Back to top

Kroniek 2005-2007

Aangezien de achterstand van de Kroniek verschillende jaren bedraagt, werd ervoor gekozen om die in twee bewegingen in te halen. Deze negentwintigste aflevering van de Kroniek bestrijkt de periode tussen 15 december 2004 en 31 december 2007. In de dertigste aflevering zullen de jaren 2008-2010 behandeld worden.
Met ingang van deze aflevering werd het medewerkersbestand met enkele specialisten verrijkt. Wij mogen Kevin Absillis verwelkomen die de publicaties over het twintigste eeuw analyseert, Bart Op de Beeck die de incunabelperiode voor zijn rekening neemt, en Steven Van Impe die de publicaties in verband met de 18de eeuw bespreekt. Wij danken hen voor hun bijdrage en hopen op een langdurige samenwerking.
Na de rubriek ‘Algemeenheden’ zijn de notities chronologisch gerangschikt en gegroepeerd per thema of onderwerp (met het trefwoord in vetjes): 1. Literatuurbericht en Vakwoordenboeken; 2. Bibliografie (methodologie en repertoria); 3. Drukmateriaal; 4. Zetten en drukken; 5. Drukkers, steden, regio’s; 6. Boekversiering en – illustratie; 7. Boekband; 8 Bibliotheken en Bibliofilie; 9. Boekhandel en Uitgeverij; 10. Onderwerpen.
Lezer worden van harte uitgenodigd om hun suggesties aan de redactie te bezorgen.

3667– Berry P.M. DONGELMANS, Het Boek, 1912-66 in Quaerendo, 35, 2005, 3-4, p. 157-75.
Dit artikel, een Engelse vertaling van een tekst die verscheen in "De Boekenwereld" van 1994, vormt de inleiding op drie indices en de inhoudsopgave van de jaargangen 26 tot 37 (1940-1966) van het tijdschrift "Het Boek". [JH]


3668– Gerhard J.A. RIESTHUIS, The Dutch book historical journal Het Boek, volumes 26 to 37(1940-1966) in Quaerendo, 35, 2005, 3-4, p. 177-381.
A heeft drie indices gemaakt: onderwerp, auteurs en anonieme bijdragen, en op boekbesprekingen. [JH]


3669– Johan HANSELAER, Kroniek van het gedrukte boek in de Nederlanden (1971-2003): een sleutel tot 33 jaar boek- en bibliotheekgeschiedenis: registers. Onder redactie van Marcus de Schepper & Jan Pauwels. – Brussel, 2005. – 306 p.; 24 cm. – ISBN 0775-0722. – (Archives et Bibliothèques de Belgique – Archief- en bibliotheekwezen in België. Numéro spécial – Extranummer, 75).
Sleutel op de deur voor de liefhebbers en gebruikers van onze Kroniek. [MdS]


3670– Auguste GRISAY, La première revue "Le livre et l'estampe", 1934 in Le livre et l'estampe, 52, 2006, 165, p. 181-186. Een korte toelichting bij de ontstaansgeschiedenis van het tijdschrift Le livre et l’estampe, dat in 1934 door Roger Avermaete, Louis Lebeer, Joris Minne en Paul van der Perre werd opgericht ter promotie van de hoogstaande typografie. Bestaat behalve uit een bibliografische beschrijving van de vier nummers van de eerste jaargang (1934) hoofdzakelijk uit een integrale herneming van het oorspronkelijke woord vooraf van de redactie. [KA]


3671– Stijn VAN ROSSEM & Maartje DE WILDE (red.), Boekgeschiedenis in het kwadraat: context & casus, 9 december 2005. – Brussel: Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten – Contactforum, 2006. – 122 p.; 31 cm. (Contactforum. Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten). – Geen ISBN.
Bundel met de voordrachten gehouden tijdens het colloquium dd. 9 december 2005 over de stand van de boekgeschiedenis vandaag. De bijdragen worden elk apart besproken. [JH]


3672– Marieke VAN DELFT, Frank DE GLAS & Jeroen SALMAN (eds.), New perspectives in book history. – Zutphen: Walburg Pers, 2006. – 222 p.: ill. – ISBN 90-7530-431-7.– (Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse boekhandel, 7).
Staalkaart van het boekhistorisch onderzoek in de Nederlanden, n.a.v. het SHARP-congres 2006. Te vermelden zijn o.m. Pierre Delsaerdt, ‘Printers and printing policy at Leuven University, 15th-18th centuries’ (p. 49-64) en Jan Pauwels, ‘Across the borders… and back home again: publishing Dutch literature at the turn of the 20th century’ (172-187) – beide een voorstelling van de resultaten van hun promotie-onderzoek. [MdS]


3673– Pierre DELSAERDT, De geduldige uitvoering van prometheïsche ambities: onderzoek naar de geschiedenis van de leescultuur in Nederland 1995-2005 in Boekgeschiedenis in het kwadraat (zie nr. 3671), p. 97-108.
Boekhistorische overwegingen bij recent onderzoek van (historische) leescultuur, met een schets van de stand van zaken. [MdS]


3674– Francine DE NAVE, Het Complex Woning-Ateliers-Museum Plantin-Moretus UNESCO-werelderfgoed! in De Gulden Passer, 83, 2005, p. VII-VIII.
MPM werd op 15 juli 2005 ingeschreven op de UNESCO-Lijst van het Werelderfgoed. De auteur schetst kort de weg naar de opname in de Lijst en het belang ervan. [JH]


> 3675– Francine DE NAVE, Van Officina tot UNESCO-Werelderfgoed in De gulden passer, 85, 2007, p. 7-21, ill.
Wat boekhistorici al ruim een eeuw weten is nu ook wereldwijd bekendgemaakt: het Plantijnse huis is Werelderfgoed. A. beschrijft de lange administratieve mars om dat doel te bereiken. [MdS]


3676– Kristof SELLESLACH, Authority control van de drukkers en uitgevers van de collectie oude drukken van het Museum Plantin-Moretus in De gulden passer, 85, 2007, p. 181-182.
A duidt het belang van authority records van drukkers en uitgevers voor gebruikers in het algemeen en catalografen in het bijzonder. In 2007 stond de teller op 1870 records mbt drukkers uit Antwerpen, de rest van de Zuidelijke Nederlanden, de Noordelijke Nederlanden en Frankrijk. Deze vormen een stevige basis om de oude drukken in Anet te catalogiseren. [JH]


