met een Verlicht discours. Van Effen beschouwde de zuivering van de literatuur als noodzakelijk. A duidt het besef van een explosief groeiende boekproductie aan als achtergrond voor dit polemische pleidooi. Selectie was noodzakelijk om het overzicht te bewaren. Bloemlezingen, tijdschriften en kleine, uitgelezen boekenverzamelingen werden in dit kader gepropageerd. Een interessante vraag overigens: zijn bloemlezingen een moderne vorm van 'verbranding'? [S.v.R.]

3368. – Louis Ph. SLOOS, Argeloze lezers van toen en nu: een ghostwriter van Frederik de Grote in Nederland en de verspreiding van Canards van Mes rêveries van Maurice de Saxe (1696-1750) in De achttiende eeuw, 34, 2002, p. 143-157.
Elk historisch onderzoek is gebaat bij een zorgvuldige bibliografische en boekhistorische analyse van het bronnenmateriaal. S illustreert deze boutade voortreffelijk aan de hand van de postuum gepubliceerde memoires van Maurice de Saxe, maarschalk in het Franse leger. Mes rêveries, een klassieker in de militaire literatuur, verscheen in 1756 bij Pieter Gosse junior in Den Haag. Die eerste druk was echter gebaseerd op een gestolen en inadequate kopie van het oorspronkelijke manuscript. Een meer oorspronkelijke versie van de memoires verscheen een jaar later in Parijs. Het kwaad was echter geschied. Latere edities en vertalingen baseerden zich op de eerste druk. Het artikel is goed gestoffeerd en de verhalende stijl veraangenaamt het lezen. [S.v.R.]

3369. – Pierre DELSAERDT, De leesrevolutie en de empirie van de Republiek in de achttiende eeuw. Twee contrasterende benaderingen in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 8, 2001, p. 187-191, ill.
Een bespreking en vergelijking van twee gepubliceerde proefschriften uit 1999: Liefhebbers en gewoontelezers. Leescultuur in Den Haag in de achttiende eeuw van José de Kruif en Alom te bekomen. Veranderingen in de boekdistributie in de Republiek 1720-1800 van Hannie van Goinga. Beide studies hebben met elkaar gemeen dat ze de theorie van de lezersrevolutie als uitgangspunt nemen en dat ze beiden gebruik maken van seriële bronnen. In de thematiek en de verwerking van de resultaten gaan beide auteurs dan weer verschillend te werk. D typeert Liefhebbers en gewoontelezers als een solide monografie waarin expliciet wordt geanalyseerd wie wat las, en Alom te bekomen als een gestroomlijnde bundeling eerder verschenen artikels waarin de veranderingen in de commerciële verspreiding van boeken wordt onderzocht. [S.v.R.]

3370. – Louis G. SAALMINK, Hieronymus van Alphen en het raadsel van de Wo(e)rtman-drukken in Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, 9, 2002, p. 111-132.
S stort zich als een bibliografische detective op de roofdrukken van de kindergedichten van Hieronymus van Alphen. We weten allemaal dat politioneel speurwerk in de realiteit zelden staat voor spectaculaire achtervolgingen, maar dat doorzettingsvermogen, nauwkeurigheid en een vleugje verbeeldingskracht onontbeerlijk zijn om orde te scheppen in een enorme hoeveelheid moeizaam verworven materiaal. Aan de hand van de gehanteerde spelling, archiefmateriaal, provenances en vignetten reconstrueert S de stamboom van de nadrukken die tussen 1798 en vermoedelijk 1835 onder de naam Woertman (of Wortman) op de markt kwamen. Aangezien Woertman niet meer actief was na 1798 kan hij onmogelijk de uitgever zijn van de 8 drukken die nadien nog zijn naam vermelden. De auteur voert daarom een aantal verdachten ten tonele. Arie Goejet, Jan Barent Elwe en Joannes Noman lijken zich elk aan het nadrukken schuldig gemaakt te hebben. De zaak is echter nog niet gesloten. Een minpunt misschien: voor mensen met een minder doorwrochte dossier kennis is het moeilijk om niet verloren te lopen in het grote aantal varianten, theorieën en opgevoerde personen. De waarheid heeft zijn prijs! [S.v.R.]

3371. – Jacques DE VOLDER, Algemene bibliografie van publicaties uitgegeven in de Zuidelijke Nederlanden. Deel I: periode 1792-1799. Deel II: periode 1792-1829 (niet gedateerd) . – Gent: Academia Press, 2003. – ISBN 90-3820407-8.
Meer dan 33 jaar (van 1967 tot 2000) werkte D aan zijn Algemene bibliografie. Hij wilde hiermee voor een aanvulling zorgen op de Bibliographie nationale, die slechts in 1830 aanving. In 1989 verscheen een eerste deel dat de lacune van 1800-1829 wist te vullen (Zie Kroniek 16 nr. 1525). Veertien jaar later kent dit standaardwerk een vervolg. Deze aanvulling beschrijft alle publicaties van 1792-1799. Daarnaast bevat het werk ook ongedateerde titels uit de periode 1792-1829. Dat D zijn bibliografie laat aanvangen in 1792 is vooral historisch interessant. Op die manier bestrijkt het werk nu de hele Franse en Hollandse periode. In totaal heeft D meer dan 25.000 referenties verzameld. Men kan niet anders dan bewondering hebben voor het monnikenwerk dat de auteur veelal in zijn vrije tijd, heeft verricht. Hij bewijst iedereen die onderzoek verricht naar deze bewogen periode uit onze geschiedenis een grote dienst. De opbouw van het werk en het beschrijvingsmodel van de referenties zijn grotendeels overgenomen van het eerste deel. Het A4-formaat is eveneens behouden, maar de vormgeving oogt eigentijdser. Toch verdient een werk van dit belang een meer verzorgde uitvoering. Kopregels ontbreken bijvoorbeeld zowel in het corpus als in de registers. Ze zouden het gebruik van de bibliografie aanzienlijk vergemakkelijken. De opvallendste wijziging is de nummering, die nu van begin tot einde doornummert. In de bibliografie van 1800 tot 1829 werd de teller bij het begin van elke letter opnieuw op 1 gezet. Hoewel continuïteit de gebruiksvriendelijkheid vergroot, brengt dit hier met zich mee dat enkele onvolkomenheden uit het eerste deel blijven voortbestaan. De gebruikte afkortingen zijn vaak dermate cryptisch dat ze menig puzzelaar slapeloze nachten bezorgen. Waarom wordt de Stadsbibliotheek Antwerpen afgekort tot 'A57' en het Stadsarchief van Brussel tot 'B19'? Andere instellingen krijgen dan weer een gangbaar letterwoord mee, terwijl nog andere bibliotheken helemaal niet worden afgekort. Een tweede opmerking heeft betrekking tot de formaatbepaling. Werken die D niet kon inzien en waarvan hij niet kon nagaan of het een 8° of een 12° betrof, krijgen het formaat 18° mee! Toch wel een hoogst ongebruikelijke en dubbelzinnige toewijzing, des te meer omdat 18° een werkelijk bestaand formaat is. Ondanks de beperkte aandacht die besteed is aan het editeren van deze bibliografie, blijft ze extreem belangrijk. Ze biedt immers het enige overzicht van de boekproductie voor de betrokken periode, en zelfs voor de hele achttiende eeuw. [S.v.R.]

3372. – Katrien STEELANDT, Het muziekarchief van de Sint-Pauluskerk in Sint-Paulus-info (Tijdschrift van de Sint-Pauluskerk), 68, 2000, p. 1619-1629, ill.
Inventaris van het muziekarchief van de Antwerpse parochiekerk. De Sint-Pauluskerk bezit naast 58 handschriften ook 17 muziekdrukken uit de achttiende en negentiende eeuw. Ze worden beschreven volgens de internationale normen van de RISM (Répertoire Internationale des Sources Musicales) en alle werken voor 1850 worden ook opgenomen in de gelijknamige databank. Opvallend is de aanwezigheid van een eigentijdse inventaris van de Sint-Walburgiskerk (1686). Het handschrift vermeldt 101 nummers. Het merendeel zijn muziekdrukken. De aanwezigheid van het drukkershuis van de erven van P. Phalesius in de stad, één van de grote centra op dit gebied, is hier niet vreemd aan. De inventaris is een belangrijk stuk voor de reconstructie van het muziekleven te Antwerpen in de tweede helft van de zeventiende eeuw. [S.v.R.]

3373. – Garrelt VERHOEVEN, Antiquarische Adversaria IV. 'Ik zoek' Geluk In Druk te vinden': De drukkersproef van Levinus Moens in De boekenwereld, 18, 2001-2002, p. 194-197, ill.
In Middelburg moesten leerlingen een meesterproef afleggen om tot de gilde van boekdrukkers, boekverkopers en boekbinders toegelaten te worden. De materiële getuigen van deze praktijk zijn uiterst zeldzaam. In 1770 presenteerde Levinus Moens zijn 'proeve' aan het gildebestuur. Om het te overtuigen van zijn kunnen produceerde hij een miniatuurboek (58 x 73 mm), met alle kenmerken van een echt boek. Het werk handelt toepasselijk over de 'Lof en nuttigheid der drukkonst', bevat een opdracht aan de deken en is fraai ingebonden. Dat Moens zijn proef met succes aflegde, blijkt uit zijn latere carrière in het Middelburgse boekbedrijf. Het verzorgde leren bandje toont zijn talent als boekbinder, het werkterrein waar Moens zich later vooral zou op toeleggen. [S.v.R.]

3374. – Jean-Paul FONTAlNE, De Reims à Liège: Gabriel Dessain (1685-1767), fondateur d'une dynastie d'imprimeurs et de libraires in Archives et Bibliothèques de Belgique = Archief- en bibliotheekwezen in België, 77, 2001, p. 15-38, ill. [=Actes du Congrès de Mons. Sixième congrès de l'Association des cercles francophones d'histoire et d'archéologie de Belgique et LIIe congrès de la Fédération des cercles d'archéologie et d'histoire de Belgique, Soignies 24-27 août 2000. Ed. Pierre-Jean Foulon].
Bio-bibliografie van Gabriel Dessain, boekhandelaar te Reims. De familie Dessain ontpopt zich in de komende generaties tot een heus drukkersgeslacht met vertakkingen in verschillende steden. De bekendste is de tak uit Luik, gesticht door zijn zoon Jean Dessain (1722-1776) in 1758. Een andere zoon, Jean-Baptiste (1730-1782), begint een boekhandel in Parijs. Over deze tak is nog weinig bekend. Van 'stamvader' Gabriel zijn zes drukken overgeleverd, die hier beschreven worden. Verder zijn ook een stamboom en enkele facsimiles van archiefstukken en titelpagina's opgenomen. [S.v.R.]

3375. – Dirk VAN ELDERE, Het werck van Reinier Vinkeles in Ex officina, 14, 2001, 1, p. 6-7.
Vermelding van een portfolio met 260 gravures van de Nederlandse graveur Reinier Vinkeles. De map werd aan de Leuvense universiteitsbibliotheek geschonken door filmregisseur Frank van Passel. Materiële gegevens (het uitzicht van de map, de prenten zijn geen verwijderingen uit boeken) en de zorgvuldige samenstelling van de prenten (de aanwezigheid van een aantal frontispices waarop de tekst nog niet is aangebracht) doen vermoeden dat de verzameling is ontstaan ten tijde van het verschijnen van het werk en is bijeengebracht door iemand uit de entourage van de kunstenaar. [S.v.R.]

3376. – Claude SORGELOOS, Un atelier de reliure privé à Bruxelles au XVIIIe siècle: Charles de Lorraine et Aegidius de Bel in Archives el Bibliothèques de Belgique = Archief- en Bibliotheekwezen in België, 72, 2001, p. 139-144.
De Oostenrijkse gouverneur-generaal Karel van Lotharingen (1712-1780) toonde veel belangstelling voor de producten van handel en kunstnijverheid. In zijn paleis te Brussel verzamelde hij niet alleen een uitzonderlijke artistieke collectie maar hij interesseerde zich ook voor het maken van boeken: Hij bezat een draagbare drukpers (een hobby die toen bij meer aristocraten voorkwam) en materiaal voor het binden van boeken. Het boekbinden had hij waarschijnlijk geleerd van Aegidius de Bel, een drukker-boekhandelaar te Brussel in de periode 1760-1796. De Bel bekleedde geen vooraanstaande plaats te midden van de Brusselse drukkers en boekhandelaars, maar hij woonde vlak bij het paleis en kon dus door de gouverneur-generaal onverwijld ontboden worden. Tot nu toe is geen enkele band als werk van Karel van Lotharingen geïdentificeerd. [W.W.]

3377. – Lieve WATTEEUW, In de ban van de band: het Breviarium Mayer van den Bergh gebonden en gerestaureerd. Een historische benadering in 'Als ich can' (zie nr. 3218), II, p. 1605-1627, ill.
Boeiend verhaal van wat er met de band van een kostbaar handschrift zoals kan gebeuren. De band die nu door het Atelier Duodecimo is ontmanteld, dateert van 1932 en staat op naam van Charles Weckesser. De fluweelzijden band uit de achttiende eeuw die Weckesser op zijn beurt had ontmanteld, en lang verloren was gewaand, is onlangs teruggevonden. Jammer dat dit artikel ontsierd is door zet- en andere fouten. [E.C.-I.]

