Back to top

Kroniek 2004

De achtentwintigste aflevering van de Kroniek bestrijkt de periode tussen 15 december 2003 en 15 december 2004, met enkele aanvullingen uit eerdere jaren. Sedert de vorige aflevering verscheen er ook een boek over de Kroniek: Johan Hanselaer maakte verschillende registers op de eerste zevenentwintig afleveringen. Zij werden geredigeerd en ingeleid door Marcus de Schepper en Jan Pauwels, en voorafgegaan door een essay van Pierre Delsaerdt. Dankzij de financiële steun van de Vlaamse Werkgroep Boekgeschiedenis en de bereidwilligheid van de uitgever, vzw Archief- en Bibliotheekwezen in België, kon het geheel verschijnen onder de titel: Johan HANSELAER, Marcus DE SCHEPPER (ed.) & Jan PAUWELS (ed.), Kroniek van het gedrukte boek in de Nederlanden, 1971-2003: sleutel tot 33 jaar boek- en bibliotheekgeschiedenis. – Brussel: Archief- en Bibliotheekwezen in België, 2005. – 306 pp. – (Extranummer, 75). – ISSN 0775-0722. Het boek kan worden besteld op het redactieadres.
Het medewerkersbestand onderging geen wijzigingen, evenmin als de chronologische rangschikking en de thematische groepering van de besprekingen (met het trefwoord in vetjes) volgens de indeling: 1. Literatuurbericht en Vakwoordenboeken; 2. Bibliografie (methodologie en repertoria); 3. Drukmateriaal; 4. Zetten en drukken; 5. Drukkers, steden, regio's; 6. Boekversiering en illustratie; 7. Boekband; 8. Bibliotheken en Bibliofilie; 9. Boekhandel en Uitgeverij; 10. Onderwerpen.
Zoals steeds worden de lezers van harte uitgenodigd om hun suggesties aan de redactie te bezorgen.

 

3457.Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 2003, XI. – Amsterdam: De Buitenkant, 2004. – 186 p.: ill.; 22 cm. – ISBN 90-76452-25-3; ISSN 1383-4584;
Jaaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 2004, XII. – Amsterdam: De Buitenkant, 2005. – 206 p.: ill.; 22 cm. – ISBN 90-76452-75-X; ISSN 1383-4584
Zoals altijd twee gevarieerde bundels opstellen, telkenmale geopend met het "Boek van het jaar". Voor 2003 was dat een studie over William Morris en S.H. de Roos, voor 2004 Willem Bartjens Cyfferinghe (Amsterdam, 2604) waarvan het vooralsnog enige bekende exemplaar zich in de Stadsbibliotheek Antwerpen bevindt. Uitstekend vormgegeven, eveneens zoals altijd. [ECI]

3458. – Frans HENDRICKX, Chris COPPENS, Jan DESCHAMPS, Jos M. M. HERMANS & Jan STORM VAN LEEUWEN (eds.), E codicibus impressisque: opstellen over het boek in de Lage Landen voor Elly Cockx-Indestege. – Leuven: Peeters, 2004. – 3 dln.: ill.; 24 cm. – ISBN 90-429-1421-1; 90-429-1422-X: 90-429-1423-8. – (Miscellanea Neerlandica, 18-20).
Indrukwekkende driedelige feestbundel voor Elly Cockx-Indestege, die naast zoveel andere onmisbare boekhistorische publicaties ook twintig jaar lang deze Kroniek dirigeerde en uitbouwde. De redactie schilderde een warm portret ter inleiding ("Elly Cockx-Indestege: een leven met mensen en boeken", dl. I, p. 3-11). Uit haar bibliografie (376 nummers, dl. I, p. 13-80, door Marcus de Schepper) blijkt haar ruime, maar vooral permanente belangstelling voor alles wat met "het boek" te maken had en heeft. Deel I bundelt studies over handschriften, incunabelen en kalligrafie; deel II over drukken van de zestiende tot de twintigste eeuw; deel III over band, papier, verzamelaars en verzamelingen. De tientallen boeiende en soms verrassende artikelen komen elders in deze Kroniek afzonderlijk aan bod. [MdS]

3459. – Jean-François GILMONT, Le livre & ses secrets. – Genève / Louvain-la-Neuve: Librairie Droz / Université catholique de Louvain. Faculté de philosophie et lettres, 2003. – 440 p.; 22 cm. – ISBN 2-87416-004-0 (UCL); ISBN 2-600-00876-4 (Droz). – (Cahiers d'humanisme et renaissance, 65 / Université catholique de Louvain. Bibliothèque de la Faculté de philosophie et lettres: Temps et espace, 2).
Niet de auteur zelf ligt aan de basis van de bundeling van een aantal geschriften. Toch heeft hij ze bewerkt, het notenapparaat verlicht en een andere titel gegeven, om elke verwarring te voorkomen. Het boek opent met een soort "envoi" van Gilmont, "Lettre à un bibliographe débutant". Bij de beginnende én de gevorderde bibliograaf hoort dit boek op de werktafel te staan. [ECI]

3460. – Frans A. JANSSEN, Technique and design in the history of printing: 26 essays. – 't Goy-Houten: Hes & De Graaf Publishers, 2004. – 380 p.: ill.; 26 cm. – ISBN 90-61942-89-6;
Frans A. JANSSEN, Bladbespiegelingen: de rechthoek in de typografie. Illustraties bij het afscheidscollege van Frans A. Janssen, hoogleraar in de Boek- en Bibliotheekgeschiedenis te houden in de aula van de Universiteit van Amsterdam op 8 september 2004. – Amsterdam: FJ & WV, 2004. – n.p.: facsim.; 24 cm. (verscheen ook in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen 2004, XII, p. 137-164.);
Jos BIEMANS, Lisa KUITERT & Piet VERKRUIJSSE (eds.), Boek & letter. Boekwetenschappelijke bijdragen ter gelegenheid van het afscheid van prof dr. Frans A. Janssen als hoogleraar in de Boek- en bibliotheekgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. – Amsterdam: De Buitenkant, 2004. – 676 p.: ill.; 18 cm. – ISBN 90-76452-45-8.
Naar aanleiding van zijn emeritaat had Frans Janssen zich voorgenomen een aantal eigen geschriften over techniek en vormgeving van het gedrukte boek te laten bundelen en uitgeven, bijgewerkt en uiteraard in een fraaie vormgeving. Op de dag van het afscheid kregen de aanwezigen een plaketje in handen als visuele leidraad bij zijn betoog. De grootste verrassing was evenwel de feestbundel die op initiatief van drie Amsterdamse collega's in een recordtijd geschreven, gezet en gedrukt is. De meeste van de 28 bijdragen hebben betrekking op de Noordelijke Nederlanden; drie zijn van meer algemeen methodologisch belang en worden afzonderlijk in de Kroniek opgenomen. [ECI]

3461. – Pierre DELSAERDT, Dertig jaar boekgeschiedenis in Vlaanderen. Enkele aantekeningen bij de "Kroniek van het gedrukte boek in de Nederlanden" in Pierre DELSAERDT & K. DE VLIEGER-DE WILDE (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen ... , p. 9-13.
De "Kroniek van het gedrukte boek in de Nederlanden " startte als eenmansonderneming van de Gentse bibliothecaris J. Machiels in 1971 met als doelstelling een overzicht te bieden van studies over de drukkunst in de Nederlanden tot 1600. In 1981 werd de redactie versterkt door E. Cockx-Indestege, wat een chronologische verbreding tot 1700 mogelijk maakte. Vanaf 1987, met een uitgebreider samenwerkingsverband, werd de periode tot 1940 in het overzicht betrokken; met Kroniek 26 verschoof de grens naar 2000. Sinds kort is de Kroniek digitaal beschikbaar. Uit de behandelde studies blijkt dat veel, ook buitenlands, onderzoek verricht werd rond de Antwerpse drukkers wereld, maar de handel in boeken, de benadering van het publiek en de leescultuur vormen evenveel terrae incognitae. Dikwijls zijn boekhistorische studies geschreven naar aanleiding van een bepaalde (feestelijke) gelegenheid. De auteur pleit voor een meer gestructureerde aanpak. [WW]

3462. – Jan ROEGIERS, In memoriam Maurits Sabbe 1924-2004 in Ex officina, 17, 2004, 2, p. 7-8;
Leo KENIS, Barbara BAERT, Peter DE MEY, Mark DEREZ e.a., Een uitgelezen kader: architectuur en kunstcollectie van de Maurits Sabbebibliotheek Faculteit Godgeleerdheid K. U.Leuven. – Leuven: K.U. Leuven. Bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid, 2004. – 44 p.
Priester, theoloog, hoogleraar, academisch bibliothecaris, kunstminnaar, dat alles was de Bruggeling Maurits Sabbe. Wat hij vanaf 1969 voor de bibliotheek van de Godgeleerdheid van de K.U. Leuven heeft gedaan, is moeilijk in twee woorden te vatten – hij heeft er bijvoorbeeeld voor gezorgd dat ttal van kerkelijke en kloosterbibliotheken die niet meer op eigen benen konden staan, een onderkomen kregen in "zijn" bibliotheek. Dat ze nu al officieel zijn naam draagt, is veelbetekenend. Visie en bescheidenheid, doorzettingsvermogen en gevoel voor kwaliteit, liefde voor het boek en voor de kunst, hebben van Maurits Sabbe een zeldzame persoonlijkheid gemaakt waarbij de bibliotheek te Leuven wel is gevaren. Als zelfstandige instelling bestaat deze faculteitsbibliotheek slechts sedert 1971. In een recordtijd groeide ze uit tot een grote, heel belangrijke theologische bibliotheek. Mark Derez wijdt prachtige bladzijden aan het gebouw (van architect Paul Van Aerschot), anderen handelen over de kunstcollectie (voornamelijk uw nieuwe kunst). Gelijktijdig verscheen het supplement op de catalogus van postincunabelen (zie nr. 3519), een andere terechte hommage aan Maurit Sabbe. Achterin de brochure staat de lijst van de tentoonstellingen tussen 1974 en 2004 georganiseerd in de bibliotheek van de faculteit. [ECI]

3463. – Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken: liber amicorum Ludo Simons. – Kapellen: Pelckmans, 2004. – 367 p.: portr., ill.; 24 cm. – ISBN 90-289-3560-6.
De titel laat al vermoeden dat de inhoud een brede waaier de onderwerpen bestrijkt gaande van de Lage Landen, Nederlands en Nederduits over boek- en bibliotheekwezen tot Nederlandse letterkunde. De inhoud, samen met Simons’ bibliografie door Marcus de Schepper en Linda Fonteyne, weerspiegelt dan ook de veelzijdigheid van de "conservator, stadsbibliothecaris, boekenmens, universiteitsbibliothecaris en hoogleraar" zoals Ludo Simons door respectievelijk Marc Somers en Theo Boeckx geschetst wordt. De bijzonder smaakvolle vormgeving van het boek in donker groenachtig blauw omslag is van Louis Van den Eede. De gevierde in het bijzonnder maar ook alle andere lezers van dit boek, zullen er gelukkig mee zijn. [ECI]

3464. – Francine DE NAVE, Het persoonlijk archief van Ereconservator Leon Voet in het Museum Platin Moretus / Prentenkabinet te Antwerpen. Inventaris van de documenten in 2003 overgedragen door zijn weduwe, Mevrouw Jenny Voet-Grisolle in De Gulden Passer, 82, 2004, p. 179-196.
Op 13 september 2002 overleed Leon Voet, de grote Plantijnkenner en ereconservator van het Museum Plantin-Moretus (Zie Kroniek 27 nr. 3222). Zijn weduwe schonk de nagelaten wetenschappelijke papieren aan het Museum . Francine de Nave, de opvolgster van Voet als conservator, ordende het materiaal en stelde een handige inventaris samen. Voets levenswerk is nu stilaan bewaard in "zijn" Plantijnse huis. [MdS]

3465. – Willem REIJTING, De oude en de nieuwe boekgeschiedenis in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 11, 2004, p. 181-195, ill.
Beschouwingen van een vakman bij enkele recente, hoofdzakelijk Amerikaanse, handboeken en bundels op het gebied van de boekgeschiedenis. [Md]

3466. – Dirk VAN HULLE & Wim VAN MIERLO (eds.), Reading notes. – Amsterdam / New York: Rodopi, 2004. – ix, 415 p.: ill.; 24 cm. – ISBN 90-420-1821-6. – (Variants. The journal of the European Society for Textual Scholarship; 2-3)
Bundel internationaal georiënteerde literair—theoretische en historische studies over het fenomeen "handschriftelijke noten", in boeken. Nuttig is het onderscheid tussen "schrijvende lezers" en "lezende schrijvers". Bij deze laatsten is het een belangrijk onderdeel van het creatief proces. Libri annotati worden trouwens een steeds belangrijker categorie voor het onderzoek naar de boekenconsumptie. [MdS]

3467. – Johan HANSELAER, "Geen wetenschap van het boek is mogelijk zonder een volledige bibliografie als uitgangspunt en voedingsbodem". Boekhistorische instrumenten op het internet in Pierre DELSAERDT & Koen DE VLIEGER-DE WILDE (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen ... , p. 33-43, ill. Verkennend overzicht van boekhistorische hulpmiddelen op het internet: zoekmachines, onlinecatalogi van talloze bibliotheken, enz. Wie over (oude) boeken werkt, kan die niet langer negeren – al blijft de gebruiksvriendelijkheid vaak in gebreke. [MdS]

3468. – Claude SORGELOOS, Réserve précieuse et histoire du livre: conservation et exploitation scientifique in Frank DAELEMANS & Willy VANDERPIJPEN (eds.), Het historisch patrimonium van de Koninklijke Bibliotheek van België. Nieuwe perspectieven. Een eerbetoon aan Pierre Cockshaw = Le Patrimoine historique de la Bibliothèque royale de Belgique. Nouvelles perspectives. Un hommage à Pierre Cockshaw. – Brussel: Koninklijke Bibliotheek van België, 2003, p. 65-91.
Overzicht van wat er gedurende de laatste decennia is ondernomen in de afdeling Kostbare Werken van de Koninklijke Bibliotheek van België: acquisitie, ontsluiting, publiekswerking, projecten op korte en lange termijn. Daaronder essentiële projecten rond het oude boek: "Polain", Belgica Typographica, catalogus Brusselse drukken, repertorium van veiling- en antiquariaatscatalogi (Blogie), enzovoort. [MdS]

3469. – Pierre DELSAERDT & Koen DE VLIEGER-DE WILDE (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen: nieuwe instrumenten en benaderingen. – Brussel: Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, 2004. – 108 p.: ill. – (Contactforum: handelingen)
De Vlaamse Werkgroep Boekgeschiedenis organiseerde op 28 november 2003 een eerste studiedag in de Koninklijke Vlaamse Academie te Brussel. De lezingen zijn nu (op één na) verschenen in een bundel. De Leidse boekhistoricus Paul Hoftijzer voegde een instructieve slotbeschouwing toe (p. 103-108), waarin hij onder meer pleit voor nauwere samenwerking met Nederland. De artikelen (elders in deze Kroniek afzonderlijk besproken) bieden een staalkaart van lopend onderzoek en nodigen uit tot verder systematisch verkennen van het boekenlandschap in de Nederlanden. [MdS]

3470. – Piet VERKRUIJSSE, Betekenisloze typografische vormgeving: kwarto-in-achten in Jos BIEMANS, Lisa KUITERT & Piet VERKRUIJSSE (eds.), Boek & letter ... , p. 247-264.
Specialist in analytisch bibliografische puzzels, heeft V zich eens te meer gebogen over een heel specifiek aspect bij het zet- en drukproces: het formaat quarto-in-achten. Hij kan dit doen dankzij het elektronisch opgeslagen materiaal van de STCN die allerlei gecombineerde zoekacties mogelijk maakt. Maar je moet wel goed weten wat je wil en hoe je het aan boord moet leggen! [ECl]
 

3471. – Francine DE NAVE e.a., Letters proeven / Prenten smaken. Dubbeltentoonstelling in het Museum Plantin-Moretus en het Prentenabinet = La saveur des caractères / Le goût des estampes. Double exposition au Musée Plantin-Moretus et Cabinet des Estampes 16.10.2004 – 16.01.2005. – Antwerpen: Stad Antwerpen, 2004. – 191 p. – D/2004/0306/107. – (Publicaties van het Museum Plantin-Moretus / Prentenkabinet, 40)
Dubbeltentoonstelling van en in het Museum Plantin-Moretus / Prentenkabinet. Voornamelijk het eerste luik is voor boekhistorici erg belangrijk. De auteur van tentoonstelling en catalogus, Louis Van den Eede, tevens docent aan het Plantin Genootschap en typograaf, is uitgegaan van de letterproeven van Plantin uit 1567 en 1585, die in het Museum Plantin-Moretus bewaard worden. Een letterproef of -specimen geeft op één of meer bladen een overzicht van de beschikbare lettertypen en -corpsen. Dit document wordt vervolgens geïllustreerd aan de hand van drukken, archiefdocumenten en typografisch materiaal zoals matrijzen, afslagen, letterstempels, alles uiteraard uit eigen bezit van het Museum. Het tweede luik geeft een overzicht van de grafische technieken geïllustreerd aan de hand van een mooie selectie houtsneden en prenten, alle bewaard in het Prentenkabinet. Auteurs waren Roland De Winter en Marijke Hellemans. Het gegeven dat Plantin zelf hierin een vooraanstaande rol heeft gespeeld door de kopergravure als dé boekillustratie bij uitstek te zien, ten nadele van de houtsnede, lijkt mij een beetje onderbelicht. [ECI]

3472. – Jos A.A.M. BIEMANS, Sjabloonboeken tussen handschrift en druk in Jos BIEMANS, Lisa KUITERT & Piet VERKRUIJSSE (eds.), Boek & letter ... , p. 419-442.
Boekproductie heeft altijd een determinerend economisch aspect. Wanneer het drukken van bepaalde boeken om een of andere reden niet rendabel blijkt, ging men, op een ogenblik dat men alom allang volgens Gutenbergs methode drukte, over tot het kopiëren met de hand, tot in de zeventiende eeuw toe: het is een bekend verschijnsel. Veel minder bekend echter is het procédé dat vooral in de zeventiende en achttiende eeuw om dezelfde reden wordt toegepast: het sjabloneren. Sjabloonboeken zijn boeken waarin de tekst, muzieknotatie en figuren, met behulp van een sjabloon (een blikken of koperen mal), ingetekend of geschilderd wordt. Zoals een handschrift is het resultaat een uniek stuk, alleen is het niet geschreven. Conservatoren: op jacht nu naar dergelijke (veelal) liturgische koorboeken, in verzamelingen handschriften en drukken. [ECI]

3473. – Pierre DELSAERDT, Koen DE VLIEGER-DE WILDE & Geert SOUVERYNS, Een zee van toegelaten lust: hoogtepunten uit abdijbibliotheken in de provincie Antwerpen. –Antwerpen: Provincie Antwerpen, 2004. – 208 p.: ill.; 28 cm. – ISBN 90-662-5064-X.
In een recordtijd werd in opdracht van het Antwerpse Provinciebestuur inhoud gegeven aan de catalogus en vorm aan de tentoonstelling. De rol van abdijbibliotheken, met hun functie van verzamelen en bewaren, belichten: dat was de doelstelling – want nauwelijks bekend bij een breder publiek. Drie premonstratenzerabdijen – Averbode, Postel en Tongerlo – en twee cisterciënzerabdijen – Bornem en Westmalle – stonden hiervoor tijdelijk stukken af.. Een originele bijdrage is ongetwijfeld die van gastauteur Jean Pierre Rondas, de bekende radiojournalist: verfrissend, omdat ze van een buitenstaander komt die op intelligente en onbevangen wijze is gaan kennismaken met de abdijen, hun bewoners, hun leefwereld. De inleidende opstellen zijn niet aan één bepaalde bibliotheek gewijd maar belichten "gezamenlijk" verschillende aspecten van het kloosterbibliotheekbedrijf door de eeuwen heen zoals de verwerving, de ontsluiting, de materiële inrichting functies, abten, schrijvers, onderzoekers. Korte kaderteksten geven gerichte informatie over uiteenlopende zaken zoals de "hel", boekbanden en binders, een of andere bibliothecaris, bibliotheekreglementen. Een en ander vindt onderdak in twee grote hoofdstukken: "Het boek als fundament van het kloosterleven" en "Functies en culturele betekenis van abdijbibliotheken".
Het (omvangrijke) catalogusgedeelte bevat net geen honderd nummers. Er blijkt niet meteen hoe de keuze is verricht: op esthetische gronden, conservatorische, inhoudelijke, vermoedelijk alle drie tegelijk. De vraag is in hoeverre de keuze, hoe beperkt ook de werkelijke inhoud van de respectieve bibliotheken weerspiegelt. Echter, de boekhistoricus blijft met een onbevredigd gevoel achter: lange commentaren bij auteur of inhoud (niet nieuw), maar nauwelijks een beschrijving van handschrift of druk (dat zou wel een nieuwe bijdrage zijn geweest!) Daar gaat het precies om: wij willen toch graag weten hoe het exemplaar uit deze of gene bibliotheek er uitziet, welke band het heeft of er gebruikssporen aanwezig zijn, waar of bij wie het verworven is. Dat is een gemiste kans! Is het namenregister volledig? Sommige drukkers vind ik, andere niet (Giunti, 47), Petrus heet Petri (38). Standaardrepertoria zijn niet opgegeven bij de beschrijvingen, tenzij sporadisch. Over Josse Bade (19) bestaat recenter bibliografisch werk dan Brunet. Het zijn slechts enkele steekproeven. Daar tegenover staat dat het boek op een somptueuze wijze is geïllustreerd, ook al moeten de bijschriften met een loep worden gezocht. De geschiedenis van deze abdijbibliotheken is niet uitputtend behandeld, wat ook niet kon in het raam van een tentoonstelling en ook niet de bedoeling is geweest. "Een zee van toegelaten lust" (naar het woord van de achttiende-eeuwse bibliothecaris Bouvaert) is ook voor ons, dankzij dit boek, een lust voor het oog. [ECI]

3474. – Jos BIEMANS (ed.), Judith BELINFANTE e.a., Bijzonder boek: bijzondere collecties. – Amsterdam: Universiteitsbibliotheek Amsterdam, 2004. – 104 p.: ill.; 23 cm. – ISBN 90-562-9309-5.
Mooie en handige presentatie van de bijzondere collecties in de universiteitsbibliotheek Amsterdam. [ECI]

3475. – Albert DEROLEZ, Ten Duinen of Ter Doest? De herkomst van de handschriften in de Openbare Bibliotheek en het Grootseminarie te Brugge in Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis, 141, 2004, p. 219-277.
Chronologisch valt deze studie buiten ons bereik, maar om methodologische redenen wil ik ze signaleren. G.I. Lieftinck is tot nu toe de enige geweest die de producten van deze scriptoria heeft onderzocht, paleografisch, codicologisch en kunsthistorisch. D heeft zich nu gebogen over de bibliotheekhistorische kant: welke van de honderden bewaarde handschriften zijn afkomstig uit Ten Duinen en welke uit Ter Doest. Tot de te onderzoeken criteria behoren uiteraard catalogi en eigendomsmerken, maar ook de banden (gelukkig is een groot aantal van deze handschriften nooit herbonden). D komt door het in kaart brengen van elementen van het beslag en het sluitwerk tot geheel andere bevindingen dan in (recente) studies te lezen zijn. [ECI]

3476. – Jean-Louis DECHERF, De bibliotheek van de Katholieke Universiteit van Rijsel/La Bibliothèque de l' Université catholique de Lille in De Franse Nederlanden / Les Pays-Bas Français, 29, 2004, p. 185-194.
De eerste rector van de in 1873 opgerichte katholieke universiteit van Rijsel, mgr. Edouard Hautcoeur, historicus én bibliofiel, is de stuwende kracht geweest voor de vestiging van een centrale bibliotheek. Zijn oproep tot schenkingen klinkt als het ware tot op vandaag door. Onder de plus minus 400.000 boeken op het gebied van de godsdienstwetenschappen; rechten en letteren, is een aantal belangrijke drukken en één (top)handschrift uit de vroege elfde eeuw. De door de Koninklijke Bibliotheek van België in de negentiende eeuw als doublet verkochte Biblia polyglotta van Plantin (VH 1) bevindt zich ook in Rijsel. Lees de Franse tekst, het Nederlands is bij wijlen onbegrijpelijk. Jammer dat de auteur niet verwijst naar de goede en geillustreerde catalogus van de tentoonstelling uit 2002, 25 ans d'acquisitions pour le fonds patrimonial de la bibliothèque: une rétrospective d'histoire du livre. [ECI]

3477. – Geert LERNOUT, Een beknopte geschiedenis van het boek. – Amsterdam: Meulenhoff, 2004. – 352 p. – ISBN 90-5990-004-9.
In dit essayistische werk beschrijft L de evolutie en de impact van het schrift en het boek van bij hun ontstaan tot vandaag. De auteur heeft zich vrijwel uitsluitend op Angelsaksische literatuur gebaseerd, zodat de Nederlanden slechts sporadisch ter sprake komen. [HM]

3478. – D. IMHOF, Het belang van het Plantijns Archief voor de geschiedenis van de Antwerpse boekdrukkunst in Jaarboek. Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde (Antwerpen), 14, 2002-2003 [versch. 2004], p. 255-259.
Lezing over wat een boekhistoricus aan bronnenmateriaal kan vinden in het drukkers-, uitgevers- en boekhandelsarchief van Plantijn en de Moretussen. [MdS]

3479. – Jan PAUWELS (ed.), Gheprint tAntwerpen. Het boek in Antwerpen van de vijftiende tot de twintigste eeuw. – Kapellen: Pelckmans, 2004. – 139 p.: ill.; 22 cm. – ISBN 90-289-3563-0.
Een synthese van de boekgeschiedenis in Antwerpen is nog een verre droom, maar deze verzorgd uitgegeven bundel is veel meer een weloverwogen smaakmaker dan een vrijblijvende bundeling. Door de gevarieerde invalshoeken biedt hij ook een beeld van de (on)mogelijkheden van de boekgeschiedenis. Op alle domeinen zijn er deelstudies en repertoria nodig, maar toch zal ooit iemand, een groep zich moeten wagen aan een overzicht, bij voorkeur in een Europese context. Daarvoor pleit ook David McKitterick, auteur van zulke schitterende syntheses als A history of Cambridge University Press (3 dln., 1992-2004). Hij wijst in zijn bijdrage "Geschiedenissen van het boek en geschiedenissen van Antwerpen" (p. 10-31) op de verscheidenheid en gelaagdheid van het boekbedrijf in een open stad als Antwerpen: contacten met collega's/concurrenten in andere regio's en landen, gebruik van vele talen in en buiten het bedrijf, enzovoort. Een toch eng-nationalistische aanpak in bijvoorbeeld nationale repertoria (als Belgica Typographica of de STCV), hoe pragmatisch ook, doet geen recht aan de werkelijkheid waarbinnen een boek werd "gemaakt". Hij illustreert dit onder meer aan de hand van de contacten met Engeland in de zestiende eeuw en met een voor velen onbekend gebleven Conférénce du livre die in 1890 te Antwerpen werd gehouden. Spilfiguur daarin was Max Rooses, die toen ook net de studie van het Antwerpse boekbedrijf had gegrondvest in het door hem voor het eerst ontgonnen Plantijns Archief. [MdS]

3480. – Ludo VANDAMME, Op weg naar een bibliografie van Brugse drukken (ca. 1473-1830). De opbouw van een lokale bibliografie in Pierre DELSAERDT & Koen DE VLIEGER-DE WILDE (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen ... , p. 45-56.
In 2001 startte de Openbare Bibliotheek Brugge met een lokaal bibliografisch project om de Brugse drukken (tot 1830) bewaard in Brugse bibliotheken te ontsluiten en (althans de beschrijving) online beschikbaar te stellen. V geeft toelichting bij de boekgeschiedenis van Brugge en bij de gevolgde werkwijze. Een heel zinnig project dus, maar toch ook wel een gemiste kans dat het niet (mede) in de STCV werd ondergebracht. Opzet en "format" daarvan maken de incorporatie van deelprojecten heel goed mogelijk. Hopelijk wordt de Brugse zeventiende eeuw alsnog gekoppeld aan de "Vlaamse". [MdS]

3481. – A. SIFFER, Schrijven en Drukken. Beknopt geschiedkundig overzicht. – Gent: Geschiedkundige Heruitgeverij, 2001. – 82 p.: ill.; 21 cm.
De Gentse drukker Alphonse Siffer (1850-1941) schreef een (voor zijn tijd nuttige) inleidende synthese bij de "Tentoonstelling van het boek" in juli 1904 te Gent. Die werd ook als overdruk verspreid en is hier "herdrukt" (of eerder: gefotokopieerd) door de Geschiedkundige Heruitgeverij, met als extraatje een "Index" (p. 63-79). [MdS]

3482. – Alphonse DIEGERICK, Essai de bibliographie yproise. Etude sur les imprimeurs yprois 1547-1834. [Herdr.]. – Ieper: Stadsarchief, 2000. – 393 p.; 24 cm. – (Ieperse historische studies, 5).
De nog steeds niet vervangen Ieperse bibliografie van Diegerick (uit 1873-1881) is andermaal ongewijzigd herdrukt. Elke toelichting of aanvulling ontbreekt helaas ... – een taak voor een Iepers bibliograaf/archivaris! [MdS]

3483. – Francine DE NAVE, Kanttekeningen bij de wordingsgeschiedenis en het belang van de bibliografie van drukken en edities van Jan I Moretus. Een bijdrage tot verder boekhistorisch onderzoek naar de productie van de Officina Plantiniana in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. lIl, p. 319-330, ill.
Overzicht van de wetenschappelijke bedrijvigheid van de conservatoren van het Museum Plantin-Moretus. Na een eerste focus op de stichter Christoffel Plantijn, met Leon Voets Golden Compasses en Plantin Press als hoogtepunten, ligt het zwaartepunt nu op Jan Moretus en diens zonen (vooral Balthasar I). Dirk Imhof werkt aan een voortzetting van de "Plantin Press" tot 1641 met uitvoerige, ook archivalisch gedocumenteerde, beschrijvingen van de boekproductie van de Officina Plantiniana uit de jaren 1589-1641. [MdS]