3677– Annie DE COSTER et Claude SORGELOOS (eds.), Bibliophilies et reliures: mélanges offerts à Michel Wittock. Avec la collaboration de Marcus de Schepper. – Bruxelles: Librairie Fl. Tulkens, 2006. – 520 p.: ill.; 30, 5 x 22 cm. (Studia Bibliothecae Wittockianae, 6). – Geen ISBN. 300 €.
Deze publicatie van de Bibliotheca Wittockiana kadert in de viering van het vijfentwintigjarig bestaan ervan. Hier gaat het om een echte feestbundel door een dertigtal vrienden uit binnen- en buitenland voor Michel Wittock samengesteld en door een kunstzinnig typograaf vormgegeven. Twee aspecten van het boek, boekband en bibliofilie, staan centraal. De bestreken periode gaat van de vijftiende tot de twintigste eeuw. Voor de inhoud van dit volumineuze boek verwijs ik naar mijn bespreking in De gulden passer, 85, 2007, p. 185-187. [ECI]


3678– Marcus DE SCHEPPER, ABC Antwerpse Bibliofiele Collecties: catalogus bij de tentoonstelling in de Bibliotheek Stadscampus Universiteit Antwerpen, 19 maart – 30 april 2005. – Antwerpen: Vereniging van Antwerpse Bibliofielen vzw, 2005. – 80 p.: ill.; 24 cm. – ISBN 90-808-8552-5. – (Uitgaven van de Vereniging van Antwerpse Bibliofielen. Nieuwe reeks 2).
In 2005 organiseerde A een tentoonstelling met stukken uit het bezit van de leden van Vereniging van Antwerpse Bibliofielen in de bibliotheek van de Universiteit Antwerpen. Met de tentoongestelde stukken heeft de samensteller geen topstukken-tentoonstelling gemaakt, maar vooral "de eindeloze variëteit in thema’s en verschijningsvormen van boek en prent" in zowel grotere als kleinere collecties aan bod laten komen. Vandaar dat er in de begeleidende catalogus, die uit 73 nummers bestaat, zowel manuscripten (Westerse en Oosterse), autografen, foto’s, gedrukte werken, prenten, een geweven boek (!), enz. besproken worden. In de categorie van gedrukte werken zijn er zowel incunabels, als een ingekleurd exemplaar van H. Goltzius, als een exemplaar van de Palazzi di Genova van Rubens, als … maar ook een gedrukte waslijst, een 17de-eeuwse advertentie, een liedblad of een werkmansboekje. Enkele namen voor de moderne boekkunst: Sjoerd de Roos, Hermann Zapf, Jos Verdegem, Julius de Praetere, Insel-Bücherei, De Carbolineum Pers, enz. M.a.w. voor elk wat wils. Bij elk catalogusnummer wordt de nadruk gelegd op de specificiteit van het exemplaar of de druk: de band, de herkomst, de drukkersplaats, enz. en werd voor zover mogelijk een korte bibliografie voorzien. De catalogus, uitgegeven als nr. 2 van de Nieuwe reeks van de Uitgaven van de Vereniging van Antwerpse Bibliofielen, werd fraai vormgegeven door Louis Van den Eede. [JH]


3679– Peter DE BAETS, Boekendieven zijn gewaarschuwd: handgeschreven vervloekingsformules in de Nederlanden en West-Europa in Van mensen en dingen: tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen, 5, 2007, 1, p. 52-66.
Overzicht van handgeschreven vervloekingsformules in boeken, zowel in handschriften, als in gedrukte boeken. Deze vervloekingen, eerst in het Latijn (ME), maar later (vanaf de 15de eeuw) ook in de volkstaal, werden tot in de 20ste eeuw (in poëziealbums) geschreven. Ze verwijzen zowel naar het Laatste Oordeel, als naar meer directe straffen. Soms wordt er bij het terugvinden van het boek een beloning in het vooruitzicht gesteld. Veel van de formules zijn in rijm en verwijzen, gezien de spelling en het (stuntelig) schrift, naar leerlingen. A besluit met te wijzen op de gebrekkige gegevens over de verspreiding van de formules in ruimte en tijd. [JH]


3680– Richard HITCHCOCK, J.-F. Peeters-Fontainas, E.M. Wilson, and some Golden-Age texts in The Library, 7de reeks, 2004, 5, 1, p. 64-72.
Aan de hand van enkele brieven wordt de relatie geschetst tussen Edward Meryon Wilson (1907-1977), professor Spaans, eerst aan King’s College in Londen, daarna in Cambridge, en Jean-Félix Peeters-Fontainas (1891-1975). Uit de correspondentie blijkt de hartelijke relatie tussen beide hispanisten en de toelevering van gegevens vanuit Cambridge naar Brussel voor de Bibliographie des impressions espagnoles …, een project opgezet door het driemanschap P-F, Antonio Rodríguez-Moñino en Maurits Sabbe. Beide laatste hebben moeten afhaken, maar P-F heeft doorgezet met als resultaat een modelbibliografie, met niet alleen de klassieke gegevens, maar ook met verwijzingen naar privé-bibliotheken. Deze openheid van informatie wordt geduid als het kenmerk van de bibliografie. In mei 1978 werd (een gedeelte van) de bibliotheek van P-F door Sotheby’s verkocht, ongeveer een maand later die van Wilson. Uit de vergelijking van de prijzen blijkt dat de exemplaren van P-F hogere resultaten behaalden dan die van Wilson. [JH]


3681– Elly COCKX-INDESTEGE, Anna E.C. Harvey-Simoni, 30 August 1916 – 8 January 2007 in Quaerendo, 37, 2007, p. 1-9.
Het belang van Anna Simoni voor de boekgeschiedenis in de Nederlanden kan moeilijk worden overschat. Zij overleed op 7 januari 2007 na een lange carrière in de British Library waar zij talloze onderzoekers uit de Nederlanden heeft geholpen. Maar ook met haar eigen werken en met de talrijke Engelse vertalingen van Nederlandstalige boekhistorische publicaties heeft zij zich uiterst verdienstelijk gemaakt. Elly Cockx-Indestege schetst een persoonlijk portret van het rijke leven van Anna Simoni. [HM]