3378. – Andries VAN DEN ABEELE, Andries van den Bogaerde (1726-1799). Politiek, botanica en grootgrondbezit in Brugge en omgeving tijdens de achttiende eeuw in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis, 139, 2002, p. 80-124, ill.
Biografische studie over Andries van den Bogaerde, een notabele uit Brugge. Als schepen en thesaurier van het Brugse Vrije speelde hij een actieve rol in de lokale politiek. Daarnaast hield hij zich bezig met paardenfokkerij, vastgoed en het verenigingsleven. Zijn passie lag echter bij de botanica. Hij bereikte hierin zelfs een zekere naamsbekendheid. Dat tuinbouw voor hem meer was dan een vrijblijvende hobby, blijkt onder meer uit zijn boekenverzameling. De veilingcatalogus uit 1803 telt 350 nummers, waarvan religieuze werken de grootste groep uitmaken. Daarnaast bezat Van den Bogaerde Zuid-Nederlandse klassiekers als Guicciardini, Sanderus en Vorsterman. De 50 titels (125 boekdelen) over bloemen en planten, land- en tuinbouw maken deze veiling tot een buitenbeentje onder de Brugse veilingen. In bijlage geeft de auteur een overzicht van de botanische bibliotheek. Uit de publicatiedatum blijkt dat de meeste werken door van den Bogaerde zelf zijn verworven. Dit deel van zijn bibliotheek was dan ook geen bibliofiele verzamelmg, maar diende voor actief gebruik. Hij schafte die boeken aan die hem, naar de nieuwste inzichten, konden leren hoe hij succesvol kon tuinieren en telen. [S.v.R.]

3379. – Claude SORGELOOS, Praesim ut prosim: les livres de Guillaume-Philippe de Herzelles (1684-1744), abbé de Sainte-Gertrude à Louvain, évêque d'Anvers, et la vente Guillaume-Antoine-Joseph de Bezerra en 1750 in De Gulden Passer, 80, 2002, p. 131-181, ill.
'Toon me je bibliotheek en ik zal je zeggen wie je bent', dat zou het adagium kunnen zijn van het onderzoek naar particulier boekenbezit. S neemt in dit gestoffeerde artikel de bibliotheek van Guillaume-Philippe de Herzelles onder de loep. In 1743 verliet hij zijn functie als abt van Sint-Geertrui om kortstondig bisschop van Antwerpen te worden. Een afschrift van zijn bibliotheekinventaris, opgesteld door de Antwerpse drukker en boekhandelaar Jan-Baptist Verdussen biedt een blik op zijn persoonlijkheid en zijn omgang met boeken in het bijzonder. Herzelles kan niet echt een bibliofiel genoemd worden. De catalogus bevat 'slechts' 138 werken wat zijn collectie rangschikt onder de kleine bibliotheken. Verder gebruikte hij geen ex libris of paneelstempel. De presentatie van de bibliotheek was eveneens niet spectaculair: de meeste boeken hadden een eenvoudige band. De inhoudelijke analyse verduidelijkt dat Herzelles alleen boeken bezat die rechtstreeks verband hielden met zijn eigen persoon en carrière: genealogie, de administratie van een abdij en bisdom, bisschoppelijk recht, pastorale activiteiten, de omgang tussen kerk en staat. Daarnaast blijkt uit de collectie zijn persoonlijke, strikt katholieke devotie. Uit zijn boeken komt Herzelles niet naar voor als een man van de wereld. Moderne theologische werken en controversieel drukwerk ontbrekeken, net als literaire tijdschriften en wetenschappelijke publicaties. De bibliotheek van Herzelles werd bij testament nagelaten aan Guillaume-Antoine Joseph de Bezerra, kanunnik te Antwerpen. De veilingcatalogus van het boekenbezit van Bezarra uit 1750, bevat daarom eveneens de collectie van Herzelles. S toont aan hoe het combineren van de gegevens in belde catalogi tot nieuwe inzichten leidt. De dubbele vermelding vergemakkelijkt niet alleen de identificatie van de werken, ze maakt eveneens een statistische herinterpretatie van de boekencollectie van Bezarra mogelijk. [S.v.R.]

3380. – Werner WATERSCHOOT, Catalogue van boecken. De veiling van de bibliotheek van Jacobus Pieron op 27 juni 1709. – [Wildert]: De Carbolineum Pers, 2001. – 39 p.: ill.
Het zesde deel in de reeks 'Facsimile's van oude Vlaamse drukken' van de Carbolineum Pers, bekend om zijn bibliofiele uitgaven. De veilingcatalogus in kwestie was gebruikt als oortje in een achttiende-eeuwse band en kwam tevoorschijn tijdens de restauratie. Het drukwerk (4°, vier folio's, 196 (193) x 296 rnm) kondigt de openbare verkoop aan van de boeken van Jacobus Pieron (1638-1709), pastoor van Bornem. Het gevonden exemplaar is uniek. Dit is niet verwonderlijk, aangezien doorgaans alleen catalogi van belangrijke verzamelaars als referentiewerk werden bijgehouden. Toch bevat de tekst bijzonder interessante gegevens, omdat ze ons een blik gunt op het boekenbezit van een 'doorsnee' zielzorger ten tijde van de Contrareformatie. [S.v.R.]

3381. – Jeroen SALMAN, 'Vreemde loopers en kramers'. De ambulante boekhandel in de achttiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 8, 2001, p. 73-97, ill.
'Marskramers, omlopers en liedjesverkopers laten zich niet in een archivalisch of branchebepaald keurslijf dwingen.' Met deze slotzin verklaart S waarom de ambulante boekhandel in het boekhistorisch onderzoek nog maar weinig aandacht heeft gekregen. Nochtans vervulde de marskramer een scharnierfunctie in de distributie van drukwerk van stad naar platteland, tussen steden onderling en binnen de stad zelf. S presenteert in dit artikel het bronnenmateriaal en reikt enkele belangrijke onderzoeksvragen aan. Wat was de omvang van de ambulante boekhandel in de Republiek? Aan welke economische en maatschappelijke regulering waren de handelaren onderworpen? Wat was hun achtergrond en wat waren hun handelspraktijken ? Het resultaat is echter meer dan alleen een oriënterende studie. Gekleurd met vele goedgekozen anekdotes weet S moeiteloos de complexiteit en het belang van de ambulante boekhandel in de verf te zetten. Uit het heterogene bronnenmateriaal komt naar voren dat de straathandel vooral op regionaal en lokaal niveau gereguleerd werd. De omvang van de ambulante boekhandel en de economische invloed blijken verder uit de heftige reacties van boekverkopersgilden, die zich permanent bedreigd voelden door de marskramers. Op basis van de handelspraktijken en de aard van de handelswaar doet de auteur tenslotte suggesties voor een categorisering van de heterogene groep rondtrekkende handelaren. Hij onderscheidt de volgende ideaaltypes: de gelegenheidshandelaar, de marskramer met drukwerk en andere waren, de marskramer met drukwerk en de marskramer met gespecialiseerd drukwerk. [S.v.R.]

3382. – Arianne BAGGERMAN, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon, 1745-1823. Den Haag: Sdu Uitgevers 2001 502 p.: ill. – ISBN 90-120-9313-9.
Aan de hand van een omvangrijk familie archief (85 dozen !) dompelt B de lezer onder in de wereld van de uitgeversfamilie Blussé. Over drie generaties wordt het verhaal verteld van de oprichting, uitouw en bloei van het Dordtse bedrijf. Centrale figuur is Pieter Blussé. Zijn nooit voltooide autobiografie vormt, de leidraad van het boek. Daarnaast komen ook stamvader Abraham en de zonen van Pieter aan bod. De bedrijfsgeschiedenis van de uitgeverij, de boekhandel en het lezerspubliek krijgen veel aandacht. Een kritische benadering van de lezersrevolutie doet vaagweg dienst als theoretisch kader. Toch beperkt het boek zich niet tot boekhistorische thema's. De auteur gaat in op allerlei aspecten in het leven van de Blussé’s. Aldus schept de studie op microniveau een beeld van de achttiende-eeuwse maatschappij en de rol die boeken daarin speelden. De lezer komt bijvoorbeeld meer te weten over briefcultuur, partnerkeuze, opvoeding, en politiek engagement. Het boek is bovendien zeer onderhoudend geschreven. Bij momenten leest het als een echte roman. De grootte verdienste van B is dat ze erin geslaagd is de familie Blussé en omgeving tot leven te wekken. Een aanrader! [S.v.R.]

3383. – Pierre DELSAERDT, Abuysen ende ongeregeltheden: een onbekend rapport over het boekbedrijf in Brabant rond 1700. – Wildert: De Carbolineum Pers, 2002. – 63 p.
Bibliofiele tekstuitgave van een manuscript uit het Algemeen RIjksarchief te Brussel. De tekst is een voorbereidende studie van iemanf uit de omgeving van de Raad van Brabant. Hij behandelt de boekdrukkunst en de boekhandel in het hertogdom aan het begin van de achttiende eeuw. Eerst hangt de auteur een kleurrijk beeld op van alle wantoestanden in het boekbedrijf in de Brabantse hoofdsteden Brussel, Antwerpen en Leuven. Daarna stelt hij 27 maatregelen voor om de misbruiken tegen te gaan. Kerngedachten in zijn betoog zijn consequentie, centralisatie en permanente waakzaamheid. Het onafgewerkte handschrift is door de 'couleur locale' zeer amusant om lezen en brengt de Brabantse drukkerswereld en de reguleringspogingen van de overheid tot leven. [S.v.R.]

3384. – Rietje VAN VLIET, Nederlandse boekverkopers op de Buchmesse te Leipzig in de achttiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 9, 2002, p. 89-109, ill.
Oriënterend artikel over de boekhandel tussen de Republiek en Duitsland op de Messe te Leipzig, die in de achttiende eeuw de rol van Frankfurt als leidinggevende internationale handelsplaats had overgenomen. Het aantal Nederlanders dat in de achttiende eeuw de beurs effectief bezocht, was niet erg groot. Steeds vaker lieten ze zich vertegenwoordigen door een lokale boekverkoper, bij voorkeur een uitgeweken Nederlander of iemand die vertrouwd was met de Nederlandse boekenhandel. De overschakeling naar commissiehandel bemoeilijkt evenwel de vraag naar de omvang van de handel met Duitsland. De Messecatalogi (uitgegeven door Schwetschke) vermelden soms de naam van de commissionair, soms die van de oorspronkelijke uitgever. V plaatst nog andere kanttekeningen bij de Messecatalogi en waarschuwt voor het kritiekloos gebruik van deze bron. Om een beeld te krijgen van de import van en de export naar Duitsland, kunnen ook assortimentscatalogi, boekhandelsadvertenties, Saksische privilegetoekenningen en egodocumenten bij het onderzoek betrokken worden. Deze bronnen zijn echter niet alleen moeilijk op te sporen, de interpretatie ervan moet eveneens met de nodige omzichtigheid gebeuren. [S.v.R.]

3385. – Dominique BOUGÉ-GRANDON, From Antwerp to Lyons: the making of a bookseller's vocation, François de Los Rios 1727-1820 in De Gulden Passer, 80, 2002, p. 183-199.
François de Los-Rios (1727-1820) was de zoon van een Antwerpse kruidenier. Nog in jonge jaren werkte hij bij Parijse boekhandelaars; daarna trok hij in 1750 naar Rome waar hij aan de kost kwam als venter van gebedenboeken en devotionalia. Rond 1751 kwam hij te Lyon aan, waar hij hardnekkige pogingen ondernam om in het officiële gesloten circuit van meesterboekhandelaars door te dringen. Uiteindelijk slaagde hij erin het begeerde brevet te verwerven dankzij ijver, deskundigheid en reclame. Door zijn grote talenkennis en zijn connecties in noordelijk Europa (hij reisde herhaaldelijk naar Londen en Amsterdam) kon hij zijn klanten vlot gerieven. Daarnaast was hij zeer succesvol in de antiquarische handel. Hij stierf te Mechelen. [W.W.]