3484. – Jörgen VAN DEN BERG, Hans BRANDHORST & Peter VAN HUISSTEDE, Image and word: a systematic research into the relations between image and word in Dutch culture (1500-1800) in Axel BOLVIG & Phillip LINDLEY (eds.), History and images. Towards a new iconology. – Turnhout: Brepols, 2003, p. 107-129, ill. – (Medieval texts and cultures of Northern Europe, 5).
Beschouwingen en toelichting bij (de databank van) Nederlandse drukkersmerken (zie Kroniek 23 nr. 2644) en de iconologische analyse ervan. [MdS]

3485. – C. COPPENS, The Prize is the Proof. Four Centuries of Prize Books in Mirjam M. FOOT (ed.), Eloquent Witnessess: Bookbindings and their History, A volume of essays dedicated to the memory of Dr Phiroze Randeria. – London / Delaware: The Bibliographical Society, The British Library / Oak Knoll Press, 2004, p. 53-105.
Tot voor kort behoorden prijsboek en -band tot een weinig ontgonnen en bijgevolg slecht bekend terrein. Deze lange bijdrage gaat terug op de catalogus die dezelfde auteur in 1991 onder dezelfde titel heeft gepubliceerd (Zie Kroniek 17 nr. 1720), nu bijgewerkt. [ECI]

3486. – Jan STORM VAN LEEUWEN, Bookbindings: their Depiction, their Owners and their Contents in Mirjam M. FOOT (ed.), Eloquent Witnessess ... , p. 31-52.
Uitermate boeiend bezoek aan een virtueel museum met schilderijen waarop een boekband is te zien. De auteur kijkt hiernaar in zijn dubbele hoedanigheid van kunsthistoricus/banddeskundige. Uit zijn observaties is ook een dubbele les te halen. [ECI]

3487. – Elly COCKX-INDESTEGE & Jos M.M. HERMANS, m.m.v. Georg ADLER & Jan STORM VAN LEEUWEN, Sluitwerk. Bijdrage tot de terminologie van de boekband. – Bruxelles / Brussel: Archives et bibliothèques de Belgique / Archief- en Bibliotheekwezen in België, 2004. – 27 p.: ill. – ISSN 0775-0722. – (Numéro spécial / Extranummer, 71).
Een vaak verwaarloosd onderdeel van de (oude) boekband is het sluitwerk (sloten, lussen, knopen etc.), ook al omdat het vaak onvolledig is bewaard (bijvoorbeeld klampen). De auteurs hebben gezorgd voor een eenduidige en heldere terminologie en duidelijke voorbeelden (foto's). De sluiting heeft tot doel het boek te beschermen tegen stof, ongedierte, enzovoort en om te voorkomen dat de band gaat kromtrekken of openkieren, en dat de bladen golven. Materialen als perkament zijn immers erg gevoelig voor schommelingen in temperatuur en vooral vochtigheidsgraad. Na "definities" (met vertalingen naar het Duits, Engels en Frans) volgen een literatuurlijst, trefwoordenregister en vijftig (!) voortreffelijke kleurenillustraties. Onmisbaar naslagwerkje voor collecties en liefhebbers van oudere boekbanden. [MdS]

3488. – Geert SOUVEREYNS, Functies en culturele betekenis van abdijbibliotheken in Pierre DELSAERDT e.a. (eds.), Een zee van toegelaten lust ... , p. 39-63, ill.
Boeiende verkenning van het boekengebruik in de abdijbibliotheken van de huidige Provincie Antwerpen. Die waren niet alleen bestemd voor "intern" gebruik, maar dienden tevens als intellectueel reservoir voor de talrijke religieuzen die aan een universiteit studeerden, pastoor werden of de gemeenschap dienden als gevorderd jurist of theoloog. Bovendien waren velen onder hen ook actief als geestelijk, historisch of wetenschappelijk auteur. Daardoor bezitten de abdijbibliotheken hoogwaardige collecties op het gebied van de klassieke talen, de religieuze en maatschappelijke actualiteit, juridische vakliteratuur, enzovoort. Met boeiende kaderstukjes over ondermeer Augustinus Wichmans, Macarius Simeomo, Diederik van Tuldel en Dionysius Mutsaerts. Een enkel schoonheidsvlekje: het stadsverblijf van de abdijen heet "refuge" of "refugiehuis" (van het Latijnse "refugium"; met klemtoon op de tweede lettergreep) en niet "refugiéhuis". Zie ook nr. 3473. [MdS]

3489. – Guido HENDRIX, De bibliotheek van Boudelo in Guido HENDRIX, Het geestesleven in de Cisterciënzerabdij Boudelo. Derde studiedag Belgische kloostergeschiedenis ( ... ). – Brussel: Algemeen Rijksarchief, 2002, p. 39-312, ill. – (Bibliografische inleiding tot de Belgische kloostergeschiedenis vóór 1796, 65).
Als historiograaf van (het intellectuele leven van) de Cisterciënzerorde in België heeft Guido Hendrix herhaaldelijk aandacht besteed aan het boekenbezit van de Oost-Vlaamse abdij Boudelo (Zie Kroniek 25 nr. 2953). Hier presenteert hij een waaier van gedetailleerde gegevens uit archivalische bronnen én uit de bewaarde boeken. Hij biedt onder meer een "Alfabetische auteurs- en titellijst" (p. 61-190) en een reeks uitvoerige bijlagen met bijvoorbeeld "Quaestiones theologicae en theses" (p. 232-239), "De "boekhoudkundige" informatie in chronologische orde" (p. 240-258), "Huidige bezitters van voormalige Boudeloboeken" (p. 259-264, uiteraard bovenaan de Gentse universiteitsbibliotheek met 166 stuks), "Overzicht volgens publicatiejaar" (p. 265-273), "Alfabetisch overzicht van plaatsen van uitgave" (p. 274-282), "Boeken uit de voormalige priorij Waarschoot" (p. 295-308). Kortom: alweer een nuttige bronnenpublicatie. [MdS]

3490. – Bart OP DE BEECK, De bibliotheek van het Brusselse jezuïetencollege (1604-1773) in 400 jaar Jezuïeten in Brussel. – Brussel: DESSA, 2004. -1 CD-ROM.
Na enkele beschouwingen over het boek in de pedagogie van de orde volgt een verkenning van het boekenbezit van het Brusselse jezuïetencollege aan de hand van de bewaarde zeventiende-eeuwse handschriftelijke catalogi (ondermeer van de schenkingen), de inventaris door G.-J. Gérard in 1776 gemaakt bij de opheffing, de restanten die in de Koninklijke Bibliotheek van België terecht zijn gekomen en de veilingcatalogus uit 1778. [MdS]

3491. – Nati H. KRIVATSY, Sixteenth- and seventeenth-century books, printed in the Netherlands, in Sir Edward Derings' library in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. III, p. 477-491, ill.
Van de bibliotheek van de Engelse politicus Sir Edward Dering (1598-1644) is een handgeschreven catalogus bewaard in de Folger Shakespeare Library (Washington, hs. V.b. 297). K bespreekt hier 38 werken uit de Nederlanden, met uitzondering van (Engelse) controverseliteratuur en van de Plantijndrukken (reeds eerder beschreven, zie Kroniek 15 nr. 1326). [MdS]

3492. – Jan ROEGIERS, Een verborgen schatkamer: de bibliotheek van het Bisschoppelijk Seminarie te Gent in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 227-235.
Men staat er doorgaans niet bij stil, maar de boekenverzamelingen in ons land die van vóór de Franse revolutie dateren, zijn zeldzaam: opheffing van kloosterorden, confiscatie van goederen zijn de verklaring. Een zeldzame uitzondering in dit opzicht is het Bisschoppelijk Seminarie in Gent. Opgericht in 1569 met als kern de boeken van het fraterhuis, kende het aanvankelijk nochtans ook bewogen jaren. Toen de Franse Republiek in 1795 een feit was, verkeerden archief en bibliotheek al in veiligheid dankzij de subregent J.C. Van Hemme; in 1804 konden ze naar hun oude plek teruggebracht worden. [ECI]

3493. – Geert VAN BOCKSTAELE, Het cultureel erfgoed van de Sint-Adriaansabdij van Geraardsbergen 1092-2002. – Geraardsbergen: Stadsbestuur, 2002. – 256 p.: ill.; 31cm. – ISBN 90-802018-6-3.
Verzameling (kunst)historische studies over de eeuwenoude Sint-Adriaansabdij in Geraardsbergen, met ondermeer een hoofdstuk over "Handschriften en drukwerken" (p. 183-209). De geschiedenis van de abdij bibliotheek verdient nog nader onderzoek: een aantal handschriften is bekend, doch slechts 1% van de gedrukte boeken is momenteel gelocaliseerd. Belangrijk was ook "Het Abdijcollege (1629-1795)", een Latijnse school, waar uiteraard teksten werden gemaakt en prijsboeken geschonken (p. 233-235). [MdS]

3494. – Jean-René LASSONDE, La présence flamande et néerlandaise à la Bibliothèque nationale du Québec in Septentrion, 33, 2004, 3, p. 166-169, ill.
Bondig overzicht van de bibliotheekgeschiedenis van Québec en van de aanwezigheid van (Franse en Latijnse) drukken uit de Nederlanden (Plantijn, Elzevier, reisboeken) in de Nationale Bibliotheek. [MdS]

3495. – V. BROEKAERT, De bibliotheken van de Sint-Andriesabdij (Zevenkerken) in V.R.B. informatie (Leuven), 32, 2002, p. 20-23.
Vergelijking van het boekenbezit van de oude (1100-1796) en de nieuwe (sedert 1898) Sint-Andriesabdij in Zevenkerken. Van de oude bibliotheek is een achttiende-eeuwse catalogus bewaard in het Brugse Stadsarchief (2.225 boeken in vijftien rubrieken). De nieuwe bibliotheek is voortdurend verrijkt met schenkingen uit privébibliotheken en telt ongeveer 60.000 boeken. [MdS]

3496. – Karl A. ENENKEL & Arnoud S.Q. VISSER (eds.), Mundus emblematicus. Studies in Neo-Latin emblem books. – Turnhout: Brepols, 2003. – IX, 383 p.: ill.; 25 cm. – ISBN 2-503-51202-X. – (Imago Figurata. Studies, 4).
Het allereerste embleemboek, Andreas Alciatus' Emblematum libellus (Augsburg 1531) was een Neolatijns embleemboek. Het gaf niet alleen leven aan een typisch renaissancistisch en barok genre en aan een erg symbolische beeldbeleving in de beeldende kunsten en literatuur, maar ook aan een stroom van Neolatijnse embleembundels. Hoofddoel van de artikelen in Mundus emblematicus is aandacht te vragen voor de tekstuele kant van de minder bestudeerde Neolatijnse embleemproductie. Natuurlijk komt de wisselwerking tussen woord en beeld ruim aan bod, maar ook de eigen structuur van de bundels en hun eigenheid in vergelijking met de volkstalige productie. Boeiend is ook de aandacht voor verwante literaire genres als citatencollecties ("commonplace-books"), fabels en de geleerde commentaren op oudere teksten. Enkele artikelen dienen hier te worden vermeld: Daniel S. Russell bespreekt het opduiken van uitvoerige commentaren op Alciatus' bundel in "Claude Mignault, Erasmus and Simon Bouquet: the function of the commentaries on Alciato's emblems" (p. 17-32) met ondermeer aandacht voor Plantijns rol in de editiegeschiedenis (p. 23-24). Plantijn komt ook uitvoerig aan bod in een fraaie contextuele studie van één van zijn belangrijkste embleemdrukken, "Hadriani Iunii Medici Emblemata (1565)" door Chris L. Heesakkers (p. 33-69). Voor de Nederlanden is Paul J. Smith "Arnold Freitag's Mythologia ethica (1579) and the tradition of the emblematic fable" (p. 173-200) van belang. Hij gaat in op de ingewikkelde (uitgave)geschiedenis van de Neolatijnse bewerkingen van het spectaculaire fabelboek van Edward de Dene en Marcus Gheeraerts (Warachtighe fabulen der dieren, Brugge 1567). Dat boek werd in het Frans (Esbatement moral des animaux) en Latijn (Mythologia ethica en Viridiarium moralis philosophiae – ten onrechte soms aan Cornelis Kiliaan toegeschreven) nagevolgd en ook die bewerkingen werden op hun beurt geïmiteerd om uit te lopen op Vondels Vorsteliicke warande der dieren (1617). In "The painter and the poet: the Nucleus emblematum by De Passe and Rollenhagen" van Ilja Veldman en Clara Klein (p. 267-299) wordt de sleutelrol van graveur en uitgever Crispijn de Passe aangetoond aan de hand van een embleemboek, dat door niemand minder dan Zacharias Heyns werd vernederlandst. Het laatste woord is gewijd aan dé bundel van de Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw "Herman Hugo's Pia desideria", gepresenteerd door G. Richard Dimler (p. 351-379). [MdS]

3497. – Erika RUMMEL & Dale SCHRAG, The Erasmus collection in the Herzog August Bibliothek. – Wiesbaden: Harrassowitz, 2004. – 264 p.; 28 cm. – ISBN 3-447-05088-8. – (Wolfenbütteler Schriften zur Geschichte des Buchwesens, 38).
Met 1.750 Erasmusdrukken vóór 1700 staat de Herzog August Bibliothek (Wolfenbüttel) samen met de Bayerische Staatsbibliothek (München) aan de top van Erasmuscollecties in Duitsland. Een aparte inventaris ervan was dus aangewezen en is nu beschikbaar. En het is wel degelijk een inventaris, geen catalogus. De nadruk ligt op de systematische ordening van de titels (terecht) én op de herkomst van de exemplaren. Dat laatste is wel de sterkte van het boek. Als inventaris is het bruikbaar voor wie snel een overzicht wil krijgen van welke Erasmusteksten er aanwezig zijn. De Erasmusbibliograaf blijft echter op zijn honger: wel paginering/foliëring en formaat, maar geen collatie; de typische Erasmusbundels zijn opgesplitst per tekst; referenties zijn er enkel naar de VD 16, maar helaas niet naar Bezzel (essentieel voor Duitsland!) of de Bibliotheca Belgica. Die aanpak blijkt ook uit de registers. Er zijn er twee: een op "Names of owners and donors" (uiteraard – maar niet op "institutionele" bezitters zoals kloosters en Latijnse scholen) en een op "Shelf numbers" (eerder van lokaal belang: geeft wel inzicht in de samenstelling van de collectie in Wolfenbüttel). Er is geen algemeen namenregister, laat staan een index van drukkers/uitgevers en drukkersplaatsen. De samenstellers zijn Erasmusspecialisten, maar geen boekhistorici. Dat is jammer, want wie wil weten of er drukken uit de Nederlanden, Engeland, Frankrijk of Italië bij zijn, moet de hele lijst doorploegen. Voor een boekdeel uit een reeks "Schriften zur Geschichte des Buchwesens" toch een gemiste kans! Maar de herkomstenindex maakt veel goed: alweer een boek uit de bibliotheek van Pieter Gillis (zie nr. 3322), namelijk Epistolae aliquot eruditorum (nr. 1571: Antwerpen: Michiel Hillen van Hoochstraten, ca. 1520 – NK 765). Nagenoeg alle vroegere bezitters zijn "Duits" (in de ruime geografische zin), en daaronder is ook een "Theodoricus Zwollensis" (nrs. 550 en 874). Toch aanbevolen voor Erasmusliefhebbers en bibliotheken met oude Erasmiana. [MdS]

3498. – Jean-Pierre COUMONT, Demonology and witchcraft. An annotated bibliography. With related works on magic, medicine, superstition, &c. – 't Goy- Houten: Hes & De Graaf, 2004. – x, 585 p. + lxxx p. pl. – ISBN 90-6194-319-1.
Hekserij en toverij hebben altijd veel belangstelling gewekt en natuurlijk hebben auteurs, uitgevers en verzamelaars daar gretig toe bijgedragen. Ook bibliografen zagen hierin een uitdaging. Albert Caillet’s Manuel bibliographique des sciences psychiques et occultes (Parijs 1912, 3 dln.) was de belangrijkste poging. C hanteert striktere criteria en kon veel meer gedrukte en online catalogi gebruiken. Zijn werk is geordend op auteursnaam en geeft vrij uitvoerige titels, impressum, paginering, korte annotatie (data auteur, reeks trefwoorden), gevonden exemplaren en bibliografische referenties. Er is echter geen collatieformule of inhoudsopgave. Wel zijn achteraan zo'n 320 titelpagina's (goed) gereproduceerd (al is de selectie niet gemotiveerd). Een uitvoerige "Index of subjects" omvat onderwerpen, persoons- en plaatsnamen (p. 533-581). Dan volgt een korte lijst van "Anonymous editions". Een drukkersregister ontbreekt. Een nuttig naslagwerk op een helaas nog steeds actueel terrein. [MdS]

3499. – Claudine LEMAIRE, So lang' als Pen en lnckt doorwand'len t'witte velt. Handgeschreven materieboeken en kalligrafische voorletterboekjes van de zestiende tot de achttiende eeuw in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. I, p. 491-511, ill.
Voorstelling van een aantal gedrukte en/of gegraveerde boeken met lettermodellen voor kalligrafen, evenals enkele handschriftelijke schrijfboeken (zestiende tot achttiende eeuw) uit de verzamelingen van de Koninklijke Bibliotheek van België. De auteur pleit terecht voor systematisch onderzoek van deze fraaie boekjes, vaak slechts als unicum overgeleverd. Zo is er onder meer een Nouvel A.B.C. par F.V.G. van Felix Sambix/van Sambeke (Antwerpen: Trognesius, 1585) – niet vermeld in de Belgica Typographica (Museum Plantin-Moretus, hs. M 2001). [MdS]

3500. – Gilbert HUYBENS, Thesaurus Canticorum Flandrensium. Het gedrukte Nederlandse liedboek in Vlaanderen (1508-1800). Dl. 1: Bibliografie. – Peeters: Leuven, 2004. – 293 p.: ill.; 24 cm. ISBN 90-429-1526-9. – (Miscellanea Neerlandica, 30).
Florimond van Duyse (Het oude Nederlandsche lied, 1903-1908) en D.F. Scheurleer (Nederlandsche liedboeken, 1912-1923) waren een eeuw lang de standaarden voor wie zich in het Nederlandse liedboek wilde verdiepen. Maar echt bibliografisch onderzoek heeft zoveel aanvullingen en correcties opgeleverd dat beide werken aan vervanging toe waren. H, gepassioneerd muziekhistoricus én verzamelaar, heeft het jarenlang vergaarde materiaal nu gebundeld. Als eerste deel is de "Bibliografie" verschenen. Het tweede deel zal de musicologische ontsluiting van het liedmateriaal brengen: incipits van liedteksten én van wijsaanduidingen. De beschrijvende bibliografie is alfabetisch op auteur of eerste titelwoord (bij anoniemen) en vermeldt naast impressum, collatie, lettertypen, illustraties, ook de indeling van het boek, mét aantallen en genres van de liederen, gegevens over opdrachten, approbaties, enzovoort. Dan volgen bibliografische referenties en opgave van alle bekende exemplaren. Een (verkleinde) afbeelding van elke titelpagina vervangt de integrale transcriptie van de titel en geeft een rechtstreeks beeld van het betreffende boek – een uitstekend idee. Een waaier van registers ontsluit de bibliografie: 1. Alfabetische titellijst (p. 233-236); 2. Chronologisch overzicht van de drukken (p. 237-248); 3. Alfabetische drukkerslijst (p. 249-252); 4. Topografisch register [van drukkers] (p. 253-260); 5. Overzichtstabel van de drukken per 50 jaar (p. 261-262); 6. Vindplaatsen [inclusief enkele particuliere collecties] (p. 263-266); 7. Concordanties [met BCNI etc.] (p. 267-270); 8. Rederijkerskamers en kenspreuken (p. 271-282); 9. Persoonsnamen (p. 283-293). Een onmisbaar standaardwerk voor bibliotheken met Nederlands cultuurgoed, voor muziek- en literatuurhistorici en voor liefhebbers van het oude boek. [MdS]

3501. – A. PITLO, De zeventiende[-] en achttiende[-]eeuwse notarisboeken. Een verhandeling over notarisboeken, notarisambt en notarieel recht onder de Republiek der Verenigde Nederlanden. Tweede, algeheel bewerkte druk door A. Fl. Gehlen. – Amsterdam / Deventer: Stichting tot Bevordering der Notariële Wetenschap / Kluwer, 2004. – XXVI, 219 p.: ill.; 25 cm. – ISBN 90-13-01225-6. – (Ars Notariatus, 123). Heldere, belangrijke inleiding op oude notarisboeken (Thuys, Gael, Verwey, Van der Mast, Van Leeuwen, Van Wassenaer, etc.), met ook enige aandacht voor de drukgeschiedenis. De winst is hier voor de boekhistoricus (bibliograaf, bibliothecaris), die ook wel eens wil weten wat er in deze vakboeken staat en waarom ze zo belangrijk en succesvol zijn geweest. Hadden we maar zulke overzichten voor elk vakgebied ... Aanbevolen! [MdS]

3502. – Holger NICKEL, Maximilians Römischer königlicher Majestät Drucksachen während der Inkunabelzeit in William J. JONES, William A. KELLY & Frank SHAW (eds.), "Vir ingenio mirandus". Studies presented to John L. Flood. – Göppingen: Kümmerle Verlag, 2003, dl. II, p. 579-590. – (Göppinger Arbeiten zur Germanistik, 710/2)
Over de drukkers die officiële publicaties van de Roomse keizers Frederik III en Maximiliaan I publiceerden, waaronder ook Antwerpse. [MdS]

3503. – Chris COPPENS & Roger TAVERNIER, Hortus botanicus.' vijf eeuwen plantenboeken te Leuven. – Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2004. – 265 p.: omslag, ill.; 30 cm. – ISBN 90-5867-388X. – (Ex officina: publicaties van de Universiteitsbibliotheek KU Leuven, 3).
Onder eindredactie van Katharina Smeyers is, naar aanleiding van het afscheid van hoofdbibliothecaris Raf Dekeyser, een oud plan toch tot een goed einde gebracht. De lange wordingsgeschiedenis van Hortus botanicus: vijf eeuwen plantenboeken te Leuven verklaart meteen de ongelijkheid in lengte van de beschreven stukken. Ik blijf trouwens zitten met de vraag ofwat kortere toelichtingen over auteur en inhoud niet verkieslijk waren (en dan ook geen jaren in de lade zouden zijn blijven liggen !). Maar niet getreurd: het is een mooi boek geworden, fraai geillustreerd (ook in kleur), met korte goede beschrijvingen van inhoud én exemplaar, informatieve teksten, door de nodige registers ontsloten. Zeventig nummers, verdeeld over acht hoofdstukken, tonen aan dat ook na de turbulente geschiedenis van de Leuvense UB opnieuw veel belangrijks aanwezig is. Gelijktijdig verscheen, als nummer 4 in dezelfde reeks, Hortus Lovaniensis: vijf eeuwen plantkunde te Leuven door Jan Staes en Jan Vandyck: over het onderwijs in de botanica aan de Leuvense Universiteit en de geschiedenis van de hortus en de kruidtuin. [ECI]

3504. – Alfons K.L. THIJS, Recreatie, educatie, devotie en informatie: functies van populaire lectuur (17de-19de eeuw) in Volkskunde, 105, 2004, p. 147-179.
Wij zijn allemaal min of meer vertrouwd met het hier behandelde soort teksten. Maar bij nader toezicht is het onderwerp, populaire lectuur, niet zo eenvoudig te definiëren en is het goed dat de materie op heldere wijze wordt geformuleerd. Wat wordt onder die term verstaan, wat is de graadmeter voor populair in dit verband, de rol van het beeld, de rol van de drukkunst, van het gedrukte woord. Enkele typen worden van kortbij bekeken, vanuit het standpunt van de auteur en de uitgever. Zo is er de ontspanningslectuur (volksboeken, devotieboeken, almanakken, later lectuur met moraliserende strekking, liedboeken). Ideologisch getint waren de pamfletten, didactische boeken, liederen, kranten, kiesbladen en tijdschriften. [ECI]

3505. – W.L. BRAEKMAN, Bijdrage tot de studie van het raadsel: gedrukte raadsel-boekjes in Volkskunde, 105, 2004, 2, p. 121-145.
B geeft als aanvulling op Renaat van der Lindens Grootmoeders raadselboek (1981) een korte beschrijving van zes raadselboeken verschenen in Amsterdam (1595), Haarlem (1598), Deventer (1653), Alkmaar (1664) en Gent (1704 en 1779), waaruit hij telkens enkele raadsels citeert. [HM]

3506. – Anja HILL-ZENK, Woodcuts and popular literature: the English "Salomon and Marcolf" in the fifteenth and sixteenth centuries in William J. JONES, William A. KELLY & Frank SHAW (eds.), "Vir ingenio mirandus. Studies presented to John L. Flood. – Göppingen: Kümmerle Verlag, 2003, vol. II, p. 559-577, ill. – (Göppinger Arbeiten zur Germanistik, 710/2)
Het populaire verhaal over Koning Salomon en de heiden Saturnus (later Marcolphus) verscheen ook in het Engels, en wel voor het eerst bij Gerard Leeu te Antwerpen in 1492! Jan van Doesborch bracht het verhaal onder in zijn uitgave van Howleglass (STC² 10563), dat dan weer door William Copland in Londen werd herdrukt. [MdS]

3507. – Frédéric BARBIER (ed.), Le berceau du livre: autour des incunables. Etudes et essais offerts au professeur Pierrre Aquilon par ses élèves, ses collegues et ses amis in Revue française d'histoire du livre, 2003, 118-121, 472 p.
Een vijfentwintigtal artikelen, voornamelijk handelend over Franse incunabelen of bibliotheken. [ECI]

3508. – John GOLDFINCH, The international context of national bibliography in David J. SHAW (ed.), Books beyond frontiers: the need for international collaboration in national retrospective bibliography. Papers, Presented on 8 November 2002 at the Bibliopolis conference on "The future history of the book" hosted by the Koninklijke Bibliotheek, The Hague. – London: Consortium of European Research Libraries, 2003, p. 1-7.
Aan de hand van de ISTC en de ESTC illustreert Goldfinch de dekkingsgraad van nationale bibliografieën. Gemiddeld is zo'n tien procent van de productie buiten het betrokken land/taalgebied te vinden (Verenigd Koninkrijk, Italië, Duitsland), maar voor de Nederlanden loopt dat op tot een derde (met belangrijke unica tot in collecties zover als Rio de Janeiro bijvoorbeeld). Internationale samenwerkmg en samenvoeging van goede databanken zijn dus nodig om een goed overzicht te krijgen én een betere dekking. Instructief en inspirerend. [MdS]

3509. – Gerard VAN THIENEN, Papieronderzoek en de drukpers van de Broeders des gemenen levens in Brussel (1475-1485) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. I, p. 431-454.
In tegenstelling tot typen onderzoek is het papieronderzoek geen vast bestanddeel van de incunabulistiek. Dit onderzoek werd intens beoefend in de negentiende eeuw, tot Briquet kwam met Les filigranes (1907). Pas in de jaren '50 en '60 van de twintigste eeuw kwam er nog een heropleving van het papieronderzoek. Nochtans biedt het een methode om incunabels te dateren, vast te stellen of er cancels of verbeterbladen werden gebruikt, en of er verschillende persen aan het werk geweest zijn. VT illustreert dit uitgebreid en diepgaand aan de hand van één geval, namelijk de Casus breves van Johannes de Turnhout, gedrukt door de Broeders des gemenen levens van Brussel. Een methodologische must voor elkeen die incunabels diepgaand wil bestuderen. [JH]

3510. – Gerard VAN THIENEN, Papieronderzoek van de in de Nederlanden gedrukte incunabelen, zie http://www.kb.nl/watermark in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 31-46.
De Nederlandse watermerkdeskundige geeft een overzicht van en verdere bijzonderheden over het watermerkenbestand dat hij in 1989 heeft aangelegd en vijf jaar geleden op het internet werd gepresenteerd onder de naam "Watermarks in Incunabula printed in the Low Countries" (WILC). Exact een jaar geleden kon hij meer dan 4.300 elektronenradiografieën en 12.000 (van de 18.000) wrijfsels presenteren. VT publiceert meteen de (indrukwekkende) lijst van bezochte bibliotheken, van Amiens tot Zwickau. Voor dergelijke onderneming is behalve kennis, ook inzet en doorzettingsvermogen vereist. Over het doel van dit ambitieuze onderzoek heeft VT reeds meermaals gepubliceerd en hierover is in de Kroniek ook bericht. [ECI]

3511. – Pierre DUMON, À propos de la marque typographique de Arend de Keysere in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. I, p. 269-289.
De auteur gaat op zoek naar de oorsprong van het unieke, exotische drukkersmerk van Arend de Keysere, dat in negen belangrijke incunabelen van de drukker wordt gebruikt. De oosterse kunst blijkt duidelijk de inspiratiebron geweest te zijn. Het is echter niet uit te maken of de graveur zich voor het drukkersmerk geïnspireerd heeft op een motief uit de boekverluchting, uit een boekband of uit de zijdebewerking. De handel in goederen tussen Oost en West vanaf de kruistochten maakte het mogelijk dat Arabische motieven in het Westen circuleerden. [JH]

3512. – Elly COCKX-INDESTEGE, De buitenkant en de binnenkant. Een Leven van Jezus gedrukt door Gheraert Leeu in 1487 in Jan PAUWELS (ed.), Gheprint tAntwerpen ... , p. 33-45.
Tboeck vanden Leven Ons Heeren Jhesu Christi (Antwerpen, Gheraert Leeu 1487) vormt voor ECI de aanleiding om een aantal aspecten van (Antwerpse) incunabels te belichten: het drukken (met vooral aandacht voor de lettertypes en initialen), het illustreren (houtsneden) en de exemplaargebonden kenmerken die na het drukken van het boek werden aangebracht, zoals onder andere band en inkleuring. Tenslotte gaat ECI nog in op het leven en werk van Ludolphus de Saxonia en op de herdrukken van Tboeck bij Claes Leeu en Peter van Os. Een mooie inleiding voor elke beginnende boekhistoricus, waarin ervoor gepleit wordt om de plaats van Gheraert Leeu binnen de Antwerpse, en ruimer de Nederlandse, boekenwereld te herwaarderen. Ook vragen die elke boekhistoricus zich zal blijven stellen (oplage, relatie auteur-drukker-tekstbezorger), worden hier aan de orde gesteld. [JH]