3682– Herman PLEIJ & Joris REYNAERT, Inleiding. Boekproductie in de overgang van het geschreven naar het gedrukte boek in Herman Pleij & Joris Reynaert e.a., Geschreven en gedrukt: boekproductie van handschrift naar druk in de overgang van Middeleeuwen naar Moderne Tijd. – Gent: Academia Press, 2004, p. 1-17. – ISBN 90-382-0548-1.
Algemene beschouwingen en voorzichtige synthese, met focus op de Nederlanden. Één aanvulling: de in noot 15 vergeefs gezochte band van Willem de Mi bevindt zich rond Ms. Bodley 73 (vriendelijke mededeling van E. Cockx-Indestege). [MdS]


3683– John A. LANE, Early type specimens in the Plantin-Moretus Museum: annotated descriptions of the specimens to ca. 1850 (mostly from the Low Countries and France) with preliminary notes on typefoundries and printing offices, with a preface by H.D.L. Vervliet. – New Castle, DE/London: Oak Knoll Press/The British Library, 2004. – 352 p.: ill.; 28 cm. – ISBN 0-7123-4881-6.
Catalogus en studie van een wereldcollectie. L. beschrijft de in het Museum Plantin-Moretus bewaarde letterspecimina van letterontwerpers of drukkers. Het materiaal is in hoofdzaak afkomstig uit de Nederlanden en Frankrijk. De uitvoerige toelichtingen plaatsten de unieke (en kwetsbare) documenten in hun historische context. Samen met de inleiding ‘Pre-Plantinian type specimens’ door Hendrik D. L. Vervliet (p. 12-17) biedt deze inventaris bronnenmateriaal voor de geschiedenis van de West-Europese typografie. Met uitvoerige registers, en 3 specimina in facsimile (los bijgevoegd). Onmisbaar voor elke wetenschappelijke bibliotheek. [MdS]


3684– Yves PERROUSSEAUX, Histoire de l'écriture typographique, de Gutenberg au XVIIe siècle. – Méolans-Revel (04): Atelier Perrousseaux, 2005. – 685 p.: ill. – ISBN 2-911220-13-7.
Overzichtwerk voor de West-Europese typografische traditie (inz. de letters) sedert Gutenberg. Hoewel in hoofdzaak op Frankrijk gericht is er toch ook enige aandacht voor de Nederlanden: ‘Christophe Plantin’ (p. 332-365) uiteraard, maar ook ‘Le siècle d’or des Pays-Bas réunis’ (p. 396-415). Rijkelijk geïllustreerd. [MdS]


3685– David MCKITTERICK, Histories of the book and histories of Antwerp in Quaerendo, 35, 2005, p. 3-19.
Engelse versie van de inspirerende lezing die in het Nederlands verscheen in Gheprint tAntwerpen (Zie Kroniek 28 nr. 3479). [MdS]


3686– Bertrand FEDERINOV, Quatre siècles d'imprimerie à Mons: catalogue des éditions montoises (1585-1815) du Musée royal de Mariemont. – Morlanwelz: Musée royal de Mariemont, 2004. – 95 p.: ill.; 28 cm. – (Monographies du Musée royal de Mariemont, 12).
Het Museum van Mariemont bewaart naast kunstwerken en antiquiteiten, niet alleen boekbanden en autografen, maar ook een omvangrijke verzameling drukken uit Mons (Bergen). Die werd, vanzelfsprekend, aangelegd door stichter Raoul Warocqué (1870-1917), kon uit de brand van 1960 worden gered, maar geraakte in de vergetelheid, o.m. omdat de kaartcatalogus wel was verbrand. Thans wordt de collectie aangevuld en verder uitgebouwd. F. beschrijft in dit aangenaam uitgevoerde boek 442 drukken (met registers), geeft een thematisch overzicht en een synthese van de drukkunst in Bergen. Als naslagwerk vult het de oudere werken van Rousselle en Devillers aan. [MdS]


3687– Willy Le LOUP, & Brody NEUENSCHWANDER, Drukkunst in Brugge: eeuwen van internationale uitstraling: uitgegeven naar aanleiding van 60-50-40 jaar Die Keure. – Brugge: Die Keure, 2004. – 48 p.: ill.; 23 cm. – ISBN 90-5958-747-2.
Leuk cadeauboekje met korte stukjes over het boek in Brugge. Uitgegeven t.g.v. het 60-jarig bestaan van de uitgeverij. [MdS]


3688– Elly COCKX-INDESTEGE, & Jan STORM VAN LEEUWEN, , mmv Dirk Imhof, Blind gestempeld en rijk verguld: boekbanden uit zes eeuwen in het Museum Plantin-Moretus: catalogus bij de tentoonstelling 15 oktober 2005 – 15 januari 2006. – Antwerpen: Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet, 2005. – 312 p.: ill.; 27 cm.
Na een korte geschiedenis van de bibliotheekcollectie van het Museum (door Dirk Imhof, p. 13-15) en van "de boekband" (door Jan Storm van Leeuwen", p. 17-34) krijgen de zorgvuldig geselecteerde banden alle aandacht: ‘Wouter van Duffel en de laatmiddeleeuwse band’ (p. 41-84), ‘Plantin en de renaissanceband’ (p. 85-139), ‘Naklank tot 1800’ (p. 140-159), ‘De bibliofiel Max Horn’ (p. 160-205), ‘De bibliofiel René Vandevoir en de jansenistenband uit de eerste helft van de twintigste eeuw’ (p. 206-229), ‘Technische en materiële aspecten van de band’ (p. 230-285), ‘Bindprijzen c. 1530-c. 1620’ (p. 286-295). Dat alles gevolgd door een literatuurlijst, glossarium en uitvoerige registers. Het geheel laat zich lezen als een voortreffelijk geschreven inleiding in de materie. Aanbevolen, én als naslagwerk én als hulp bij zelfstudie én gewoon voor bibliofiel plezier. [MdS]