3386. – Elisabeth MEYER, 'By den drukker is ook gedrukt en te bekomen’. Een verkennend onderzoek naar stocklijsten in Nederlandse uitgaven in de zeventiende en achttiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 9, 2002 p. 73-88 ill.
Een van de oudste middelen die boekdrukkers gebruikten om de verkoop te stimuleren is het uitgeven van boekhandelscatalogi. Onder deze noemer vallen ook de zogenaamde stocklijsten, opsommingen van boektitels die boekverkopers 'soms voor – maar meestal achterin hun uitgaven afdrukten'. Dankzij de STCN, die bij de beschrijving van drukwerk steeds vermeldt of er een stocklijst in opgenomen is, beschikt de auteur over een corpus van meer dan 1200 uitgaven uit de zeventiende en achttiende eeuw. Op basis van een kwantitatieve analyse komt de auteur tot de volgende bevindingen. Het reclamemedium kende zijn doorbraak in het laatste kwart van de achttiende eeuw. Relatief gezien komen stocklijsten vooral voor in Franstalige boeken en in werken in het formaat octavo of duodecimo. Ze verschenen dus voornamelijk in publicaties die op grond van de prijs en de inhoud een grotere groep klanten kon bereiken. De Franse boekhandel in de Republiek bestond voor een aanzienlijk deel uit literaire werken en 'algemene kennis' –boeken, een markt die zeer divers en modegevoelig was. De afzet van Nederlandstalige 'functionele literatuur' (bijvoorbeeld almanakken, schoolboeken en catechismussen) was veel minder afhankelijk van reclame. [S.v.R.]

3387. – Alfons DEWITTE, Ziltige tranen over Brugge 1798 [! = 1789] in Biekorf, 101, 2001, p. 28-30.
In een handschrift van het Brugse stadsarchief is een pamflet gevonden met de titel: Ziltige traenen gestort over de beklagenswaardige toestand der Vlamingen en wel voor al der burgeren van de stad Brugge (8 p.). Naar alle waarschijnlijkheid is de tekst van de hand van B. Detert en is de druk afkomstig van de persen van J. Bogaert. Het patriottische spotschrift richt zich vooral tegen jozefisten uit het Brugse, maar ook persoonlijk tegen de keizer. Interessant zijn de handgeschreven commentaren, die zowel een datering opleveren (eind 1789) als biografische informatie over de gewraakte personen. [S.v.R.]

3388. – Tine VAN BORTEL, Stadschirurgijns in het graafschap Vlaanderen in de 17de en de 18de eeuw (Ieper en Gent) in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis, 139, 2002, p. 41-79.
Aan de hand van een aantal weinig bekende bronnen werpt dit artikel een blik op de organisatie van de chirurgijnsgilden in Ieper en Gent. Hoewel niet boekhistorisch van opzet, spitst het onderzoek zich voor een belangrijk deel toe op boeken. In het register van de Ieperse gilde bevindt zich een gedetailleerde beschrijving van het medische instrumentarium en de bibliotheek waarover de gilde beschikte. De boeken werden bewaard in de foerierskamer van het stadshuis. Het beheer en de werking van de bibliotheek was strikt gereguleerd. Het reglement bevatte onder meer richtlijnen omtrent de bewaring en het ontlenen van boeken. Wie boeken te lang bij zich hield, werd beboet. Een reeks gedetailleerde inventarissen (van 1774 tot 1789) maakt het mogelijk de groei van de collectie te volgen. De jaarlijkse rekeningen vermelden eveneens de prijs die voor de boeken betaald werd en op welke manier ze verworven waren. De 109 boektitels van het register zijn achteraan in bijlage opgenomen. De lijst is gerangschikt op naam van auteur. Daarnaast worden ook de titel, de plaats en het jaar van uitgave, het aantal volumes en soms het formaat opgenomen. Verder maakt B melding van de bibliotheek van Jan Bernard Jacobs (1734-1790). Deze Gentse chirurgijn verwierf in 1784 internationale bekendheid met Vroedkundige Oeffenschool (zie ook Ex officina, 14, 2001, 2, p. [8]). Na zijn dood werd zijn bibliotheek geveild. De veilingcatalogus vermeldde meer dan duizend loten. Ruim 900 loten kregen de ontsluiting geneeskunde mee. Beide bronnen zijn uitermate interessant om een beter beeld te krijgen van het ontstaan, de inhoud en het functioneren van medische bibliotheken. Binnen het bestek van dit artikel was hiervoor geen ruimte. Wordt hopelijk vervolgd. [S.v.R.]

3389. – Willy BRAEKMAN, Vijf nieuwe moordliederen uit Oost- Vlaanderen in Oost- Vlaamse Zanten, 76, 4, 2001, p. 338-357, ill.
Beschrijving van vijf moordliederen, een populair onderwerp in de volkskunde. De liederen dateren van het einde van de achttiende tot het midden van de negentiende eeuw. De druk zelf wordt slechts zeer summier beschreven. De meeste aandacht gaat naar de marktzanger in kwestie, achtergrondinformatie omtrent de moord en een transcriptie van de tekst. [S.v.R.]

3390. – Pierre RÉTAT, Les Gazettes européennes de langue française: la reception in Revue française d'histoire du livre, 106-109, 2000 [versch. 2001], p. 155-169.
Verkennende stappen in het veld van de internationale nieuwsbladen, die ontstaan zijn in de tweede helft van de zeventiende eeuwen hun bloei kennen in de achttiende eeuw. Gesteld in de toenmalige lingua franca, richten deze kranten zich op een internationaal publiek. De meeste aandacht gaat naar de belangrijke Noord-Nederlandse kranten, maar ook enkele 'Belgische' nieuwsbladen worden genoemd (Courrier de l'Escaut en Elite des nouvelles). R schenkt aandacht aan de verspreiding van de kranten in verschillende bibliotheken, het gebruik ervan (institutioneel en privé) en zegt ten slotte iets over de receptie ervan bij de lezers. Verder dan eerste bevindingen komt het artikel niet. Voortzetting van het onderzoek zal hopelijk een aantal vragen beantwoorden. [S.v.R.]

3391. – Jan SCHILLINGS, Nouvelle bibliothèque germanique, 1746-1760: een atypisch geleerden tijdschrift in De achttiende eeuw, 34, 2002, p. 159-175.
Vervolg op een eerder artikel over hetzelfde tijdschrift (33, 2001, p. 21-39). Beide studies worden het best samen gelezen, want voorkennis is hier vereist. De Nouvelle bibliothèque germanique past in de schare Franstalige geleerdentijdschriften die in de Verenigde Provincies werden uitgegeven. Terecht krijgt dit fenomeen in het recente onderzoek bij onze noorderburen de nodige aandacht. S beschrijft de transformatie van het tijdschrift in het midden van de achttiende eeuw: oorspronkelijk geïnspireerd vanuit de Hugenootse refuge te Berlijn, evolueerde het naar een open en gedifferentieerde periodiek binnen de Republiek der Letteren. Een centrale rol is hier weggelegd voor de publicist-duizendpoot Jean Henri Samuel Formey. Het artikel had gewonnen bij een overzichtelijke presentatie en grondigere duiding van het overvloedige cijfermateriaal. [S.v.R]

3392. – C[arine] D[UJARDIN], Kadoc, bibliotheek 'terug thuis': opruiende pamfletten uit de Beloken Tijd in KADOC-Nieuwsbrief, 2003, 2, p. 8-9.
Een collectie pamfletten uit de late achttiende en vroege negentiende eeuw is uit de collectie van de Theologische Faculteit Tilburg aan het KADOC geschonken. Oorspronkelijk zijn ze afkomstig uit de bibliotheek van het Grootseminarie van Haaren in het bisdom 's-Hertogenbosch dat sterke banden met de Zuidelijke Nederlanden had. [E.C.-I.]

3393. – Claude SORGELOOS, Un livre de prix de l'école centrale du Département de Jemappes (1799) in Annales du Cercle archéologique de Mons, 79, 2002, p. 363-366, ill.
S bespreekt een prijsboek uit de Franse periode. In elk departement richtten de Fransen een 'Ecole centrale' op, ter vervanging van het bestaande middelbare onderwijs. In Bergen (Departement Jemappes) bestond de school van 1797 tot 1802. Het prijsboek uit 1799, afkomstig uit een privé-verzameling, is dan ook een zeldzaam exemplaar. Het boek bevat een uitgave van een klassiek werk: 'Esope, grec & latin, traduit en français par J.B. Gail' uit 1796. Naast de band heeft S vooral oog voor het gedrukte ex-praemio, dat duidelijk een revolutionaire versie is van voorbeelden uit het Ancien Régime. [S.v.R.]

3394. – Gerrit VERHOEVEN, 'Les délices de la Suisse': de invloed van de Nederlandse reisgids op de vroeg achttiende-eeuwse beeldvorming van Zwitserland in De achttiende eeuw, 34, 2002, p. 127-142.
Zwitserland stond lang bekend als een onherbergzaam en lelijk land, bewoond door onbeschaafde koeienhoeders. In de loop van de achttiende eeuuw maakten deze vooroordelen geleidelijk plaats voor een positiever beeld. V wijst op de voortrekkersrol van de reisgids Les délices de la Suisse (1714) geschreven door de Zwitserse professor Abraham Ruchat. Ruchat typeerde Zwitserland als een vruchtbaar, gezond en veilig land, dat zeker het bezoeken waard was. De reisgids verscheen bij Pieter van der Aa uit Leiden. Hij was uitgever van verschillende reis- en landbeschrijvingen en wilde hiermee een internationaal publiek bereiken. Op de grens van de mentaliteitsgeschiedenis en de boekgeschiedenis, opent dit artikel de discussie over de invloed van reisgidsen op de lezers ervan (of is het vice versa?) en de rol die de Nederlanden hierin gespeeld hebben. [S.v.R.]

3395. – Karen Lee BOWEN, Popular literature for Scherpenheuvel’s pilgrims at the turn of the nineteenth century: a successful but underestimated component of P.I. Brepols's early career in Quaerendo, 31, 2001, p. 26-84, ill.
Dit artikel is een uitloper van het onderzoeksproject 'Massacommunicatie in de preïndustriële samenleving. Casestudy: grondige analyse van de inhoud, de functies en de effecten van de in verband met de Vlaamse en Brabantse bedevaartsplaatsen gedrukte devotionele en propagandistische teksten en prenten (1585-1850)' aan de Universiteit Antwerpen. B toont het commerciële belang aan van goedkoop devotioneel drukwerk voor uitgevers rond 1800. Ze doet dit aan de hand van twee populaire werken voor pelgrims naar Scherpenheuvel, gedrukt bij de Turnhoutse drukker Philippus Jacobus Brepols (ca. 1778-1845). Allereerst geeft B een analyse van de inhoud en bespreekt ze de verschillende edities. Het belangrijkste deel is echter het archiefonderzoek naar de verspreiding van dergelijk materiaal, de uitgekiende marktstrategie van Brepols en de ermee samenhangende concurrentie met andere drukkers. Dit deel is verhelderend en goed in kaart gebracht. Tenslotte is nog een volledige bibliografie toegevoegd met alle uitgaven van Brepols in verband met Scherpenheuvel. Het is wel jammer dat bij de beschrijvingen geen vingerafdruk wordt gegeven. [S.v.R.]

3396. – Petrus SMIDTS, Káre LANGVIK-JOHANNESSEN & Werner WATERSCHOOT, De doodt van Boetius of den verdrukten raeds-heer treur-spel. – Brussel, Studiecentrum 18de-eeuwse Zuid-Nederlandse Letterkunde, 2000. – 2 dln, ill. (Cahiers, 19)
Facsimile-uitgave van deze tragedie over de beroemde filosoof Boëthius, geschreven door Peter Smidts (1660-1712), in zijn tijd bekend als 'de Brugse Vondel'. Het werk verscheen in 1699 bij Franciscus van Heurck. Deel A van de studie bevat een inleiding en de fotografische reproductie van de tekst, deel B de woord- en tekstverklaring. Deze opsplitsing maakt het geheel zeer gebruiksvriendelijk. De 15 pagina's tellende inleiding schetst het leven van de auteur, maar behandelt vooral de inhoud en stijl van zijn toneelstuk. [S.v.R.]

3397. – Paul DE RIDDER, Nieuw licht op J.B.C. Verlooy (1746-1797). Vader van de Nederlandse beweging. – Gent, Stichting Mens en cultuur, 2001. – 126 p.: ill. – ISBN 9072931-88-2. – (Cahiers, 20), ook als (Archief- en bibliotheekwezen in België, extranummer 65)
Interessante studie over de auteur van een van de belangrijkste werken van de achttiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden. R verheldert de ontstaansgeschiedenis van de 'Verhandeling op d' onacht der moederlyke tael' (1788) van de hand van een opgedoken brief van Verlooy aan keizer Jozef II (1785). Uit een uitvoerige analyse en vergelijking van beide documenten blijkt dat Verlooy zijn 'Verhandeling' reeds in 1780 had neergeschreven. Uiteindelijk verschijnt het werk in 1788, aangepast aan de inmiddels veranderde politieke omstandigheden. Minpunt is het overvloedig gebruik van citaten, die het geheel minder leesbaar maken en die vaak slechts herhalingen zijn. [S.v.R.]