3513. – Gilbert TOURNOY, Pietro Bonomo e il primo epitalamio stampato nei Paesi Bassi in Studi Umanistici Piceni (Sassoferrato) 23, 2003, p. 191-207.
Pietro Bonomo (Trieste 1458-1546) schreef een Neolatijns epithalamium voor het huwelijk van Maximiliaan I van Oostenrijk (en weduwnaar van Maria van Bourgondië) met Bianca Maria Sforza. De tekst werd ook gedrukt, en wel te Leuven bij Jan van Westfalen (ILC 454). Hij wordt meestal (in navolging van de Gesamtkatalog – GW 4918) gedateerd in "november 1493". T onderzocht de tekst van het gedicht (afgedrukt op p. 200-205), de context en de redenen waarom het juist in Leuven op de pers werd gelegd. Hij koppelt dat alles aan het verblijf van Maximiliaan in de Nederlanden in de zomer van 1494, met name aan diens bezoek aan Leuven op 9 september 1494, waar hij werd toegesproken door een andere Italiaanse humanist, Franciscus Cremensis. Allicht greep Bonomo de kans aan om zijn tekst meteen gedrukt te krijgen. [MdS]

3514. – Jos. M.M. HERMANS, Zwolse boeken voor een markt zonder grenzen 1477-1523. Met een Catalogus van de verschenen edities en gegevens over de bewaard gebleven exemplaren. – ’t Goy-Houten: Hes & De Graaf, 2004. – 312 p.: ill.; 28 cm. – ISBN 906194-299-3.
Exemplarische studie over de boekproductie in een bepaalde stad, Zwolle, met ruime historische achtergrond, met grote aandacht voor de technische en economische aspecten. 267 edities zijn beschreven en een veelvoud aan exemplaren met hun karakteristieken opgegeven (33 kolommen bibliotheken met boeknummers als huidige bewaarplaats !). [ECI]

3515. – Renaud ADAM, Les marques de provenance des incunables conservés à la Bibliothèque royale de Belgique: essai de synthèse in Archives et bibliotèques de Belgique / Archief- en bibliotheekwezen in België, 74, 2003, p. 219-275.
Het project waaraan de auteur een beperkt aantal jaren in de Koninklijke Bibliotheek van België heeft kunnen werken, handelde over de exemplaarkenmerken van de incunabelen, op het web (http://www.kbr.be) te consulteren onder de titel "Hic liber pertinet". Het vormt een lang gewenste aanvulling op de overigens uitstekende bibliografie van Polain. De incunabelen uitvoerig door Polain beschreven, zijn nu ook ontsloten op eigendomsmerken. Dit artikel wil een synthese bieden van de resultaten betreffende het gebruik van het gedrukte boek in de Zuidelijke Nederlanden tot omstreeks 1520, evenals van de verspreiding van de vroegste drukken tussen de zestiende en achttiende eeuw bij bibliofielen en in bibliotheken. Héél nuttig! [ECI]

3516. – Anneliese SCHMITT, "Historia" – anonyme erzählende Literatur im "Gesamtkatalog der Wiegendrucke" in William J. JONES, William A. KELLY & Frank SHAW (eds.), "Vir ingenio mirandus". Studies presented to John L. Flood. – Göppingen: Kümmerle Verlag, 2003, dl. II, p. 521-535. – (Göppinger Arbeiten zur Germanistik, 710/2)
Over de variëteit aan teksten die schuilgaan in de talloze incunabels met als anonieme titel "Historia", "Historie", enzovoort, waaronder natuurlijk ook Nederlandse werken. [MdS]

3517. – Robrecht LIEVENS, "Mellibeus" en zijn inkunabel in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. I, p. 355-397.
In de BSB München bevindt zich het unieke exemplaar van Een bouck van trooste ende van rade dat gheheeten is Mellibeus, een berijmde vertaling van het Liber consolationis van Albertanus van Brescia. Het boek werd gedrukt bij G. Bac in Antwerpen en werd in de negentiende eeuw uitgegeven door F.A. Snellaert. Op basis van tekstkritiek kan L stellen dat de incunabel een belangrijke bijdrage levert tot de tekst van de Mellibeus. [JH]

3518. – Gilbert HUYBENS, Liturgische zangboeken in Belgische bibliotheken. Bibliografie 1571-1904 in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 175-258.
Deze plat de résistance van de huldebundel voor ECI bevat een overzicht van de "indrukwekkende productie van liturgische zangboeken in onze gewesten", die zich in Belgische bibliotheken bevinden. Het vormt een deel van een grotere studie. Volgende boeken worden beschreven: antiphonale, manuale cantorum, responsoriale en vesperale, graduale romanum, psalterium romanum, processionale, alle liturgische zangboeken met overwegend gregoriaanse gezangen die door een koor worden uitgevoerd. Verder worden ook nog het directorium chori (= Cantorinus) en de Cantuale behandeld. Chronologisch werd het onderzoeksterrein afgebakend van 1571 tot 1904, geografisch wordt het beperkt tot het grondgebied van het huidige België. Er werden 43 bibliotheken onderzocht die samen 850 exemplaren opleverdan. In totaal gaat het om 231 titels (+ 14 die zich in buitenlandse bibliotheken bevinden), waaronder de processionales en de graduales meer dan de helft uitmaken. In de periode 1850-1900 werden de meeste titels gedrukt, 179 (+1), voor 1850 werden er gemiddeld tussen 20 en 40 titels per halve eeuw geproduceerd. In de chronologische lijst heeft H zo volledig mogelijk willen zijn: er werden dus ook titels opgenomen die zich met in België bevinden, zij komen dan ook niet meer in de eigenlijke bibliografie voor. De items in de bibliografie bevatten een (verkorte) titel, plaats, drukker/uitgever, jaar, colofon, formaat, collatie, inhoud, bibliografische referenties en exemplaren met plaatsnummer. Deze worden kort beschreven. Het artikel wordt afgesloten met verschillende lijsten en registers: lijst van niet-teruggevonden titels, concordanties met courante bibliografieën (BCNI, BT, Desmazières, De Theux, Goovaerts, PP en Vander Haeghen). Er zijn registers op vindplaatsen, drukkers/uitgevers en personen. Elke boekhistoricus, bibliograaf of antiquaar mag H dankbaar zijn dat van deze moeilijke en ondankbare materie een belangrijk eerste deel van bibliografie werd gemaakt. [JH]

3519. – Frans GISTELINCK & Luc KNAPEN, Early sixteenth century printed books 1501-1540 in the library of the Leuven Faculty of Theology: supplement Ten years of acquisitions 1994-2004. – Leuven / Dudley, MA: Bibliotheek Godgeleerdheid / Peeters, 2004. XVII, 123 p.: ill.; 33 cm. – ISBN 90-429-1542-0. – (Documenta libraria, 30).
Supplement op de in 1994 verschenen imposante catalogus van postincunabelen in deze bibliotheek (Zie Kroniek 20 nr. 2198). De recensent beëindigde toen zijn bespreking met de wens: "Dit smaakt naar nog ... ". Tien jaar later kunnen wij ons dus alweer laven aan een collectie nieuwelingen: 325 edities in 336 exemplaren! Een groot deel werd verworven van de minderbroeders te Gent, de jezuïeten te Heverlee en de montfortanen in Leuven. De namen van twee actoren achter de schermen verdienen genoemd te worden, Armand Vandeplas en Etienne D'hondt. De publicatie, in memoriam Maurits Sabbe (zie nr. 3462), viel samen met het afscheid van eerste auteur, die gelukkig in de tweede auteur een waardige opvolger krijgt. [ECI]

3520. – Hendrik D.L. VERVLIET, Goltzius' Grieks in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 167-169.
Aanvulling op V's Printing Types, waarin geen sprake was van Griekse lettertypes die in de Nederlanden waren ontstaan. V bespreekt in dit artikel kort de Griekse types die Goltzius gebruikt heeft. Een is Haultins Augustijn, één is er verwant met de Griekse types van Guyot, en één is waarschijnlijk gemaakt hetzij door Goltzius zelf, hetzij door Ameet Tavernier. Een argument voor deze laatste kan gevonden worden in een druk van de Londense drukker John Day die samenwerkte met Tavernier en die dezelfde niet elders voorkomende Griekse letter gebruikte. [JH]

3521. – Paul ARBLASTER, "Totius mundi emporium": Antwerp as a centre for vernacular Bible translations 1523-1545 in Arie-Jan GELDERBLOM, Jan L. DE JONG, Marc VAN VAECK (eds.), The Low Countries as a crossroads of religious beliefs. – Leiden / Boston: Brill, 2004, p. 9-31. – (Intersections. Yearbook for Early Modern Studies, 3/2003).
Helder synthese-artikel over de Europese rol van Antwerpen als drukkerscentrum voor bijbels in de volkstaal, zoals die uitvoerig werd beschreven in het boek bij de Antwerpse tentoonstelling "Het testament van Tyndale" in 2002 (Zie Kroniek 27 nr. 3343). [MdS]

3522. – Dennis E. RHODES, A printer from Antwerp in Spain. The career of Adrianus de Anversa in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 341-347.
Sinds de jaren '70 van de vijftiende eeuw zijn er drukkers uit de Nederlanden naar het zuiden getrokken. Italië had de grootste aantrekkingskracht, maar ook in Spanje zijn er Nederlandse drukkers aangekomen. Eén zo'n drukker is Adrianus de Anversa die tussen 1547 en 1567 in Estella (Navarra) 32 boeken drukte, en twee in Pamplona in 1568 en 1569. Nadien zijn we elk spoor van hem bijster. Hij drukte met het materiaal van Miguel de Eguia en werkte voor drukkers in Medina del Campo, Burgos, Zaragoza en Alcala de Henares. Meer weten we van hem niet. Aan het eind van het artikel bevindt zich een ST -lijst van de edities gedrukt in Estella. [JH]

3523. – August DEN HOLLANDER, "Dat Nieuwe Testament dwelck alle boecken te bouen gaet". Adriaen van Berghen, 1533 in Jan PAUWELS (ed.), Gheprint tAntwerpen ... , p. 46-62.
Na een korte situering van Antwerpen als internationaal drukkerscentrum in de eerste helft van de zestiende eeuw, met bijzondere aandacht voor de bijbels die er gedrukt werden, en een korte bibliografische notitie over Adriaan van Bergen, komt DH tot de kern van zijn betoog. Hij belicht de vermoedelijke/waarschijnlijke samenwerking tussen de Antwerpse drukkers van Bergen en Vorsterman aan de hand van het NT, gedrukt bij van Bergen in 533. De schakel tussen beide Antwerpse drukkers wordt gevormd door het NT, met adres Leiden, Peter Jansz 1532. Want wat blijkt: zowel voorwerk, tekst als nawerk zijn in beide edities tekstueel nauw met elkaar verwant. Maar er is meer: zowel gedeelten van het voorwerk, als van het nawerk sluiten ook typografisch bij elkaar aan. Het gaat hier om lettertypes en illustraties die door beide Antwerpse drukkers werden gebruikt, ook wanneer ze voor een Noord-Nederlandse uitgever werkten. Alle hypothesen kunnen echter pas bevestigd worden wanneer er een tweede exemplaar van het NT van 1533 gevonden wordt. Tenslotte stelt DH ook het beeld bij van de drukker Adriaan van Bergen. Sinds M.E. Kronenberg wordt hij gezien als een avonturier en een rebel. DH benadrukt de elementen die erop wijzen dat van Bergen toch voorzichtig te werk ging bij de boeken die onder zijn naam verschenen, en rekening hield met de strenge plakkaten die door keizer Karel werden uitgevaardigd. Het waren namelijk niet de boeken die van Bergen had gedrukt die hem de das hebben omgedaan, maar het bezit en de verkoop van verboden boeken, gedrukt door anderen. [JH]

3524. – Marie-Thérèse ISAAC, Les troubles religieux du XVIe siècle à la Bibliothèque de l’Université de Mons-Hainaut. Le témoignage des publications officielles de l'imprimeur bruxellois Michel van Hamont in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. Il, p. 273-290.
Aan de hand van achttien overheidspublicaties, gedrukt door Michiel van Hamont, vertelt I het verhaal van de opstand in de Nederlanden tussen 1566 en 1577. De ordonnanties, plakkaten, enzovoort die vermeld worden, bevinden zich allen in de UB Bergen (Henegouwen), plaatsnummers worden echter niet vermeld. Nochtans doet I aan het eind van het artikel een oproep om dit soort documenten meer te appreciëren. [JH]

3525. – W.F.W.M. VAN HEUGTEN, Vluchtelingendrukkerijen in Kleefsland. Een mennonitische vluchtelingendrukkerij in het Kleefse ambt Liemer in De Nederlanden Extra muros, 2004, 26, p. 49-58.
In de inventarislijst van de Utrechtse historicus en jurist Arnold van Buchell wordt expliciet vermeld dat een werk van Jacob Vallick pastoor te Groesen, met name Toveren wat dat voor een werck sij … werd gedrukt te Groessen bij Claes Biestkens. Van deze editie werd totnogtoe geen exemplaar teruggevonden. H vermeldt kort nog enige drukkers uit het Kleefsland (Wesel, Goch, Emmerik), maar iets nieuws ten opzichte van de artikelen van Valkema Blouw wordt niet meegedeeld. [JH]

3526. – Dirk IMHOF, Editions of classical authors published by Jan I Moretus (1589-1610) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. Il, p. 259-272.
Na de dood van Christoffel Plantijn, in 1589, evolueerde zijn officina in de loop van de zeventiende eeuw naar een gespecialiseerde drukkerij voor liturgische werken aan het eind van de eeuw. Onder leiding van Plantijns directe opvolger, Johannes I Moretus, werd de evolutie ingezet, meer onder dwang van de omstandigheden dan uit vrije wil. Toch werden er nog edities van klassieke auteurs gedrukt en I heeft deze onderzocht. Hij weet drie groepen te onderscheiden: schoolboeken, heruitgaven en vermeerderde uitgaven van Plantijnedities, en nieuwe edities. Wat de schoolboeken betreft, deze werden vooral tussen 1589 en 1594 in zo'n grote oplage gedrukt, dat er nog in 1615 exemplaren voorhanden waren. Tot de nieuwe edities behoren de Statius- en Boethius-editie van Johannes Bernartius, de Horatius-editie van Laevinus Torrentius en de Seneca-editie van Lipsius. Aan het eind van het artikel werd een lijst opgenomen van de klassieke auteurs die door Johannes Moretus werden gedrukt. [JH]

3527. – Leon VOET, Een 16de-eeuws drukker-uitgever op zoek naar de gunsten van de machtigen der aarde. Christoffel Plantijn als auteur van opdrachten in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 407-424.
V onderzoekt in dit artikel de dedicaties van de hand van Christoffel Plantijn, die verschenen in 49 publicaties. Het gaat om 37 personen en instellingen die door de drukker werden gehuldigd. Alle dedicaties werden niet alleen in de editio princeps opgenomen, maar ook in de herdrukken, een uitzondering niet te na gesproken. Zowel uit de chronologie van de dedicaties, als uit de keuze van de gededicasseerden, blijkt dat het er Plantijn om te doen was goodwill te scheppen. In de twee periodes die voor Plantijn penibel waren, namelijk 1566-1568 en 1585-1589, werden bijna evenveel dedicaties gepubliceerd (respectievelijk dertien en tien), als in de rest van zijn carrière. Wat de keuze van de gededicasseerden betreft gaat het in eerste instantie om de Spaanse overheden (Filips II, gouverneurs-generaal in de Nederlanden en hovelingen) en lokale personaliteiten, waarvan Plantijn hulp verwachtte. De keuze van de gededicasseerden was zeer doordacht. Slechts tweemaal heeft Plantijn een fout gemaakt, namelijk door een werk op te dragen aan de Antwerpse burgemeester Jan van Stralen, die later door Alva werd onthoofd op beschuldiging van "lutherije", en aan aartshertog Matthias, tegenpretendent van de Spaanse koning in de Nederlanden. Plantijn wist zich echter steeds te verdedigen door te verwijzen naar de omstandigheden, die hem tot die vreemde keuze hadden gedwongen. Niet alleen de keuze van gededicasseerden was doordacht, maar ook de tekst van de opdracht: dikwijls liet Plantijn de tekst nalezen en corrigeren door bevriende humanisten. [JH]

3528. – Max ROOSES, Hoe de woordenboeken van Plantijn en Kilianus tot stand kwamen in Jan PAUWELS (ed.), Gheprint tAntwerpen ... , p. 63-76.
Herdruk van een artikel van R dat reeds in Nederlandsch Museum van 1880 is verschenen. Centraal staat de zoektocht naar vier personen die Plantijn in zijn inleiding tot de Thesaurus Theutonicae linguae anoniem vermeld. Rooses wist dankzij het Plantijns archief te ontdekken dat het ging om Cornelis van Kiel (Kilianus), Andries Madoets, Quinten Steenhartsius en een medewerker genaamd Augustin. Ook de latere uitgaven van de Thesaurus worden besproken. In dit oud artikel duikt er één element op dat zeker het vermelden waard is: uit Plantijns aanvraag voor een privilegie blijkt dat hij niet zo overtuigd is van de loyauteit van zijn medewerkers/correctoren in casu Kilianus. Zijn er van een dergelijk wantrouwen bij Plantijn of andere drukkers nog getuigenissen te vinden? [JH]

3529. – Chris COPPENS, Plantijns fondscatalogus uit 1572 in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 83-123.
Na de editie van de Plantijnse fondscatalogus uit 1567 (Zie Kroniek 15 nr. 1387) verzorgt de auteur nu de uitgave van de catalogus van 1572, op basis van het unieke, weliswaar onvolledige, exemplaar uit de Koninklijke Bibliotheek van België. De uitgave vermeldt de 302 nummers van catalogus met bibliografische verwijzingen en verwijzingen naar de fondscatalogus van 1570. Aangezien blad B1 ontbreekt, schat de auteur het totale aantal titels een twintigtal hoger. Het artikel wordt afgesloten met een concordantietafel naar PP en BT (voor de edities die niet door Plantijn werden gedrukt) en een register. In de inleiding wordt dieper ingegaan op de herkomst van het exemplaar; ook wordt een lijst opgegeven van gekende exemplaren van de Plantijnse fondscatalogi (stand begin 2004). In een noot op p. 89 kan de auteur aankondigen dat hij na de laatste proef een volledig exemplaar heeft gevonden: hij hoopt de aanvullingen spoedig te publiceren. [JH]

3530. – R. BREUGELMANS, Een onbekend Cicero-uitgaafje van F. Raphelengius in het bezit van Arnoldus Buchellius. Met een opmerking over Leidse colleges en studieboeken voor 1587 in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 67-71.
Delen II en III van de Plantijnse Cicero-editie van 1584-1585 (PP 963) werden, in tegenstelling tot de vermelding op de titelpagina met in Antwerpen, maar in Leiden gedrukt. Dit wordt bevestigd door de Cicero-uitgave van de Oratio ad Pisonem, gedrukt in 1586 te Leiden bij Franciscus Raphelengius. Dit is een overdruk (!), misschien wel de vroegste, uit band drie van de eerder vermelde Cicero-uitgave, die zich in de bibliotheek van Arnoldus Buchellius bevond. Misschien was dit wel een schoolboek dat aan de Leidse universiteit werd gebruikt. [JH]

3531. – Dieuwke E. VAN DER POEL (ed.), Dirk GEIRNAERT, Hermina JOLDERSMA, Johan OOSTERMAN & Louis Peter GRIJP Het Antwerps Liedboek. – Tielt: Lannoo, 2004. – 2 dl. (492, 593 p.): 111., muz.; 25 cm. – ISBN 90-209-5523-3. – (Deltareeks).
Uitvoerig geannoteerde editie van Een schoon liedekensboek (...) , dat in 1544 te Antwerpen bij Jan Roulans (Roelants) verscheen en na groot commercieel succes om inhoudelijke redenen verboden werd. Het uniek bewaarde exemplaar werd in de negentrende eeuw als "236.5 Poetica" in de Herzog August Bibliothek te Wolfenbüttel herontdekt en geniet sindsdien als "Antwerps liedboek" van een ongeëvenaarde status als grootste verzamelbundel van wereldlijke Nederlandse liederen uit de late Middeleeuwen. Het "Nawoord" van de moderne editie besteedt ook enige aandacht aan de boekhistorische aspecten van de bundel (dl. 2, p. 25), met ondermeer een afbeelding van twee fragmenten van latere, niet (volledig) bewaarde drukken. [MdS] .

3532. – Ralph DEKONINCK, Imagines peregrinantes. The international genesis and fate of two biblical picture books (Barrefelt and Nadal) conceived tn Antwerp at the end of the sixteenth century in Arie-Jan GELDERBLOM, Jan L. DE JONG, Marc VAN VAECK (eds.), The Low Countries as a crossroads of religieus beliefs. – Leiden / Boston: Brill, 2004, p. 49-64. – (Intersections. Yearbook for Early Modern Studies, 3/2003).
Vergelijking van de verspreiding van de bijbelse prentenbundels Imagines et figurae Bibliorum van Hendrik Jansen van Barrefelt (Huis der Liefde) en Evangelicae historiae imagines van de jezuïet Jeronimo Nadal (Natalis), beide begonnen in de officina Plantiniana maar eindigend in gescheiden religieuze circuits (Zie Kroniek 25 nr. 2997). D pleit ervoor om meer rekening te houden met de gemeenschappelijke Plantijnse oorsprong. [MdS]

3533. – Karen Lee BOWEN & Dirk IMHOF, Reputation and wage: the case of engravers who worked for the Plantin-Moretus Press in Simiolus, 2004, p. 161-195.
B en I hebben de evolutie van de lonen van de graveurs die voor Plantijn en de Moretussen werkten in de periode 1569-1616 bestudeerd. Ze hebben zich vooral afgevraagd door welke factoren deze lonen bepaald werden. Op basis van een aantal procjecten, waarover voldoende documenten in het Plantijnse archief te vinden zijn kwamen ze tot volgende bevindingen. Algemeen kan worden aangenomen dat de lonen van de graveurs op een individuele basis werden toegekend en onderling ruim kon variëren. Uit een brief van Balthasar Moretus aan Petrus Pantinus blijkt dat de tijd die nodig was om een gravure te voltooien en de vaardigheid die nodig was om dit te doen, een belangrijke rol speelden. Ten tijde van Plantijn, toen de houtsnede zijn bevoorrechte plaats aan het verliezen was aan de kopergravure, blijkt de houtsnijder, in casu Antoon van Leest, zeker niet onderbetaald werd. Wel integendeel. Deze situatie is ten tijde van de Moretussen verdwenen. Jan Claes, houtsnijder, wordt veel minder betaald dan het atelier van Theodoor Galle, dat de kopergravures leverde. Er is ook nog Hieronymus Wiericx. Deze graveur, die toen hij voor Plantijn werkte het minst werd betaald, had op het einde van zijn leven zo'n reputatie verworven dat hij evenveel verdiende voor een koperplaat als een geschoolde metselaar die 50 dagen had gewerkt. Tenslotte merken B en I op dat het Balthasar Moretus, de winst- en prijsbewuste drukker/uitgever/manager, was die de boekillustraties in het atelier van Galle liet vervaardigen door anonieme kunstenaars. Zij signeerden hun werk niet, en zo werden de kosten gedrukt. Het artikel wordt afgesloten met twee tabellen waarin de lonen van verschillende kunstenaars worden vergeleken. [JH]

3534. – Pierre COCKSHAW, Olivier Vredius, Sigilla Comitum Flandriae. Problèmes de gravures que posent les éditions latine, néerlandaise et française de l'oeuvre in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 73-82.
De analytische bibliografie is geen exclusief terrein voor de teksteditie. Ook voor boeken met afbeeldingen is dezelfde methode noodzakelijk. Dit bewijst het artikel van C, waarin de Latijnse, Nederlandse en Franse edities van de Sigilla Comitum Flandriae van Vredius worden bestudeerd. Niet alleen de gravures in de verschillende edities verschillen, maar ook exemplaren van dezelfde editie verschillen onderling wat de afbeeldingen betreft. C onderzocht vijftien exemplaren van de Latijnse editie, zes van de Nederlandse en zeven van de Franse. Binnen de Latijnse edities onderscheidt C vijf staten: soms blijft het onderscheid beperkt tot kleine wijzigingen, maar soms werden er ook nieuwe gravures aan toegevoegd. Hetzelfde gebeurde ook in de Nederlandse en Franse edities, waar respectievelijk drie en vier staten te onderscheiden zijn. C besluit met de raad dat historici bij raadpleging van oude drukken met alleen naar de editie moeten verwijzen, maar ook naar het exemplaar. [JH]

3535. – René PLISNIER, Les reliures armoriées sur des livres du XVIe siècle conservés à Mons dans le fonds Puissant in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. III, p. 139-148.
Kanunnik Edmond Puissant heeft aan de stad Bergen (Henegouwen). onder andere zijn rijke bibliotheek nagelaten. De omvang van de bibliotbeek wordt geschat op 4 à 5.000 gedrukte boeken en 2.000 manuscripten. P bespreekt tien wapenbanden die zich rond evenveel zestiende-eeuwse drukken bevinden. De banden zijn afkomstig uit het bezit van onder andere de keurvorst August van Saksen, Jacob van Pamele, François de Mamez, kanunnik van St-Martinus van Ieper, Louis-Henri de Loménie de Brienne, Jérome-Albert Reynbouts, Laurent Reyngodt, Gislain Levesques, abt van St-Gislain, Louis-Prosper, hertog van Arenberg, de stad Luik en de abdij van Lobbes. Van elk van de banden wordt een korte beschrijving gegeven, het boek dat erin gevat zit, de herkomst en een korte biografische notitie omtrent de bezitter. Ook zijn er enkele bibliografische verwijzingen. [JH]

3536. – Karel MANNAERTS, De bibliotheek van Hendrik Ghijsbrechts (+ 1501) in P. DE WIN (ed.), Wijsheid in bescheidenheid. Miscellanea Mechliniensia in honorem Aloysii Jans. – Mechelen, 2002, p. 217-38. [= Handelingen van de koninklijke kring voor oudheidkunde, letteren en kunst van Mechelen, 2002, 106]
Hendrik Ghijsbrechts, plebaan van Sint-Rombouts te Mechelen kanunnik van Sint-Gummarus te Lier, van Sint-Jan in Den Bosch en van O.L.V. in Kamerijk, en aartsdiaken van het district Brussel bezat een bibliotheek waarvan de inventaris en de verkoopslijst is bewaard gebleven. De inventaris, vier pagina's lang, bevat 72 nummers met de vermelding van de auteur (soms) en de titel. Ook wordt er gezegd of het boek gedrukt is, of het gebonden is en de wijze waarop. M situeert kort de auteurs en verwijst meestal naar een incunabelcatalogus om te vermelden hoeveel drukken er vóór 1500 van het werk zijn verschenen. In de verkoopslijst worden nog eens 42 boeken vermeld, die niet in de catalogus werden opgenomen. Van de 72 boeken uit de inventaris bevinden er zich 52 in de verkoopslijst. Interessant aan deze lijst is dat de kopers worden vermeld. Van de 30 namen die leesbaar zijn (twee zijn dat niet) behoorden er 22 tot de clerus. Ook de prijzen worden vermeld: in totaal bracht de verkoop 24 pond, 11 schellingen, 10 penningen en 21 mijten op. Uit de noten over de kopers bij het artikel blijkt dat er in het archief van de Zestig Gebroeders in het aartsbisschoppelijk Archief te Mechelen nog een aantal (boek)prijzen te vinden zijn. Een interessant document dat, jammer genoeg, niet volgens de regels van de kunst werd gepubliceerd. Toch goed dat M dit stuk onder de aandacht heeft gebracht. [JH]

3537. – Gilbert TOURNOY, La cultura umanistica dei Paesi Bassi riflessa nella biblioteca del canonico di Anversa Guglielmo Heda in Luisa Secchi TARUGI (ed.), L'Europa del libro nell' età dell' umanesimo. Atti del XIV Convegno Internazionale [Chianciano, Firenze, Pienza 16-19 luglio 2002). – Firenze: Franco Cesati, 2004, p. 127-135.
Korte verkenning van de bibliotheek van de Antwerpse kanunnik Willem Heda (+ 1525). Met zijn ruim 400 titels was dit allicht de grootste privécollectie in de Nederlanden, vergelijkbaar met die van Erasmus. Het was op de veiling van Heda's boeken dat Pieter Gillis een aantal Griekse en Hebreeuwse titels kocht (Zie nr. 3322). Noot 9 (p. 131) voegt nog een titel toe aan de lijst van Gillis' boeken: Abbreviatio super Decades Blondi van Pius II (thans Bayerische Staatsbibliothek München, 2° Inc.c.1014). Dat lijkt echter een vergissing te zijn: Gillis' exemplaar van de Abbreviatio is door R. Adam geïdentificeerd in de Koninklijke Bibliotheek van België (lnc. B 916)! Het geciteerde exemplaar in München is afkomstig van Hartmann Schedel. [MdS]

3538. – Christian COPPENS, Provenances: files and profiles in Wolfenbütteler Notizen zur Buchgeschichte, 29, 2004, p. 61-82, ill.
De auteur herneemt eerdere studies over Dominicus Wagemakers en Jan de Hondt, beiden in de kring van de humanisten te situeren, omdat het mooie voorbeelden zijn die belang en methode van onderzoek inzake herkomst en geschiedenis van een boek (een exemplaar), casu quo een bibliotheek kunnen illustreren waardoor een reconstructie van die bibliotheek tot op zekere hoogte virtueel mogelijk wordt. [ECI]

3539. – José Luis GONZALO SÁNCHEZ-MOLERO, La biblioteca de Maria de Hungria en España: corte, humanismo e Inquisición in Ana Crespo SOLANA & Manuel Herrero SÁNCHEZ (coord.), España y las 17 Provincias de los Países Bajos. Una revisión historiográfica (XVI-XVIII). – Cordoba: Universidad de Córdoba, 2002, p. 731-765.
De bibliotheek van Maria van Hongarije (1505-1558), wellicht de meest intellectuele vorstin uit de geschiedenis der Nederlanden is ondermeer bestudeerd door Claudine Lemaire (Zie Kroniek 19 nr. 2037 & Kroniek 22 nr. 2505). G S-M onderzocht wat er overbleef van de bibliotheek die ze tijdens haar laatste levensjaren in Spanje bezat – en dat in het ruimer kader van een studie van de Spaanse koninklijke bibliotheken in de zestiende eeuw. Niet verwonderlijk dat de Spaanse Inquisitie een meer dan gewone interesse aan de dag legde voor wie en wat zij uit de Nederlanden had meegebracht: boeken waren bovenal verdacht. [MdS]