3689– Bernard VAN NOORDWIJK & Jan STORM VAN LEEUWEN, Sloten en beslag op kerkboeken in De boekenwereld, 21, 2005, p. 73-82.
De boekband voorzien van metalen beslag of met platten geheel in bijv. messing of zilver, is geen nieuwigheid in de zeventiende eeuw. Maar toen, en tot 1900, werden vnl. in de Noordelijke Nederlanden de banden rond kerkboeken op die wijze uitgevoerd. Ook Bijbels – de Statenbijbel – psalm- en gezangboeken werden heel vaak voorzien van min of meer kunstig platbeslag, kantbeslag en sloten. Het gaf status aan de boeken. Met dit artikel wilde men de aandacht vestigen op dit specifieke aspect van de boekband. De collectie van eerstgenoemde auteur gaf daar ruimschoots gelegenheid toe. Een jaar later is in het Bijbelmuseum te Amsterdam een tentoonstelling hierover opgezet (zie Bernard van Noordwijk, Zondags zilver: drie eeuwen versierde kerkboekjes; met bijdragen van Hermine Pool & Jan Storm van Leeuwen.- Heerenveen: Nederlands Bijbelgenootschap, 2006. 468 p.: omslag, ill.; 18, 5 x 13, 3 cm. – ISBN [10] 90-6126-681-5; ISSN [13] 978 90-6126-681-5. 24, 95 €). [ECI]


3690– Bruno LIESEN & Claude SORGELOOS, Le rayonnement des Moretus. (Exposition à la Bibliotheca Wittockiana du 15 septembre 2006 au 27 janvier 2007). – Bruxelles: Bibliotheca Wittockiana, (Eric Speeckaert), 2006. – 287 p.: omslag, ill.; 30, 5 x 21, 5 cm. Geen ISBN. 55 €.
Antiquaar Eric Speeckaert uit Brussel stelde voor de vierde maal een zelf gevormde collectie in de Bibliotheca Wittockiana ten toon: drukken van de Officina Plantiniana ten tijde van de Moretussen (einde zestiende tot tweede helft negentiende eeuw) met als voornaamste aandachtspunt de bestempelde of anderszins versierde oorspronkelijke banden waarin de exemplaren gestoken zijn. De origine van die banden is dan ook te vinden in de vele landen waar drukken (ongebonden!) van de Officina verspreid werden en in handen van bibliofielen (teksten) en kerkelijke instanties (liturgica) kwamen, met als natuurlijk gevolg bandversiering in uiteenlopende stijlen en stempelingen. Dirk Imhof geeft een overzicht in vogelvlucht van het Antwerpse bedrijf. De inleiding tot de catalogus is van Claude Sorgeloos. In de beschrijving is aandacht aan band én inhoud besteed (zie bespr. in De gulden passer 85, 2007, p. 191-192). [ECI]


3691Regards sur une bibliothèque d'ici: Une sélection de reliures figurant en une bibliothèque privée luxembourgeoise in Hémecht: Zeitschrift für Luxemburger Geschichte, 57, 2005, 4, p. 467-508.
Deze selectie banden is slechts een klein onderdeel van een omvangrijke collectie Luxemburgensia. Het gaat hier bijgevolg om een eclectische verzameling banden; enkele zijn van Luxemburgse binders (Eugène Decker, Alain Pierre, atelier Glasener). Overigens zijn er enkele mooie exemplaren bij van Belgische, Nederlandse, Franse en Duitse origine. Zowel de naam van de verzamelaar als van de beschrijver zijn niet bekend gemaakt. [ECI]


3692– Pierre DELSAERDT, & Evelien KAYAERT (red.), Abdijbibliotheken: heden – verleden – toekomst: handelingen van het congres gehouden in Antwerpen op 10 december 2004. – Antwerpen: Vereniging van Antwerpse Bibliofielen vzw, 2005. – 147 p.: ill.; 24 cm. – ISBN 90-808-8553-3. – (Uitgaven van de Vereniging van Antwerpse Bibliofielen, Nieuwe reeks 3).
Bij de tentoonstelling "Een zee van toegelaten lust" (Zie Kroniek 28 nr. nr. 3473) hoorde ook een wetenschappelijk colloquium. De daar gehouden lezingen werden hier gebundeld. Voor boekhistorici te vermelden zijn: Geert Souvereyns ‘Abdijbibliotheken in de provincie Antwerpen: onderzoeksperspectieven’ (p. 63-75), Jeroen Janssens ‘Van boekendepot tot openbare bibliotheek: de bibliotheken van de Ecoles centrales’ (p. 77-97), Jeroen Walterus ‘Over de lieve centen en de liefde voor het boek: verslag van een panelgesprek over erfgoedbeleid en abdijbibliotheken’ (p. 55-60). [MdS]


3693– Emile RAMAKERS, Boeken van de Balije Biesen in de Stadsbibliotheek Maastricht in J. Mertens (ed.), "Met desen crude est guet stoven…": Biesense opstellen opgedragen aan Gilbert van Houtven. – Bilzen: Historisch Studiecentrum Alden Biesen, 2006, p. 261-268, ill. – 90-802-2087-6. – (Bijdragen tot de geschiedenis van de Duitse Orde in de Balije Biesen, 8).
Als gevolg van de politiek van de Franse bezetter werden historisch gegroeide collecties opgeheven, geplunderd en verspreid. Een aantal boeken uit de landcommanderij Alden Biesen zijn zo in de Stadsbibliotheek Maastricht terechtgekomen. Enkele titels zijn hier besproken en geïllustreerd, met aandacht voor provenance en typische eigendomskenmerken. [MdS]


3694– Maurice BRONSELAER, Pierre DELSAERDT & Ludo SIMONS (eds.), Zichtbaar zeldzaam: hoogtepunten uit de Antwerpse Stadsbibliotheek – highlights from Antwerp's City Library. – Antwerpen; Gent: Stadsbibliotheek; Toohcsmi, 2005. – 135 p.: ill. – ISBN 90-077-362-32-0.
Vijftig hoogtepunten uit de rijke verzameling van de Antwerpse Stadsbibliotheek zijn hier in het Nederlands en Engels toegelicht en uitvoerig geïllustreerd. Het geheel biedt meteen een overzicht van het boek in de Zuidelijke Nederlanden. Met literatuurverwijzingen en een naamregister. [MdS]