3398. – José DE KRUIJF, Het nut van de kennis der prijzen van oude boeken: de boekenprijs in de negentiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 8, 2001, p. 131-152, ill.
Interessante en gedifferentieerde beschouwing van twee jaren uit de negentiende eeuw: 1828 en 1888. Algemeen beschouwd waren de prijzen in 1888 gedaald tegenover 1828, maar die daling was geringer dan de daling van het algemeen prijspeil. De productieprijzen daalden door innovaties als de papiermachine, de rotatiepers en de vlakdruk. Anderzijds stegen de lonen en dus ook de zetkosten; nieuwe illustratietechnieken leidden tot meer geillustreerde en daardoor duurdere boeken. Wetenschappelijke werken bleven kostbaar, maar ook romans en vooral poëzie. Lectuur voor een groot en kennelijk niet al te homogeen publiek werd gedifferentieerd inzake uitvoering en prijs aangeboden. [W.W.]

3399. – Claude SORGELOOS, Un émule de Charles Nodier à Tournai: Frédéric Hennebert et le 'Bibliologue de la Belgique et du Nord de la France' (1839-1842) in Archives et Bibliothèques de Belgique = Archief- en Bibliotheekwezen in België, 72, 2001, p. 123-163. [= Actes du Congrès de Mons. Sixième congrès de l'Association des cercles francophones d'histoire el d'archéologie de Belgique et LIIIe congrès de la Fédération des cercles d'archéologie et d'histoire de Belgique, Soignies 24-27 août 2000. Ed. Pierre-Jean Foulon].
In 1839 startte Frédéric Hennebert (1800-1857) een periodiek, de 'Bibliologue de la Belgique et du Nord de la France'. Die was gewijd aan de geschiedenis van het boek en aan de bibliofilie en richtte zich tot bibliofielen, geleerden en bibliothecarissen. De 'Bibliologue' verscheen onregelmatig tot begin 1842 en was doorlopend genummerd (244 blz.). De artikels erin (zo twee van de beroemde Franse auteur en bibliothecaris Charles Nodier) waren doorgaans overgenomen uit andere tijdschriften. Elk nummer bevatte ook een deel catalogus, een overzicht van het aanbod van de boekhandel der gebroeders Hennebert. Naast aandacht voor oude drukken werd ook belangstelling betoond voor een type van bibliofilie dat karakteristiek was voor die tijd: kleine oplagen, nog verder onderverdeeld in kleinere porties, op telkens anders gekleurde papiersoorten gedrukt. [W.W.]

3400. – Paul THIERS, Kijk op het Zinstorend Miszetsel-erratablad bij de eerste uitgave van De teleurgang van den Waterhoek en de proefdruk bij deze uitgave. Addendum in Vrienden en wapenbroeders. Jaarboek 5 van het Stijn Streuvelsgenootschap, 1999, p. 299-300.
Bij de eerste uitgave van 'De teleurgang van den Waterhoek' was volgens het colofon naast de gewone uitgave ook een luxe-editie verschenen van veertig exemplaren: dertig op Hollandsch Van Gelder 'Antique' (1-30) en tien op Van Gelder 'Ossekop' (A-J). In deze luxe-exemplaren (althans in die op 'Antique'; van die op 'Ossekop' is tot nu toe geen spoor te bekennen – zijn die wel gedrukt?) komen de gehekelde zetfouten op één na niet (meer) voor. Het zetsel werd dus tussen het drukken van de gewone oplage en de productie van de luxe-exemplaren aan de hand van het blad 'Zinstorend Miszetsel' door de Excelsior-zetter op één zetfout na gecorrigeerd. [W.W.]

3401. – Bruno LIESEN, Lire avec les doigts: la genèse du livre pour aveugles in Education & Société. Revue hainuyère d'histoire de l'enseignement et de l'éducation, 3, 2000, p. 171-200, ill.
Integratie van blinden in de maatschappij via opvoeding en werk werd voor het eerst voorgesteld door de humanist J.L. Vives. In de volgende eeuwen bedacht men hulpsystemen om blinden te helpen schrijven. De encyclopedist D. Diderot vestigde de aandacht op de tastzin: een blinde kon een tekst 'lezen' die met een naald 'geschreven' was. Nog in de achttiende eeuw werkte Valentin Haüy een systeem uit waarbij letters en cijfers in dik papier gedrukt werden. Een nadeel was naast de enorme omvang van de boeken, het gebruik van het Latijnse alfabet, dat voor het oog en niet voor de tastzin bestemd was. Het is dan wachten op Louis Braille (1809-1852), die, uitgaande van het werk van Haüy en Charles Barbier het nog heden vigerend blindenschrift zou ontwikkelen: een geheel van puntengroepen die in reliëf in papier worden aangebracht en met de vinger afgetast. [W.W.]

3402. – Bart DE KEYSER, Drukkend Hasselt: drukkers & drukkerijen van 1830 tot 1950. – Hasselt: Stedelijk Museum Stellingwerff – Waerdenhof, 2003. – 40 p.: omslag, ill.; 30 cm.
Archief- en literatuuronderzoek hebben De Keyser in staat gesteld de drukkers activiteiten in Hasselt in genoemde jaren in kaart te brengen en veel detailinformatie te geven. Het begin van de boekdrukkunst in deze stad gaat weliswaar terug tot in 1670, eerder onderzoek was ook al gebeurd – met name door K. Stevaux en R. Van Laere – maar nu heeft de rol die vooral bepaalde drukkers na de stichting van het koninkrijk België hebben gespeeld, vaster contouren gekregen. De antagonismen katholiek / liberaal, Vlaamsgezind / pro-Frans zijn van niet te onderschatten belang geweest bij de oprichting van bepaalde drukkerijen en hun programma. Denken we aan Eugeen Leën en François Olyff! Later in de twintigste eeuw richtte Frans Theelen de drukkerij Concentra op en publiceerde verschillende streeknieuwsbladen die uiteindelijk tot één blad, Het Belang van Limburg werden samengesmolten (1933). In een apart hoofdstuk is aandacht besteed aan 'neven’activiteiten als de lithografie en de fotografie; ook hier zijn namen van verdienstelijke lieden te noemen: Antoine en François Roose, Auguste en Célestin Blanckart. De auteur heeft de uitstekende idee gehad achterin een alfabetisch repertorium van de Hasseltse drukkers te bezorgen met de lijst titels van hun periodieke publicaties. De geraadpleegde archiefbronnen (in Maastricht, Gent, Brugge en Hasselt) en een beknopte bibliografie besluiten het geheel. [E.C.-I]

3403. – Christelle HARVENGT, A la découverte d'un petit éditeur du XIXe siècle, Jean-Baptiste Moens (1833-1908) in Le livre & l'estampe, 48, 2002, p. 101-120, ill.
Jean-Baptiste Moens was bekend bij de specialisten terzake als initiator van de commerciële filatelie. Hij publiceerde dan ook een aantal referentiewerken op dat gebied. Daarnaast drukte hij veilingcatalogi en muziekpartituren en gaf hij licht erotische literatuur uit. In bijlage volgt een lijst van zijn niet-filatelistische uitgaven. [W.W.]

3404. – Jan PAUWELS & Boris ROUSSEEUW, Julius de Praetere als drukker en illustrator van Guido Gezelle in Gezelliana, 14, 2002, p. 74-97, ill.
Een plan van Karel van de Woestijne en Julius de Praetere om in de anthologie 'Werk', waarvan een eerste deel in 1899 verscheen, ook een band met poëzie van Gezelle uit te geven, mislukte deerlijk. Toch behield De Praetere belangstelling voor Gezelle: hij drukte op zijn handpers 'Kerkhofblommen'. Van deze druk hebben de auteurs twee cahiers proefdrukken in het bezit van de familie De Praetere te Brussel weten op te sporen. Die proefdrukken wijken af van de uiteindelijke publicatie: formaat en regellengte zijn groter en De Praetere voorzag aanvankelijk gekleurde initialen. Op basis van brieven uit het archief van de Amsterdamse uitgever L.J. Veen wordt daarna heel precies het verloop van de transactie uiteengezet, waarbij De Praetere de productie van zijn pers verkocht aan Veen en aan De Nederlandsche Boekhandel. Voor Veen heeft De Praetere in 1903 ook nog een 'Motto-album' verzorgd, met teksten van Gezelle, gebloemleesd door Streuvels. Het werk kende vier uitgaven. [W.W.]

3405. – Paul THIERS, 'Hebt gij geen lust uw novellen te verzamelen?' Over de ontstaansgeschiedenis van Lenteleven in 'Ik was een versnoekte kwajongen in mijn tijd. .. '. Jaarboek 7 van het Stijn Streuvelsgenootschap, 2001, p. 67-103, ill.
Boeiend verhaal van de wording van Streuvels' 'Lenteleven'. Eerst komt de lange incubatietijd (1898) bij Jules de Praetere ter sprake. Er wordt ook op diens financiële zorgen ingegaan: hij zocht en vond steun bij een paar kapitaalkrachtige figuren uit de Kortrijkse vriendenkring van Streuvels wat leidde tot de oprichting van een S.A. Editions & Impressions d'Art Depraetere'. Toch kon hij hierdoor zijn artistieke activiteiten niet rendabel maken. Streuvels, die het talmen van De Praetere moe was, contacteerde in 1899 Victor de Lille. Die drukte 'Lenteleven' als nummer twaalf van de 'Duimpjesuitgaven' op 1600 exemplaren. Reeds op 21 maart 1899 was het werk leverbaar tegen de prijs van 2 Fr. De Praetere kwam met zijn bibliofiele editie op de markt in juli-augustus 1899. Volgens het (hier afgebeelde) prospectus kostte ze 10 Fr. [W.W.]

3406. – Adrienne FONTAlNAS, Edmond Deman et les artistes in Le livre & l’estampe, 48, 2002, p. 11-52, ill.
Edmond Deman (1857-1918) was niet enkel de uitverkoren uitgever van St. Mallarmé en E. Verhaeren, hij had ook interesse voor plastische kunstenaars. F. Khnopff tekende zijn drukkersmerken en sluitstukken voor edities van Verhaeren. Deman deed ook een beroep op O. Renon om Verhaeren te illustreren. Hij verhandelde en verzamelde grafisch werk van F. Rops en Th. van Rysselberghe. George Minne illustreerde op zijn aanvraag M. Maeterlinck. Ook G. Lemmen werkte voor Deman, naast A. Donnay, C. Meunier, A. Rassenfosse L. Spilliaert en vele anderen: een onwaarschijnlijke reeks van de voornaamste kunstenaars in het land. [W.W.]

3407. – Piet COUTTENIER, 'Verbeeld u'. Illustraties in de Vlaamse historische romans van de negentiende eeuw in De steen van Alciato (zie nr. 3262), p. 633-653, ill.
Totnogtoe is er weinig aandacht besteed aan de illustratie van Nederlandstalige Belgische boeken uit de negentiende eeuw. C wijst in zijn verkenning op de Franse rage van geïllustreerde boeken en op de specifiek Belgische context. Eén uitgever springt in het oog: J.-E. Buschmann (Antwerpen). Enkele Vlaamse historische romans worden bekeken met betrekking tot de verhouding tekst-beeld. [M.d.S.]

3408. – Rob MEIJER, The history of the Lithographie Royale, 1818-25 in Quaerendo, 31, 2001, p. 281-308, ill.
Toen in het begin van de negentiende eeuw de techniek van de lithografie zich over heel Europa verspreidde, hinkte het Koninkrijk der Nederlanden wat achterop. In 1818 richtte een Frans edelman, M. Duval de Mercourt, een rekwest tot koning Willem I om lithografische ateliers op te richten in Den Haag en Brussel. Minister Falck adviseerde positief, maar Duval kreeg geen monopolie. Hij ontving opdrachten van het Ministerie van Waterstaat, maar stuitte op tegenstand van de Algemeene Landsdrukkerij. Zijn prijzen waren hoog, ook omdat hij te veel personeel onderhield. In 1820 gaf Duval op. Zijn medewerker Daniël Abrahams zette de zaak tot 1825 verder, met meer succes, tot hij benoemd werd tot lithograaf van de toekomstige Lands Steendrukkerij. In bijlage volgt een overzicht van beider productie. [W.W.]

3409. – Rob MEIJER, The beginnings of the lithography in Brussels in Quaerendo, 33, 2003, p. 294-316, ill.
In november 1816 dienden Guillaume de Vandoncourt en Innocence-Louis Goubaud een rekwest in bij koning Willem I om een 'Calcographie Royale' te mogen oprichten. Het project bleek te ambitieus en in 1817 diende Goubaud een nieuw rekwest in: hij zou zich op de lithografie toeleggen. Hij verloor veel tijd door zijn onbekendheid met die nieuwe techniek en met de boekenproductie in het algemeen. Wanneer Karl Senefelder zich in Brussel kwam vestigen, nam Goubaud dan ook les bij hem. Hun gezamenlijke inspanningen waren echter weinig succesrijk. De grote doorbraak van de lithografie te Brussel kwam met de zeer getalenteerde Jean Baptiste Jobard die in 1818 aan de slag ging. Zijn firma leverde formulieren, muziek, maar kende vooral bijval door illustraties voor boeken. In 1830 was dit bedrijf het belangrijkste in zijn soort in de Nederlanden. [W.W.]