3540. – Hanno WIJSMAN, De bibliotheek van het kasteel van Hoogstraten in 1548 en het adellijk boekenbezit in de Bourgondische Nederlanden in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen, 11, 2003, p. 77-95.
De boedellijst van de heer van het kasteel Hoogstraten uit 1548, uitgegeven in 1972, bevat een inventaris van 385 boektitels. Aan da hand hiervan geeft de auteur een beeld van wat in een vijftiende- en vroeg zestiende-eeuwse Bourgondische bibliotheek zoal aanwezig was. De heren van Lalaing die het kasteel bewoond hebben, behoren immers tot de grote "Bourgondische familie". [ECI]

3541. – Jeanine DE LANDTSHEER & Marcus DE SCHEPPER, De boeken van Justus Lipsius: wegen naar een reconstructie van zijn bibliotheek in Pierre DELSAERDT & Koen DE VLIEGER-DE WILDE (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen ... , p. 69-78.
Van de bibliotheek van Lipsius worden drie post mortem catalogi/lijsten bewaard: een catalogus van boeken gelegateerd aan zijn achterneef Willem de Greve, een veilingcatalogus van 1722, waarin niet alleen de boeken uit het bezit van Alexandre Petau en François Mansart vermeld staan, maar ook de handschriften van Lipsius die zich eerder bij de Huygens-familie bevonden, met name het Musaeum Lipsianum, en ten derde de lijst van aankopen die de Leidse hoogleraar en toekomstige bibliothecaris Burmannus deed tijdens die veiling. De auteurs beloven een driedelige publicatie over de bibliotheek van Lipsius, waarin behalve een editie van de catalogi/lijsten, ook het eigenlijke boekenbezit van de humanist gereconstrueerd wordt aan de hand van bewaarde exemplaren (onder andere SJ-collectie in Leuven, waaraan Lipsius een deel van zijn bibliotheek heeft geschonken), zijn brieven en zijn werken. [JH]

3542. – Gedeon BORSA, Druckwerke des 16. Jahrhunderts aus den Niederlanden in der Österreichischen Nationalbibliothek in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p.19-47.
De ÖNB behoort voor wat het incunabelbezit betreft tot de vijf grootste bibliotheken van de wereld. Voor de zestiende eeuw bezit zij 42 à 44.000 bibliografische eenheden. B heeft voor dit artikel onderzoek gedaan naar de boeken gedrukt in de Nederlanden. Het betreft hier niet meer dan 2.000 drukken, waarvan er 180 gedrukt werden voor 1541, van de andere werden er 260 gedrukt in het huidige Nederland, de rest in het huidige België. In het vervolg van het artikel vergelijkt B het bezit met de gangbare bibliografieën zoals NK, PP en Peeters-Fontainas, en de catalogi BT en Adams. Hij komt tot volgende vaststellingen: zes drukken uit de ÖNB komen niet voor in NK, drie zijn niet te identificeren met een PP-nummer en er is één editie die niet in Peeters-Fontainas voorkomt. Elk van de titelpagina's van deze edities worden bij het artikel afgebeeld. 39 andere edities bevinden zich niet in Adams, BT, BB, NUC, Paris BN, RISM, STC en IA (enkel tot D). Van alle 49 unica wordt een STC-beschrijving gegeven, met opgave van de paginering/foliëring en het plaatsnummer in de ÖNB. Behalve deze drukken zijn er ook nog een aantal onbekende varianten te voorschijn gekomen. Dankzij dit artikel staat de deur van de ÖNB een heel stuk verder open voor de Belgische boekhistoricus. [JH]

3543. – Jeanine DE LANDTSHEER & Marcus DE SCHEPPER, De bibliotheek van Laevinus Torrentius, tweede bisschop van Antwerpen (1525-1595) in De Gulden Passer, 82, 2004, p. 7-87.
Wat in Kroniek 27 nr. 3324 werd beloofd, is hier gepresenteerd: een gedegen editie met inleiding van de bibliotheekcatalogus van de Antwerpse bisschop en humanist Laevinus Torrentius. De catalogus is een lijst van auteurs en titels die aanwezig waren in de bibliotheek. In tegenstelling tot de post mortem catalogus van Lipsius (zie nr. 3541) is deze catalogus niet opgemaakt door iemand uit het boekenvak, want de gegevens zijn summier: auteur en titel (bij antieke auteurs editor of commentator), formaat en beschrijving van de band (rood of zwart leder, of perkament). De catalogus werd opgedeeld in twee delen: de gedrukte boeken en de handschriften, waaronder ook de geannoteerde boeken werden gerekend. In totaal bevatte het gedeelte gedrukte boeken 1.724 titels of 1.602 banden (in de conclusie staat ongeveer 1.732 titels en circa 1.611 banden), men moet namelijk rekening houden met meerdelige werken en convoluten. Ongeveer een kwart van de boeken had betrekking op religie, daarna volgen taal en literatuur, geschiedenis, filosofie en wetenschappen, en recht. Onder de ongeveer 50 handschriften bevonden zich religie, geschiedenis, geneeskunde en literatuur (Terentius, Horatius en Silius Italicus). De editie van de catalogus is een diplomatische transcriptie, zonder verwijzing naar de courante bibliografieën ter identificatie. Wel wordt er verwezen naar exemplaren die zich eertijds in de bibliotheek van Torrentius bevonden. De catalogus van de bibliotheek van de Antwerpse prelaat wordt toegankelijk gemaakt met een namenindex. Een waardevolle studie die ons laat zien wat een zestiende-eeuwse humanist in zijn boekenkast had staan. [JH]

3544. – Benito ARIAS MONTANO, Correspondencia conservada en el Museo Plantin-Moretus de Amberes. Ed. Antonio DÁVILA PÉREZ. – Alcañiz / Madrid: Instituto de Estudios Humanisticos / Ediciones del Laberinto, 2002. – 2 dl.: CXXIII, 967 p.: ill.; 24 cm. – ISBN 84-8483-079-9. – (Palmyrenus. Collección de Textos y Estudios Humanisticos, III.1-2).
De Spaanse theoloog en Neolatijns auteur Benito Arias Montano (1527-1598) is vooral bekend omwille van zijn aandeel in de totstandkoming van Christoffel Plantijns monumentale Biblia Regia (1568-1573). Hij werd door Filips II naar Antwerpen gestuurd om toezicht te houden op de inhoud en het drukken van de nieuwe Polyglotbijbel, die bestemd was om de onvindbaar geworden en sterk verouderde Biblia Complutensis van Alcalá de Henares (1514-1517) te vervangen. Elk vel van de nieuwe Bijbel moest door hem worden nagelezen en goedgekeurd. Daarbovenop voerde hij nog andere boekentaken uit: hij redigeerde voor de hertog van Alva de Index van verboden boeken en kocht handschriften en drukken voor de bibliotheek van het Escoriaal. Vanaf 1571 superviseerde hij tevens (het drukken van) de boeken van de "nuevo rezado" (brevieren, missalen, diurnalen en getijdenboeken waarvan Plantijn het monopolie had verworven voor Spanje en de Nieuwe Wereld). Uiteraard is de uitvoerige briefwisseling van Benito Arias Montano een belangrijke bron, niet alleen voor diens biografie, maar ook voor die van zijn correspondenten en voor de (boek)geschiedenis van de Nederlanden en Spanje in de zestiende eeuw. De omvang van het materiaal is nog steeds indrukwekkend (zie DP, "El epistolario de Benito Arias Montano. Catálogo provisional", De Gulden Passer, 80, 2002, p. 63-129). Het is de grote verdienste van DP dat hij de hele verzameling van het Museum Plantin-Moretus in één editie heeft bijeengebracht. En dat is niet zonder moeilijkheden verlopen: de (on)leesbaarheid van de kladjes van Jan Moretus was er allicht oorzaak van dat die nog niet eerder waren uitgegeven. Gelukkig beschikken we nu over een kritische editie (mét Spaanse vertaling) van het hele Antwerpse corpus. Na de uitvoerige inleiding (CXXIII pagina's) over Arias Montano en Antwerpen, met ook aandacht voor de drukgeschiedenis van diens talrijke werken, volgt de kritische editie, met integrale Spaanse vertaling, van 149 documenten (van 14 februari 1568 tot 22 juni 1598; p. 1-865!). Daarop sluiten bijlagen aan met documenten over Montano, over diens financiële en andere zakelijke transacties, en een overzicht van de correspondentie. Een uitvoerig namenregister ontsluit deze schatkamer. Kortom: een editie die onze grote bewondering ten volle verdient. Wie de facsimiles op p. LXXXIII-CX vergelijkt met de teksteditie verderop kan alleen maar waardering opbrengen over de filologische prestatie van de jonge tekstbezorger. Deze editie hoort thuis in elke wetenschappelijke bibliotheek die zich richt op de geschiedenis van de Nederlanden, van Spanje, van het intellectuele en religieuze leven in Europa, en natuurlijk ook van het gedrukte boek. A fortiori geldt dit voor al wie zich uit wetenschappelijke of bibliofiele belangstelling bezig houdt met Plantijn en de Moretussen. [MdS]

3545. – Elizabeth Morley INGRAM, Dressed in borrowed robes: the making and marketing of the Louvain Bible (1578) in R.N. SWANSON (ed.), The Church and the Book. Papers read at the 2000 Summer meeting and the 2001 Winter meeting of the Ecclesiastical History Society. – Woodbridge & Rochester (N.Y.): The Boydell Press, 2004, p. 212-221. – (Studies in church history, 38).
Boeiend verhaal over een protestantse Franse bijbelvertaling (uit Geneve) die door de Parijse theoloog René Benoist (biechtvader van Mary Stuart en Hendrik IV) werd "omgebouwd" voor katholieke lezers. Dat gebeurde nogal slordig en leidde tot hevige conflicten met collega's-theologen. De handige zakenman Plantin zag natuurlijk (ook) het gat in de markt, maakte zich meester van Benoists versie en bracht die – mét koninklijk privilegie en aanbevelingen van Leuvense theologen – op de markt zonder de naam van de betwiste Franse tekstbezorger te vermelden. Die Bible de Louvain bleef tot het einde van de zeventiende eeuw de standaardvertaling voor Frans(talig)e katholieken en beleefde meer dan twintig edities. " ... they wanted a Bible in their own language like their Protestant neighbours. Plantin made this possible by dressing Benoist’s Geneva-based text in a robe of Louvain-based orthodoxy. Perhaps because these Bibles borrowed the robes of both Geneva and Rome, they were particularly well dressed for success" (p. 221). Overigens is de hele bundel (van het Concilie van Nicea tot Pius XII) aanbevolen lectuur: kerk(en) en boek(en) domineren de boekgeschiedenis in ruime mate. [MdS]

3546. – Alexandre VANAUTGAERDEN, Érasme "nègre'": l'Encomium medicinae. Histoire d'un texte et de ses éditions conservées à Bruxelles, dans la bibliothèque royale de Belgique et au musée de la Maison d’Erasme in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 379-405.
V. beschrijft eerst de perikelen rondom de dedicatie in een bescheiden werk van Erasmus, met name Encomium medicinae. Na een kort overzicht van de edities van het werk tot 1529, het jaar van de laatste redactie van de humanist wordt de typografie vergeleken van de vijf edities die zich in het Erasmushuis te Anderlecht bevinden. Een lijst van alle edities tot 1529 sluit het artikel af. Tenslotte wijst V erop dat de fondsen van de Koninklijke Bibliotheek en het Erasmushuis elkaar bijzonder goed aanvullen. Als bewijs hiervan: beide bibliotheken bezitten samen 13 van de 16 edities van het Encomium, die gedrukt werden voor 1529. [JH]

3547. – ANDREW PETTEGREE, France and the Netherlands: The Interlocking of Two Religious Cultures in Print during the Era of the Religious Wars in Dutch Review of Church History – Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 2004, 84, p. 318-37.
P onderzoekt de relatie tussen de gebeurtenissen en de publicaties in Frankrijk en die in de Nederlanden in de zestiende eeuw. Een opmerkelijk werk is de Bouclier de la Foi van Nicole Grenier, dat zowel in de oorspronkelijke taal als in een vertaling van Nicolaas Zegers werd gepubliceerd. Ook de werken van Gentian Hervet werden bestsellers. Behalve theologische werken werden verslagen van de gebeurtenissen in de Nederlanden in Frankrijk gedrukt, en omgekeerd (bijvoorbeeld de dood van Karel V, het proces en de executie van de Franse protestantse magistraat Anne de Bourg). Later konden de Franse katholieken steun vinden bij het optreden van Alva in de Nederlanden. Ook de Pacificatie van Gent kon in Frankrijk op een levendige interesse rekenen. Belangrijk is dus dat er in beide landen reeds news communities bestonden, lang voor de koffiehuizen en de wijdverspreide kranten van de zeventiende eeuw. [JH]

3548. – Ton CROISET VAN UCHELEN, Jodocus Hondius' Theatrum artis scribendi. Een nieuwe beschouwing in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. I, p. 457-490.
Van het Theatrum artis scribendi van Jodocus Hondius zijn er twee verschillende edities op de markt gekomen, en een groot aantal verschillende issues. De eerste editie werd gepubliceerd door Hondius zelf, in Amsterdam in 1594. Deze editie werd ook verkocht in de Leidse Officina Plantiniana. De platen van het boek, een gegraveerde titelpagina en 42 voorbeelden van specimens van verschillende schriften door elf verschillende schrijfmeesters, werden nadien aangekocht door de Cornelis Claesz uit Amsterdam, die exemplaren met alle platen uit de eerste editie verkocht, maar zonder het typografisch – inleidende – gedeelte. In 1614 werd een tweede editie uitgegeven door de schoonzoon van Jodocus Hondius, namelijk Johannes Janssonius. Belangrijk voor het onderscheid van de verschillende issues zijn de cartouches, soms in koper, soms in hout gegraveerd. De auteur besluit zijn artikel met een beschrijving van de verschillende bladen uit de eerste editie. [JH]

3549. – Johan GERRITSEN, Emblemata Junii 1565 in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 149-159.
Een bijzonder complex verhaal, op basis van het Werkliedenboek, het Dagboek en het Grootboek in het Plantijnse Archief, over het drukken, opnieuw zetten en drukken van één vel, namelijk D, uit de Emblemata van H. Junius uit 1565. [JH]

3550. – Paul BOCKSTAELE, Meester Thomas Montis en de zondvloed voorspeld voor het jaar 1524 in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 3-18.
Op basis van de astrologie werd voorspeld dat de wereld in 1524 getroffen zou worden door een grote zondvloed, aangezien er zich in dat jaar een conjunctie zou voordoen van Saturnus en Jupiter in het teken van de vissen. In 1521 werd in Leuven, aan de schola artis, een dispuut georganiseerd over de invloed van de buitenplaneten. De behandeling van het onderwerp werd toevertrouwd aan meester Thomas Montis, die zijn antwoord liet drukken bij Adriaan van Bergen in 1522 (BB M-377, NK 1537). Het artikel van B gaat in op de argumentatie van Montis. Een kritiek op het boek van Montis werd kort na de publicatie geschreven door Damianus Ferranus de Fenaco die zijn werkje publiceerde bij Simon Cock en Gerard Claes (= Nicolaus) in Antwerpen (NK 0509). [JH]

3551. – Werner.WATERSCHOOT, Rond een convoluut van Jonker Jan van der Noot in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 425-436.
Het convoluut, met onder andere een aantal werken van Jonker Jan van der Noot, dat zich eertijds in het bezit van Baron van Bogaert bevond, en dat samen met zijn "gewone" bibliotheek, brieven en handschriften, en met 1.600 andere zeldzame drukken aan de KB werd geschonken, is voor W aanleiding om op zoek te gaan naar de oorspronkelijke geadresseerde van het exemplaar van de Poeticsche Werken. Van der Noot had namelijk de gewoonte om exemplaren van zijn werken samen te stellen op maat en naam de geadresseerde. Na een analytisch onderzoek van een aantal exemplaren van de werken van van der Noot, en van het van Bogaert exemplaar, komt W tot de conclusie dat het exemplaar bestemd was voor Edward de Castro. [JH]

3552. – Bob DE GRAAF, Joachim Fortius Ringelberg (c. 1499-c. 1531). Aanzet tot een STC van zijn gedrukte werken in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 125-148.
Short-Title lijst van de werken van de Antwerpse humanist Joachim Fortius Ringelberg, ingeleid door een korte beschrijving van de methodologie. In de lijst worden volgende elementen opgegeven: verkorte titel, adres, formaat, exemplaren, bibliografische referenties en soms een korte noot. Enkel die drukken waarvan een exemplaar bekend is, werden opgenomen. Aan de lijst met 68 nummers werd een geografische noch een chronologische beperking opgelegd: het gaat om edities gedrukt tussen 1528 en 1847 in Antwerpen, Parijs, Leiden, Londen, Saros-Patakon (Hongarije), enzovoort. Een goed startpunt voor wie zich het lot van deze vroeghumanist wil aantrekken. [JH]

3553. – HERBERT MIGSCH, Die Jeremia-übersetzung in der Ruremundebibel (1525): Eine nach der Complutenser Vulgata und der eersten Rabbinerbibel revidierte Übersetzung aus der Delfter Bibel (1477) in Dutch Review of Church History – Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 2004, 84, p. 126-148.
De Ruremondbijbel (OT), in-16°, uit 1525, bestaat uit vier delen die afzonderlijk werden gedrukt. Enkel het eerste deel, met de Pentateuch, en een gedeelte van het tweede deel (Psalter), waren een vertaling van Luthers vertaling (respectievelijk 1523 en september 1524), terwijl de rest van het tweede deel en het boek Daniël in het vierde deel vertaald werd naar de Vulgata, meer in het bijzonder naar de Complutense bijbel (Alcala). Delen drie en vier (zonder het boek Daniël), zijn op enkele afwijkingen na, verwant met de Delftse bijbel van 1477, maar werden overzien met de Complutense bij de hand: vandaar de afwijkingen. Ook voor de opbouw van de hele Ruremondbijbel was de Complutense het voorbeeld. M heeft opgemerkt dat de vertaling van sommige stukken in het boek Jeremiah (deel vier) gebaseerd zijn op een Hebreeuwse tekst. Dit is bijzonder vreemd, want de eerste nieuwe vertaling van de profeten naar de Hebreeuwse tekst moet worden gesitueerd in 1527, dus twee jaar na de Ruremondbijbel! Onderzoek wijst uit dat de vertaling van het boek Jeremiah werd gemaakt naar de Delftse bijbel en dat voor de herwerking werd gebruik gemaakt van de Latijnse tekst van de Complutense en van de Hebreeuwse tekst van de eerste Rabbijnenbijbel (Venetië, 1516-1517). Het samenvoegen van verschillende vertalingen (naar Luther, de Vulgata en de Delftse bijbel) verklaart M door tijdsdruk: uitgever Peter Kaetz wou zijn vertaling laten verschijnen tijdens de Antwerpse Pinkstermarkt van 1525. Wie waren nu de geleerden die voor Kaetz en Van Ruremond hebben gewerkt? Volgens M moeten de geleerden zich met Luther verwant gevoeld hebben en in Antwerpen geleefd hebben. Verder dan het vermoeden dat het hier waarschijnlijk gaat om een humanistisch gevormde geestelijke met kennis van het Latijn en het Hebreeuws komt M echter niet. [JH]

3554. – Wim FRANÇOIS, The alleged Bible translator Pieter Schuddematte, beheaded in Antwerp (1547) in De Gulden Passer, 82, 2004, p. 89-94.
Pieter Schuddematte werd in 1532 uit Oudenaarde verbannen en vestigde zich in Antwerpen als onderwijzer. In 1545 wordt hij daar beschuldigd van ketterij omdat hij tijdens zijn lessen heterodoxe ideeën zou verspreiden, alsook in de refreinen die hij als lid van De Violieren schreef. Latere auteurs schrijven hem ook medewerking toe aan een bijbelvertaling, maar dit is waarschijnlijk foutief. De verkeerde toeschrijving is gebaseerd op verwarring met de Liesveldt-bijbel. [JH]

3555. – Werner THOMAS & Robert A. VERDONK (eds.), Encuentros en Flandes. Relaciones e intercambios hispanoflamencos a inicios de la Edad Moderna. – Leuven [etc.]: Leuven University Press [etc.], 2000. – XII, 376 p.: ill.; 25 cm. – ISBN 90-5867-087-2. – (Avisos de Flandes, 6).
Deze bundel over de betrekkingen tussen Spanje en de Zuidelijke Nederlanden in de zestiende eeuw bevat ook enkele (vrij oppervlakkige) artikels in verband met het gedrukte boek. In "Amberes y el mundo hispano de libro" (p. 116-131) wijst Jaime Moll andermaal op het grote belang van Antwerpse uitgevers als Steelsius, Nutius en Plantijn voor de Spaanse boekgeschiedenis. Maria Luisa López-Vidriero belicht in "Non omnis moriar. Humanismo y saber al servicio de los libros del rey" (p. 311-317) de werkzaamheden van Benito Arias Montano in de bibliotheek van Filips II. Diens aandeel, in Plantijns Biblia regia wordt samengevat door Jaime Moll in "Una imprenta para la Biblia Regia" (p. 318-325) en door Ángel Sáenz-Badillos in "Arias Montano y la Biblia Poliglota" (p. 326-340). [MdS]

3556. – Paul VALKEMA BLOUW, Het eerste in de Lage Landen verboden boek: Summa der Godliker Serifturen (1523) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 363-377.
Studie die de verschillende oude uitgaven van de Summa der Godliker Scrifturen chronologisch ordent. De Summa is het eerste werk dat door de Nederlandse autoriteiten met name werd verboden. Het kan niet voor 1523 uitgegeven zijn, aangezien het een korte inleiding bevat van Luthers Von weltlicher Obrigkeit, dat verscheen met een opdracht gedateerd 1 januari 1523. Alhoewel er geen exemplaren bekend zijn met het impressum van Jan Seversz, is het toch mogelijk de druk aan hem toe te schrijven aan de hand van archiefdocumenten en typografie: het gebruik van VPT T30 met als specificiteit de omgekeerde kommastrepen en divisies. NK1968 kan toegeschreven worden aan Willem Vorsterman en te dateren 1526. De derde druk, NK 3911, valselijk in 1526 gedateerd, werd gedrukt door Adriaen van Berghen, niet vóór 1530 of 1531. Een vierde druk (NK 1969) verscheen tussen 1543-46 bij Steven Mierdmans. In 1557 verscheen een vijfde editie bij Frans Fraet, onder het pseudoniem Magnus van den Merberghe van Oesterhout. Ook van deze editie is er geen exemplaar bewaard gebleven. De laatste editie werd in Delft onder de vloer van een oud huis teruggevonden. Het betreft een editie gedateerd als de vorige, maar in werkelijkheid een nadruk, waarschijnlijk uit Kampen (Steven Joessen?) circa 1560-65. Het boek zelf is een Nederlandse vertaling van de Oecomica Christiana, verschenen met in het impressum Straatsburg 1527, maar in feite, Antwerpen, Maarten de Keyser. Met andere woorden de Summa verscheen eerder als vertaling in druk, dan in de originele taal. [JH]

3557. – Hubert MEEUS, Titelbladen van toneeldrukken in de Nederlanden vóór 1700 in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 301-328.
Na een inleiding over het drukken van Neolatijns en Nederlandstalig toneel in de Nederlanden tot 1700 bespreekt M een aantal elementen van de titelbladen. Het gaat om de auteursnaam, titel, genreaanduiding, vertaling, opvoering, citaten, wervende teksten, editievolgorde, impressum en jaaraanduiding en privileges. Tenslotte bespreekt M ook nog de typografie en de grafische elementen. Voor dit onderzoek heeft M gebruik gemaakt van 587 titelbladen van voornamelijk Nederlandstalige (alsook een aantal Neolatijnse) toneelstukken, gedrukt in de Nederlanden vóór 1700. Opmerkelijke conclusies zijn dat de auteursnaam voor 1620 niet zo'n prominente plaats inneemt, en dat de genreaanduiding zeer dikwijls voorkomt, helemaal bovenaan staat, en dikwijls in de grootste letter. Na 1650 verdwijnt dit fenomeen. Wanneer het gaat om vertalingen uit het Latijn of het Grieks wordt dit bijna steeds vermeld, terwijl dat niet het geval is voor de moderne talen. Bij de vermelding van de editievolgorde nemen de drukkers vaak een loopje met de waarheid. Na 1610 verschijnen driekwart van de toneelstukken in Amsterdam, bijna steeds wordt het impressum vermeld. Na 1660 worden vrijwel geen drukkers meer vermeld op de titelpagina, maar wel de boekverkopers of uitgevers. Opvallend is ook dat straat en winkel worden vermeld op de Antwerpse en Amsterdamse titelpagina. Dit wijst er duidelijk op dat er geproduceerd wordt voor de lokale markt. Wat de typografie betreft, is op te merken dat vooral romein, en uitzonderlijk nog gotiek, wordt gebruikt na 1635. Slechts 5% van de titelpagina's heeft niet één of andere vorm van illustratie, weze het uitgeversmerken stadswapens, blazoenen, een scène uit een toneel, enzovoort. Frontispiesen komen zelden voor. [JH]

3558. – Willy L. BRAEKMAN, Het oudste vechtboek uit de Nederlanden: La Noble Science des ioueurs despee (1538) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque … , dl. II, p. 49-65.
Inhoudelijke studie van La Noble Science des ioueurs despee (Antwerpen: W. Vorsterman, 1538; NK 1881), met een onderzoek naar de bronnen. Het gaat hier namelijk om een Franse vertaling van de prozastukken uit Der Allten Fechter gründtliche Kunst van Hans Lebkommer. Ook het vechtboek van Andreas Paurnfeindt komt aan de orde. Van de Noble Science bevinden er zich drie exemplaren in openbare collecties (Londen BL, Oxford Bodleian Library en Parijs BN) en één op een onbekende plaats (door NK in Rotterdam vermeld). Enkel in het Parijse exemplaar zitten de bladzijden op hun juiste plaats. Het boek werd geïllustreerd met 28 verschillende houtsneden, die samen 33 maal voorkomen. Ook de illustraties zijn verwant met die in het werk van Lebkommer, maar vertonen toch een grote onafhankelijkheid. [JH]

3559. – Ria JANSEN-SIEBEN, Viskalenders in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 291-300.
Zoektocht naar de antecedenten van de viskalender (Antwerpen: G. Back, circa 1506) die door ECI in 1980 voor de KB werd gekocht. J-S heeft een aantal handschriften gevonden met ongeveer dezelfde viskalender, die dateren uit de vijftiende eeuw en geschreven werden in Sankt Gallen. De bron voor Backs viskalender is dus zeker Duits. [JH]

3560. – Gilbert TOURNOY, De brieven van Juan Luis Vives uitgegeven door Simon Verepaeus in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 349-361.
T beschrijft de zoektocht naar een exemplaar van de Selectiores aliquot Lod. Vivis epistolae, uitgegeven te Antwerpen in 1572 bij Antonius Tilenius. Een exemplaar bevindt zich in de Bayerische Staatsbibliothek in München, waar het in de catalogus verkeerd staat ingeschreven onder het jaar 1672. Autopsie van het exemplaar leverde twee nieuwe brieven op van Vives, één aan Jan Typoets (Typotius), en één aan Jan Loeff (Loevius). [JH]

3561. – Erik DUVERGER, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw. – Brussel: Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. – 27 cm. – (Fontes historiae artis neerlandicae = Bronnen voor de kunstgeschiedems van de Nederlanden, I).
Dl. X: 1674-1680, documenten 3047-3454. – 1999. – 541 p. ISBN 90-6569-688-1.
Dl. XI: 1680-1689, documenten 3455-3927. – 2001. – 619 p. ISBN 90-6569-906-6.
Dl. XII: 1690-1699, documenten 3928-4318. – 2002. – 558 p. ISBN 90-6569-916-3.
Dl. XIII: Index persoonsnamen. – 2004. – 465 p. – ISBN 906569-929-5.
Het grote project met Antwerpse bronnen voor de kunstgeschiedenis is andermaal voor boek- en bibliotheekgeschiedenis van belang (Zie Kroniek 22 nr. 2516): ondermeer nrs. 3151 (15 vii 1676: testament van Anna Goos, weduwe van Balthasar II Moretus), 3193 (6 ii 1677: inventaris van goederen van graveur Jan Galle), 3195 (20 ii & 6 iii 1677: idem Godgaf I Verhulst), 3253 (6-7 v 1678: boeken van particulier; ook 3332), 3333 (7 xi 1678 etc: grote boedel van Erasmus Quellinus, met op p. 370-371 boeken), 3416 (8 viii 1679: graveur Frederik Bouttats), 3461 (10 vii 1680: Peter I van den Bos "afzetter" van prenten), 3475 (23 ix 1680: winkelgoederen Fr. Bouttats), 3515 (22-24 iv 1681: boeken particulier), 3463 (l3 i 1684: paardenboek van W. Cavendish; ook nrs. 3652, 3761, 3783), 3956 (16 vi 1690: Martinus Verhulst), 4010 & 4030 (28 ix 1691 en jan. 1692: bezittingen van Franciscus van Sterbeeck), 4045 (21 iv 1692: boekdrukker Marcelis Parijs), 4058 (14 vii 1692: Franciscus Moretus), 4075 (28 x 1692: boeken van priester), 4097 (6 v 1693: lettergieter Petrus van Wolschaten), 4132 (13-15 iii 1694: boeken particulier), 4280 (ix 1698: boeken edelman), 4303 (30 iii – 4 iv 1699: boeken particulier). D, die in 2004 overleed heeft zijn grote project kunnen voltooien. Het verschijnen van de sleutel op het geheel heeft hij helaas niet meer beleefd maar de grote dankbaarheid van de boekhistorici willen wij hem nog graag betuigen. [MdS]

3562. – Koen DE VLIEGER-DE WILDE (ed.), Joost DEPUYDT (medew.), Goran PRO OT (medew.) & Stijn VAN ROSSEM (medew.), Adresboek van zeventiende-eeuwse drukkers, uitgevers en boekverkopers in Vlaanderen = Directory of seventeenth-century printers, publishers and booksellers in Flanders. – Antwerpen: Vereniging van Antwerpse Bibliofielen, 2004. -168 p. – (Uitgaven van de Vereniging van Antwerpse Bibliofielen: nieuwe reeks, 1).
Deze thesaurus van drukkers die in de zeventiende eeuw binnen de grenzen van het huidige Vlaanderen Nederlandstalig drukwerk vervaardigden, is een product van de STCV. De volledig tweetalige (Nederlands/Engelse) lijst biedt een overzicht van 345 drukkers en uitgevers geordend per plaats, aangevuld met zeven fictieve. Van de meeste worden de jaren van werkzaamheid, de functie, het adres, het uithangbord en bibliografische referenties vermeld. In de rubriek Opmerkingen worden problemen gesignaleerd of wordt er gewezen op relaties tussen de drukkers. Aangezien de lijst is samengesteld op basis van een vrij beperkt deel van de productie is zij bepaald niet exhaustief en vooral de opgave van de jaren van activiteit is zeer onvolledig. Een lijst van schijnadressen, een register van persoonsnamen, functies, adressen en uithangborden en zelfs een concordantielijst met moderne straatnamen maakt het werk vanuit allerlei standpunten nuttig. [HM]