3695– Pierre DELSAERDT, Jean-Marie DUVOSQUEL, Ludo SIMONS & Claude SORGELOOS (eds.), Honderd schatten uit de Koninklijke Bibliotheek van België. – Brussel: Mercatorfonds/ Koninklijke Bibliotheek van België, 2005. – 237 p.: ill.; 29 cm. – ISBN 90-6153-582-4.
Rijk geïllustreerd ‘schattenboek’ met 100 topstukken van de Brusselse Koninklijke Bibliotheek, waaronder unieke drukken en bijzondere boekbanden. Elk stuk wordt door een kenner toegelicht. Fraai uitgegeven. [MdS]


3696– Martine DE REU, De bibliotheek en het intellectuele leven in Johan Decavele, Jan De Maeyer, Patricia Quaghebeur & Paul Trio (red.), De Oude abdij van Drongen: elf eeuwen geschiedenis. – Leuven: KADOC, 2006, p. 228-55.– ISBN 9078192046. – (KADOC-Diversen, 43).
Van de bibliotheek van de abdij van Drongen is geen catalogus bewaard. A tracht via verschillende wegen tot een reconstructie te komen. Zij gaat zowel uit van normatieve bronnen, i.c. de regel van de premonstratenzers, als van wat bewaard is gebleven aan handschriften en gedrukte boeken met herkomstgegevens die verwijzen naar de abdij van Drongen. Aan het eind van het artikel werd in bijlage een lijst opgenomen van nog bewaarde boeken uit de norbertijnenabdij, evenals van drukwerk dat in opdracht van diezelfde abdij werd gemaakt. Andere middelen die gebruikt worden om de bibliotheek te reconstrueren zijn de vergelijking met andere norbertijnenabdijen uit de Zuidelijke Nederlanden, en archiefmateriaal van Gentse drukkers, die geleverd hebben aan de abdij. Bij deze leveringen gaat het nooit om echte boeken, maar steeds om klein drukwerk, vooral n.a.v. een specifieke gebeurtenis (doodsbrieven, intredes, e.d.). Uit de reconstructie blijkt alleszins dat de abdijbibliotheek niet de omvang en het belang heeft gehad van Tongerlo, Averbode, e.a. [JH]


3697– Chris COPPENS, Mark DEREZ & Jan ROEGIERS (eds.), Universiteitsbibliotheek Leuven, 1425-2000. – Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2005. – 543 p.: ill. – ISBN 90-5867-466-5. – (Lovaniensia, 24)
Fraai uitgevoerde en rijkelijk gedocumenteerde en geïllustreerde geschiedenis van de Leuvense Universiteitsbibliotheek, een icoon van de westerse wetenschap. De vaak dramatische gebeurtenissen en de verloren, maar vooral nog bewaarde, schatten worden krachtig getypeerd. Het boeiende geheel is goed ontsloten met een literatuurlijst en registers. [MdS]


3698– A. D[EWITTE], De Bibliothèque de l'agglomeration de St.-Omer in Biekorf, 107, 2007, 4, p. 393.
In de bibliotheek bevinden er ca. 50.000 boeken, die afkomstig zijn van Sint-Bertijns, Clairmarais en van de kapittelbibliotheek van St.-Omer. [JH]


3699– Claire LESAGE, Eve NETCHINE, & Véronique SARRAZIN, Catalogues de libraires 1473-1810: catalogue. – Paris: Bibliothèque nationale de France, 2006. – 632 p.; 29 cm. – ISBN 2-7177-2347-1.
Monumentale inventaris van boekhandelscatalogi bewaard in de BnF. Een ‘Fundgrube’ voor boekhistorici: 3214 catalogi van ‘anoniem’ tot ‘Zetzner’, met nog eens 23 ‘Addenda’. Goede registers op drukkersplaatsen (p. 592-613), personen (p. 614-616) én zaken (p. 617-632) als bijbels, muziek, Spaanse boeken, maar ook (p. 623-625) ‘Pratiques rédactionelles et commerciales’ als ‘cabinets de lecture’, ‘commission’, ‘foires’, ‘rabais’, evenals ‘provenances’ (p. 626-630) en een ‘Table chronologique des ventes’ (p. 630-632). Uit de Zuidelijke Nederlanden zijn er catalogi van Plantin en Verdussen, en van collega’s uit Antwerpen, Bouillon, Brugge, Brussel, Gent, Leuven, Luik, Mechelen, Mons en Spa. Hoort in elke boekhistorische naslagbibliotheek. [MdS]


3700– Ludo VANDAMME (red.), Elke dag wijzer: Brugse almanakken van de 16de tot de 19de eeuw. – Brugge: Stad Brugge – Openbare Bibliotheek, 2006. – 48 p.: ill.
Na een korte inleiding door Jeroen Salman over ‘De geschiedenis van de almanak’ (p. 5-15), behandelt Ludo Vandamme ‘Almanakken in Brugge’ (p. 16-37). Noël Geirnaert verschaft informatie over ‘De kalender: noodzakelijk en populair sinds de middeleeuwen’ (p. 38-41) en Anja Gevaert over ‘Popularisering van de geschiedenis: historische kronieken in de Brugse almanakken van de 18de eeuw’ (p. 42-45). Daarmee heeft Brugge een aanzet tot diepgaander onderzoek gegeven. Maar wie zal dat uitvoeren en voltooien? En voor al die andere steden? Wanneer eindelijk een volledige en vernieuwde inventaris? Een eeuw na Zech du Biez staan we nog niet veel verder… [MdS]


3701– M. LAMBERIGTS & A.A. DEN HOLLANDER, Lay Bibles in Europe 1450-1800. – Leuven: University Press/Peeters, 2006. – 360 p.: ill. – ISBN 978-90-429-1785-9. – (Bibliotheca ephemeridum theologicarum Lovaniensium 198).
Boeiende bundel studies over bijbels voor leken, in de volkstaal dus en geïllustreerd. Voor boekhistorici bieden volgende artikels nuttige informatie: Hinke Bakker ‘Fifteenth-century book illustrations and their makers: the relation of a cycle of woodcut illustrations of the Life of Christ with a series of painted miniatures in a handwritten book of prayers’ (p. 27-52), Wim François ‘Vernacular Bible reading and censorship in early sixteenth century: the position of the Louvain theologians’ (p. 69-96), Mark Aalderink & Gwendolyn Verbraak ‘Biblia Sacra: a bibliography of Bibles printed in Belgium and The Netherlands’ (p. 299-317). Ook bijbelprenten komen meermaals aan bod. [MdS]