3410. – Denis LAOUREUX, Un musée dans la bibliothèque. Maurice Maeterlinck et l'édition illustrée in Le livre & l'estampe, 49, 2003, p. 71-131, ill.
Net zoals Verhaeren volgde Maeterlinck de materiële uitvoering van zijn boeken van heel dichtbij. Er wordt nader ingegaan op zijn samenwerking met George Minne en Karel Doudelet voor zijn vroege publicaties. [W.W.]

3411. – Ludo RASKIN, Henri Van Straten [1892-1944]. Oeuvre catalogus van de grafiek. Catalogue de l'oeuvre gravé. Catalogue of the graphic work. – Antwerpen: Pandora, 2002. – 261 p.: omslag, ill.; 29 cm. – ISBN 90-5325-154-5.
De Antwerpse grafische kunstenaar Henri van Straten was onder meer betrokken bij het modernistische project van de Lumière-groep. Hij is echter vooral bekend geworden door zijn expressionistische houtsneden en lino's. De nieuwe, volledige oeuvrecatalogus beschrijft en toont heel zijn grafisch werk. En dat omvat, naast enkele merkwaardige 'blokboeken' (als Boksmatch van Frank vanden Wijngaert, 1925-1926) ook boekillustraties, ontwerpen voor boekomslagen en allerlei logo's, vignetten etcetera voor onder andere De Sikkel (Antwerpen) en Wereldbibliotheek (Amsterdam). Er is een lijst van individuele en groepstentoonstellingen toegevoegd, en een bibliografie, maar – hoe onwetenschappelijk – geen registers ... [M.d.S.]

3412. – Bonni KONINGS, Rond het menu De Beukelaer-Michielsen in 'Een vinger in de hemel'. Jaarboek van het Felix Timmermans-genootschap, 2000, p. 126-149, ill.
Voor het huwelijk van Edward de Beukelaer en Mariosa Michielsen schreef en tekende Felix Timmermans een menu dat zestien volle bladzijden telde, en dat gedrukt werd in de eigen drukkerij van de firma Biscuits & Chocolade De Beukelaer. Voor zichzelf bedong Timmermans acht exemplaren van dit menu. Hij had voor de familie 'enkele exemplaren' eigenhandig ingekleurd, gedateerd en gesigneerd. De overige exemplaren waren op de drukkerij ingekleurd. Bij een vergelijking van de kopij met de definitieve tekst blijken niet minder dan 150 wijzigingen voor te komen. De uiteindelijke schikking van het feestmaal was veranderd en ook was Timmermans' handschrift af en toe onleesbaar gebleken. Op het feest zelf waren ongeveer honderd personen aanwezig, die zeer opgetogen waren over het gedrukte menu: sommigen vroegen om een extra exemplaar. Het curiosum is thans zeer gezocht onder de Timmermans-verzamelaars. [W.W.]

3413. – Marc SOMERS, De Pallieterkalenders. Hun ontstaansgeschiedenis op basis van de correspondentie Timmermans-De Bock in 'De jaren gaan voorbij'. Jaarboek van het Felix Timmermans-genootschap, 2002, p. 7-45, ill.
Tussen 1926 en 1933 verschenen acht kalenders van Felix Timmermans bij De Sikkel te Antwerpen en bij Em. Querido te Amsterdam. Op basis van de brieven van Timmermans aan De Bock, bewaard in het AMVC, wordt hier het ontstaan van de reeks uiteengezet. De kalenders waren duur (die voor 1932 kostte 45 Fr.); ze werden dan ook manueel met waterverf ingekleurd. Uit de brieven blijkt een lange incubatietijd. Timmermans ging al in februari of maart aan het werk voor het volgende jaar. De kalender werd als volwaardig werkstuk gerecenseerd in tijdschriften als 'Vlaanderen', 'Boekengids' en 'Het boek in Vlaanderen'. In 1933 kwam aan de reeks een einde door de economische crisis. In bijlage bij het artikel worden alle kalenders in kleur gereproduceerd. Zeer fraai, [W.W.]

3414. – Claude SORGELOOS, Les 'adresses au Roi et procès-verbaux d'événements officiels marquants (1834-1921)': portefeuilles intéressant l'histoire des ateliers de reliure en Belgique au XIXe siècle in Archives et Bibliothèques de Belgique = Archief- en Bibliotheekwezen in België, 73, 2002, p. 287-310, ill.
Sorgeloos is een ijverig onderzoeker. In het Algemeen Rijksarchief te Brussel heeft hij het in de titel genoemd fonds van naderbij bekeken. Het gaat om huldeblijken of rouwbetuigingen naar aanleiding van belangrijke gebeurtenissen die in gelegenheidsbanden of -portefeuilles werden gestoken om aan de Belgische vorsten, Leopold I en Leopold II, te worden aangeboden. S wijdt uit over de versiering hiervan en de versieringstechnieken. In een bijlage zijn veertien portefeuilles, door Belgische boekbinders (met uitzondering van het atelier van het Rijksarchief zelf) vervaardigd, beschreven en gereproduceerd. Belangrijke bijdrage omdat het hier om nauwelijks vermoede collecties gaat en omdat het een bijzonder type band(versiering) betreft. [E.C.-I.]

3415. – Georges COLIN, Notes complémentaires sur la relieuse Juliette La Bruyère in Le livre & l' estampe, 48, 2002, p. 85-101.
Aanvulling bij Kroniek 22 nr. 2616. Negenentwintig banden van Juliette La Bruyère worden beschreven, ter aanvulling van de achtendertig banden in het vorige artikel. Naast sprekende banden zijn er ook abstracte composities, opgebouwd uit lijnen. [W.W.]

3416. – Claude SORGELOOS, Trois reliures provenant de l'hospice et béguinage de Cantimpret à Mons, dont deux par Ildephonse Masquillier in Annales du Cercle archéologique de Mons, 79, 2002, p. 295-306, ill.
Van deze drie banden, afkomstig uit Cantimpret, behoren er twee tot de kerkschat van de O.L.Vrouw-kerk te Mesen (Messines) en berust de derde in de bibliotheek van de universiteit Bergen-Henegouwen. De eerste band (rond een ‘Missale Romanum’, Architypographia Plantiniana, 1765) is vermoedelijk vervaardigd te Antwerpen tussen 1770 en 1773. De zilveren sloten zijn het werk van Claude-Louis Foncez te Bergen (1773 of later). De twee andere boeken zijn herbonden door Ildephonse Masquillier (1803-1842). De versiering is onderling zeer gelijkend, zodat zij wel zullen ontstaan zijn in dezelfde tijd. Deze koorboeken voor de eredienst zijn later nog aangevuld door het opnemen van nieuwe officies. Daardoor zijn de dek- en schutbladen niet meer authentiek. [W.W.]

3417. – Chris COPPENS, Een Leuvenaar in Parijs: boekbinder Isidore Joseph Smeers (1834-1896) in Arca Lovaniensis, 25, 1996 [versch. 2001], p. 221-255, ill.
Over binder I. Smeers was nauwelijks iets bekend (er waren er zoveel in Parijs ... ). Tussen 1878-1893 schonk hij echter vanuit Parijs boekbanden aan zijn geboortestad. In het Stedelijk Museum zijn er nu nog zeven van bewaard, die hier zeer grondig worden beschreven, met veel (detail)foto's. Het gaat om fraaie pastichebanden naar de historiserende smaak van de tijd ('Second Empire'). In België was dat het geval bij P.C. Sehavye, L. Claessens, Ch.-Ph. de Samblanx en J. Weckesser. Belangrijke studie die een bovenlokale verspreiding verdient. [M.d.S.]

3418. – Norbert POULAIN, Een geschenk van Nederland aan Vlaanderen: de Noord-Nederlandsche Keurboekerij, 1913 in Interbellum, 21, 2001, p. 5-15, ill.
Op de wereldtentoonstelling te Gent in 1913 stond in het Nederlandse paviljoen een 'keurbibliotheek van Noord-Nederlandsche auteurs', die men daartoe verzocht had een van hun recente publicaties af te staan, voorzien van handtekening en opdracht. Niet minder dan 315 boekdelen werden aldus verzameld. Het geheel werd opgesteld in een luxueuze boekenkast, ontworpen door architect G.F. la Croix en versierd met houtsnijwerk van L. Zijl. Na de tentoonstelling werd het geheel door de stad Gent in bewaring gegeven aan de universiteitsbibliotheek. Het meubel staat sindsdien in het bureau van de hoofdbibliothecaris. Het artikel bevat, naast interessant fotomateriaal, ook een lijst van de betrokken boeken. [W.W.]

3419. – Claude SORGELOOS, Un bibliophile belge collectionneur de reliures armoriees françaises: le vicomte Bernard du Bus de Gisignies (1808-1874) in Bulletin du Bibliophile, 2003, p. 273-309, ill.
De geboren Doornikenaar Bernard du Bus de Gisignies, jurist en ornitholoog, stelde in 1852 de eerste catalogus van de bibliotheek van de Kamer van Volksvertegenwoordigers op en werd de eerste directeur van het Museum voor Natuurwetenschappen. Ten slotte is hij een belangrijk bibliofiel geweest. De veiling te Brussel van zijn bibliotheek duurde van 28 maart tot 1 april 1876. François-Jean Olivier vezorgde een catalogus met 1992 kavels. Du Bus bezat talrijke referentiewerken over boekgeschiedenis naast een representatieve keuze van boeken uit de vijftiende tot de achttiende eeuw (zonder een uitgesproken collectioneur van incunabelen geweest te zijn). Zijn verzameling natuurwetenschappen was de mooiste van het land. Daarnaast bezat hij een grote collectie eigentijdse werken over de Vlaamse schilders uit de zeventiende eeuw. Uitzonderlijk was zijn verzameling boekbanden vooral bestaande uit Franse wapenbanden. Zij zijn er als een aparte categorie opgenomen: 'le cabinet bibliopégique'. Josse Schavye maakte enkele wrijfsels van banden, de wrijfsels zijn bewaard in het Handschriftenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België. [W.W. & E.C.-I.]

3420. – L.-D. CASTERMAN, 'Ex Bibliotheca Casterman'. Esquisse de parcours bibliographique(s) tournaisien(s) in Archives et Bibliothèques de Belgique – Archief- en Bibliotheekwezen in België, 72, 2001, p. 3-13, ill.
Op 5 november 1907 veilde C. Vyt te Gent de bibliotheek van de gebroeders Casterman. Deze bibliotheek werd opgebouwd door achtereenvolgens Josue Casterman (1783-1872), Henri (1819-1869) en diens zonen Henri (1853-1907) en Louis (1857-1906). Deze bibliotheek telde 17 handschnften, waaronder een prachtig getijdenboek, 31 incunabelen, 72 drukken uit de zestiende eeuw en voorts circa 2.000 titels uit latere tijd, naast 1.000 gravures. [W.W.]

3421. – Peter LAROY, Wat staat er op de plank? Een boekhistorische kijk op Edouard van Damme-Bernier en Edouard Neelemans in Appeltjes van het Meetjesland, 52, 2001, p. 121-140, ill.
Overzicht van twee bibliotheken uit Eeklo, geveild door Camille Vyt te Gent, respectievelijk op 18 oktober 1882 en op 3 en 4 oktober 1900. De collectie van Van Damme (1806-1882) was opgedeeld in 456 kavels, die van Neelemans (1820-1899) telde 631 nummers. Van Damme was jurist en notaris. Toch was het aantal juridische werken in zijn bibliotheek gering. Een derde van de boeken was Nederlandstalig – een zeer behoorlijk cijfer voor die tijd. De helft daarvan was te Gent uitgegeven. Van Damme bezat vooral geschiedkundige literatuur met nadruk op regionale historie. Neelemans, industrieel en burgemeester, bezat meer oudere werken, waaronder liturgica en bijbels, naast alweer veel historische studies. Beide heren waren ook in het bezit van aanzienlijke reeksen periodieken. [W.W.]

3422. – Paul Huys, Over de boekenverzameling van een Deinse bretellenfabrikant (Veiling Octave Goeminne, 1909) in Bijdragen tot de geschiedenis van Deinze en de Leiestreek, 68, 2001, p. 259-272, ill.
Op donderdag 10 juni 1909 werd door G. Williams en A. de Tavernier te Gent de bibliotheek geveild van (Remi) Octave Goerninne (1867-1907) uit Deinze. De catalogus telt 21 bedrukte bladzijden met in het totaal 363, soms omvangrijke, kavels. Daaronder veel oude en nieuwe, ook 'lichtere', Franse literatuur, nogal wat Nederlandse literatuur (o.m. Streuvels' Lenteleven van J. de Praetere in een perkamentband), en veel kunsttijdschriften (als The Studio en zelfs Ver Sacrum!). Goeminne was blijkens de biografische bronnen een typische liberale industrieel en het gedachtengoed van zijn generatie en stand is (gedeeltelijk) ook in het boeken bezit terug te vinden. [M.d.S.]