3563. – Goran PROOT & Stijn VAN ROSSEM, Grey areas in book historical research: can international co-operation offer a practical solution? in David J. SHAW (ed.), Books beyond frontiers: the need for international collaboration in national retrospective bibliography. Papers presented on 8 November 2002 at the Bibliopolis Conference on "The future history of the book" hosted by the Koninklijke Bibliotheek, The Hague. – London: Consortium of European Research Libraries, 2003, p. 9-18, ill.
Wordt het hele domein van het Nederlandstalige of het in de Nederlanden geproduceerde boek gedekt door de STCN en de STCV? Dat is de hamvraag die hier duidelijk wordt gesteld. Ondanks enige overlap is er toch vooral een gedeelte van de productie dat moeilijk te "grijpen" is: boeken met fictieve adressen of dubieuze drukkersnamen en jaartallen, en Nederlandstalige boeken uit Noord-Frankrijk en Wallonië. Grensoverschrijdende samenwerking is de enige oplossing. [MdS]

3564. – Goran PROOT, De "Short Title Catalogus Vlaanderen": voorstelling van een veelzijdig onderzoeksinstrument in Boekgeschiedenis in Vlaanderen ... , p. 15-32; Goran PROOT, De "Short Title Catalogus Vlaanderen": voorstelling van een veelzijdig onderzoeksinstrument in Jaarboek 2002-2003 / Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde, Antwerpen, 2004, 14, p. 233-254.
In deze bijdrage geeft P een overzicht van de stand van zaken van het STCV (Short Title Catalogus Vlaanderen)-project (www.stcv.be). Hij demonsteert de verschillende zoekfuncties in de databank en illustreert de onderzoeksmogelijkheden met een aantal grafieken die hij uit de databank heeft gegenereerd in verband met de verwerkte collecties, het belang van de drukkerscentra in Vlaanderen, de illustraties en de brontalen. [HM]

3565. – Hendrik D.L. VERVLIET, Een Iers letterspecimen in Frans HENDRICKX e.a., E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 595-598.
In het Plantijnse Archief bevindt zich nog een blaadje waarop een oud Iers alfabet is afgedrukt, dat geïdentificeerd wordt als Louvain A. V formuleert een aantal hypothesen over de datering, het ontstaan en de bedoeling van dit lettertype dat zou kunnen gesneden zijn door Geeraert I van Wolschaten. [HM]

3566. – Godelieve SPIESSENS, Muziektypografische bedrijvigheid van de Antwerpse drukker Hendrik III Aertssens (1661-1741) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque …, dl. II, p 539-569.
S schetst een biografie van Hendrik III Aertssens, die in 1686 een octrooi verwierf voor het drukken van muziek in de Vlaamse provincies en in Brabant. Hij bleef tot 1710 actief als muziekdrukker en gedurende een groot deel van deze periode kon hij genieten van een monopolie. Vanaf 1695 begon hij ook kranten te drukken. S bekijkt vooral de inhoud van het muziekfonds, dat zowel werk van componisten uit de Nederlanden als van buitenlandse componisten bevat. Zij inventariseert en beschrijft een zestal drukkersvignetten die Aertssens in zijn muziekdrukken gebruikte en geeft een werklijst van dertig muziekdrukken. [HM]

3567. – Michel HERMANS, Le livre liégeois. Stratégies éditoriales au début du XVIIe siècle in Catherine BOUSQUET-BRESSOLIER (ed.), François de Dainville s.j. (1909-1971), pionnier de l'histoire de la cartographie et de l’ education. Actes du colloque international organisé par l’U.M.R. 8586 PRODIG à Paris, les 6 et 7 juin 2002. – Paris: Ecole des chartes, 2004, p. 123-142.
Boeiende verkenning van de uitgavepolitiek van de Luikse jezuïeten, met name bij de drukker Leonard Streel: contrareformatorische en pedagogische doelstellingen worden waargemaakt met (weinig) originele publicaties en een overvloed aan herdrukte vertaalde werken. Het vertrekpunt was Bref discours pourquoi les religieux de la Compagnie de Iesus tiennent des Escoles Où il est traicte de l'Institution de la Ieunesse (1608). Dit boek vormde een sleuteltekst in het pedagogisch-historisch onderzoek van Daindiville, zoals Michel Hermans nog eens toelicht in "L'usage du Bref discours dans La naissance de l'humanisme moderne: analyse et raisons d'un abandon" (p. 101-119). [MdS]

3568. – Dirk SACRÉ, Lucas Holstenius (1596-1661) en een vacature voor de betrekking van corrector in de Officina Plantiniana (1625-1626) in De Guden Passer 82 (2004), p. 103-113.
In 1625 had Balthasar Moretus blijkbaar problemen om een geleerde corrector te vinden. Op aanraden van de jezuiet Schottus probeerde hij de veelbelovende Hamburgse bekeerling Lucas Holstenius ertoe te overhalen om bij hem te komen werken. Het aanbod van kardinaal Barberini om zich in Rome te vestigen, bleek echter aanlokkelijker. In een appendix editeert Sacré nog een onuitgegeven brief van Balthasar II Moretus aan Holstenius uit 1657. [HM]

3569. – Steven GYSENS, Twee uitgevers, één auteur. Een onbekende brief aan Gerardus Vossius (1605) in Limburg – Het Oude Land van Loon, 80, 2001, p. 171-180, ill.
De in Rome werkzame Limburgse patristicus Gerard Vossius van Borgloon (1547-1609) wilde zijn uitgave van Gregorius Thaumaturgus graag bij de Officina Plantiniana gedrukt zien. Het antwoord van Jan Moretus (13 mei 1605) was negatief omdat diens Keulse collega Anton Hierat net een editie op de markt had gebracht. Moretus vermeldt ook de problemen die hij met Hierat kende wegens diens nadruk van de Annales ecclesiastici van kardinaal Caesar Baronius. [MdS]

3570. – J.-L. MEULEMEESTER, Over een zeldzaam Brugs druksel in Biekorf, 104, 2004, p. 357-361.
In het kader van een grote pestepidemie verscheen in 1666 in Brugge bij Catharina Verschrieck, de weduwe van Johannes.Clouwet, een boekje over Franciscus Xaverius als beschermheilige tegen de pest: Den H. Franciscus Xaverius van de societeyt Jesu, voor besonderen patroon tegen de peste. M beschrijft uitvoerig de titelprent, situeert de drukker en schrijft het boekje toe aan de jezuïet Philippus Franciscus Taisne. [HM]

3571. – Claude SORGELOOS, Wenceslas Coberger, Théodore Galle, une reliure turque: l'album amicorum de Denis le Villers (+ 1620), chanoine de Tournai in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. III, p. 199-216.
S houdt een pleidooi om het album amicorum van de Doornikse kanunnik Denis le Villers uit te geven. Het is een van de weinige bewaarde stukken uit de collectie van deze bibliofiel, die onder andere bevriend was met Justus Lipsius en een van de grootste boekenverzamelingen van Doornik bezat. Hij had daarnaast ook een
rariteitenverzameling waarover hij correspondeerde met Peiresc en Ortelius. Het album amicorum bevat vooral bijdragen in het Latijn en het Frans van humanisten en edellieden. De vier picturale bijdragen van Louis Wurtemberg, Philippe van Winghe, Wensceslas Cobergher en Theodore Galle worden in detail beschreven en gesitueerd. [HM]

3572. – Claude SORGELOOS, Tornaci compactus: sur quelques reliures provenant de Jérôme van Winghe (+ 1637), chanoine de Tournai in Archives et bibliothèques de Belgique / Archief- en bibliotheekwezen in België, 74, 2003, p. 295-335, ill.
Wezenlijke bijdrage tot de onderzoeksmethode en de geschiedenis van de boekband in ons land. Hiëronymus II van Winghe, jurist uit Leuven, later bibliothecaris en kanunnik van Onze-LieveVrouw te Doornik, én groot bibliofiel, heeft met zijn (al te) beknopte aantekening in de boeken ("Tornaci compactus") bandenvorsers op het verkeerde been gezet. Alleen P. Verheyden interpreteerde ze op de juiste manier ("[Emptus] compactus ... "), zonder evenwel dieper op de kwestie in te gaan. Dat heeft nu S op voorbeeldige wijze gedaan. De grootste partij boeken uit Van Winghes bibliotheek was in Doornik gebleven en is dus in 1940 teloor gegaan. Een kleinere partij was (gelukkig) daarvóór al her en der verspreid; zij levert ons het ex-libris en andere summiere aantekeningen op. Nu weten wij dat de bezitter, Hiëronymus van Winghe, stelselmatig en kort in zijn boeken optekende waar en in welke vorm hij het boek had verworven: geërfd, ten geschenke gekregen, als ruil, of gekocht. Hij verwierf ze in albis, zoals de boeken doorgaans werden verkocht, of hij liet ze heel eenvoudig in perkament binden, gevolgd door het bedrag in stuivers. Of hij kocht ze kant en klaar gebonden, in steden waar hij kwam, Parijs, Venetië, en uiteraard ook zijn verblijfplaats Doornik. Uit enkele voorbeelden die S bespreekt, blijkt duidelijk dat de plaatsnaambepaling die van aankoop en niet van bindactiviteit is. [ECI]

3573. – Luc KNAPEN, Des livres de Gaspar Le Charron, dit Auriga (c.1570-1636), à la bibliothèque abbatiale de Saint-Hubert en Ardenne in Frans HENDRICKX e.a., E codicibus impressisque ... , dl. III, p. 447-475.
Vijftien boeken uit de bibliotheek van de oude abdij van Saint-Hubert dragen een ex-libris van Gaspar Auriga, alias Gaspar Le Charron (1570-1636). K schetst uitvoerig zijn leven en bekijkt zijn testament van 1636 dat ook informatie over zijn persoonlijke bibliotheek bevat. Hij bekijkt de samenstelling van de bibliotheek en behandelt naast de inhoudelijke aspecten ook het formaat, de taal, de toestand van de boeken, de verwerving en de prijs. Tot slot geeft hij een gedetailleerde bibliografische beschrijving van elk van de vijftien boeken. [HM]

3574. – Paul BEGHEYN, De "heilige jacht" van Godfried Henskens en Daniel van Papenbroeck: twee jezuïeten op bibliotheek reis door Europa in 1660 in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 2003, XI, p. 161-173.
In opdracht van Joannes Bollandus trokken de jezuïeten Henschenius en Papebrochius heel Duitsland door, over Oostenrijk tot in Trente, op zoek naar handschriften die van belang konden zijn bij het samenstellen van de Acta Sanctorum. [ECI]

3575. – J. ROEGIERS, The first Leuven University Library rules (1636 and 1655) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. III, p. 545-554.
R schetst hoe de centrale bibliotheek van de Leuvense universiteit is ontstaan op basis van de nalatenschap van Laurentius Beyerlinck en op initiatief van Cornelis Jansenius in 1635. In 1636 werden weliswaar regels voor het bibliotheekbeheer opgesteld, maar deze zijn nooit in de statuten opgenomen. R geeft de regels van 1636 in het Latijn uit en ook het nieuwe kortere reglement van 1655. [HM]

3576. – Christian COPPENS, Auspicia bibliothecae: donators at the foundation of the Central Library in Louvain (1636-9) in Quaerendo, 34, 2004, 3-4, p. 169-210.
De eerste gedrukte catalogus van de universiteitsbibliotheek van Leuven, samengesteld door Valerius Andreas in 1639 en gedrukt door Everard de Witte, vermeldt ook de schenkers. Een groot deel van de 2.630 boeken kwam uit de legaten van de Antwerpse kanunnik Laurentius Beyerlinck (+ 1627) en van Jacobus Romanus (+ 1635) maar daarnaast waren er ook zeventig schenkers die in het totaal 237 boeken schonken. C geeft een gedetailleerd overzicht van de schenkers met telkens een korte biografische situering in hun relatie tot de universiteit van Leuven, een bibliografische beschrijving van de geschonken werken en een specificatie van hun inhoud. In een afzonderlijk overzicht groepeert hij de schenkers volgens hun functie: academici, abten, priesters en drukkers. Indexen op de biografische notities, op de geschonken boeken en op drukkers en uitgevers maken het artikel zeer toegankelijk. [HM]

3577. – Harry STABEL, Een vondst in het Turnhoutse Begijnhofmuseum: "Qvadrins historiqves de la Bible" in Taxandria. Jaarboek van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van de Antwerpse Kempen, 76, 2004, p. 157-164, ill.
Het exemplaar van twee zeldzame Lyonese drukken van Jean de Tournes (Frans 1558, Duits 1564), met talloze houtsneden van Bernard Salomon, dat zich in het Turnhoutse Begijnhofmuseum bevindt, heeft in 1631 toebehoord aan de Geelse schilder Walter Michiels (met in Thieme-Becker). [JH & MdS].

3578. – Pierre DELSAERDT, Particulier boekenbezit in de zeventiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden in Marcus DE SCHEPPER (e.d), Een hart voor boeken ... , p. 14-21 = Pierre DELSAERDT, Les bibliothèques privées des Pays-Bas méridionaux au 17e siècle in Marcus DE SCHEPPER (ed.), La passion des livres ... , p. 14-21.
Door het feit dat institutionele openbaar toegankelijke bibliotheken in de zeventiende eeuw slechts moeizaam tot stand kwamen, werd al wie op een bepaald domein op de hoogte wilde blijven genoopt om zelf de nodige boeken aan te schaffen. Door de relatief hoge prijs van de boeken en het feit dat ze vrij traag verouderden was er ook een belangrijk tweedehandscircuit ontstaan van boeken die werden verspreid via veilingen. Veilingcatalogi vormen een belangrijke bron voor de kennis van privébibliotheken. In combinatie met boedelinventarissen geven ze een goed idee van de belangrijke collecties. Minder is geweten over het boekenbezit bij de meerderheid van de bevolking die slechts een paar goedkope boekjes bezaten, op een uitzondering als Peter Oris na. D bekijkt de samenstelling van enkele professionele bibliotheken vooral van pastoors, geneesheren en juristen, geleerdenbibliotheken, enkele zeldzame liefhebberscollecties en de familiebibliotheek van de Moretussen. De geleerden bibliotheken munten vooral uit door hun omvang. De kloosterbibliotheken vormen door hun grotere continuïteit een aparte categorie. [HM]

3579. – Anna E.C. SIMONI, Johan Radermacher's German books in William J. JONES, William A. KELLY & Frank SHAW (eds.), "Vir ingenio mirandus". Studies presented to John L. Flood. – Göppingen: Kümmerle Verlag, 2003, dl. II, p. 693-704. – (Göppinger Arbeiten zur Germanistik, 710/2)
De boeken van de in 1617 overleden Middelburgse koopman Johan Radermacher (Zie Kroniek 24 nr. 2855) werden in 1634 geveild (uniek exemplaar van de catalogus in Cambridge University Library). S identificeert de Duitse boeken in die verzameling – sommige titels blijken zelfs voor de meest ervaren bibliografe weerbarstig ... [MdS]

3580. – Prosper ARENTS & Alfons K.L. THIJS, Aankopen bij Balthasar Moretus voor de bibliotheek van Albert Rubens (1628-1650) in De Gulden Passer, 82, 2004, p. 115-160.
T geeft een onderzoek uit van A, die van 202 boeken in de bibliotheek van Albert Rubens heeft achterhaald dat ze zijn aangekocht in de Officina Plantiniana. Daarvan werden er 71 gekocht door Pieter Paul Rubens voor zijn zoon Albert. Er is een uniek exemplaar bewaard met het ex-libris van Albert Rubens en er zijn 130 boeken door Albert Rubens zelf aangeschaft. A geeft de vermelding in de boekhouding volledig weer, identificeert het boek bibliografisch en geeft ook aan waar het desgevallend in de veilingcatalogus van Albert Rubens wordt vermeld. Een index van namen en een van drukkers, uitgevers en financiers maakt het artikel gemakkelijk doorzoekbaar. [HM]

3581. – Marcus DE SCHEPPER (ed.), Een hart voor boeken: Rubens en zijn bibliotheek: Tentoonstelling, Antwerpen, Museum Plantin-Moretus, 6 maart – 13 juni 2004. – Antwerpen: Museum Plantin-Moretus, 2004; Marcus DE SCHEPPER (ed.), La passion des livres: Rubens et sa bibliothèque: Exposition: Anvers, Musee Plantin-Moretus, 6 mars -13 juin 2004. – Anvers: Musée PlantinMoretus, 2004.
Deze catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling is gebaseerd op de reconstructie van de bibliotheek van Rubens door Prosper Arents (zie nr. 3352). De catalogus toont exemplaren die hebben toebehoord aan P.P. Rubens of zijn verwanten, uitgaven van Balthasar Moretus waaraan Rubens heeft meegewerkt, archivalia in verband met boekenaankopen, een representatieve selectie uit alle deelgebieden van Rubens' bibliotheek en ook de veilingcatalogus van Albert Rubens. De inleiding bevat een bijdrage van Pierre Delsaerdt over privébibliotheken, (zie nr. 3578), van Dirk Imhof over aankopen van P.P. Rubens bij Balthasar Moretus en van Dirk Sacré over een onbekende brief van Rycquius aan Rubens. Imhof gaat na hoeveel, meestal buitenlandse, boeken Rubens, weliswaar niet altijd voor zichzelf, kocht in de Officina Plantiniana. Ook Albert Rubens kocht bij Moretus. Sacré onderzoekt de relatie van Rycquius (1587-1627) met Pieter Paul en Filip Rubens. Rycquius schreef op 16 mei 1609 uit Rome een brief aan Rubens, die hij in 1610 mee liet afdrukken in zijn te Keulen verschenen brievenverzameling Primitiae epistolicae. De catalogus toont een prent van elk tentoongesteld document of boek vergezeld van een bibliografische beschrijving, een uitvoerige en deskundige commentaar waarin de relatie met Rubens wordt gelegd en verwijzingen naar literatuur. De catalogus is onderverdeeld in tien rubrieken: I. Rubens en verwanten, over boeken met een verwijzing naar familieleden; II. Boeken en bibliotheken, over Rubens' eigen boeken en archiefstukken in verband met opzoekingen in een bibliotheek; III. Boeken van vrienden; IV. Boeken waaruit de contemporaine faam van Rubens blijkt en V-X. Voorbeelden van boeken uit de genres die Rubens ongetwijfeld in zijn bibliotheek had: kunst en boeken, archeologie, taal & letteren, politiek & religie, geschiedenis en wetenschap. [HM]

3582. – Peter THISSEN, The export of books from the Republic to the Southern Netherlands. A quantitative indication based on the catalogue of the Roermond charterhouse library in Quaerendo, 34, 2004, 1-2, p. 6-52.
Het onderzoek van T berust op extrapolatie, waarbij zich steeds het probleem van de representativiteit van het materiaal stelt. De bibliotheekcatalogus van de karthuizers van Roermond uit 1740-1742 biedt een zeer gedetailleerde beschrijving van 4.772 titels. Volgens T is deze collectie representatief voor bibliotheken van contemplatieve ordes in de Zuidelijke Nederlanden. Het aandeel van de boeken gedrukt in de Republiek blijft beperkt tot 3% niet meer dan individuele steden uit de Zuidelijke Nederlanden als Leuven en Douai. Keulen speelde een belangrijker rol als leverancier van katholieke boeken dan Antwerpen. Het belang van de Republiek ligt vooral op het vlak van de "non theologica". T somt de werken uit de Republiek op geordend per plaats per drukker. In tabellen en grafieken geeft hij een overzicht van de totale collectie van het aantal werken per plaats van publicatie, uitgesplitst per plaats in de Repubhek, en ook verdeeld in theologische en niet-theologische werken. Er is ook een tabel met de formaten en de talen in de niet-theologische werken en in een laatste tabel wordt de collectie vergeleken met deze van de benedictijnenabdij van Saint-Hubert (1665). [RM]

3583. – Anna E.C. SIMONI, The Antwerp editions of Flaminio della Croce, or Italian swords pressed into Belgian books in Frans HENDRICKX e.a., E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 511-538, ill.
Van de Milanese militair, Flaminio della Croce, verschenen er in Antwerpen twee krijgskundige werken bij H. Aertssens (1617 en 1625), en een bij Lesteens (1629) in het Italiaans. De werken zijn niet zuiver technisch, geregeld geeft de auteur ook persoonlijke, zelfs autobiografische beschouwingen. S bekijkt de relatie tussen de verschillende edities, vooral voor wat de prenten betreft. Zij schenkt bijzondere aandacht aan twee exemplaren van het Theatro in de British Library, waarvan een het bezit was van keizer Ferdinand II en het andere een geschenk van Frederik Hendrik aan Willem Lodewijk, graaf van Nassau. [HM]

3584. – Jozef MERTENS & Franz AUMANN (eds.), m.m.v. Arnout MERTENS, Krijg en kunst. Leopold Willem (1614-1662), Habsburger, landvoogd en kunstverzamelaar. – Bilzen: Landcommanderij Alden Biesen, 2003. – XLVIII, 352 p.: ill.; 27 cm. – ISBN 90-805606-4-2.
Fraaie catalogus bij een belangrijke tentoonstelling over de politieke en culturele geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden in het midden van de zeventiende eeuw. De kleine afdeling "Bibliotheek" (p. 313-320) bevat enkele werken aan de landvoogd opgedragen. Maar het volledige catalogusgedeelte (p. 139-350) is van belang voor de beschrijving van talloze, vooral Latijnse, gelegenheidsdrukjes en historische bronnen. Met uitvoerige registers op persoons- en plaatsnamen. [MdS]

3585. – Ingeborg DE COOMAN, Hubert MEEUS & Maart je DE WILDE (eds.), Tot vermaeck van alle Sang-lievende Lieden. Het zeventiende-eeuwse Nederlandse lied in handschrift en druk. Catalogus bij de tentoonstelling in de Bibliotheek Stadscampus van de Universiteit Antwerpen, 4 juni – 27 juni 2004. – Antwerpen: ISLN, 2004. – 69 p.: ill.; 24 cm.
Verzorgde tentoonstellingscatalogus rond het zeventiendeeeuwse Nederlandse lied, met uitvoerige en genuanceerde informatie over auteurs, genres, receptie enzovoort. Talrijke unica en zeldzame boekjes uit Antwerpse en Gentse bibliotheken werden samengebracht en kort beschreven. De bibliografische informatie beperkt zich tot het editieniveau. Op exemplaargegevens (band, herkomst) wordt slechts occasioneel ingegaan. Handig naslagwerkje, te gebruiken naast Huybens' repertorium (zie nr. 3500). [MdS]

3586. – Hubert MEEUS, "Dienstich ende ghenuchelijk tyt-verdryf voor siecken, om ghesont te worden, en voor ghesonde om niet sieck: te zyn". Ontspanningslectuur in de zeventiende eeuw in Jan PAUWELS (ed.), Gheprint tAntwerpen ... , p. 77-89, ill.
Verkenning van wat in het zeventiende-eeuwse Antwerpen "ontspanningslectuur" en "populair drukwerk" kon zijn. Analyse van Dienstich ende ghenuchelijk tyt-verdryf voor siecken (...) van de arts Michiel Boudewijns (+ 1681). Het boek verscheen in 1654 bij Fransoys Fickaert te Antwerpen en was met zijn 484 pagina's en gegraveerd frontispies niet echt goedkoop. Wel schrijft de stadsgeneesheer zijn werk in het Nederlands en doorspekt het met anecdotes en verzerzen. Het beoogde publiek moest dus wel geletterd zijn, en was dan ruimer dan de kring van Latijnse intellectuelen. Dat was blijkbaar de doelgroep van (het fonds van) de firma Fickaert. [MdS]

3587. – Pierre SWIGGERS, Den Spaensen Grammatica van A. de la Porte (1659) in Ex officina, 17, 2004, 2, p. 3-4, ill.
De kapelaan van het Spaans kasteel te Antwerpen, Arnoldo de la Porte, bewerkte de Spaans-Franse woordenboeken van César Oudin voor het Nederlandstalige publiek. Beide delen verschenen in 1659 bij Hieronymus en Jan Baptist Verdussen. Daarbij voegde hij een derde werk: een beknopte Spaanse spraakkunst in het Nederlands – de eerste in zijn soort. [MdS]

3588. – Gerrit VERHOEVEN, Brought together at great effort: the place of author, publisher and reader in the genesis of the early modern travel guide in Quaerendo, 34, 2004, 3-4, p. 240-253.
V gaat na in hoeverre reisgidsen uit de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw origineel zijn, dan wel een samenraapsel en vaak zelfs een vrij letterlijke navolging van hun voorgangers. Al in de eigen tijd werden een aantal reisgidsen kritisch onder de loep genomen in geleerde tijdschriften. Dat had voor effect dat de samenstellers in het begin van de achttiende eeuw zelf een meer kritische houding gingen aannemen tegenover de eigen bronnen. [HM]

3589. – Edwin VAN MEERKERK, Dyades, lijnendragers en netwerken. Een model voor bestudering van de productie, distributie en consumptie van het gedrukte woord in de achttiende eeuw in De achttiende eeuw, 35, 2003, p. 160-175.
Er zijn weinig theorieën in de boekgeschiedenis die zo'n impact hebben gehad als het communicatiecircuit van Robert Darnton. Nochtans wilde hij met zijn cyclus van productie, distributie en consumptie boekhistorici enkel een middel aanreiken om de verspreiding van boeken in onze samenleving op een globale manier te bekijken. Op die manier hoopte hij de versplintering van het vakgebied in afgezonderde eilandjes tegen te gaan. De grote hoeveelheid navolgingen, aanvullingen en kritieken die de meer dan twintig jaar oude theorie tot vandaag blijft genereren, bewijst dat hij toen inspeelde op een behoefte. Dit artikel gebruikt de theorie van Darnton als uitgangspunt om te komen tot een nieuw model voor de benadering van de geschiedenis van uitgaven, vertrekkend vanuit het centrale begrip "netwerk". Dit doet de auteur door elementen uit het werk van Pierre Bourdieu ("veld", "habitus" en "kapitaal") en de uit de sociologie afkomstige netwerkanalyse ("dyades", "lijnendragers", etc.) in het model van Darnton te importeren. De belangrijkste aanpassing die de auteur voorstelt, is om niet langer uit te gaan van de levensloop van het boek zelf, maar om te vertrekken bij alles wat rond een boek gebeurt. De levensloop van een boek is immers ingewikkelder en langer dan Darnton doet uitschijnen. De mix van deze drie theorieën leidt tot een gecompliceerde cocktail die niet in één teug leeg te drinken is. Zoals vaker bij theoretische uiteenzettingen roept het artikel een aantal interessante vragen op die uitnodigen tot reflectie en kunnen helpen als referentiekader bij de studie van het verleden. De werkelijke toepasbaarheid van de theorie is echter problematisch, omdat ze slechts werkbaar is wanneer er een massa archiefmateriaal bewaard is gebleven. Dit is bij de Histoire du siècle de Louis XIV (het enige uitgewerkte voorbeeld) wel het geval, maar bij auteurs die minder bronnen hebben achtergelaten dan Voltaire (en dat is toch wel 99% van de schrijvers) of bij uitgevers van vóór de achttiende eeuw (waarvan zelden het bedrijfsarchief bewaard is) wordt het opstellen van een netwerkanalyse al gauw een onmogelijke opgave. Tussen theorie en praktijk loopt het echter wel vaker fout. [SvR]

3590. – Lieven DEWENET, Het kortstondige bestaan van een papierwindmolen te Menen (1787-1792) in Ons heem, 53, 1999, 1, p. 29-36; Lieven DEWENET, Het kortstondig bestaan van een paperwindmolen te Menen in Molenecho's: Vlaams tijdschrift voor molinologie, 27, 1999, 1, p. 18-29; Lieven DEWENET, Technische voorschriften voor een betere papierproductie in de Oostenrijkse Nederlanden (ca. 1750) in Molinologie, Tijdschrift van The International Molinological Society Nederland-Vlaanderen, 12, 1999, p.2-14.
In de tweede helft van de achttiende eeuw wilde de Oostenrijkse regering de uitbouw van een eigen papierproductie in de Zuidelijke Nederlanden stimuleren. Tot dan toe waren de plaatselijke drukkerijen voor papier afhankelijk van de invoer vanuit Frankrijk en de Verenigde Provinciën. Een goed voorbeeld is de papiermolen die Frans Willem Claeyssens-Benoit aan de vooravond van de Brabantse Omwenteling wilde oprichten in Menen. Het keizerlijk octrooi dat hij in mei 1789 ontving, kende hem een aantal economische gunsten toe zoals de vrijstelling van taksen voor benodigde grondstoffen, van uitvoer- of tolrechten op het uitgevoerde papier en van inkwartiering van soldaten. De politieke en militaire troebelen maakten de levensvatbaarheid van de molen echter snel onmogebjk. [SvR]

3591. – Frans A. JANSSEN & José BOUMAN, Van rood, wit en Blaeu. De weduwe Moretus koopt nieuwe letter via Ysbrand Vincent (1706) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 477-490.
Van het begin van de achttiende eeuw steunde de Officina Plantiniana voor de bevoorrading en uitrusting van de drukkerij in belangrijke mate op Noord-Nederlandse handelaars en ambachtslui. De Amsterdamse papierhandelaarsfamilie Vincent was een van de vaste leveranciers van de Moretussen. Dit artikel illustreert dat Ysbrand Vincent meer deed dan alleen papier leveren. Zo vroeg de weduwe Moretus hem voor haar in Amsterdam een nieuwe letter te kopen. Ze was ontevreden over de kwaliteit van de Zuid-Nederlandse letters en liet door naar het buitenland te trekken economische motieven primeren op politieke overwegingen. Het ongewone karakter van de bestelling – het was de eerste keer dat de Officina niet bij Van Wolschaeten bestelde – verklaart waarschijnlijk de noodzaak om met een tussenpersoon te werken. Dankzij de briefwisseling is het mogelijk de onderhandelingen tussen beide partijen op de voet te volgen. Dit artikel is interessant door de uniciteit van het gebruikte bronnenmatenaal en spreekt door het directe contact met het verleden tot de verbeelding. [SvR]