3702– Theo CLEMENS, Met dank aan de censor: de informatieve waarde van precensuursporen in katholiek drukwerk uit de Nederlanden in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 13, 2006, p. 7-32.
Belangwekkende studie over katholieke boeken 1600-1800 en hun kerkelijke goedkeuring. A. pleit er, met goede redenen en voorbeelden, voor om die ‘approbaties’ ook systematisch te registreren. Bij veelgedrukte teksten als de Imitatio Christi of Het hemels palmhof helpen zij om orde te brengen in de vloed van uitgaven. [MdS]


3703– A. THIJS, Brugge en Antwerpen: vijf eeuwen devotieprentenproductie (15de-eerste helft 20ste eeuw) in Jaarboek Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde (Antwerpen), 2004-5, p. 204-221, ill.
Handige vergelijkende synthese over de productie van en handel in devotieprenten in Brugge en Antwerpen. [MdS]


3704– Jaques JOSSET & Christian DE PAEPE (eds.), Don Quijote en Bélgica / Don Quichotte en Belgique / Don Quichot in België. – Madrid: Instituto Cervantes, 2006. – 385 p.
Rijk geïllustreerde publicatie n.a.v. de vierhonderdste verjaardag van Cervantes’ meesterwerk. Met aandacht voor uitgaven uit de Spaanse Nederlanden en voor latere vertalingen en bewerkingen, inz. voor hun illustraties. [MdS]


3705– Jeanine DE LANDTSHEER, & Pierre DELSAERDT (eds.), Iam illustravit omnia: Justus Lipsius als lievelingsauteur van het Plantijnse huis. –Antwerpen: Vereniging van Antwerpse Bibliofielen, 2006. – 322 p.: ill.; 26 cm. – ISSN 0777-5067. (De gulden passer, 84)
Bundel van 17 artikels over de betrekkingen tussen Lipsius en het Plantijnse huis. De artikels worden apart besproken. [JH]


3706[Themanummer] Literatuur in handschrift en druk in de late Middeleeuwen en vroegmoderne tijd in Spiegel der letteren, 49, 2007, p. 85-264, ill.
Literatuurhistorici tonen in dit themanummer hoe ze met boekhistorische inzichten omgaan. De meeste artikels hebben betrekking op de Noordelijke Nederlanden. Voor het Zuiden zijn te vermelden: Koen Goudriaan ‘Nederlandstalige meditatieve Levens van Jezus op de vroege drukpers: een terreinverkenning’ (p. 143-164: over o.a. Antwerpse postincunabels), Samuel Mareel ‘Rhetorijkelick ghestelt: beschrijvingen in verzen van Blijde Intredes en andere stedelijke feesten ter ere van de vorst (p. 183-196), Cynthia J. Brown & Susie Speakman Sutch ‘Vroeg-zestiende-eeuwse Frans-Nederlandse relaties: Pierre Gringores Entreprise de Venise en de Antwerpse Venegien’ (p. 197-211: over een druk van Michiel Hillen van Hoochstraten, NK 2114), Wybren Scheepsma ‘Het Boecxken vander Passien: van handschrift naar druk in geestelijke kringen’ (p. 213-230), Youri Desplenter ‘Sinte Franciscus Souter: een populaire postincunabel met een handschrift vervolledigd’ (p. 231-246). Ook voor boekhistorici lezenswaard! [MdS]


3707– Pierre-M. GASON, Documents imprimés et manuscrits relatifs à la franc-maçonnerie (Fonds Georges de Froidcourt) conservés aux Archives de l'Etat à Liège: inventaire analytique in Archief- en bibliotheekwezen in België, 75, 2004, p. 71-169, ill.
Uitvoerig en rijk geïllustreerd overzicht van de belangrijke verzameling maçonnieke drukken en documenten bijeengebracht door de Luikse vrijmetselaar Georges de Froidcourt (1885-1972), en bewaard in het Rijksarchief te Luik. Het betreft hier (meest Franstalig) drukwerk uit o.m. Antwerpen, Brugge, Brussel, Gent, Kortrijk, Leuven, Luik, maar ook uit Frankrijk en Duitsland. De illustratiereeks met emblemen van loges is van groot documentair belang en zeer nuttig voor wie met maçonnieke drukken wordt geconfronteerd. [MdS]


3708– Marie CORNAZ, L'édition musicale à Tournai aux XVIIe et XVIIIe siècles in Le livre et l'estampe, 53, 2007, 167, p. 61-78, ill.
Overzicht van de (schaarse) muziekboeken in Doornik gedrukt. Het gaat in hoofdzaak om werken met liturgische muziek (missalen etc.), alles voor de regionale markt (bisdom Doornik, Henegouwen). [MdS]


3709– Liesbeth VIJFVINKEL, Zomernacht 2005: Lage Landen & Verre Vreemden: reisverhalen in de Nederlanden 1450-1650. – Antwerpen: Museum Plantin Moretus/Prentenkabinet, 2005. – 40 p., ill.
Kleine catalogus bij een korte thema-tentoonstelling over ontdekkingsreizen, met uiteraard topstukken uit hét boekmuseum. [MdS]