3423. – Claude SORGELOOS, Réseaux de bibliophiles et d'érudits à l'époque romantique: les exemplaires d'auteur, tirés à part et papiers de couleur distribués par Frédéric Hennebert à Tournai in Le livre & l'estampe, 49, 2003, p. 133-215.
In de boekenwereld is het verschijnsel van geschenk- en opdrachtexemplaren aloud. In de periode van de romantiek werden hiervoor exemplaren op gekleurd papier en overdrukken populair. In bibliografische overzichten ontbreken deze nevenproducten doorgaans. Een geschreven register van Frédéric Hennebert somt zijn publicaties op en geeft oplagecijfers naast het aantal auteursexemplaren en exemplaren op speciaal papier. Het register bezorgt voor de laatste categorieën ook een complete lijst van de bestemmelingen. Zo is het mogelijk het bibliofiele netwerk te achterhalen waarbinnen Hennebert werkzaam was. Het was een zeer uitgebreid circuit, zowel inzake aantal geestverwanten als inzake hun geografische spreiding. In bijlage volgt de complete lijst met alle bestemmelingen. Imponerend. [W.W.]

3424. – Jean-François FÜEG, Le Musée du livre d'Otlet in Archives et Bibliothèques de Belgique = Archief- en Bibliotheekwezen in België, 72, 2001, p. 49-63. [= Actes du Congrès de Mons. Sixième congrès de l'Association des cercles francophones d'histoire et d' archéologie de Belgique et LIIIe congrès de la Fédération des cercles d' archéologie et d' histoire de Belgique, Soignies 24-27 août 2000. Ed. Pierre-Jean Foulon].
Op 2 september 1895 werd te Brussel een eerste internationale conferentie over bibliografie gehouden. Initiatiefnemers waren twee jonge advocaten, Paul Otlet en Henri La Fontaine. De discussies leidden tot de oprichting van een 'Office International de Bibliographie' (OIB). Doel was een universeel bibliografisch repertorium aan te leggen tot betere verstandhouding onder de volkeren. Als uitvloeisel daarvan werd 'Le Musée du livre' op 25 maart 1906 opgencht. Het museum gaf een gelijknamig tijdschrift uit vanaf 1907. Ook kwam er een tentoonstelling van moderne boeken en kwamen er voordrachten zo van Edmond Picard en August Vermeylen. Na de Eerste Wereldoorlog zakte het elan. Het tijdschrift stopte in 1950. [W.W.]

3425. – I.H.J. POISSONIER, Zooveel zijne kleine boekverzameling gedoogde. De bibliotheek van de Oostburgse advocaat en amateur-historicus mr. Johannes Egberts Risseeuw (1798-1869) . – s.l.: Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen, s.d. – 208 p.: ill.: 27 cm. (Bijdragen tot de geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen, 29). – ISSN 1381-9542.
Op 9 augustus 1869 werd de bibliotheek van J.E. Risseeuw geveild. Er is zowel een gedrukte catalogus als een (nauwkeuriger) proces-verbaal van de verkoping bewaard gebleven. 671 nummers werden door combinatie herleid tot 512 kavels. De meest omvangrijke afdeling betrof rechten, politiek en bestuur – geen wonder bij een man die advocaat en notaris was en in de Staten van Zeeland zetelde. Daarna kwam geschiedenis en geografie. Risseeuw liefhebberde immers in de plaatselijke historie en verzamelde Zeeuwse kaarten met het oog op grondgeschillen. Aangezien Zeeuws-Vlaanderen lange tijd bij het graafschap Vlaanderen hoorde, bezat hij belangrijke werken over Vlaamse geschiedenis (Sanderus, Miraeus). Tenslotte de literatuur. Naast eigentijdse Nederlandse literatuur (Van Lennep) las Risseeuw Duitse romans in Nederlandse vertaling en Walter Scott in het Frans. Alexandre Dumas en Eugène Sue las hij in het origineel: hij was als 'Fransman' geboren (1798) en oud-student van het (toen uiteraard Franse) lyceum te Gent. Dankzij het proces-verbaal van de veiling is er een complete lijst van kopers en prijzen voorhanden, die door de auteur alle nagespeurd zijn. Het verhaal van deze bibliotheek is daarbij nog omkaderd door het hele levensverhaal van Risseeuw en zijn wijdvertakte familie. De talrijke gegevens zijn zorgvuldig en overzichtelijk becommentaneerd en bewerkt, en rijkelijk geïllustreerd. [W.W.]

3426. – Ludo VANDAMME, De boekenliefde van een edelman: de getijdenboeken van Thomas-Lodewijk de Schietere de Lophem (1769-1824) in Zilleghem, 24, 2003, p. 70-92, ill.
Deze aflevering van het heemkundig tijdschrift Zilleghem (Zedelgem, West-Vlaanderen) is geheel gewijd aan de familie de Schietere de Lophem. Vandammes bijdrage handelt specifiek over het kader rond de getijdenboeken die Karel- Thomas, de zoon van Thomas-Lodewijk, in 1824 aan de stadsbibhotheek van Brugge heeft overgemaakt: getijdenboeken als laatmiddeleeuwse handschriften, de boekenliefde van de familie De Schietere, de schenking aan de Brugse stadsbibliotheek en de wetenschappelijke belangstelling voor de collectie. De handschriften werden voor het eerst publiekelijk getoond op de grote 'Tentoonstelling van miniaturen en boekbanden' te Brugge in 1927. [E.C.-I.]

3427. – R. PLISNIER, La Société des Bibliophiles de Mons des origines à 1914 in Archives et Bibliothèques de Belgique – Archief- en Bibliotheekwezen in België, 72, 2001, p. 107-122. [=Actes du Congrès de Mons. Sixième congrès de l'Association des cercles francophones d'histoire et d'archéologie de Belgique et LIIIe congrès de la Fédération des cercles d'archéologie et d'histoire de Belgique, Soignies 24-27 août 2000. Ed. Pierre-Jean Foulon].
Op 4 april 1835 stichtte een groepje bibliofielen te Bergen rond de stads bibliothecaris Henri Delmotte de Société des Bibliophiles de Mons. Het was de oudste bibliofielenvereniging van het land. Delmotte werd voorzitter, Renier Chalon werd secretaris. Het genootschap was gesticht naar het model van 'La Société des Bibliophiles français' (1820) te Parijs, een elitaire vereniging, die 24 leden telde. Te Bergen koos men aanvankelijk voor 25 leden, in 1893 opgevoerd tot 50. Tot 1914 werden 132 leden aangenomen, meestal boekspecialisten en archivarissen. Ook advocaten en magistraten waren goed vertegenwoordigd, minder goed de beoefenaars van de exacte wetenschappen. Het eerste doel van de 'Société' was de uitgave van onuitgegeven of zeldzame teksten. Toch heeft zij daarnaast twee originele wetenschappelijke studies gepubliceerd. Aanvankelijk werd er gedrukt op 27 exemplaren op zwaar papier voor de leden en daarnaast op gewoon papier voor verspreiding onder het publiek. In 1904 werd gedrukt op 64 exemplaren. [W.W.]

3428. – Roger TAVERNIER, Rusland in de bibliotheek van Stijn Streuvels in Rusland-België 1900-2000. Honderd jaar liefde-haat. Feestbundel aangeboden aan Prof em. Hugo Benoy bij zijn zeventigste verjaardag. Ed. Emmanuel Waegemans. Antwerpen: Benerus, 2000, p. 119-147, ill.
De bibliotheek van Streuvels is grotendeels bewaard in 'Het Lijsternest' (Ingooigem). De gedetailleerde inventaris bood R.T. de mogelijkheid om Streuvels' bezit en lectuur van Russische auteurs en werken over Rusland te onderzoeken en te toetsen aan diens eigen uitspraken daarover. Streuvels las geen Russisch, maar had een overvloed aan Duitse en Franse vertalingen en studies: enkele Duitse verzamelde werken, maar vooral de zo belangrijke, doch voor velen onooglijke, deeltjes van de Universal-Bibliothek van uitgeverij Reclam. Lezerssporen wijzen soms recht naar Streuvels vertaalactiviteit. [M.d.S.]

3429. – Jan PAUWELS, Het boekenbezit van Jan Frans Willems, Prudens van Duyse en Philippe Marie Blommaert in Spiegel der Letteren, 42, 2000, p. 259-295.
Deze drie prominente figuren uit de vroege Vlaamse Beweging hadden intensief gebouwd aan eigen collecties neerlandica, aangezien de institutionele bibliotheken op dat gebied toen nog weinig voorstelden. De drie verzamelaars opereerden vanuit Gent, een stad waar toen tal van boekenliefhebbers actief waren en het veilingwezen bloeide. Hun verzamelingen werden er ook verkocht door de meest gereputeerde handelaar ter stede, Ferdinand Verhulst. Die veilde het boekenbezit van Willems in 1847, van Van Duyse en 1862 en van Blommaert in 1872, telkens over verschillende dagen verspreid. Uiteraard werd voor elke veiling een catalogus gedrukt. Die van de 'Bibliotheca Willemsiana' werd opgesteld door F.A. Snellaert, terwijl F. Vanderhaeghen vermoedelijk de bibliotheek van Van Duyse beschreef. De catalogus Blommaert is het werk van een onbekende redacteur. De handschriften in het bezit van Willems werden door zijn weduwe niet op de veiling ingebracht, maar aan de Brusselse Koninklijke Bibliotheek verkocht. De drie bibliofielen hadden hun verzamelingen zeer systematisch opgebouwd: twee derden van hun boeken over taal- en letterkunde hadden betrekking op neerlandistiek. Belangrijk artikel. De auteur gaat uit van een omvangrijke materiaalverzameling (de bijdrage stamt uit een licentiaatsverhandeling), situeert de collecties in het boekenbedrijf en in het bibliofiele milieu en biedt een grondige en overzichtelijke doorsnede aan van de drie bibliotheken in kwestie. [W.W.]

3430. – A. VAN DEN ABEELE, The Albion Library (1844-1847 of 1857) in Biekorf, 99, 1999, p. 276-277.
In 1844 vestigde James Ralfe uit Portsmouth zich in Brugge als boekhandelaar. Ook opende hij er een leeskabinet. Hierbij richtte hij zich uitsluitend tot de Engelse kolonie te Brugge, want hij werd niet vermeld onder de boekhandelaars in de Brugse jaaralmanakken. Hij trad ook op als uitgever onder de naam 'The Albion Library'. Zo gaf hij werk uit van de eveneens in Brugge. verblijvende Engelse auteur Thomas Forster en van Catherine Napier. Het drukkersadres van het werk van Napier luidde . 'Londen, published by Dolman, Bond Street and at The Albion Library, Bruges'. Ook op een van Forsters werken stonden medeuitgevers vermeld: 'Sherwood and Bourges'. Zijn die boeken wel in Brugge gedrukt, of niet eerder in Engeland? [W.W.]

3431.Averbode, een uitgever apart, 1877-2002. Averbode; Leuven: Universitaire Pers, 2002. – 448 p.: ill.; 28 cm. – (KADOC, Artes 6). – ISBN 90-5867-232-8.
Het mag niet verwonderlijk heten dat aan 'Averbode' een hele monografie kon worden gewijd. Het ruime en gediversifieerde fonds van religieuze uitgaven, jeugdboeken (en -tijdschriften), bladen voor volwassenen werd grondig geanalyseerd vanuit literair, pedagogisch, iconografisch en godsdienstig oogpunt. Dit kon gebeuren dankzij de reconstructie van het volledige historische fonds. De bibliotheken van het KADOC, van Averbode, en het doorpluizen van bibliotheekcatalogi leverden ruim 8.800 monografieën en 160 tijdschriften op. Dit resulteerde in een online databank die bovendien wordt bijgehouden. [E.C.-I.]

3432. – Andries VAN DEN ABEELE, H. Cayman-Seynave en Cultura, Brugse uitgever en boekhandelaar 1928-1944 in Biekorf, 102, 2002, p. 218-229, ill.
Hendrik Cayman (1894-1946) richtte in 1927 de boekhandel 'Cultura' op in Brugge. Onder dezelfde naam trad hij ook op als uitgever. In totaal verschenen zestig boeken bij 'Cultura', waaronder werken van R. Brulez (de zwager van Cayman), M. Lamberty, F. Vercnocke en M. Matthijs. De boeken werden gedrukt bij Désiré Walleyn (Brugge), Vonksteen (Langemark), Steenlandt (Kortrijk) en andere. Een aantal werken werd zorgvuldig uitgegeven met illustraties van toentertijd bekende kunstenaars. Cayman was in beide wereldoorlogen Duitsgezind. Dat bleek ook uit zijn fonds: niet weinig auteurs behoorden tot de Nieuwe Orde. In 1944 werd Cayman aangehouden en veroordeeld. Hij stierf in de gevangenis, wat het einde voor 'Cultura' betekende. In bijlage volgt een complete lijst van publicaties. [W.W.]