3592. – Egied VAN HOONACKER, Twee invloedrijke Vlaamse families in Rijsel. Vanhoenacker en Pancoucke in De Leiegouw, 46, 2004, p. 207-217, ill.
Genealogie van de Vlaamse familie Panckoucke die als uitgevers en auteurs het culturele en politieke leven in Noord-Frankrijk (vooral te Rijsel) hebben beïnvloed. [MdS]

3593. – Stijn VAN ROSSEM, De verbeelding van het vonckisme: democratische prenten tijdens de Brabantse Omwenteling (1787-1792) in Pierre DELSAERDT & Koen DE VLIEGER-DE WILDE (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen ... , p. 57-67, ill.
Naast een vloed aan, vaak anonieme, politieke pamfletten verschenen er in de jaren van de Brabantse Omwenteling (1787-1792) als een visuele pendant even zovele politieke prenten. VR onderzocht een corpus van 400 prenten, wijst op banden met verwante prenten uit de Nederlandse traditie, (Tachtigjarige Oorlog) en op het overwicht van "democratisch" georienteerd matenaal. Hij gaat nader in op de reeks Collection des differentes gravures ... qui ont eu rapport à la Révolution belgique commencée l’an 1787 ( ... ) (Rijsel: Ignace Joseph Jacquez, 1790). Een smaakmaker voor een grote studie over het onderwerp, die ter perse is. [MdS]

3594. – Pierre DELSAERDT, "Gleiche Waare wie von Aschaffenburg': les papiers décorés de la firme Brepols à Turnhout (Belgique) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressique ... , dl. III, p. 225-246.
Over Belgisch sierpapier in de negentiende en twintigste eeuw is tot nu toe weinig geschreven. Nochtans wist de firma Brepols uit Turnhout zich op te werken tot een belangrijke producent en boekte ze internationale successen met zowel traditionele als nieuw ontwikkelde soorten papier. Een belangrijke gebeurtenis in de ontwikkeling van het bedrijf was de samenwerking met de Duitse firma Dessauer, op dat moment wereldleider in de productie van sierpapier. Deze door huwelijksbanden met Brepols verbonden familie, speelde een belangrijke rol in de mechanisatie van de productie en maakte van Brepols een reusachtige drukkerij waarin rond 1900 ongeveer 1.000 mensen in drie verschillende fabrieken werkten. Dit artikel beschrijft in detail de opgang, bloei en ondergang van het Kempense sierpapier. [SvR]

3595. – Pierre DELSAERDT, Het leeskabinet van citoyen Carpen, 1804 in Jan PAUWELS (ed.), Gheprint tAntwerpen ... , p. 90-103.
De commerciële leesbibliotheek ontstond in de tweede helft van de achttiende eeuw. Dit nieuw type bibliotheek zou model staan voor de latere openbare bibliotheken. Ook in onze gebieden stelden particulieren hun ruim boekenassortiment voor een prijsje open voor particulieren, al hebben ze niet altijd veel sporen nagelaten in de geschiedenis. Vandaar dat de catalogus van de commerciële bibliotheek van Charles-Médard Carpen, een Fransman die zich in 1798 in Antwerpen vestigde, de nodige aandacht verdient. Dit unieke exemplaar, afkomstig uit het bedrijfarchief van Brepols, geeft een overzicht van de inhoud van de bibliotheek. Bezoekers konden kiezen uit 1.349 titels (in 3.684 banden), voor het merendeel Franse romans. Echt verrassend is dit niet, gezien de achtergrond van Carpen en de vogue die er in de Zuidelijke Nederlanden heerste omtrent dit genre. Interessant is ook dat het volledige bibliotheekreglement in de catalogus is opgenomen. [SvR]

3596. – Marie-Thérèse ISAAC & Claude SORGELOOS, L'école centrale du département de Jemappes 1797-1802. Enseignement, livres et Lumières à Mons. – Bruxelles: Archives et bibliothèques de Belgique, 2004. – 589 p. – D 2004/1080/3. – (Numéro spécial; 73).
Deze lijvige studie biedt een gedetailleerd overzicht van de école centrale van Jemappes. De écoles centrales werden opgericht tijdens de Franse periode en moesten het bestaande middelbare onderwijs vervangen. Boeken vormden het fundament van dit nieuwe schoolsysteem. In theorie moesten ze het ideeëngoed van de Verlichting en de nieuwste wetenschappelijke inzichten voor een ruim publiek toegankelijk maken. In de praktijk ging de oprichting van de bibliotheek met veel moeilijkheden gepaard. De basiscollectie werd immers gevormd door een selectie uit het bezit van de opgeheven religieuze ordes van de streek. De boeken uit deze collecties waren echter niet geschikt voor het vernieuwde onderwijssysteem dat de Franse citoyens voor ogen hadden. Dus bezorgde men de regering in Parijs voor elk vak een lijst met gewenste boeken. Het bestelde lesmateriaal was een staalkaartje van internationale verlichtingsliteratuur. Vooral de leraars van de exacte wetenschappen wilden de meest actuele werken. Interessant voor de historische ontwikkeling van de boekwetenschap is de oprichting van een cursus bibliografie in de scholen. Het vak moest de leerlingen in contact brengen met de rijkdom van de eigen bibliotheekcollectie. Het bibliotheekreglement leert ons dat hoofdbibliothecaris Delmotte zijn bibhotheek in de eerste plaats als een "sanctuaire des sciences" zag en dat toegang moest worden ontzegd aan wie niet over de nodige capaciteiten of de juiste motivatie beschikte. Helemaal publiek was de bibliotheek dus niet. Een volledige catalogus is ook nooit gerealiseerd. Bij de opheffing van de scholen in 1802 waren slechts 6.000 van de 33.000 banden ontsloten. In 1804 werd de bibliotheek eigendom van de stad Bergen. In 1966 stond die de bibliotheek af aan de Universiteit van Bergen-Henegouwen, die zo de directe erfgenaam van de ecole centrale van Jemappes is geworden. [SvR]

3597. – Jean-Louis VAN BELLE, La bibliothèque de Philippe Norbert van der Stegen (1691-1743), drossard de Brabant in Liber amicorum Robert Van den Haute. – Ganshoren: Notre Comté / Ons Graafschap, 2000, p. 98-106.
Analyse van de bibliotheek van Philippe Norbert van der Stegen, de voorlaatste drossaard van Brabant. De inventaris die na zijn dood in 1743 werd opgesteld, bevatte eveneens zijn boekenbezit. De lijst telt 184 volumes, gerangschikt volgens formaat (folio, quarto, octavo en kleinere formaten). Het artikel bevat de volledige transcriptie van de catalogus en waar mogelijk zijn de opgesomde werken geïdentificeerd. De inhoudelijke analyse toont aan dat het hier een bibliotheek betreft die typisch is voor een Brusselse edelman in de achttiende eeuw. Hii bezat voornamelijk werken over lokale geschiedenis en geografie; theologie en devotieliteratuur vormden een tweede belangrijke groep. De passie waarmee de drossaard zich toelegde op het bewerken van zijn landgoed, weerspiegelde zich in het grote aantal boeken over landbouw dat hij in zijn bezit had. [SvR]

3598. – Bart OP DE BEECK, Boeken uit de bibliotheken van de Engelse jezuïetencolleges te Brugge, bewaard in de verzameling "Ville de Bruxelles" in Pierre DELSAERDT & Koen DE VLIEGER-DE WILDE (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen ... , p. 79-101.
Exemplaaronderzoek van de collectie oude drukken die in de Koninklijke Bibliotheek van België bewaard worden, werpt niet alleen nieuw licht op de geschiedenis van deze instelling, maar ook op alle collecties die aan deze bibliotheek ten grondslag liggen. Dit vormt het uitgangspunt van deze studie, die past binnen een doctoraatsonderzoek. Bij de opheffing van de jezuïetenorde werd een deel van haar boekenbezit voorbehouden aan de Koninklijke Bibliotheek. Door de toen opgestelde inventaris van de Engelse jezuïetencolleges te Brugge te vergelijken met het fonds "Ville de Bruxelles", probeert de auteur te achterhalen welke boeken uit de colleges zich vandaag nog in de KB bevinden. Niet alle voorbehouden exemplaren zijn immers effectief in de KB terecht gekomen. Van de 283 werken die voor de KB bestemd waren, bevinden er zich nog zeker 81 in de verzameling, van 30 boeken bestaat een sterk vermoeden dat ze uit de Engelse colleges afkomstig zijn. [SvR]

3599. – Jeroom VERCRUYSSE, L'Attrait du fruit défendu: avaries et succès du commerce des livres prohibés à Bruxelles. L'affaire Delahaye et Cie (1782-1793) in Le livre et l'estampe, 50, 2004, p. 7-72.
Goed gedocumenteerde illustratie van de rol die Brusselse drukkers en boekverkopers speelden in de internationale handel van illegaal drukwerk op het einde van de achttiende eeuw. Samen met zijn Franse partner Duverger (zijn echte naam was Michel Jacques Paulmier), had Delahaye een lucratief handeltje opgezet in het drukken en verkopen van verboden boeken voor de Franse markt onder meer in onderaanneming voor de Société typographique de Neuchátel. In 1782 kwam de zaak aan het licht: de verantwoordelijken werden gevangen gezet en hun fonds aangeslagen. Op basis van de overgeleverde documenten van dit proces weet de auteur een verhaal te construeren dat een mooi beeld schetst van de verzwakte censuur tijdens de jozefistische periode (de keizer zelf komt tussenbeide om de straffen voor de drukkers af te zwakken), de werking van het juridische apparaat op het einde van het ancien regime, het Brusselse aanbod aan illegaal drukwerk (er werd een lijst opgesteld van alle in beslag genomen publicaties) en het lef dat het achttiende-eeuwse ondernemerschap vereiste (Duverger bepleit zijn vrijlating rechtstreeks bij de keizer en doet zich voor als een slachtoffer van juridische willekeur om zijn klanten terug te winnen). [SvR]

3600. – Albert LABARRE, Contrefaçons dans le nord de la France en 1778 in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 491-509. 1 1
Tekstuitgave van processen-verbaal die zijn opgesteld naar aanleiding van de hernieuwde Franse wetgeving op het boekenvak uit 1777. Deze hervorming wilde meer kansen geven aan provinciale drukkers door de wetgeving rond privileges te versoepelen. De meeste privileges werden immers gemonopoliseerd door de Parijse drukkers, waardoor de overige boekverkopers vaak hun toevlucht namen tot het verhandelen van roofdrukken. Een van de maatregelen die werd getroffen, was een soort eenmalige amnestie voor het verspreiden van roofdrukken. Boekverkopers kregen twee maanden de tijd om hun illegaal drukwerk aan te geven. De boeken kregen een stempel en konden vervolgens vrij verhandeld worden. De auteur focust hier op de boeken die in Lille, Douai en Arras ter regularisatie werden aangeboden. De belangrijkste vaststellingen zijn dat slechts een beperkt aantal boekverkopers (zes in totaal) op de uitnodiging inging en dat ze van elke titel over een aanzienlijke voorraad beschikten. Dit doet de auteur het bestaan van een transitverkeer tussen de Oostenrijkse Nederlanden en Frankrijk veronderstellen. [SvR]

3601. – W.L. BRAEKMAN, Een Gentse bundel marktkraamliedjes in Volkskunde, 105, 2004, 1, p. 55-84.
Systematische analyse van een bundel marktliederen die zich in de Gentse universiteitsbibliotheek bevindt (Acc. 1257). Het convoluut bevat 139 liederen, waarvan er slechts 25 in de literatuur bekend zijn. Bovendien vermeldt de bundel de namen van vijf tot nu toe onbekende marktzangers. Van elk lied geeft de auteur het incipit, de titel, de melodie, het aantal strofen/verzen en eventuele andere gegevens (zoals de zanger of een historische duiding van het lied). Handig is de toevoeging van indexen op melodie en op zanger. [SvR]

3602. – Norbert POULAIN, Feiten en gissingen over de samenwerking van architecten, beeldende kunstenaars, ontwerpers en schrijvers met de Kortrijkse Kunstwerkstede Gebroeders De Coene: een status quaestionis in Interbellum, 23, 2003, 4, p. 5-13, ill.
Jozef de Coene moest op jonge leeftijd de succesrijke zaak van zijn vader als behanger en stoffeerder voortzetten. Onder invloed van Henry van de Velde streefde hij naar een eenheid in de kunst. Zijn jongere broer Adolf werd opgeleid tot meubelmaker en de firma De Coene werkte samen met tal van architecten, schilders en beeldhouwers. J. de Coene richtte een huisdrukkerij op, waarin Stijn Streuvels als artistiek directeur fungeerde. Naast commercieel drukwerk produceerde deze drukkerij, "De Eikelaar", ook bellettrie, geillustreerd door Frans Masereel en (vooral) door Albert Saverys. [WW]

3603. – Wilfried DEVOLDERE, Onze kwartierstaat: Joris Lannoo in Vlaamse stam, 40, 2004, p. 321-327, ill.
Korte biografie en stamboom van Joris Lannoo (1891-1971), stichter van de West-Vlaamse uitgeverij Lannoo. [MdS]

3604. – Raf VAN LAERE, Plaatselijke drukkerijen in Limburg in de 19de eeuw. Een verkenning in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 641-678, ill.
Zeer informatief artikel. De auteur heeft zich gebaseerd op gelegenheidsdrukwerk, met name op bidprentjes voor overledenen om de lokalisering van (ook kleinere) drukkerijen na te sporen. Aangezien Limburg in het Ancien Régime afhing van Luik, was er in de nieuwe provincie geen duidelijk centrum. Hasselt werd bestuurlijke hoofdplaats, Tongeren behield de zetel van het assisenhof en Sint-Truiden bleef onderwijscentrum. In die drie steden vestigden de drukkers zich hoofdzakelijk. In 1830-1839 telde Limburg zeven drukkers, in 1910-1919 zijn er al 54. Men stelt een voortschrijdende centralisatie vast. De meest dynamische firma's gaan opereren vanuit Hasselt ten koste van de andere steden. In bijlage een alfabetische lijst van alle drukkerijen. [WW]

3605. – Patricia VAN DE VELDE, De drukkersfamilie Vander Haeghen en de "Gazette van Gent" in Oost-Vlaamse zanten, 77, 2002, p. 102-123, ill.
De drukkerij Vander Haeghen was de voornaamste Gentse drukkerij in de negentiende eeuw. Naast (school)boeken drukte zij onder meer de Gazette van Gent, de Wegwijzer van Gent en ... de Bibliographie gantoise, het meesterwerk van de geleerde zoon Ferdinand Vander Haeghen. Het artikel behandelt vooral de publicatie van de Gazette van Gent: techniek, oplage, illustratie. [MdS]

3606. – Peter THEUNYNCK, Guido Gezelle en het tijdschrift Werk in ZL:literair-historisch tijdschrift, 2, 2003, 4, p. 34-44, ill.
Aangezien het werk van Julius de Praetere door Van Nu en Straks geweigerd was, wilden Karel Van de Woestijne en De Praetere in 1897 een nieuw zuiver literair blad oprichten, dat door Buschmann te Antwerpen zou worden uitgegeven. Als medewerker zag Van de Woestijne met name St. Streuvels, V. de Meyere en L. Ontrop. Voor de illustraties mikte hij op G. Minne en H. Ottevaere. Er werd een nummer rond Gezelle gepland: dat zou abonnees werven. H. Verriest en Streuvels stemden toe, maar dan gebeurde maanden niets. In 1898 meldde Van de Woestijne aan De Meyere dat hij met De Praetere naar Brussel zou gaan om een handpers aan te schaffen. Streuvels trok zich terug omdat de druk uitbleef. Hij moet dat aan Van de Woestijne toegeschreven hebben, want aan De Praetere vertrouwde hij in diezelfde periode de druk van zijn eerste novellebundel "Lenteleven" toe. Van "Werk" verscheen nooit meer dan één nummer. [WW]

3607. – Paul THIERS, N.V. De Praetere S. A. Kroniek van een mislukking. – Wildert: De Carbolineum Pers, 2004. – 125 p.: ill.; 24 cm. – D 5458/2004/1.
Interessante publicatie van brieven van Julius de Praetere aan kunstschilder Victor Verougstraete over de oprichting en de geschiedenis van een naamloze vennootschap in 1902. Daarvoor had hij Kortrijkse bekenden weten te interesseren, onder wie de meubelfabrikanten Adolf en Jozef de Coene, de textielfabrikant Valère Verougstraete en diens broer Victor. Naast het uitgeven van boeken werd het vervaardigen van batiks en het kunstig bedrukken van tapijten als doeleinden genoemd. De Praetere toonde zich daarbij weinig realistisch: hij zag de zaken veel te groot, was weinig gedisciplineerd, voerde een chaotische boekhoudmg en vroeg veel te hoge prijzen voor zijn boeken. Zijn vertrek naar Krefeld had dan ook veel weg van een vlucht. Toch bleef De Praetere pp vriendschappelijke voet met Victor Verougstraete: hij moet erin geslaagd zijn aan de vennoten het gestorte kapitaal (1.500 frank) terug te betalen. Inleiding en aantekeningen bij de brieven maken goed het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid. Als illustratie is weinig bekend of zelfs onbekend materiaal uit het bezit van Boris Rousseeuw, drukker van De Carbolineum Pers, opgenomen. [WW]

3608. – Herman VEKEMAN, De familie Vekeman en het ontstaan van de drukkerij te Zottegem in Handelingen. Zottegems Genootschap voor Geschiedenis en Oudheidkunde, 11, 2003, p. 119-132, ill.
Genealogie van de familie Vekeman die in het begin van de 19de eeuw te Zottegem een kleine drukkerij oprichtte voor lokaal drukwerk. In 1899 werd die overgelaten aan G. Eylenbosch en Fr. Dupon. [MdS]

3609. – Jan PAUWELS, "Album op de Leeuw van Vlaenderen". Hendrik Conscience en illustrator Edward Dujardin, 1851 in Jan PAUWELS (ed.), Gheprint tAntwerpen ... , p. 104-120, ill.
Edward Dujardin (1817-1889) gaf in 1851 dit album uit, 64 platen in oblongformaat met begeleidende tekst. Het werk kostte 15 frank, een heel bedrag, maar trok toch 260 intekenaars aan. Dujardin hanteerde als techniek de omtrektekening, een procédé dat door de Engelse kunstenaar John Flaxman gepopulariseerd werd. Uit correspondentie tussen Conscience en Dujardin blijkt dat aan de illustrator, nog vóór het drukken, het manuscript toegestuurd werd om tijdig aan het werk te kunnen gaan. Dujardin deed voorstellen aangaande het aantal illustraties, afhangend van de omvang van het boek en van de bereidheid van de uitgever om daarin te investeren. Conscience bezorgde zijn eigen bronnenmateriaal aan de tekenaar. Dujardin illustreerde 43 titels van Conscience een kleine helft van diens oeuvre. Conscience achtte omtrektekeningen immers enkel geschikt voor zijn fictionele werken. De tekeningen van Dujardin vielen erg in de smaak bij de tijdgenoten. In de Conscience-editie van Van Dieren en Sijthoff (Leiden 18671879) werden zij gekopieerd – met monogram en al – door een Nederlandse plagiator. [WW]

3610. – Claude SORGELOOS, Les métiers du livre en Belgique avant l'Art Nouveau: illustrations, reliure et cartonnages (1815-1880) in Cl. LEBLANC (ed.), Art et Industrie. Les arts décoratifs en Belgique au XIXe siècle. Actes du colloque 23-24 octobre 2003. – Bruxelles: Musées royaux d' Art et d'Histoire, 2004, p. 94-103, ill.
Het scharniermoment 1815, bepaald door de vrijheid van boekhandel en de industriële revolutie, brengt diepgaande veranderingen teweeg inzake de boekproductie. Twee aspecten ervan zijn hier aan de orde. De houtgravure, de staalgravure, maar vooral de lithografie vereisen een andere pers dan die voor de tekst, met als gevolg boeken met buitentekstplaten. De decoratieve elementen zijn vaak retrospectief of historiserend. Boekbinders worden niet meer op de traditionele ambachtelijke wijze opgeleid, maar krijgen een vorming bij een meester-boekbinder, worden kunstenaar of kunstboekbinder. Daarnaast bloeit de industriële band, de uitgeversband; de vroegere voorlopige of interimomslagen wijzigen nu in bedrukte omslagen; bandzetters in papier of linnen worden met grote plaatstempels onder de pers bedrukt. Massaproductie is hierbij mede bepalend. Tegen het einde van de negentiende eeuw doet de Art Nouveau zich gelden. [ECI]

3611. – Annie DE COSTER, Geheimen uit de kleurenkeuken van een boekbinder of Manières de jasper et marbrer sur les livres in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. lIl, p. 33-78, ill.
De kleinzoon van Jacques Weckesser schonk aan de Bibliotheca Wittockiana een handschrift, gedateerd 1792 en bevattend een verzameling recepten om kleuren te maken voor het versieren van sneden van boeken, voor het kleuren en vergulden van banden en voor het maken van inkt. De auteur geeft de tekst integraal uit en voorziet die van een voortreffelijke, zeer deskundige commentaar op basis van een grote literatuurverzameling en van getuigenissen van boekbinders. De schrijfster acht de recepten vrij primitief en daarom afkomstig uit een eerder klein bedrijf. [WW]

3612. – Georges COLlN, Boekband, taal en politiek: Jacques of Jaak Mössly in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. III, p. 25-32, ill.
Onder zijn Antwerpse collega's viel de boekbinder Jacques Mössly op door een betere techniek en een meer gevoelige smaak. Hij signeerde zijn banden met "J. Mossly. rel.", J. Mössly boekbinder", eenmaal met zijn voornaam voluit in het Frans "Jacques Mössly relieur Anvers", maar vanaf 1895 uitsluitend met de Vlaamse versie "Jaak". De auteur verklaart dit uit Mössly's actief lidmaatschap van de Antwerpse (flamingantische) liberale partij. Mössly was lid van het Willemsfonds en in 1898 ondervoorzitter, in 1900 voorzitter van de "Bond der Liberale Nijverheidsbazen". [WW]

3613. – Elly COCKX-INDESTEGE, De band beware het boek. Uit de briefwisseling van Prosper Verheyden met Berthe van Regemorter in De Gulden Passer, 82, 2004, p. 161-177, ill.
De briefwisseling tussen P. Verheyden en B. van Regemorter begint in 1912 en eindigt in 1948, het sterfjaar van Verheyden. De brieven van Verheyden berusten in het AMVC-Letterenhuis, die van Van Regemorter in de Stichting "De Berderen" te Dilbeek. Op basis van dit materiaal wordt hier de houding van beiden tegenover boekbanden in het algemeen en tegenover het werk van Van Regemorter in het bijzonder behandeld. Van Regemorter leerde het vak bij J. Hendrickx te Brussel en bekwaamde zich verder bij Sangorski & Sutcliff te Londen. Verheyden had zich als autodidact opgewerkt tot "de" autoriteit inzake de blindgestempelde band in de Lage Landen van de 14de tot de 16de eeuw. In 1912 introduceerde Verheyden Van Regemorter in het Museum Plantin-Moretus en informeerde hij haar over zijn eigen onderzoek. Beiden wisselden ook informatie uit over concerten, opera's en liederavonden. Verheyden werkte mee aan haar eerste grote tentoonstelling in het Museum Plantin-Moretus in 1923. Nadien zette hij haar aan om, als vrouw van het vak, te publiceren. Haar latere bijdragen over Koptische, Griekse, Armeense en Byzantijnse banden heeft hij niet meer mogen beleven. De selectie uit de briefwisseling is zeer gelukkig. De lezer maakt kennis met twee getalenteerde figuren die dezelfde hartstocht voor banden koesteren en elkaars zienswijze zowel echoën als aanvullen of kritiseren. Met de geciteerde namen van bibliofielen, die werk van Van Regemorter bezaten, wordt een hele wereld van het kostbaar gebonden boek in het Interbellum opgeroepen. Het artikel is geïllustreerd met zeldzaam fotomateriaal, zowel inzake boekbanden als portretten. [WW]

3614. – Elly COCKX-INDESTEGE, Van "Abrahams offer" tot "Zwolle. Agnietenberg". Ontstaan, ontwikkeling en bestemming van het Wrijfselarchief Verheyden/lndestege in J. BIEMANS, L. KUITERT en P. VERKRUIJSSE (eds.), Boek & Letter. Boekwetenschappelijke bijdragen ter gelegenheid van het afscheid van Frans A. Janssen als hoogleraar in de Boek- en bibliotheekgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. – Amsterdam: De Buitenkant 2004 p. 535-559, ill.
Wrijfsels worden gemaakt met een redelijk zacht potlood of met wrijfselwas. Zij leveren een duidelijk beeld van de voorstelling op stempels van boekbanden. Aangezien zij altijd op ware grootte zijn, vormen zij het ideale werkinstrument van de bandenvorser. P. Verheyden, die de grote autoriteit inzake de Vlaamse laatmiddeleeuwse boekband zou worden, werd door Max Rooses in de boekenwereld binnengehaald. Rooses vroeg hem mee te werken aan een tentoonstelling over het moderne boek in het Museum Plantin-Moretus in 1904. In 1905 moet het befaamde werk van J. Weale voor hem een aansporing betekend hebben. In 1929 kwam hij in contact met L. Indestege (1901-1974). Van dan af begon hun jarenlange samenwerking op het gebied van de oude band. Samen trokken zij op expeditie, op "bandenjacht" . Het was dan ook voor de hand liggend dat na de dood van Verheyden het opgebouwde apparaat in 1947 naar de woning van Indestege in Dilbeek verhuisde. Daar zet ECI het werk van haar vader voort. De collectie omvat niet alleen wrijfsels, maar ook wetenschappelijke literatuur: reproducties, catalogusknipsels, lijsten van verzamelaars. Het materiaal heeft betrekking op circa 10.000 banden, geordend in meer dan 300 mappen, aangelegd op binders, bibliotheken, thema's ... Het geheel vormt een unieke verzameling bouwstoffen voor een nog te schrijven synthese over de Vlaamse middeleeuwse band. Om het materiaal veilig te stellen is in 2000 de stichting "De Berderen" met zetel te Dilbeek opgericht. De hele collectie is thans gedigitaliseerd. Verslag van een uit de praktijk gegroeide methodologische aanpak. Tevens voorbeeld van opbouw en veiligstelling van een fragiele collectie, in de loop van vele decenniën aangelegd. [WW]

3615. – Claude SORGELOOS, Revues de bibliophilie en Belgique aux XIXe et XXe siècles in Le livre et l'estampe, 50, 2004, 161, p. 11-60, ill.
Sterk gedocumenteerd en zeer volledig overzichtsartikel, gesteund op uitvoerige literatuur. Achtereenvolgens in Bergen (1835), Gent (1839), Luik (1863) en Antwerpen (1877) werden verenigingen van bibliofielen gesticht. Behalve de Gentse Maatschappij der Vlaamsche Bibliophielen zijn ze nog alle werkzaam. Onder de bibliofiele tijdschriften geldt als oudste de "Annuaire de la Bibliothèque royale de Belgique" (1840-1851), opgezet door F. de Reiffenberg. Nog gedeeltelijk in dezelfde periode verscheen de "Bulletin du bibliophile belge" (1844-1865) van de Reiffenberg en de Brusselse antiquaar A. Vandale. De eveneens Brusselse antiquaar J. F. Olivier gaf daarna "Annales du bibliophile belge et hollandais" (1864-1866) uit. Met de insluiting van Nederland kwam hierin het boek van de oude Zeventien Provinciën aan bod. Olivier die van Nederlandse afkomst was, kon voor bijdragen een beroep doen op C. Ph. Serrure, Ch. Ruelens, F. van der Haeghen en M. Campbell. In 1865 werd Olivier gecontacteerd door X. de Theux, stichter van de "Société des Bibliophiles de Belgique" en hij werd uitgever van "Le Bibliophile belge" (1865-1879). In 1881 gaf Olivier op eigen initiatief "Annales du bibliophile belge" (1881-1886) uit, tot kort voor zijn dood (1887). De tijdschriften, waarbij Olivier betrokken was, waren van hoge kwaliteit. De leden van de "Société des Bibliophiles et Iconophiles de Belgique", opgericht in 1910, bezorgden de "Annuaire" van hun genootschap (1910-1924) met, naast officiële verslagen, artikels van J. van den Gheyn, A. Vincent, E. Closson en H. de Backer. In 1954 had een reorganisatie plaats en de "Annuaire" werd vervangen door "Le Livre & l'Estampe". Alle verenigingen van bibliofielen (behalve de Gentse Maatschappij) hebben "Bulletins" uitgegeven, die doorgaans onregelmatig verschenen. Dat is niet het geval met "De Gulden Passer" (1923-), waarvan de rijke inhoud geprezen wordt. Tenslotte wijst de auteur nog op enkele bibliofiele periodieken op basis van privé-initiatief, gaande van ex-libris-verzamelaars tot antiquaren. Zeer informatief. [WW]

3616. – Albert VERVAET, De Zaffelaarse kasteelheer Charles De Bremmaecker, erfgenaam van Charles Van Hulthem en het ontstaan van de Nationale Bibliotheek van België in Heemkundige Kring De Oost-Oudburg. Jaarboek, 40, 2003, p. 203-248, ill.
Uitvoerige biografie van Charles de Bremmaecker (Gent 1801-Zaffelare 1844), zoon van de zuster van de bekende bibliofiel Karel van Hulthem (Gent 1764 – Gent 1832), en met zijn zuster Maria diens enige erfgenamen. Hij verkocht de grote collectie-Van Hulthem aan de Belgische staat ten behoeve van de in 1837 heropgerichte Koninklijke Bibliotheek. Een gedeelte ervan, vooral de kunstboeken, bleef bij de erfgenamen en werd na De Bremmaeckers dood in 1845 te Gent geveild. [MdS]