3710–José DE KRUIF, Marijke MEIJER DREES & Jeroen SALMAN (eds.), Het lange leven van het pamflet: boekhistorische, iconografische, literaire en politieke aspecten van pamfletten 1600-1900. – Hilversum: Verloren, 2006. – 235 p.: ill. – ISBN 90-6550-889-9. 19, 99 €.
Boeiende collectie studies over het pamflet in de Noordelijke Nederlanden. Omdat een deel van de pamfletten betrekking hadden op de Opstand tegen Spanje en de scheiding van de Nederlanden, is de bundel ook van belang voor de ‘zuidelijke’ boekgeschiedenis. Enkele artikels hebben ook een methodologische meerwaarde: Piet Verkruijsse ‘ "Gedruckt in seghwaer, op de pars der lijdtsaemheyt": boekwetenschap en pamfletliteratuur’ (p. 31-43), Paul Dijstelberge ‘Ik wil dat er gelezen wordt: boekgeschiedenis: analytische bibliografie, boekarcheologie’ (p. 44-55), Jeroen Salman ‘Het nieuws op straat: actueel drukwerk in het vroegmoderne distributienetwerk’ (p. 56-67). Enkele case studies behandelen ook ‘zuidelijk’ materiaal: Vincent van Zuilen ‘Bronnen van identiteit: het algemeen Nederlands samenhorigheidsgevoel in enkele pamfletten over de Nederlandse Opstand’ (p. 71-82), Marijke Meijer Drees ‘Goed voor de ogen: brilmetaforiek in vroegmoderne pamfletten’ (p. 129-142), Yolanda Rodríguez Pérez ‘Propaganda en persuasio in proza en poëzie: Spaanse pamfletten over de Tachtigjarige Oorlog’ (p. 169-179), Daniël R. Horst ‘De metafoor als cliché: het beeld van Willem van Oranje in propagandaprenten uit de eerste decennia van de Nederlandse Opstand’ (p. 192-201), Christi M. Klinkert ‘Knokpartijen, krant en kunst: oorlogsverslaggeving in nieuwsprenten en pamfletten rond 1600’ (p. 202-215). [MdS]


3711– Dirk IMHOF, Aanwinsten van de oude bibliotheek van het Museum Plantin-Moretus in 2003 in De gulden passer, 82, 2004, p. 197-200, ID., Aanwinsten […] in 2004 in De gulden passer, 83, 2005, p. 223-226, ID., Aanwinsten van oude drukken en archieven voor het Museum Plantin-Moretus in 2005 en 2006 in De gulden passer, 85, 2007, p. 175-179.
Het imposante Plantijnmuseum mag dan wel "alles" lijken te bevatten, toch slaagt de staf erin om gestaag systematisch de kleinere en grotere lacunes in de collectie te vullen. Het was een goed initiatief van de redactie van De gulden passer om jaarlijks verslag te laten uitbrengen van die aanwinsten. Vaak gaat het om unieke exemplaren in België, soms zelfs om unica tout court. [MdS]


3712– Hans RIJNS (red.), De gedrukte Nederlandse Reynaerttraditie: een diplomatische en synoptische uitgave naar de bronnen vanaf 1479 tot 1700; met een ten geleide door Paul Wackers. – Hilversum: Verloren, 2007. – XL, 424 p. – ISBN 978-90-655-0962-8. – (Middeleeuwse studies en bronnen, 100).
Verbeterde en aangevulde uitgave van alle gedrukte Nederlandse Reinaertbronnen tot 1700. In de inleiding worden die ook bibliografisch beschreven, op basis van de bibliografie van H. Menke, maar toch ook met eigen aanvullingen en correcties. Degelijk en voorbeeldig werkstuk. [MdS]


3713– Hans KIENHORST, Van hetzelfde laken een pak?: eenkolomsboekjes met Middelnederlandse rijmteksten in handschrift en druk in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 103-118.
Boeiende vergelijkende analyse van korte rijmteksten in de volkstaal. De Dietsche Catoen, Karel ende Elegast en ander ‘kleingoed’ was duidelijk bestemd voor schoolgebruik en orale cultuur. [MdS]


3714– Roger TAVERNIER, Russia and the Low Countries: an international bibliography 1500-2000. – Groningen: Barkhuis Publishing, 2006. – IX, 452 p. – ISBN 90-77089-04-7. 45 €.
Exhaustieve bibliografie van wat in de Nederlanden en daarbuiten is verschenen over (contacten met) Rusland, op zowat elk domein. Met zijn 3329 + 355 voortreffelijk ontsloten titels en ruim 40 pagina’s registers is dit een modelrepertorium. Wie doet dit na voor andere landen? [MdS]


3715– Jos A.A.M. BIEMANS, Handschrift en druk in de Nederlanden rond 1500 in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 19-46. Biemans duidt in dit overzichtelijke artikel een aantal gelijkenissen en verschillen aan tussen handschrift en druk vanuit boekhistorisch standpunt, vanuit de drie-eenheid productie, distributie en consumptie. De druk, die in de beginfase het handschrift imiteerde, zal zich langzaamaan emanciperen zodat we in het eerste kwart van de zestiende eeuw een product hebben zoals we het nu nog steeds kennen: gedrukte teksten met een titelpagina, paginering, duidelijke (meestal, zelfs nu is dit soms nog of opnieuw een probleem) layout en interpunctie. Volgens Biemans is het grootste verschil tussen handschrift en druk niet zozeer de mechanische productie van de druk, maar wel "de meervoudigheid van de druk ten opzichte van de enkelvoudigheid van het handschrift en de veel grotere commerciële consequenties van het drukken en uitgeven van een boek dan bij de productie van één handschrift het geval was. Schaalvergroting is het sleutelwoord." Maar deze schaalvergroting is nu eenmaal een gevolg van de mechanisering, van het drukken met losse loden letters. [BOdB]