3433. – A. VAN DEN ABEELE, Excelsior, Brugse drukkerij en uitgeverij (1920-1935) in Biekorf, 102, 2002, p. 60-77, 120144.
Camiel Achiel Geerardyn werd in 1919 medewerker van de Brugse drukkerij en uitgeverij 'Sint-Michiel', toebehorend aan de gebroeders Couvreur. Net zoals Cesar Couvreur was Geerardyn een van de stichters van de vlaamsgezinde Frontpartij. In 1920 nam hij 'Sint-Michiel' over en noemde de zaak 'Excelsior'. Drukkerij en uitgeverij waren bijzonder actief. Geerardyn drukte veel tijdschriften, van 'Jong Dietschland' tot 'De Roode Vaan'. Voor eigen rekening publiceerde de uitgeverij meer dan driehonderd boeken. Inzake de grafische vormgeving deed Geerardyn af en toe een beroep op Huib Hoste en Jos Leonard. Naast boeken met Vlaams-nationalistische inslag werden romans, toneel, poëzie, essays, jeugdliteratuur en wetenschappelijke werken op de markt gebracht. Ook drukte hij in grote oplage voor het Davidsfonds. In 1934 kreeg Geerardyn liquiditeitsproblemen. Zijn boekhouding bleek slordig te zijn en een deel van de voorraad was onverkoopbaar geworden. Een faillissement was onvermijdelijk. In bijlage een lijst van gepubliceerde titels met (zeer interessant) in vele gevallen de oplagecijfers. [W.W.]

3434. – Andries VAN DEN ABEELE, Kerlinga, Brugse uitgeverij 1900-1913 in Biekorf, 101, 2001, p. 246-250.
De Brugse jurist Alfons de Groeve begon kort na zijn studies zowel een advocatenpraktijk als een uitgeverij. Die laatste activiteit bleef een bescheiden initiatief. Er werden dertien werken gepubliceerd, vooral van West-Vlaamse auteurs onder wie C. Verschaeve. Deze laatste ergerde zich wel aan de trage gang van zaken. De Groeve vestigde zich in 1914 in Nederland. Na 1919 en tot 1926 gaf hij opnieuw en nu op grotere schaal boeken uit. Hij woonde toen te Kessel-Lo en noemde zijn uitgeverij aldaar 'De Vlaamsche Boekenhalle'. [W.W.]

3435. – Pieter Jan VERSTRAETE, De familie De Lille en de Vlaamse Beweging. – Kortrijk: Groeninghe, 2001. – 134 p.: omslag, portr., ill.; 21 cm.
De familie De Lille uit Maldegem (Oost-Vlaanderen) heeft niet enkel op het politieke vlak, maar ook 'met de pers' een substantiële bijdrage geleverd tot de ontvoogding van het Vlaamse volk. Vijf protagonisten De Lille vader en vier zoons, zijn in dit boekje voorgesteld. Hun drukkers- en uitgevers activiteiten zijn voldoende besproken om het onder de aandacht van de Kronieklezers te brengen. Victor (1863-1940) begon met het weekblad 't Getrouwe Maldeghem in 1888, waarvan het laatste nummer in september 1944 verscheen; daarna volgden de 'Duimpjesbladjes', kleine nieuwsblaadjes, en de 'Duimpjesuitgaven', waarin goede literatuur van Vlaamse schrijvers verscheen (nu door bibliofielen gezocht !). Ten slotte ging hij over tot het uitgeven van boeken, met als hoofdbekommernis bij te dragen tot de geestelijke en culturele verheffing van het Vlaamse volk (zie Arm Vlaanderen van D.A. Stracke S.J.). Victors zonen zetten zijn werk verder: Jozef (1896-1988) werkte onder meer in drukkerij en uitgeverij, maar was vooral bedrijvig in de politiek; Eugeen (1901-1992), de latere natuurdokter, begon op het einde van de oorlog met een mededelingenblad, Roeland, waarvan slechts één nummer is verschenen (1 augustus 1944). Twee andere zonen spelen voor ons een minder belangrijke rol. [E.C.-I.]

3436. – Ludo SIMONS, Van 'De Leeuw van Vlaenderen' tot 'Het verdriet van België'. Over het uitgeven van literatuur in Vlaanderen in de 19de en twintigste eeuw. – Brussel: Paleis der Academiën, 2000. – 25 p.: 26 cm. (Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. Academiae Analecta, Nieuwe Reeks, 4).
Op basis van zijn 'Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen' (1984-1987) brengt de schrijver het verhaal van de Vlaamse uitgeverij sinds J.E. Buschmann en J.P. van Dieren, met een bloei van deze bedrijvigheid in het Interbellum. De meest recente ontwikkeling stemt Simons pessimistisch: niet alleen wordt de Vlaamse auteur nog steeds onweerstaanbaar aangetrokken door de Amsterdamse grachtengordel, maar vooral is de Vlaamse uitgeverswereld in de laatste jaren een milieu geworden van faillissementen en fusies, waarin rentabiliteit zwaarder doorweegt dan kwaliteit. [W.W.]

3437. – A. VAN DEN ABEELE, Sint-Michiel, Brugse drukkerij en uitgeverij (1910-1920) in Biekorf, 101, 2001, p. 342-356, ill.
De uitgeverij Sint-Michiel startte in 1910 en publiceerde voor 1914 twaalf titels, werk van Edward Vermeulen, Jozef Muls en een Streuvels-bloemlezing (een co-editie met L.J. Veen in Amsterdam). De stichting van de uitgeverij was het initiatief van de vijf gebroeders Couvreur. Gedrukt werd aanvankelijk bij Desclée de Brouwer en de Sint-Catharina-drukkerij (beide te Brugge) en bij W.J. Thieme (Nijmegen). Twee broers Couvreur behoorden in de Eerste Wereldoorlog tot de flamingantische frontsoldaten. Dat werd onmiddellijk zichtbaar na 1918 aan de toen gepubliceerde titels: werk van L.J. Callewaert, F. Daels, C. Verschaeve. Ook drukte men het blad van de Frontpartij, 'Ons Vaderland'. In 1920 werd de zaak overgenomen door C.A. Geerardyn, die ze voortzette onder de naam 'Excelsior'. [W.W.]

3438. – Stefan VAN DEN BOSSCHE, De Zonnewende. Vlaamse bibliofielen in het spoor van De Zilverdistel in ZL, 1, 2001, p. 26-33, ill.
In 1911 werd een dichtbundel van Jan van Nijlen gepubliceerd in de bibliofiele reeks De Zilverdistel, geleid door P.N. van Eyck, Jan Greshoff en J.C. Bloem. F.V. Toussaint van Boelaere streefde eveneens opname in deze prestigieuze serie na, maar slaagde daar nooit in. Hij nam toen contact op met de meer succesrijke Van Nijlen en met Ary Delen, die eveneens sterk in bibliofilie geïnteresseerd was. Er werd een parallelle reeks naast De Zilverdistel gepland met als titel 'De Zonnewende'. Er werd gedacht aan het publiceren van P. van Langendonck, K. van de Woestijne en J. de Harduwijn, maar Toussaint wilde er ook zijn eigen werk in onderbrengen. Daarop stelde Van Nijlen zich terughoudend op. In 1914 maakte de Eerste Wereldoorlog een einde aan alle plannen. [W.W.]

3439. – Jan PAUWELS, 'Groote boeken voor weinig geld'. De publicatiegeschiedenis van Guido Gezelle's Dichtwerken, 1903-1905 in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 9, 2002, p.149-158, ill.
In 1900 had de Amsterdamse uitgever L.J. Veen Streuvels in zijn fonds binnengehaald. Kort daarop benaderde Veen zijn auteur als executeur-testamentair van de literaire nalatenschap van diens oom G. Gezelle. Twee publicaties raakten snel verkocht, zodat Veen in 1902 voorstelde een complete editie van Gezelle te brengen. Dat zou in co-editie met De Nederlandsche Boekhandel gebeuren. Daartoe moest eerst het restant van Gezelles 'Verzamelde Werken', een uitgave van Jules de Meester te Roeselare, opgekocht worden. Veen haalde die exemplaren niet uit de handel, maar bestemde ze voor de markt van Vlaamse prijsboeken. Op aanraden van L.H. Smeding, directeur van De Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen, zorgde Veen voor boeken in groot formaat en op dik papier. Ook werd fors reclame gemaakt. De oplage van 950 exemplaren voor Veen verkocht vlot, maar Smeding kon zijn 750 stellen moeilijk in Vlaanderen plaatsen. Naast op secundaire literatuur is deze bijdrage in hoofdzaak gebaseerd op materiaal uit het Veen-archief, met name de briefwisseling. [W.W.]

3440. – Piet COUTTENIER & Jan PAUWELS, Nieuw licht op de postume publicaties van Gezelle: documenten uit de nalatenschap van Stijn Streuvels in Gezelliana, 14, 2002, p. 52-78.
In 1996 schonk Isa Lateur een verzameling documenten aan het Gezellecentrum van de Universiteit Antwerpen. Het ging om een pakket brieven en contracten uit de nalatenschap van haar vader, Stijn Streuvels. Na de dood van Gezelle, die gestorven was zonder testament na te laten, werd het beheer van de literaire nalatenschap toevertrouwd aan twee jonge letterkundigen uit de familie: Streuvels en de priester en aankomende dichter Caesar Gezelle. Het auteursrecht op de nog niet gepubliceerde poëzie ging rechtstreeks naar de erven. De rechten op de reeds gepubliceerde gedichten berustten bij de Roeselaarse uitgever Jules de Meester (1857-1933). Die vroeg voor de bij hem nog liggende exemplaren en de auteursrechten 7.500 Fr. De Leuvense hoogleraar Gustaaf Verriest (1843-1918), oud-leerling en vriend van Gezelle, kocht op 28 mei 1900 boeken en auteursrechten voor 6.750 Fr. Dit gebeurde met medeweten van Streuvels. De familie zelf reageerde niet, hetzij door gebrek aan voldoende kapitaal, hetzij door interne verdeeldheid. Op 18 januari 1903 stond Verriest de auteursrechten aan Streuvels af. Ondertussen hadden de erven een contract gesloten met de Amsterdamse uitgever L.J. Veen. Die betaalde hun 2.000 Fr. honorarium en 1.831 Fr. voor de oplagerestanten. Zo beschikte de familie over voldoende financiële middelen om het auteursrecht via Streuvels en Verriest opnieuw te verwerven. In bijlage volgen de betreffende stukken en ook latere contracten. Die bieden informatieve lectuur, vooral inzake oplagecijfers, auteursexemplaren en honoraria. [W.W.]

3441.KADOC. Zilveren Nieuwsbrief (Leuven), 2002, 3, 64 p., ill.
Enkele bijdragen bevatten informatie over publicatie van voornamelijk liturgica die met aanvangsdatum 1794 voor de bibliotheek van het KADOC worden verworven. [E.C.-I.]

3442. – L. VAN ACKER, Schoolboeken in het Westland, 1810 in Biekorf, 99, 1999, p. 161-174.
In een circulaire van 18 december 1810 vroeg de prefect van het Leiedepartement aan alle kantonbesturen een lijst van boekverkopers en hun voorraden te bezorgen. Dit was niet enkel een uiting van een streng volgbeleid ten opzichte van pers en drukkers, maar had ook de bedoeling Vlaamse boeken te weren en Franstalige publicaties te bevorderen. Het antwoord van het kanton Haringe is bewaard gebleven. In dit zuiver landelijk gebied trof men 71 onderscheiden titels aan, waarvan er 45 uit Gentse drukkerijen stamden. Vooral Bernard Poelman bleek over een doelmatige verkooporganisatie te beschikken. Het aanbod bestond grotendeels uit religieuze literatuur, almanakken en schoolboeken. De keizerlijke catechismus van Napoleon, uitgevaardigd voor het gehele rijk, moest de concurrentie dulden van die van het aartsbisdom Mechelen en zelfs van de catechismus van het afgeschafte bisdom Ieper. Op grond van die lijsten werden sommige religieuze werken, waaronder de oude catechismussen, aangeslagen. [W.W.]

3443. – Paul THIERS, Oog in oog met Streuvels. Met een inleiding door Piet Thomas. Catalogus bij de tentoonstelling Bossuit (Avelgem) . – Bossuit (Avelgem): VEV West-Vlaamse Scheldestreek, 2001. – 137 p.: ill.: 27 cm. – D/2001l9309/1.
Uitstekende catalogus. De verschillende edities van Streuvels' werken worden met grote kennis van zaken bibliografisch beschreven en in hun context geplaatst. Bijna steeds wordt de band of de titelpagina gereproduceerd. Bij de beschrijving van 'Lenteleven', gedrukt door J. de Praetere wordt de lange productietijd toegeschreven aan fouten bij het vouwen van de vellen (duur) papier, zodat binder A. de Decker-Lemaire veel tijd moest besteden aan onvoorzien plakwerk. Het boek sluit met een register. Dezelfde informatie, maar zonder illustraties, vindt men in Paul THIERS, Bibliografie van Lenteleven in 'Ik was een versnoekte kwâjongen in mijn tijd ... ', Jaarboek 7 van het Stijn Streuvelsgenootschap, 2001, p. 105-118. [W.W.]