3617. – Lori VAN BIERVLIET, Ludo VANDAMME (ed.) & Andries VAN DEN ABEELE, The Founding Fathers. Het bibliotheeklandschap in Brugge omstreeks 1800. – Brugge: Uitgeverij Van de Wiele 2004. – 96 p.: ill. – ISBN 90-76297-24-X.
Deze studie bundelt vier artikels ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in de openbare bibliotheek Brugge. VDA schrijft over bibliotheken en boekenbedrijf in Brugge op het einde van de 18de eeuw; "De wereld omheen Joseph-Ignace van Praet (1724-1792)" schetst de bedrijvigheid van de vier voornaamste Brugse boekhandelaars: Van Praet, Cornelius De Moor, Joseph de Busscher en Joseph Bogaert. Zij drukten officieel drukwerk voor de stad en religieuze literatuur. Als handelaars in boeken (ook buitenlandse) waren zij zeer actief.
V gaat op zoek naar de oorsprong van de openbare bibliotheek Brugge en vindt die in "William Edwards (1776-1842) en de bibliotheek van de École Centrale (1797-1804)". In 1797 ging Edwards met ijver aan het werk. De bibliotheek werd opgebouwd uit voormalig kerkelijk bezit. Maar het onderwijs in de Ecole Centrale richtte zich bij voorrang op de nieuwe wetenschappen en daar bleef de bibliotheek in gebreke. Edwards vulde zijn collectie aan met (sporadische) zendingen uit Parijs, maar vooral op veilingen en bij boekhandelaars in Brugge zelf.
VB schenkt aandacht aan "De boekenas Brugge-Parijs. Joseph-Basile van Praet (1752-1837), bibliothecaris in Parijs en weldoener van de openbare bibliotheek Brugge". Aan hem dankt de Brugse bibliotheek haar "kroonjuwelen: vijftien incunabels van Colard Mansion. Hij was de oudste zoon van Joseph-Ignace van Praet en opgeleid voor de handel in boeken. Om zijn opleiding te voltooien trok hij naar Parijs in 1779 en trad er in 1784 in offciële dienst. Zo werd hij het brein achter de grootste boekenverhuis in de geschiedenis. Hij stelde de lijsten op van de werken die de Franse veroveraars, van de Revolutie tot Napoleon, uit Europa naar Parijs sleepten.
De laatste bijdrage is van V: "Bibliothecaris Pierre-Jacques Scourion (1767-1838) aan het werk". Scourion, geboren te Boulogne, was het prototype. van de Franse ambtenaar in veroverd gebied. Hij werd stadsbibliothecaris in 1808. De bibliotheek van de École Centrale en de Duinenbibliotheek waren eigendom van de stad geworden. Scourion liet de afgevoerde boeken van de abdij (75.000) veilen om tot een eigentijdse collectie te komen. Hij was bevriend et J.-B. van Praet die hij hielp bij diens archivalische opzoekingen omtrent Mansion. Scourion bezat een uitstekende kennis en correspondeerde met veel buitenlandse geleerden. Hij bezat zelf een grote, maar ongeordende bibliotheek. Twee jaar na zijn dood werd die geveild: circa 15.000 titels, verdeeld over 6614 kavels. Het boek heeft een gezamenlijk register van persoonsnamen, slaande op de vier bijdragen. [WW]

3618. – Émile VAN BALBERGHE, Les livres de Léon Bloy dans la bibliothèque de Michel de Ghelderode in Le livre et l'estampe, 50, 2004, 162, p. 165-172.
De bibliotheek van de Franstalige Belgische toneelauteur Michel de Ghelderode (1898-1962) is gedeeltelijk bewaard in de Université Libre de Bruxelles en in de Stadsbibliotheek van Oostende. Een onbekend deel van de collectie is, al dan niet tijdens diens leven, verspreid geraakt. Hier worden een achttal werken van de Franse auteur Léon Bloy (1846-1917) belicht die de jonge Ghelderode blijkbaar een tijdje hebben geboeid – getuige de leessporen en aantekeningen. [MdS]

3619. – Alfons K.L. THIJS, Twee minnaars van het oude volksboek: Emile H. van Heurck en G.J. Boekenoogen in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 267-274, ill.
Onder impuls van de Franstalige dichter Max Elskamp begon de Antwerpse bibliofiel Emile Henri van Heurck (1871-1931) volkskundige objecten te verzamelen. Rond 1900 richtte hij zijn aandacht op "blauwboeken", prozaromans, vooral in kwarto-formaat. Zo kwam hij in contact met A.G.J. Boekenoogen (1868-1930), die in de reeks "Nederlandsche Volksboeken" van de Leidse Maatschappij een aantal edities verzorgd had. Dat resulteerde in een gezamenlijke publicatie, "Histoire de l'imagerie populaire flamande" (1910), waarvan Van Heurck het leeuwendeel voor zijn rekening nam. Later speelde Boekenoogen vooral een adviserende rol. Van Heurck bleef vóór alles verzamelaar, op zoek naar zeldzame, liefst unieke drukken. Voor Boekenoogen was dat niet voldoende: hem interesseerden in de eerste plaats de teksten, voorzover die hem informeerden over middeleeuwse literatuur. Van Heurcks werk "Les Livres populaires flamands" is dan ook geen bibliografie van alle Zuid-Nederlandse volksboeken, maar het brengt bondige samenvattingen van een tachtigtal populaire werken. Boekenoogen wees Van Heurck dan ook op de beperktheid van dit opzet. [WW]

3620. – Bart OP DE BEECK, De verzameling gedrukte werken van Karel van Hulthem en de Koninklijke Bibliotheek van België. Een eerste kennismaking in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. III, p. 493-544, ill.
Na de dood van Karel van Hulthem (1764-1832) zou zijn bibliotheek publiek verkocht worden. Daartoe werd een veilingcatalogus, "Bibliotheca Hulthemiana", opgesteld onder de leiding van A. Voisin. De Belgische staat kocht de complete collectie aan als kern van de in 1839 geopende Koninklijke Bibliotheek. Het werk van Voisin wordt er nog steeds als bibliografisch referentiewerk gehanteerd. Toch waren niet alle boeken in de overdracht inbegrepen. De neef en erfgenaam van Van Hulthem, Charles de Bremmaecker had voordien een klein aantal werken mogen uitkiezen. Na zijn dood kocht de Koninklijke Bibliotheek op de veiling van zijn bibliotheek 32 kavels op een totaal van 520 terug. In de loop van de negentiende eeuw bleken boeken van Van Hulthem in andere afdelingen van de Koninklijke Bibliotheek terechtgekomen te zijn, andere werden als dubbels geruild of verkocht. Afwisselende methodes van catalogisering leidden ertoe dat bepaalde kavels nog steeds niet goed beschreven zijn. [WW]

3621. – Claude SORGELOOS, L'armorial belge du bibliophile (1930). Notes et documents relatifs au vicomte Théodore de Jonghe d'Ardoye. – Bruxelles: Archives et bibliothèques de Belgique, 2003. – 203 p.: ill. – D 2003/l080/x. – (Archives et bibliothèques de Belgique, Numéro spécial, 70).
De Brusselse Koninklijke Bibliotheek verwierf in 1999 een lot archiefmateriaal betreffende het "Armorial belge du bibliophile", gepubliceerd in 1930 door Th. de Jonghe d'Ardoye, Joseph Havenith en Georges Dansaert. Het was de Jonghe d’Ardoye die het merendeel van het werk op zich nam, in casu het (laten) maken van wrijfsels als reproducties van de eigendomsmerken van bibliofielen op boekbanden. Het artikel volgt hem op zijn tocht door Belgische steden en bibliotheken. Dat nam de jaren 1925-1926 in beslag. Voor de publicatie namen de drie auteurs eerst contact op met Joseph Goemaere, maar besloten nadien hun werk aan te bieden aan de "Société des Bibliophiles et Iconophiles de Belgique". In 1928 werd door dit genootschap tot uitgave besloten. De druk werd voltooid op 30 december 1930. Tot het laatste ogenblik bezorgde de Jonghe d' Ardoye aanvullingen. Hij verzamelde ook later materiaal voor een mogelijk supplement. Tijdens zijn opzoekingen had hij naast de wapenschilden aandacht gekregen voor de boekbanden zelf. Ook daarover hield hij materiaal bij met het oog op een latere publicatie. Die is er niet van gekomen, evenmin als een "Nederlands Wapenboek": daarvoor waren zijn gegevens, naar het zeggen van de firma Martinus Nijhoff, te beperkt (de Jonghe had geen onderzoek in Nederland zelf verricht). De materie van het "Armorial" stelde specifieke problemen: het bleek moeilijk om de banden als bezit van één individu uit een uitvoerige familie met hetzelfde wapenschild te identificeren. De graveurs van de stempels bekommerden zich ook niet om de kleuren op de wapenschilden. Niet verwonderlijk dan ook dat het "Armorial" zijn beperkingen heeft, maar het blijft een referentiewerk. Zeer zorgvuldige studie, waarin het losse materiaal van de Jonghe d'Ardoye zorgvuldig ontleed en ontsloten wordt. In de voetnoten is een zeer uitvoerige wetenschappelijke literatuur verwerkt. [WW]

3622. – L. VAN ACKER, De onderwijzersbibliotheken van Tielt in 1888 in Biekorf, 104, 2004, p. 362-365.
In 1888 verscheen bij de Tieltse drukker Van Welden een catalogus van de twee onderwijzersbibliotheken die het schoolkanton toen telde. De bibliotheek van de "Eerste Kring" bevatte het deel van de collectie in Tielt zelf, die van de "Tweede Kring" (geringer in omvang) sloeg op de omliggende gemeenten. De bibliotheek bleef in gebruik tot na 1903, misschien tot de Eerste Wereldoorlog. Het bestand telde meestal tweedehandse, vulgariserende werken. Wettelijke teksten betreffende het onderwijs waren sterk vertegenwoordigd, een dichter als Gezelle ontbrak. Alleen voor landbouw waren titels aanwezig die tot de betere literatuur behoorden. De bibliotheek werd vermoedelijk gesticht in de Hollandse Tijd toen het lager onderwijs sterk gestimuleerd werd. [WW]

3623. – Jean-Philippe SCHREIBER & Philippe PIERRET, Orientalisme et études juives à la fin du XIXe siècle. Le manuscrit d'Émile Ouverleaux. – Bruxelles: Didier Devillez Éditeur/ Institut d'Études du Judaïsme, 2004. – 195 p.: ill. – ISBN 2-87396-061-2. – (Collection Mosaïque, 2).
Émile Ouverleaux (1846-1929), conservator bij de Koninklijke Bibliotheek van België, publiceerde een pionierswerk "Notes et documents sur les Juifs de Belgique sous l'Ancien Régime", naast studies over cartografie, numismatiek, genealogie, judaïsme en protestantisme. Op eenentwintigjarige leeftijd werd hij bediende bij de Koninlijke Bibliotheek, doorliep er alle rangen en verzamelde heel die tijd boeken en munten. Zijn collectie werd geveild in 1934. Zij getuigde zowel van het groot inzicht van de geleerde als van de eclectische smaak van de bibliofiel. [WW]

3624. – Jan DESCHAMPS, Constant Philip Serrure 1805-1872 in Frans HENDRICKX e. a. (eds.), E codicibus impressisque, ... , dl. III, p. 331-391, ill.
C.Ph. Serrure was in zijn jeugd werkzaam op het registratiekantoor van J.F. Willems te Antwerpen. Daar ontwikkelde hij een grote belangstelling voor Nederlandse taal- en letterkunde en geschiedenis. Ook werd hij een verwoed verzamelaar van boeken en munten. Op aanraden van Willems studeerde hij rechten aan de Rijksuniversiteit (1826) te Leuven. De balie lag hem echter niet en hij werd archivaris, daarna conservator van het Provinciaa1 Archief te Gent. In 1835 werd hij professor aan de Gentse universiteit. Zijn optreden was er niet onomstreden. Zijn hartstocht als verzamelaar deed hem zijn universitaire plichten verwaarlozen om binnen- en buitenlandse veilingen bij te wonen en om geld bijeen te krijgen voor het aanvullen van zijn aanzienlijk boekenbezit. Zo organiseerde hijzelf veilingen en stelde hij catalogi voor veilinghouders samen. Hij vatte grootse editieplannen aan, maar bracht ze zelden tot voltooiing. Zijn onberekenbaar karakter maakte hem niet geliefd bij vakgenoten. Toch respecteerde men zijn opmerkelijke bibliografische, literair-historische en numismatische kennis. Algemeen werd erkend dat hij de Vlaamse Beweging door zijn geschriften en zijn talrijke lidmaatschappen in vele verenigingen grote diensten bewezen heeft. Uitvoerige bijdrage van de betreurde D, die hiermee een diepgaande studie van de complexe figuur Serrure leverde. Het stuk is bewonderenswaardig bibliografisch gedocumenteerd. [WW]

3625. – Marcel DE SMEDT, F.A. Snellaert als boekenverzamelaar. Uit de briefwisseling met J.J. Nieuwenhuyzen in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 257-266.
Exemplarische bijdrage over het verwerven van boeken door de Vlaamse voorman F.A. Snellaert (1809-1872). Het artikel steunt op de correspondentie met de Amsterdamse "korenfactor" (graanhandelaar) Jacobus Johannes Nieuwenhuyzen (1816-1860), bewaard in de Gentse universiteitsbibliotheek. Hun eerste contact dateerde uit 1846, wanneer Snellaert aan Nieuwenhuyzen op diens vraag een boek, dat J.F. Willems van Nieuwenhuyzen geleend had, terugstuurde (Snellaert stelde op dat ogenblik de catalogus van Willems' bibliotheek op). Van dan af zond Nieuwenhuyzen aan Snellaert catalogi van komende veilingen en kreeg hij van Snellaert wensen meegedeeld. Aanvankelijk duidde Snellaert geen prijzen aan, maar enkel voorkeuren. Later veranderde dat. Betaald werd met wissels. Het vervoer van de gekochte boeken naar Gent was problematisch: uiteindelijk bleek verzending via de boekhandel nog het minste kwaad te zijn. Snellaert kocht via Nieuwenhuyzen vooral liedboeken, volksboeken en toneelwerken maar ook een handschrift van Jan Yperman (Snellaert was arts). Voor de bibliofiel bevat de correspondentie nog steeds bekende klachten: de boeken gaan op grote veilingen te duur en de grote antiquariaten (in casu Frederik Muller) kopen alles op! De boekhistoricus noteert het aankopen van thans zeer zeldzame stukken, het moeizame transport en de hardnekkigheid die een verzamelaar als Snellaert aan de dag legt om zijn collectie stelselmatig uit te bouwen. [WW]

3626. – H. BAECK-SCHILDERS, De Bibliotheca Stellfeldiana. Een unieke Antwerpse muziekcollectie in de University of Michigan in Jaarboek. Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde. (Antwerpen), 14, 2002-2003 [versch. 2004], p. 149-169, ill.;
H. BAECK-SCHILDERS, The Bibliotheca Stellfeldiana in Belgisch tijdschrift voor muziekwetenschap, 58, 2004, p. 203-223.
De omvangrijke muziekbibliotheek van de Antwerpse jurist en musicoloog Jean Auguste Stellfeld (1881-1952) werd na slepende onderhandelingen niet door een Belgische instelling, maar door de University of Michigan in Ann Arbor gekocht. Zijn verzameling instrumenten en beeldende kunst werd in 1955 te Brussel geveild (lijst in "Bijlage", p. 161-163). B-S vermeldt een aantal zeldzame drukken uit de collectie. [Md S]

3627. – Alfons K.L. THIJS, Loven en bieden. Antiquaren en bibliofielen rond de civilitédruk Die historie vanden ouden Tobias (Ameet Tavernier, 1567) in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. III, p. 355-568, ill.
Einde 1907 vernam boekhistoricus P. Verheyden dat het antiquariaat Loescher & Compagnie te Rome een exemplaar van "Die historie vanden ouden Tobias", gedrukt te Antwerpen door A. Tavernier in een civilitéletter in 1557, te koop aanbood tegen 30 goudfrank. Toen Verheyden hiernaar informeerde, bleek het werk doorverkocht te zijn aan antiquariaat J. Halle te München. Die vroeg er 200 mark voor. Verheyden contacteerde eerst P.C. Burger van de Amsterdamse universiteitsbibliotheek een, gezien diens reserves, daarna Max Rooses, conservator van het Museum Plantin-Moretus. Rooses wou 100 mark bieden. Voor Halle was dat te weinig, maar hij zond het boekje ter inzage. Daardoor kon Verheyden de beschrijving corrigeren: het werk dateerde uit 1567, niet uit 1557. Het was dus niet de vroegste civilitédruk van Tavernier, maar het bleef een merkwaardig volksboek. Toen kwam de grote verzamelaar van dat soort boeken, E. van Heurck, in actie. In 1915 vroeg Halle 450 mark (met korting van 20 %), Van Heurck bood er 150. In 1919 kwamen beide partijen tot een akkoord. Halle vroeg dan 900 mark, Van Heurck bood er 700. Hij verwierf het boek. Na zijn dood werd het exemplaar door zijn erfgenamen aan het Museum Plantin-Moretus geschonken. Van Heurck had deze laatste wilsbeschikking getroffen als dank voor de steun die hij, vooral in de laatste maanden van zijn leven, van conservator Maurits Sabbe mocht ondervinden. Interessante bijdrage, gesteund op archivalisch materiaal in Antwerps privé-bezit, die de werking van bibliofiele en wetenschappelIjke netwerken mooi aantoont. [WW]

3628. – Jacques HELLEMANS, Les éditions Hauman (1829-1845) in Contrefaçons = Cahiers du Cédic, 2-4, 2003, p. 79-163.
Studie van het fonds van de gebroeders Louis (1810-1872), uitgever, en Adolphe (1806-1867), financier, Hauman. Het artikel brengt een reconstructie van een chronologische catalogus van hun uitgaven. De firma, een commanditaire vennootschap, legde zich toe op "ernstige" werken: geschiedenis, aardrijkskunde en economie. Romans werden niet versmaad zolang zij succes hadden. Hun totale productie bedroeg 1.066 titels. De catalogus is per jaar alfabetisch geordend. Ook de statuten van de vennootschap worden afgedrukt. [WW]

3629. – Christophe BULTÉ, Approche économique du secteur de la contrefaçon à Bruxelles (1814-1852) in Contrefaçons = Cahiers du Cédic, 2-4, 2003, p. 3-78.
Reeds in 1814 vaardigde Willem I een wet uit, waarbij het literaire eigendomsrecht voor vreemde werken opgeheven werd. De Brusselse drukkerswereld, die tot dan weinig voorstelde, speelde hier graag op in. De koning ondersteunde dit initiatief door een fonds tot aanmoediging van de eigen nijverheid. Na 1830 viel die steun samen met de Hollandse markt weg. De dreigende crisis werd opgevangen door het oprichten van commanditaire vennootschappen. Er volgde hevig protest vanuit Frankrijk tegen de Belgische nadruk tot 1847. In dat jaar keerde de Belgische publieke opinie. Tot dan hadden de liberalen de nadruk verdedigd als uiting van de vrijheid van drukpers; aan katholieke zijde stoorde men zich daarentegen aan de verspreiding van romans met twijfelachtig zedelijk gehalte. In 1854 werd een "Convention Littéraire" tussen België en Frankrijk gesloten, waardoor een einde kwam aan de nadruk. Die bleek uiteindelijk positief: de Franse uitgevers werden uit hun lethargie opgeschrikt, het publiek kreeg moderne auteurs en wetenschappelijke werken tegen moderate prijzen en Brussel hield er een florerende typografische industrie aan over. [WW]

3630. – René FAYT, Les contrefacteurs belges étaient des "étrangers" in Contrefaçons = Cahiers du Cédic, 2-4, 2003, p. 165-194.
De Belgische nadruk, door de Fransen beschouwd als contrabande, bedrog, ja piraterij, was niet zelden het werk van buitenlanders. De meest bekende drukker onder hen, Jean-Paul Meline was een Italiaan. Louis en Adolphe Hauman en Charles Murquardt waren van Duitse origine. Ook in het officiële Parijse drukkersbedrijf moet de Duitse inbreng ongemeen groot geweest zijn. In appendix volgen twee bijdragen van Pierre-Jules Hetzel uit 1854 (in facsimile) ten voordele van de Belgische nadruk. [WW]

3631. – Berry DONGELMANS, "Wat baat ons de brug over den Moerdijk ... ". De Vlaamse boekhandel 1845-1880 door Hollandse ogen bezien in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 170-178.
Contacten tussen Nederland en België via de boekhandel dateerden vanaf 1845. Dan werden een aantal Vlaamse auteurs als H. Conscience en K. Ledeganek in het Noorden beschikbaar gesteld. Omgekeerd probeerden enkele Nederlandse boekhandelaars in het Zuiden hun auteurs aan de man te brengen, doch met weinig succes. Een belemmering daarbij waren de invoerrechten op geïmporteerde Nederlandse boeken. En het Nederlandse boek was al duur in vergelijking met Vlaamse en Franse werken. Ook werd een algeheel gebrek aan studeer- en leeslust in België vastgesteld. De Gentse boekhandelaar W. Rogghé zag, naast de "almacht" van de geestelijkheid, als twee oorzaken daarvan: de afwezigheid van goede boekhandels en de bevoordeling, door de Belgische staat van het Frans. Na 1870 keerde het tij: de boekhandel in Vlaanderen begon zich te organiseren, er kwamen bladen voor de boekhandel en er verscheen een Vlaamse bibliografie. [WW]

3632. – Jan PAUWELS, De "onverkwikkelijke" Geschiedenis der Vlaamsche Letterkunde: Theofiel Coopman, Lodewijk Scharpé en De Nederlandsche Boekhandel, 1899-1910 in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 295-301, ill.
De directeur van De Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen, Lucas Hendrik Smeding (1866-1941), had de uitgave van dit werk gepland als een pendant van J. ten Brinks "Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde". Daarvoor sprak hij in 1899 Theofiel Coopman (1852-1915) aan, die het werk wel wilde ondernemen samen met zijn vriend V. de la Montagne. Deze laatste moest verstek laten gaan om gezondheidsredenen en werd vervangen door de jonge Leuvense hoogleraar Lodewijk Scharpé (1869-1935). In 1904 stokte het werk. Smeding had de complexiteit van het verzamelen van illustratiemateriaal onderschat, terwijl de auteurs om ideologische redenen in conflict geraakt waren. Ook werd Scharpé gehinderd door een zware lesopdracht. In 1910 verscheen toch de laatste van twaalf afleveringen. Er was een compromis bereikt dankzij een grondige bekorting van de lopende tekst en uitgebreide toevoegingen in voetnoot. Revelerend artikel op basis van brieven, bewaard in het AMVC-Letterenhuis. [WW]

3633. – Stefan VAN DEN BOSSCHE, Maurice Roelants als boekhandelaar en uitgever in ZL: literair-historisch tijdschrift, 3, 2005, 4, p. 54-66, ill.
Maurice Roelants studeerde voor onderwijzer aan de Rijksnormaalschool te Gent. Hij was vanaf 1915 onderwijzer te Sint-Jans-Molenbeek, maar kreeg gezondheidsproblemen. Daarom verliet hij het onderwijs en stichtte hij in 1917 De Nieuwe Boekhandel en nadien, daarmee verbonden, de gelijknamige uitgeverij. Het was een soort postorderbedrijf, waarin Roelants grote dynamiek ontplooide en hij veel succes kende. Twee eigen publicaties waren de eerste uitgaven van De Nieuwe Boekhandel. Nadien gaf hij de "Beiaardserie" uit, waarin hij werk van zijn vrienden luxueus uitgaf. Er was grote aandrang van literatoren om in deze fraaie reeks te publiceren, zodat hij L. Monteyne en L. Baekelmans kon laten wachten. In augustus 1918 hield de reeks op: de bibliofiele drukken bleken te duur te zijn; ook was de oorlogssituatie niet gunstig. Roelants ging omzichtiger te werk bij een tweede poging. De auteur en kunsthistoricus Korneel Goossens (1900-1971) leidde de uitgeverij Het Kompas (tot 1936 gevestigd te Mechelen, daarna in Antwerpen). Bij Het Kompas stichtte Roelants de reeks "De Feniks" met in de redactie M. Gijsen en J. Kuypers. In die reeks zouden de beste boeken tegen betaalbare prijzen uitgegeven worden. Tussen 1931 en 1936 werden 24 titels uitgegeven. Roelants koos zowel werk van gevestigde Nederlandse auteurs als meer avontuurlijke leesboeken, gericht op een ruim publiek. [WW]

3634. – Jan STUYCK, Commercieel gezien: het literaire fonds van de Standaard Uitgeverij in Zuurvrij: berichten uit het AMVC-Letterenhuis, 2004, 6, p. 57-62, ill.
De Standaard Uitgeverij staat nu vooral bekend om de uitgave van non-fictieboeken, strips en jeugdboeken. Toch heeft de uitgeverij sinds haar stichting in 1924 geprobeerd een literair fonds op zetten – met wisselend succes. Na 1930 verzorgde Standaard Uitgeverij het werk van enkele gereputeerde auteurs als F. de Pillecyn en J. Simons. Debuten waren veeleer uitzonderingen. In 1965 bracht de uitgeverij de literaire reeks "Literatuur van vandaag" op de markt met titels van F. Dalle en A. Berkhof, geen onbekenden in de literatuur. De reeks stopte na korte tijd. Op het einde van de jaren zestig ging de uitgeverij zoek naar jong talent: C. van de Berge (in het artikel hardnekkig "Van den Berghe gespeld), P. Brondeel en D. Robberechts (met een boek dat bij Manteau geweigerd was). Later kwam de reeks "Gemini" in 1972. Zowel gevestigde namen (Berkhof, M. Alsteen, F. Auwera, W. Spillebeen) kwamen aan bod naast nieuw talent (L. Zvonik, L. Pleysier). De reeks "Gemini" liep tot 1977. De uitgeverij hield het kostenplaatje van het literaire fonds nauwlettend in het oog, waardoor het prozadebuut van P. de Martelaere "als niet aanvaardbaar berekend risico" afgewezen werd. Het artikel steunt op het bedrijfsarchief 1969-2003 van de Standaard Uitgeverij, dat nu berust in het AMVC-Letterenhuis. [WW]

3635. – Marinus VAN HATTUM, Da Costa tussen Bilderdijk en Suringar: een uitgeversdocumentatie. – Amsterdam / Munster: Stichting Neerlandistiek Vrije Universiteit / Nodus Publikationen, 2004. – 275 p. – ISBN90-72365-82-8; ISBN 3-89323-745-3. – (Uitgaven Stichting Neerlandistiek VU, 44).
Voorbeeldige bronnenuitgave rond de publicatie door G. T.N. Suringar (Leeuwarden) van werken van Willem Bilderdijk. Dat geschiedde door bemiddeling van diens vriend Isaac da Costa. Hoewel uiteraard gericht op de Noord-Nederlandse situatie, is dit boek, met bijvoorbeeld Hendrik Conscience en zijn uitgevers (1953) van G. Degroote en J. de Schuyter, één van de zeldzame publicaties rond de uitgavegeschiedenis van belangrijke Nederlandse auteurs. En dus een zeldzaam lichtend voorbeeld van empirische boekgeschiedenis van de negentiende eeuw – zoveel arbeidsintensiever, maar ook zoveel belangwekkender dan de (v)luchtige lezingen en het "infotainment" van een deel van de woordvoerders uit de huidige "boekenwereld". Ad fontes! [MdS]

3636. – Jan PAUWELS, "Om de Mengeling te helpen versieren": de publicatiegeschiedenis van Willem Bilderdijk in de Zuidelijke Nederlanden, 1820-1890 in Het Bilderdijk-Museum, 21, 2004, p. 1-8, ill.
In de periode van het Verenigd Koninkrijk werd de faam van Bilderdijk hooggehouden door J.F. Willems, J. Kesteloot en J. Wap. Zij zorgden ervoor dat Bilderdijk in Zuid-Nederlandse tijdschriften aan bod kwam. Na 1830 duurde het tien jaar, vooraleer de Nederlandse literatuur in het nieuwe België weer tot leven kwam. J.B. David, hoogleraar te Leuven, bezorgde geannoteerde en becommentarieerde edities van "De Geestenwareld" (1842) en "De Ziekte der Geleerden" (1848), die hij benutte voor zijn eigen onderwijs. Buiten de academische kring bleef de productie van Bilderdijks werk in boekvorm beperkt. Wel was hij geregeld aanwezig in tijdschriften. F.A. Snellaert schonk aandacht aan Bilderdijk in het Gentse "Kunst- en Letterblad" . Zo werd daarin de briefwisseling van Bilderdijk met Kesteloot en met C.Ph. Serrure gepubliceerd. In het onderwijstijdschrift "De Toekomst" (met als hoofdredacteur Frans de Cort) werden de belangrijkste publicaties van en over Bilderdijk systematisch gerecenseerd. [WW]

3637. – Catherine GRAVET, La collaboration d’Alexis Curvers aux journaux et revues. "Les cahiers mosans" (1924-1934) in Le livre et l’estampe, 50, 2004, 162, p. 113-155, ill.
Bibliografisch onderzoek naar de bijdragen van de Franstalige Belgische dichter Alexis Curvers (1906-1992) aan de Cahiers mosa(i)ns. Curvers was ook een amateur-boekbinder. [MdS]

3638. – Jozef BOETS, Gezelles zelfstandige publicaties. Aanvullingen en verbeteringen van Gezelles zelfstandige publikaties, Antwerpen 1979. – Schoten: Jozef Boets, 2003. – 24 p.: ill. – (Duiten en dukaten. publicaties van de Guido Gezellekring, 2).
De aanvullingen bestaan vooral in het signaleren van Gezelle-exemplaren in privé-verzamelingen, zodat die boeken voor het wetenschappelijk werk ontsloten kunnen worden. Het aantal Gezelle-verzamelaars blijkt niet gering te zijn. [WW]

3639. – Jan PAUWELS, "In ’t Veen ziet men niet op een turfje". Over boekhistorisch onderzoek naar Nederlandse literatuur in Pierre DELSAERDT & K. DE VLIEGER-DE WACHTER (eds.), Boekgeschiedenis in Vlaanderen ... , p. 91-101, ill.
Rectificatie van het traditionele beeld van de Gezelle-waardering op basis van gegevens, verstrekt door boekhistorisch onderzoek in het Veen-archief. Tussen 1900 en 1919 verspreidde de Amsterdamse uitgever L.J. Veen meer dan 200.000 exemplaren van Gezelle. Liefst 85 % van die boeken was voor de Nederlandse markt bestemd, slechts 15 % voor Vlaanderen. In Nederland waren de laatste bundels van Gezelle gewild, waarin de individuele expressie domineerde, in het Zuiden koos men voor "Kerkhofblommen" en Dichtoefeningen", zeer retorische poezie. Gezelles werk werd in het Noorden sterk gesteund door gunstige kritieken van A. Verwey en W. Kloos. Die waren daartoe aangezet door Streuvels en Veen. De uitgever ondersteunde het succes van de tiendelige reeks "Dichtwerken" (1903-1905) door het aspect reeksvorming te beklemtonen: alle banden waren identiek (ontworpen door de Antwerpse kunstenaar Alfred van Neste). Ook latere publicaties als "Prozawerken" (1905) en "Gelegenheidsgedichten" (1912-1913) werden van dezelfde banden voorzien. Nog andere West-Vlaamse auteurs uit het fonds van Veen als S. Streuvels en A. Rodendenbach werden samen met Gezelle aan de boekhandel aangeboden. De vormgeving van die werken werd bewust aan de Gezelle-reeks aangepast, zodat de commercieel interessante illusie van verwantschap bij het publiek gewekt werd. [WW]

3640. – Auguste GRISAY L' edition originale des "Douze chansons" de Maurice Maeterlinck in Le livre et l'estampe, 50, 2004, 162, p. 157-164.
Maeterlincks bundel verscheen vermoedelijk begin november 1896. G analyseert de publicatiegeschiedenis en beschrijft een aantal exemplaren in publieke verzamelingen en veilingen van particuliere collecties. [MdS]

3641. – Geert BUELENS, Het boek als kunstwerk en pamflet. Van Ostaijens Bezette Stad als artistiek en politiek experiment in Jan PAUWELS (ed.), Gheprint tAntwerpen ... , p. 121-137, ill.
Situering van het opvallendste Vlaamse literaire boek uit de vorige eeuw. Voor de uitgave van "Bezette Stad" maakte Van Ostaijen geen gebruik van de mogelijkheden die Eugène de Bock hem bood. De erg principiële dichter wenste niet samen te werken met iemand als V. de Meyere, die het activisme afgewezen had. Zijn maatstaven voor de uitgave waren buitenlands, meer bepaald Frans: als mogelijk model beschouwde hij de "Au sens Pareil"-edities van de Franse dadaïsten. De groep die Van Ostaijen te Antwerpen rond zich verzameld had, bestond vooral uit schilders en beeldende kunstenaars. Van Ostaijen wilde hen exclusief aan Uitgeverij Het Sienjaal binden, maar dat ging niet door: zij werkten ook mee aan o.a. het tijdschrift "Ruimte" van De Bock. In de zomer van 1920 liet Van Ostaijen uit Berlijn aan zijn vrienden te Antwerpen regelmatig de groei van "Bezette Stad" weten. De tekst werd naar Antwerpen gestuurd, waar Oscar Jespers zich als typograaf opwierp. Als drukker werd Casie aangeworven. René Victor zou de drukproeven corrigeren en Van Ostaijens broer Stan bezorgde het geld. Zij lieten het boek verschijnen in april 1921; van de zorgen rond de technische uitvoering hadden zij de dichter in Berlijn gespaard. [WW]

3642. – Rik VAN DAELE, Peter EVERAERS, Willy DEVREESE & Erwin VERZANDVOORT, De bibliografie van de Nederlandstalige Reynaertbewerkingen van 1800 tot heden in Tiecelijn, 17, 2004, p. 137-240, ill.
Zeer welkome bibliografie van Nederlandstalige Reynaertbewerkingen (geen wetenschappelijke tekstuitgaven) sedert 1800. De auteurs zijn uitgegaan van de lijst, opgesteld door Jan Goossens in zijn studie "De gecastreerde neus", maar hebben die sterk weten uit te breiden. Per beschrijving worden zes rubrieken behandeld. Meest imponerend zijn de rubrieken "Illustrator(en) en illustraties" en "Band, colofongegevens, drukken en varianten". Het valt op hoeveel verschillende versies van omslagen en banden in voege geweest zijn. De studie bevat ook een register van de illustratoren. Eén opmerking: de illustraties staan in de tekst verspreid zonder verwijzing naar de edities waarin zij thuishoren. [WW]

3643. – Kathryn SMITS, "Hentouziasme! is de groote levensveer!". Een drietal bibliografische merkwaardigheden in de briefwisseling van Stijn Streuvels en Emmanuel de Bom in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 354-360.
Bibliografische rectificaties aan de hand van de bewaarde briefwisseling. Met de tweede druk van "Een Pic-Nic in Proza" (Amsterdam, S. L. van Loo 1899) werd Streuvels door de Nieuwe Gidsers tot de hunnen gerekend. Het verhaal "Ongeluk" (eerst verschenen in Van Nu en Straks) werd voor de Nieuwe Gids gevraagd door F. Buitenrust-Hettema. Aangaande "De teleurgang van de Waterhoek" laat Streuvels uitschijnen dat hij het plan van de roman in 1906 bedacht had. De briefwisseling bewijst dat dit reeds in 1904 bij hem opgekomen was. Over Streuvels' toneelspel "Soldatenbloed" wordt in de kritiek weinig gezegd. Alweer uit de brieven blijkt dat Streuvels daaromtrent ooit hoge verwachtingen koesterde. [WW]

3644. – Karin PAIRON en Anne ROUZET, Belgische bibliofiele uitgevers. Editeurs belges de bibliophilie (1991-2003). – Brussel: Koninklijke Bibliotheek van Begië 2004.– 116 p.: ill. – ISBN 2-0087093-150-6.
In 1991 organiseerde de Brusselse Koninklijke Bibliotheek een tentoonstelling van bibliofiele boeken, verschenen tussen 1985 en 1990 en toonde daarbij werk van 28 uitgevers. Nu worden 125 boeken voorgesteld van 80 uitgevers uit de periode 1991-2003. De tentoonstelling (en dus ook het boek) biedt een goed overzicht van de moderne bibliofilie in ons land, gaande van het "klassieke" bibliofiele boek (groot formaat, illustraties, veelal losbladig) tot het meest eigenzinnige boekobject. Er zijn zowel "gelegenheidswerken" in de ware zin des woords, gedrukt door een eenmalige vereniging voor een unieke gelegenheid als boeken die het onderdeel van een waarachtig oeuvre uitmaken, gerealiseerd door een man of vrouw met een visie op de drukkunst. De keuze van de teksten is zeer veelzijdig: van de antieken tot vandaag, van klassieke auteurs tot (nog) onbekende schrijvers. Opvallend in de minderheid is de pure, ongeïllustreerde typografie. Naast de catalogus van de 125 boeken biedt het werk een alfabetisch overzicht van alle uitgevers met (korte) voorstelling van hun werk. Hierbinnen een banaal detail, maar wel toe te juichen: van elke uitgever wordt het adres vermeld. Het boek sluit met een algemeen register. [WW]

3645.Acquisitions recentes de la Bibliothèque du Roi Léopold III: quelques pièces remarquables / Recente aanwinsten van Koning Leopold III: enkele opmerkelijke stukken. – Bruxelles / Brussel: Bibliothèque royale de Belgique / Koninklijke Bibliotheek van België, 2004. – 12 p.
Dankzij een anonieme mecenas verwierf de Koninklijke Bibliotheek 74 boeken op de veiling van de privé-bibliotheek van koning Leopold III (1901-1983) bij Sotheby’s Parijs op 11 december 2003. De meeste boeken hebben toebehoord aan verschillende leden van het Belgische vorstenhuis en bevatten autografe eigendomsmerken of verrassende auteursopdrachten. [MdS]

3646. – Dirk VAN ELDERE, Milde professoren schenken een decennium lang in Ex officina, 16, 2003, 3, p. 4-6, ill.
De Leuvense Universiteitsbibliotheek ontving of kocht in de periode van 1990 tot 2000 de (deel)bibliotheken van volgende professoren: F. Collin, R. Lenaerts L. Reekmans, G. Vandendriessche, R. Lemaire, J. van Houtte, M. de Vroede, Th. Noterdaeme, G. de Broeck, W. Peremans, L. Preneels, A. Vanistendael, M. Appelmans, M. Loeys, A. van Assche, E. van 't Dack, J. Pauwels, E. van Dievoet, K. Peeters, H. Plomteux, B. Rudska, R. Vandeputte, E. Lousse, R. Lontie, R. Eeckels. Thematisch reiken ze van de dieptepsychologie en de catacomben tot de biochemie en de politieke theorie. [MdS]

3647. – Pierre-Jean FOULON, La collection de livres d' artistes du Musée royal de Mariemont in Frans HENDRICKX e.a. (eds.), E codicibus impressisque ... , dl. II, p. 631-640, ill.
Raoul Warocqué (1870-1917) verzamelde naast antieke en decoratieve kunst ook boeken, zowel handschriften als contemporaine werken. Na zijn dood hebben de conservators van het museum in Mariemont – het vroegere domein van Warocqué – dit spoor gevolgd. Zij hebben aandacht besteed aan het kunstenaarsboek (bijvoorbeeld werken van de Amerikaan Sol Lewitt en van de Argentijnse Martha Dermisache), waarbij een zekere dubbelzinnigheid tot uiting kwam: is dat type van boek een plastisch kunstwerk of een traditioneel boek? Ook werden de normen van het traditionele bibliofiele boek overtreden: dit soort boeken van Lewitt en anderen werd aanvankelijk vervaardigd uit zeer eenvoudig materiaal om de prijs te drukken. Thans is een meer luxueuze evolutie merkbaar. In een museum van het boek zoals Mariemont horen alle modellen van creativiteit inzake het moderne boek thuis. [WW]

3648.Le livre et l'estampe. Cinquante printemps = Le livre & l’estampe, 50, 2004, 161, 217 p., ISSN 0024-533X.
Het tijdschrift van de Société royale des bibliophiles et iconophiles de Belgique werd opgericht in 1954. Het vijftigjarig bestaan werd van 15 september tot 23 oktober 2004 gevierd met een tentoonstelling in de Koninklijke bibliotheek van België van de eigen publicaties van de Société, van boeken uit de persoonlijke collecties van de opeenvolgende voorzitters en leden, en van publicaties van de andere Belgische verenigingen van bibliofielen (Mons, Luik en Antwerpen). Volume 161 van Le livre et l'estampe fungeerde zeer toepasselijk – als catalogus. Het wordt ingeleid door voorzitster Marianne Delvaux-Diercxsens en bevat naast de geïllustreerde catalogus van 281 nummers ook een belangwekkend essay van Claude Sorgeloos over Belgische bibliofiele tijdschriften in de negentiende en twintigste eeuw (zie nr. 3615). [ECI]

3649. – Francine DE NAVE, "A ceux qui ont émerveillé ma vie". Het bewogen verhaal van het "Ensemble Émile Verhaeren – René Vandevoir" in het Museum Plantin-Moretus in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 241-248, ill.
De Franse magistraat René Vandevoir (1892-1966), voorzitter van het Hof van Beroep te Douai, was sinds zijn jeugd een gepassioneerd bewonderaar van Émile Verhaeren. Als zodanig bracht hij een ensemble bijeen, dat de belangrijkste Verhaeren-verzameling in privé-bezit bleek te zijn. Vandevoir wilde zijn collectie na zijn dood samenhouden en ze daarom legateren aan een Belgische instelling. De Brusselse Koninklijke Bibliotheek voldeed niet aan zijn eisen, waarop de hoofd bibliothecaris aldaar, H. Liebaers, Vandevoir dirigeerde naar L. Voet en het Museum Plantin-Moretus. Aldus kwam het museum in het bezit van een schitterend geheel aan manuscripten, proefdrukken, geannoteerde exemplaren, alle in fraaie banden, naast correspondentie, sculpturen, schilderijen en ander grafisch werk. Naar de wens van Vandevoir werd de collectie in zijn kostbaar meubilair tentoongesteld in het achttiende-eeuws salon op de benedenverdieping van het Museum. In 1966 werd de verzameling plechtig opengesteld. De catalogus-inventaris, begonnen door Vandevoir zelf werd voltooid door F. de Nave. In 1998 werd de gebruiksvriendelijkheid van de Antwerpse musea geevalueerd. Het "Ensemble" moest de plaats ruimen voor uirgebreide ontvangstzaal en uitwijken naar de werkkamer naast de leeszaal van de bibliotheek. Habent sua fata libelli ! [WW]

3650. – Rita GHESQUIÈRE, Averbode van E.K. tot E-land in Dirk DE GEEST & Reine MEYLAERTS (eds.), Littératures en Belgique. Literaturen in België. Culturele diversiteit en literaire dynamiek. – Brussel: P.I.E./ Peter Lang, 2004, p. 391 -417.
De uitgeversactiviteiten van de norbertijnenabdij Averbode startten in 1881. Aanvankelijk leek het fonds het resultaat van toevallige omstandigheden te zijn. Na de Eerste Wereldoorlog werkte de abdij mee met de Eucharistische Kruistocht (E.K.), een jongerenbeweging van het katholieke reveil. Zo ontstond "Zonneland" (1920), een jeugdtijdschrift, en werden contacten gelegd met het Duitse kathoheke Herder Verlag. Veel vertalingen, vooral van jezuïetenauteurs, werden aangekocht. Na 1934 steeg het aandeel van eigen Vlaamse auteurs. Het geluk wou dat daarbij een bestseller opdook: John Flanders, "Spoken op de ruwe heide" (1935; ne gen herdrukken). Na 1934 trad een grotere diversiteit op. De katholieke geloofsovertuiging bleef bepalend, maar naast traditionele missieverhalen kwam ruimte voor realistische avonturenverhalen, fantasieliteratuur en informatieve werken. Na 1945 verschaalde dit aanbod: het fungeerde dan als annex van de periodieke uitgaven: de auteurs van dit laatste segment kregen voorrang van publicatie in andere reeksen. In de jaren 60 meldden zich jonge auteurs aan, die een belangrijke rol zouden spelen in de Vlaamse jeugdliteratuur. De uitgever werd gevoelig voor literaire kritiek en voor behaalde prijzen. Professionalisering zette zich door en ook internationalisering. Men werd geconfronteerd met een verschijnsel dat ook elders op de boekenmarkt bekend was: de overstap van auteurs naar Nederlandse uitgeverijen. Averbode reageerde daarop met een betere een begeleiding van zijn auteurs, en dit met succes. [WW]

3651. – Michel FINCOEUR, Deux soeurs jumelles de la collaboration: les Editions la Toison d'Or et l'Uitgeverij De Lage Landen in Dirk DE GEEST & Reine MEYLAERTS (eds.), Littératures en Belgique. Literaturen in België ... , p. 351-371.
Om de Franse culturele invloed in België tegen te gaan, werden in 1941 twee collaborerende uitgeverijen opgericht: Les Éditions de la Toison d'Or onder leiding van Edouard Didier en De Lage Landen, bestuurd door Guido Eeckels. La Toison d'Or beoogde Belgische Franstalige auteurs aan het woord te laten komen zonder dat die eerst via Parijs bekendheid zochten te verwerven. Ook zouden aan het publiek vertalingen en werken uit Germaanse landen aangeboden worden. Eeckels had vooral belangstelling voor Nederlandstalige werken, die tot het publiek domein behoorden, maar publiceerde ook jonge auteurs en zocht coproducties met Nederlandse uitgevers. Les Éditions de la Toison d'Or drukte tussen 1941 en 1944 40 % werken van Belgische Franstalige auteurs (op een totaal van 75 % Franse literatuur) naast 15 % vertalingen uit het Duits en 7% vertalingen uit het Nederlands. In dezelfde periode publiceerde De Lage Landen 82 titels: 74 in het Nederlands, 1 in het Frans en 7 in het Duits. Vlaamse auteurs waren goed voor 55 %, vertalingen uit het Duits haalden 22 %, vertalingen uit het Frans 2%. Vertalingen uit het Engels waren niet verboden, maar zij beperkten zich tot de klassieken (Shakespeare, Dickens, Thackeray) en tot auteurs met kritiek op de eigen maatschappij (Steinbeck). [WW]

3652. – Annemie LEYSEN, De herverkaveling van de Vlaamse jeugdboekenmarkt in Ons Erfdeel, 46, 2003, p. 569-576.
Sterk gedetailleerd verhaal en panoramische overblik van de actuele jeugdboekensector in Vlaanderen. In 2002 stootte Uitgeverij Averbode zijn literair jeugdboekenfonds af ten voordele van lucratieve educatieve uitgaven. Een deel van de auteurs (met de manager) verhuisde naar Davidsfonds/Infodok dat met zijn traditioneel grote oplagen voor naambekendheid van de auteurs zorgde. Zeer actief toonde zich daarnaast Clavis, ook in het buitenland, met nadruk op het prentenboek: heel wat grote illustratoren zijn daar gedebuteerd. Onder kleinere uitgeverijen munt De Eenhoorn uit met opvallende en vernieuwende prentenboeken en poëziebundels. Gevestigde waarden als Standaard Uitgeverij en Lannoo, die normaal andere marktsegmenten bedienen, hebben in de voorbije jaren nieuwe projecten inzake jeugdliteratuur op touw gezet. Sinds 1996 heeft de Nederlandse uitgeverij Querido een kantoor in Antwerpen, dat heel wat belangrijke Vlaamse auteurs en illustratoren aan zich gebonden heeft door de gedegen redactionele begeleiding. [WW]

3653. – Ernst BRUINSMA, Manteau niet voor Vlaanderen alleen in Dirk DE GEEST & Reine MEYLAERTS (eds.), Littératures en Belgique. Literaturen in België ... , p. 373-389.
Toen Angèle Manteau in 1938 haar uitgeverij startte, financieel gesteund door de firma H.P. Leopold in Den Haag, wilde zij haar bedrijf funderen op vier pijlers: literair-historisch werk, jonge auteurs, non-fictie en goede vertalingen. Het werven van jonge auteurs lukte nog het best. In de oorlog werd veel gelezen, terwijl Nederlandse uitgeverijen door problemen bij de import hun greep op de Vlaamse markt verloren. Alleen de literaire vertalingen stagneerden toen. In 1943 verwierf Manteau een aandelenpakket van Les Éditions Lumière, dat zij in 1946 geheel overnam: zij wilde haar eigen auteurs ook in het Frans uitbrengen. Na de oorlog zocht zij voor hen uitwegen naar Parijs en naar Nederland, maar met weinig succes. Daarbij kwam een crisis in de Belgische boekenmarkt: tegenover weinig leeslust na 1945 stonden hoge productiekosten. Wel namen bij Manteau eindelijk de literaire vertalingen toe. Toch moest zij haar oorspronkelijke ambities beperken. Tussen 1938 en 1955 was 25 % van haar productie in het Frans; van de 75 % Nederlandstalige boeken was nog geen half procent van Nederlandse auteurs. De rest bleef Vlaams. [WW]

3654. – Ernst BRUINSMA, Enkele akkefietjes: Uitgeverij De Bezige Bij en Uitgeverij Manteau (1945-1952) in ZL: literair-historisch tijdschrift, 2, 2003, 4, p. 3-19, ill.
Na 1945 was import van literaire werken in Nederland aan strenge regels onderworpen. Hiertegen rees in Vlaanderen hevig protest, vooral vanwege F.V. Toussaint van Boelaere, die vreesde voor Belgische tegenmaatregelen. Vlaamse auteurs, die tijdens de oorlog hun Nederlandse uitgevers hadden moeten laten varen, keerden immers naar het Noorden terug. Nederlandse uitgevers ondernamen pogingen om Vlaamse auteurs bij uitgeverij Manteau weg te snoepen. Toussaint bezorgde aan De Bezige Bij een lijst van in zijn ogen valabele Vlaamse auteurs die konden benaderd worden. Uiteraard had Manteau daar grote bezwaren tegen. Na de plotse dood van Toussaint (1947) werd van het plan niets meer gehoord. Wel verliet Claus later Uitgeverij Manteau voor De Bezige Bij. [WW]

3655. – Jeroen BROUWERS, Stoffer & blik. Herinneringen aan een periode (1964-1970). – Amsterdam/ Antwerpen: Atlas, 2004. – 237 p.: ill. – ISBN 90-450-0697-9.
Herinneringen aan zijn tijd bij Uitgeverij Manteau. Niet zozeer een geschiedenis, als wel petite histoire en sfeertekening. In hoofdstukken geordend zijn de herinneringen aan respectievelijk A. Manteau, W. Ruyslinck, Th. Oegema van.der Wal, M. Gijsen, K. Jonckheere en H. TeirIinck. De toon varieert van sarcastisch (Manteau) tot mild (Teirlinck). [WW]

3656. – Kevin ABSILLIS, De ellende die Uitgeverij Manteau de wereld bespaarde in Zuurvrij: berichten uit het AMVC-Letterenhuis, 2004, 6, p. 30-34, ill.
Toen Jeroen Brouwers bij Uitgeverij Manteau werkte moest hij, als leider van het secretariaat lijsten bijhouden van manuscripten die naar de uitgeverij waren gestuurd. Van 1954 tot 1970 werden honderden werken aangeboden. Gemiddeld een op acht inzendingen werd gepubliceerd. Het overgrote deel van de auteurs bleef volslagen onbekend en brak ook elders of later nooit door. Toch zagen de lectoren van Manteau wel eens jong talent over het hoofd, zo H. de Coninck, E. van Vliet, L. Nolens, … De lijsten leren ook iets over de selectiecriteria van de uitgeverij en ze zijn cruciaal voor de reconstructie van een uitgeverspoetica. [WW]

3657. – Jan STUYCK, Manteau ontsloten in Zuurvrij: berichten uit het AMVC-Letterenhuis, 2003, 5, 82-85, ill.
In 1999 startte, onder het patronaat van het Max-Wildiersfonds, aan de vier grote Vlaamse universiteiten in samenwerking, met het AMVC-Letterenhuis, een onderzoeksproject over de geschiedenis van Uitgeverij Manteau. In 2003 werd de inventarisatie afgerond. Uit de periode 1938-1944 staan ruim 10.000 brieven beschreven in de databank Agrippa. Naast de correspondentie zijn ook alle archivalia (foto's, kasboeken, contracten, jaarverslagen, belastingaangiften leesrapporten enz.) opgenomen. [WW]

3658. – Jan STUYCK, Tot onze spijt. Over het afwijzen van manuscripten in Zuurvrij: berichten uit het AMVC-Letterenhuis, 2003, 4, p. 40-44, ill.
Het afwijzen van manuscripten die voor publicatie bij Uitgeverij Manteau aangeboden werden, kon met diverse redenen verantwoord worden. In 1944 werden door Angele Manteau de papierschaarste aangehaald en tot 1949 de malaise in de boekhandel. Tegenover debutanten voerde zij aan dat zij in moeilijke omstandigheden de voorkeur moest geven aan auteurs, die reeds aan haar fonds verbonden waren. Angèle Manteau had trouwens van bij het begin een duidelijk beeld voor ogen aangaande het door haar nagestreefd fonds: geen jeugdboeken, geen sciencefiction en geen historische romans. Poëzie werd streng geselecteerd met voorkeur voor staatsprijswinnaars. De werken moesten "literaire kwaliteiten" bezitten, een vage term die aan de lectoren voldoende ruimte bood. Als lectoren fungeerden o.a. R. Herreman, Th. Oegema van der Wal, P. Snoek, J. Brouwers en J. Weverbergh. [WW]

3659. – Pascal DURAND, L' Édition belge francophone sur la scène internationale. Héritages du passé et scénarios d'avenir in Dirk DE GEEST & Reine MEYLAERTS (eds), Littératures en Belgique. Diversités culturelles et dynamiques littéraires. Literaturen in België ... , p. 337-349.
Lucide beschouwing van de gevolgen van de Belgische nadruk op de Franstalige drukkers- en uitgeverswereld in ons land. De hoge productie van de nadruk resulteerde in een algemeen internationalisme, maar diende vooral de culturele belangen van Frankrijk, zij het tegen de Parijse uitgevers in. Vervolgens ontnam de veilige praktijk van het nadrukken van grote successen aan Belgische uitgevers de zin voor initiatief en voor vernieuwing. Wel zorgde deze activiteit voor gekwalificeerde typografen – vandaar de hoge vlucht van het liturgisch drukwerk en later de strips na 1854, wanneer door een overeenkomst met Frankrijk de nadruk verboden werd. Voor de toekomst worden drie mogelijkheden geopperd: ofwel wordt de literaire sector van de uitgeverijen opgeslorpt door grote, internationale concerns; ofwel wordt die sector gesubsidieerd door de overheid, zoals in Quebec; ofwel werken artisanale bedrijven samen om voor gemeenschappelijke afzet te zorgen. [WW]

3660. – Marc KREGTING, Zij zijn niet van Jeremia. Non-ficties. Nijmegen: Vantilt, 2004. – 111 p. – ISBN 90-77503-12-9.
Visie van een redacteur op "non-fictie", opiniërende boeken die bij uitgevers geliefd zijn omdat zij de belangstelling van de mogelijke lezer inzake het wereldgebeuren opwekken. Openhartige uiteenzetting over het maken van boeken, geschreven door een man die midden in de materie leeft als redacteur in een uitgeverij. Hij volgt de weg van de tekst van het manuscript tot de recensie van het gedrukte boek en lardeert zijn – eerder cynische – zienswijze met tal van voorbeelden uit de Nederlandse en Vlaamse uitgeverswereld. Zijn grote klacht geldt het bestaan van concernuitgevers en mediaconcerns: die beletten dat er autonoom over cultuur geschreven kan worden. Het winstoogmerk primeert. [WW]

3661. – Bert BOECKX, Gert DE PRINS, Bruno DE WINTER e.a., Tegendruk. Geheime pers tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tentoonstelling Antwerpen, Stadsbibliotheek, 24 september 2004 tot en met 16 januari 2005. – Gent/Brussel: Amsab/SOMA, 2004. – 173 p., ill. – ISBN 90-77122-09-5.
Verzameling studies, uitgegeven naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling. Heldere uiteenzetting van Bruno de Wever over het verzet in de publieke opinie in Vlaanderen. Daarna worden de twee fronten afgebakend: de gelijkgeschakelde officiële informatiemedia tegenover sluikpers en Radio België. Een tweede reeks bijdragen gaat nader in op de sluikpers te Antwerpen. Van de eigenlijke sluikpers staan thans ongeveer 700 titels geregistreerd. De meeste verzetsbladen verschenen maar één keer per maand. Van de 95 % volwassen die niet aan het verzet deelnam kreeg bij na niemand de kans om een dergelijk blad te lezen. Voor het klein wereldje van het verzet en de onmiddellijke omgeving was die pers een uiterst waardevol communicatie- en informatie-instrument. Sluikbladen fungeerden ook als rekruteringsmiddel. Zoals het verzet zelf was de sluikpers politiek verdeeld. [WW]

3662. – Guido LAUWAERT, Elsschot, Snoeck & De Ridder: een commercieel verbond met literaire trekjes in Snoecks 2004, 80, 2004 [versch. 2003], p. 500-517, ill.
Over Willem Elsschot/Alfons de Ridder en het werven van advertenties voor uitgaven van de Gentse firma Snoeck, met name tijdens de Tweede Wereldoorlog. [MdS]

3663. – Jan STUYCK, Poseurs en auteurs: het archief van Standaard Uitgeverij in Zuurvrij: berichten uit het AMVC-Letterenhuis, 2003, 5, p. 38-41, ill.
Het fotoarchief van Uitgeverij Manteau maakt deel uit van het grote archief van Standaard Uitgeverij dat op 18 december 2003 aan het Letterenhuis werd geschonken. Manteau maakte deel uit (door een concentratie van bedrijven in 1987) van M&P (Malherbe en Partners), waarin zich ook de Standaard Uitgeverij bevond. Tot de schenking van dit archiefmateriaal behoort ook de briefwisseling (1969-2000) tussen de twee uitgeverijen enerzijds en verschillende fondsauteurs anderzijds. De collectie schrijversportretten van Uitgeverij Manteau lijkt één groot portfolio van de Vlaamse literatuur uit de 20ste eeuw te zijn. [WW]

3664. – Katrien JACOBS, Kris LANDUYT, Kris LEMBRECHTS & Georges WILDEMEERSCH, Hugo Claus. Voor twaalf lezers en een snurkende recensent. Bibliografie van de afzonderlijk verschenen werken. – Rijswijk: Elmar, 2004. – 325 p.: ill. – ISBN 90-389-1572-1.
Beschrijving van alle publicaties van Hugo Claus die zelfstandig zijn uitgegeven: boeken en catalogi, reguliere publicaties en bibliofiele edities, eerste drukken en herdrukken, oorspronkelijke teksten, bewerkingen en vertalingen. Volledigheid is nagestreefd, maar de samenstellers beseffen dat die bij de zo productieve Claus slechts benaderd kan worden. De chronologische volgorde van de eerste drukken wordt onderbroken door de herdrukken. De beschrijving steunt in de eerste plaats op gegevens uit het boek in kwestie. Tegenstrijdigheden worden steeds vermeld. Het boek is voortreffelijk geïndexeerd met vooreerst een chronologische lijst van de drukken, een alfabetische lijst van titels, een alfabetische lijst van vertaalde schrijvers, kunstenaars, medewerkers, illustratoren en commentatoren en een lijst van typografische ontwerpers, omslagillustratoren, fotografen, zetters, binders, drukkers, distributeurs en uitgevers. Uitstekende bibliografie met aandacht voor alle technische details. Steekproeven bewijzen dat het werk met grote kennis van zaken, zorgvuldigheid en wil tot volledigheid uitgevoerd is. [WW]

3665. – Katrien JACOBS, Kris LANDUYT, Kris LEMBRECHTS & Georges WILDEMEERSCH (compils.), Hugo Claus: wat een boek al niet mag zijn. – Antwerpen: Antiquariaat De Slegte, 2004. – 80 p., ill. (Catalogus Antiquariaat De Slegte, 10).
Verkoopcatalogus bij een tentoonstelling, ingericht door het antiquariaat De Slegte te Antwerpen (Wapper) van 15 mei tot 19 juni 2004. Omvangrijk aanbod van luxe- en gewone drukken van Claus (264 nummers). Colofons en opdrachten werden, waar aanwezig, steeds geciteerd. Bij verschillende nummers kon op het bestaan van varianten gewezen worden. [WW]

3666. – Anne Marie MUSSCHOOT, "Een fleuron voor een uitgevershuis", Over het totstandkomen van het Verzameld werk van Karel van de Woestijne bij Uitgeverij Manteau in Pierre DELSAERDT & Marcus DE SCHEPPER (eds.), Letters in de boeken ... , p. 179-184.
De voorbereidselen tot de uitgave van het "Verzameld werk" van Van de Woestijne startte reeds tijdens de Tweede Wereldoorlog: De Hamburgse germanist Hans Teske, werkzaam op de Duitse Propaganda Abteilung te Brussel gaf de voorkeur aan Uitgeverij Manteau boven De Lage Landen. Vermoedelijk twijfelde Teske in 1943 reeds aan de levensvatbaarheid van de laatste uitgeverij. Er werd gedrukt in een oplage van 4.250 exemplaren (3.250 voor deel 8, oorspronkelijk niet voorzien). Als vormgever was Jan van Krimpen aangetrokken via A. Manteau’s vroegere werkgever A. Stols. Van Krimpen liet zich – uiteraard – door niemand "corrigeren", ook niet door H. Teirlinck. [WW]

Onbepaald