3444. – Joke DEBUSSCHERE, 'Liever zakelijk blijven waar het over 'zaken' gaat.' Editie van de briefwisseling tussen Stijn Streuvels en zijn Nederlandstalige uitgevers in 'Ik was een versnoekte kwâjongen in mijn tijd .. '. Jaarboek 7 van het Stijn Streuvelsgenootschap, 2001, 275-297, ill.
Voorstelling en afbakening van dit project. Het beeld van Streuvels als veeleisende perfectionist en waardevol artistiek raadgever wordt hier telkens bevestigd. Hij was geen gemakkelijk man en ook wanneer hij tevreden was, kon hij niet nalaten kritische commentaar te leveren. Daartegenover stond dat hij, als bibliofiel, een scherp oog had voor vormgeving en versiering van boeken. Voor illustratoren was hij op zijn hoede: zij mochten slechts landschappen en impressies bij zijn teksten leveren, geen tekeningen van individuele hoofdpersonages. Zij mochten niet tussen de tekst en de fantasie van de lezer komen. [W.W.]

3445. – Nele BEMONG, Joz de Swerts, Godelieve Vandenbulcke en Aloïs Walgrave in de briefwisseling Stijn Streuvels-Joris Lannoo (1925) in 'Ik was een versnoekte kwâjongen in mijn tijd . .', Jaarboek 7 van het Stijn Streuvelsgenootschap, 2001, p. 299-328, ill.
In 1925 verzorgde Joz de Swerts de illustraties voor Streuvels' vertaling van Björnstjerne Björnson, 'Een vroolijke knaap'. Streuvels was niet gelukkig met het feit dat Lannoo met de tekenaar geen precieze datum voor aflevering van het werk had afgesproken. Hij was dan ook ontstemd over alle traagheid, zowel van drukkers als van binders en illustratoren. Met de tekeningen van De Swerts kon hij het anders wel vinden. Streuvels' vertaling van 'Vertellingen van Tolstoï' zou eerst geïllustreerd worden door Jules Fonteyne. Die had echter te veel werk en stelde een medewerkster van hem voor, Godelieve Vandenbulcke. Met haar verliep de samenwerking zeer vlot; zij was dan ook punctueel. De problemen met Aloïs Walgrave waren van heel andere aard. Die had heel wat op te merken aan 'Guido Gezelle's Dichtwerken', een uitgave van L.J. Veen en J. Lannoo. Hij meldde dit aan Lannoo, die Streuvels inlichtte. In zijn kenmerkende open stijl liet Streuvels weten dat Walgrave zijn filologische kritiek niet aan de drukker had moeten sturen, maar de rechthebbenden had moeten contacteren. De verdere briefwisseling verliep in een verzoenende sfeer. [W.W.]

3446. – Stefan VAN DEN BOSSCHE, Honderd jaar geleden werd het eerste tijdschrift Vlaanderen opgericht in Vlaanderen, 52, 2003, p. 206-207, ill.
Met de stichting van het tijdschrift 'Vlaanderen' (1903-1907) bood Herman Teirlinck aan oud-medewerkers van 'Van Nu en Straks' (1893-1901) literaire ruimte aan. Het nieuwe tijdschrift werd uitgegeven door C.A.J. van Dishoeck te Bussum en De Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen. Teirlinck was de centrale figuur: hij tekende het omslag en bezorgde de bandversiering voor de gebonden jaargangen. Hij werd sterk gesteund door August Vermeylen, die hem trouwens als redactiesecretaris opvolgde. De ambitie van de stichters was niet gering: 'Vlaanderen' stond voor 'de volledigste en zuiverste uiting van 't gezamenlijke geestesleven in Zuid-Nederland'. In tegenstelling tot 'Van Nu en Straks' kende 'Vlaanderen' in Nederland nauwelijks succes. Onenigheid binnen de redactie bespoedigde het einde van het tijdschrift na vijf jaargangen. [W.W.]

3447. – G.J. Buschmann, l'Imbécilité humaine. Een brief van G. J. Buschmann aan Michel de Ghelderode over de vernieling van zijn drukkerij. – Wildert: De Carbolineum Pers, 2001. – [6] f.: 20, 5 cm. – D/5458/200l/4.
Brief, gedateerd 12 januari 1945, van de hand van G.J. Buschmann aan de Franstalige auteur Michel de Ghelderode. Verhaal van de inslag van een V1-bom op 21 december 1944, waarbij de drukkerij Buschmann ten dele vernield werd. Wel konden persen, materiaal, papier en een groot deel van het archief gered worden. Het werk wordt voortgezet in een voorlopig atelier tot de definitieve wederopbouw. [W.W.]

3448. – Saskia DE COSTER, Ongezien gedrukt in Revolver (Antwerpen), 28, 2001-2002, p. 12-31, ill.
Jozef Claus, vader van Hugo, heeft met vallen en opstaan drukkerijtjes gehad in Kortrijk en Oostende. Daar verschenen vanaf 1947 de eerste werkjes van de later beroemd geworden zoon. Boeiende lectuur. [M.d.S.]

3449.Itinéraires européens: Neuf écoles des arts du livre exposent leurs reliures = Itinerarios Europeos: Nueve escuelas de las artes del libro exponen sus encuadernaciones = Eine europaische Reise: Neun Buchkunstschulen präsentieren Ihre Einbànde = Een reis doorheen Europa: Negen scholen stellen hun banden voor. (Catalogus: Ana Ruiz-Larrea, Annie De Coster). – [Brussel]: Bibliotheca Wittockiana, 2001. – 54 p.: omslag, ill.; 30 cm.
'Een reis doorheen Europa' kadert in het Leonardo da Vinciprogramma van de Europese Gemeenschap (Enbotraineproject). De bedoeling was de boekbindersopleiding en de restauratie- en conserveringsopleidingen in Europa te bestuderen. Bij wijze van afsluiting van dit onderzoek werd een reizende tentoonstelling opgezet met kunstboekbanden uit negen Europese scholen. Omdat de opleidingen nogal verschillen in duur, is ook het niveau van de tentoongestelde banden niet gelijk, maar de bibliofiel en bandenkenner zou deze tentoonstelling niet mogen missen. [E.C.-I]

3450. – Erik BAECK, Ludo van Bogaert (1897-1989). Neurologist, bibliophile and patron of the arts. Brussels: UCB Pharma, [ca. 2002]. – 64 p.: ill.
Ludo van Bogaert was niet alleen een befaamd neuroloog (Bunge Instituut) en kunstmecenas (Rik Wouters), maar ook één van Belgiës belangrijkste bibliofielen. Zijn verzameling, aan de Koninklijke Bibliotheek van België geschonken, is een hoogtepunt in de (Frans-)Belgische bibliofiele traditie (zie nr. 3243). Deze korte studie beschrijft zijn leven en mecenaat en bevat tevens zijn omvangrijke (medische) bibliografie (753 nummers). [M.d.S.]

3451. – Marcus DE SCHEPPER, Van de Maas naar de Dijle in Ex officina, 15, 2002, p. 6-7, ill.
Hoe overtollige publicaties van de Rotterdamse Gemeentebibliotheek in de UB Leuven leemten opvullen. [E.C.-I]

3452.Bibliophilissimo Domino Domino Armando Paludano in Ex officina, 15, 2002, p. 1-2.
Het nummer is grotendeels gewijd aan Armand Vandeplas, vijftig jaar lang boekenvriend en mecenas van de Universiteitsbibliotheek Leuven. [E.C.-I]

3453.Verhalen van verzamelde boeken. Samenstelling Jean Luc MEULEMEESTER in Vlaanderen, 50, 2001, p. 257-297 ill. – ISSN 0042-7683.
Voorstelling van een aantal particuliere bibliotheken in Vlaanderen. Sommige hebben een semi-openbaar karakter zoals de Cultuurbibliotheek te Brugge, een studiebibliotheek met algemeen-vormend karakter, en de bibliotheek van het Ruusbroecgenootschap te Antwerpen, gewijd aan de geschiedenis van de vroomheid in de Nederlanden. Beide bibliotheken zijn dan ook vrij toegankelijk. Andere bibliotheken zijn het resultaat van collectievorming door opeenvolgende generaties van meestal adellijke verzamelaars, zoals de bibliotheken van de kastelen te Marke (de Bethune) en te Loppem (van Caloen). Een zelfde grote stijl, maar zeer doelbewust hanteert het Cultura Fonds te Dilbeek (opgericht door De Eik nv), die op de eerste plaats Plantijnse drukken verzamelt evenals humanistica. Naast de klassieke professorenbibliotheek met een imponerend bestand van zowel creatieve literatuur als studies (G. Keersmaekers) komen ook verzamelaars aan bod met specifieke voorkeuren: handschriften van moderne auteurs (D.-E. Baestaens), Couperus (L. Daems) en emblemata (J. van Cauwenberge). [W.W.]

3454. – François FRÉDÉRIC, Fatras ou collection raisonnée? La Réserve précieuse des bibliothèques de l'Université libre de Bruxelles in Archives et Bibliothèques de Belgique – Archief- en bibliotheekwezen in België, 72, 2001, p. 39-48. [=Actes du Congres de Mons. Sixième congrès de l'Association des cercles francophones d'histoire et d'archéologie de Belgique et LIIIe congrès de la Fédération des cercles d’archéologie et d'histoire de Belgique, Soignies 24-27 août 2000. Ed. Pierre-Jean FouIon].
Wat is de plaats van een afdeling Kostbare Werken in een universiteitsbibliotheek? Het fenomeen van zulke afdeling is nog recent en bedoeld om kostbare boeken veilig op te stellen. De ULB startte zonder bibliotheek, richtte zich op onderwijs en 'actuele' wetenschap. In 1932 kreeg zij als legaat de bibliotheek van Max Elskamp. Die werd en bloc samengehouden als eerste begin van de afdeling Kostbare Werken. Thans is de collectievorming gericht op het cultureel, literair en wetenschappelijk leven in België sedert de romantiek en de stichting van de ULB. Daarnaast wordt gefocust op de rol van Brussel in de Franstalige uitgeverswereld van de negentiende eeuw (nadruk!). De afdeling Kostbare Werken van de ULB is dus een 'moderne reserve'. [W.W.]

3455. – Pieter Jan VERSTRAETE, Jan Acke. Uitgever in dienst van de Nieuwe Orde in De Leiegouw, 43, 2001, p. 49-66, ill.
Jan Acke (1911-1943) was de zoon van architect Richard Arthur Acke (1873-1934). Deze laatste begon in 1927 als hobby met een uitgeverij, die hij 'Steenlandt' noemde naar zijn gelijknamige villa in Kortrijk. Hij gaf dan ook in hoofdzaak poëzie uit, zo van A. Demedts, P.G. Buckinx en J. Vercammen. Na de dood van zijn vader bouwde Jan Acke de uitgeverij-drukkerij om tot een commerciële onderneming. Naast het uitgeven van boeken werd ook commercieel drukwerk bezorgd. Vanaf 1936 werden auteurs van de Nieuwe Orde in het fonds opgenomen. Ook werd Acke achtereenvolgens lid van het VNV en DeVlag. Voor de Algemene SS Vlaanderen werd veel drukwerk verricht. De firma groeide sterk aan en werd overgebracht van Kortrijk naar Schaarbeek. Acke werd neergeschoten bij een schermutseling aan de poort van zijn bedrijf. Tussen 1929 en 1944 had Steenlandt 231 boeken en brochures uitgegeven, naast ander drukwerk. Tijdens de bezetting was de productie bijna uitsluitend op de collaboratie gericht. In 1947 werden de laatste firmanten (onder wie Ackes weduwe) door de Antwerpse krijgsraad veroordeeld. Interessante bijdrage op basis van moeilijk bereikbaar archiefmateriaal en geïllustreerd met zeldzame foto's. [W.W.]

3456. – Ernst BRUINSMA & Jan STUYCK, Fondslijst uitgeverij A. Manteau, Les éditions Lumière 1938-1955. – Antwerpen: Universiteit Antwerpen L.P.Boon-documentatiecentrum, 2000. – 102 p.: 24 cm.
Een gedetailleerde schets van het ontstaan van de uitgeverij Manteau gaat de fondslijst vooraf. De samenstellers beklemtonen het belang van drie personen, die de carrière van Angèle Manteau cruciaal beïnvloed hebben: de dichter en journalist Jan Greshoff, de uitgever Robert Leopold en Manteaus echtgenoot François Closset, hoogleraar Nederlands aan de Luikse universiteit. Manteau moet zakentalent bezeten hebben: haar succes, eerst in de boekenverkoop en nadien in de uitgeverswereld, was telkens vlug en duurzaam. De fondslijst is een rijke bron voor de standplaats van de uitgeverij Manteau in de Vlaamse literaire wereld. Telkens wordt bij elke titel, indien mogelijk, de drukker, de oplage en de prijs meegedeeld. De hele moderne Vlaamse literatuur passeert de revue: Hensen (opvallend vaak), Boon, Claus, Lampo, Elsschot, Walschap en de verzamelde werken van Van de Woestijne, Vermeylen en Teirlinck. De studie sluit met een naamregister en indices op reeksen en tijdschriften, drukkers en uitgeverijen. [W.W.]

Onbepaald