3716– Elly COCKX-INDESTEGE, La collection d'incunables de la Fondation Jean van Caloen à Loppem in Le livre et l'estampe, 53, 2007, 168, p. 7-125. Beschrijving van de incunabelcollectie van de familie Van Caloen. Baron Jean van Caloen (1884-1972) bouwde de boekencollectie op en ze wordt aangevuld door zijn zoon, baron Roland van Caloen. De 59 incunabelen vormen slechts een klein onderdeel van deze verzameling. Baron Jean van Caloen voorzag zijn aankopen met een ex-libris of stempel, terwijl zijn zoon alleen een verwijzing naar de boekhandelaar in het boek schreef of plakte. Blijkbaar bevond zich op een bepaald moment een blad van de Ovide moralisé van Colard Mansion in de collectie (p. 10: "Sachant qu’il ne pourrait jamais acquérir l’Ovide imprimé à Bruges par Colard Mansion, il en a acheté un feuillet. »). Vermoedelijk heeft Roland van Caloen dit blad opnieuw verkocht want we vinden het niet terug in het repertorium of is het niet opgenomen? Bij de beschrijving van de Aesopus (nr. 1) merkt de auteur op dat Polain een (juiste) collatie van deze druk geeft maar dat deze niet met zijn en dus dit exemplaar overeen komt. Ofwel volgde Polain bv. de collatie van de GW en vergat hij aan te duiden dat het ex. van Nève onvolledig was, ofwel verdwenen er in de tussentijd twee bladen. Het is spijtig dat bij de beschrijving van de boekbanden geen wrijfsel wordt gegeven van de volledige platversiering. Het blijft immers moeilijk om zich een idee te vormen van de soms wel ingewikkeld gedecoreerde blindgestempelde banden. De collectie is heterogeen en de verzamelaar liet zich blijkbaar leiden door zijn esthetische smaak. Theologische werken primeren, maar we vinden ook de kronieken van Werner Rolevinck en Hartmann Schedel terug. 16 edities bevinden zich niet in Polain (supplement uit 1978). Alle incunabelen zijn op een voorbeeldige manier ontsloten en voorzien van de nodige registers en concordanties met enkele incunabelcatalogi (Polain, GW en Goff). [BOdB]


3717– Renaud ADAM, Les livres imprimés en langue française avant 1500 dans les Pays-Bas méridionaux: réflexions sur leur mise en page in Tania Van Hemelryck & Céline Van Hoorebeeck (dir.), L'écrit et le manuscrit à la fin du Moyen Age, avec la coll. d'Olivier Delsaux et de Marie Jennequin. – Turnhout: Brepols, 2006, p. 17-33. – ISBN 978-2503519913. In de Zuidelijke Nederlanden werden 54 incunabelen in het Frans gedrukt, terwijl er iets meer dan 600 Latijnse en minder dan 200 Nederlandstalige edities gedurende deze zelfde periode verschenen. Het is belangrijk te weten dat de auteur de grenzen van de toenmalige Zuidelijk Nederlanden respecteert. Zo zijn er 5 Franstalige incunabelen te Valenciennes gedrukt, wat toch 9 % uitmaakt van de volledige Franstalige productie in de Zuidelijke Nederlanden. Adam onderscheidt twee fasen in de productie van Franstalig drukwerk. De eerste loopt tot 1484 en wordt gedomineerd door Brugse drukkers die in het totaal voor 57 % van de Franstalige incunabelproductie verantwoordelijk zijn. Belangrijkste drukker is Colard Mansion die hiervan 41 % voor zijn rekening neemt. Vanaf 1485 tot 1500 is de publicatie van Franstalige edities meer verspreid en kent men een neergang van de Franstalige incunabelproductie die volgens de auteur onder andere te wijten is aan de Parijse en Lyonese concurrentie en de moeilijke politieke toestand in de Zuidelijke Nederlanden. Didactisch-morele werken primeren (38 %) en reflecteren de smaak van de hogere klasse verbonden aan het Bourgondische hof. Hoeveel Franstalige werken er juist gezet zijn in de Bourgondische bastarde, die gebruikt werd door Colard Mansion en andere Zuidnederlandse drukkers, komen we niet te weten. We komen evenmin te weten hoeveel drukken er geïllustreerd zijn met houtsneden ("ne sera pas grandement utilisée pour les livres en langue française"). Het artikel besluit met een chronologische lijst van deze Franstalige drukken en is gebaseerd op de ISTC. [BOdB]


3718– Joris REYNAERT, Boekbinders, scrivers en boekproductie te Gent ca. 1430-1530: het traditionele ambacht tegenover de drukpers: breuk of continuïteit in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 85-102.
Fascinerende case-study: het boekbedrijf in Gent in de overgang van handschrift naar druk. [MdS]


3719– Jan Willem KLEIN, Ghescreven ofte gheprent: aspecten van de (Goudse) middeleeuwse boekproductie in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 67-84. In een brede context wordt er iets verteld over de Goudse productie van handschriften en drukken. De auteur maakt teveel gebruik van veronderstellingen en hypothesen. Hoeveel drukken er bijvoorbeeld bewaard zijn (zie ILC) en bij welke drukkers deze verschenen of iets concreets over de Goudse handschriftenproductie komen we niet te weten. Het is zinloos om aan de hand van de bewaarde exemplaren de oplage van een gedrukt boek in te schatten. Dit wordt bovendien gevolgd door de conclusie: "Samenvattend kunnen we zeggen dat in de handschriftenperiode een boekhandelaar enige tientallen boeken had met een verschillende titel, en in de drukperiode enige tientallen boeken met dezelfde titel. [met in noot: "Waarmee ik uiteraard niet wil zeggen dat hij maar één enkele titel in zijn winkel had"] Het verschil is niet zo groot." Ik weet niet wat ik hiervan moet denken. Het is een voordeel om een artikel of boek te bespreken dat reeds enkele jaren geleden is verschenen. Wanneer men zich allerlei vragen stelt bij een tekst of denkt dat men hyperkritisch is kan men spieken bij de reeds gepubliceerde recensies. Leesbaar zijn dan ook de recensies van deze bundel opstellen door Hans Mulder in Madoc, 20 (2006), p. 111-114 en A.K.L. Thijs in Volkskunde, 107 (2006), p. 274-276. [BOdB]

 


3720– Werner WATERSCHOOT, Arend de Keysere: een voorzichtig experimentator in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 119-135. Waterschoot schetst in een historisch en literair kader de volledige (bekende) productie van de Oudenaardse en Gentse drukker Arend de Keysere, actief van 1480 tot 1490. In totaal drukte hij 33 titels waarvan er 28 zijn bewaard. Gedurende deze periode bezorgde hij o.a. een editio princeps van werk van de geestelijke auteurs, Hermannus de Petra en Willem van Auvergne. Een aantal van de aflaatbrieven en literaire en historische teksten die hij drukte hebben als onderwerp het Turkengevaar. Hij publiceerde te Oudenaarde ook een Nederlandstalige prognosticatie van Johannes Laet van Borchloen (1480, voor 1481). Zijn belangrijkste en omvangrijkste publicatie, een Boethius-uitgave met Nederlandse vertaling vertoont talrijke fouten en Waterschoot concludeert: "Hij [Arend de Keysere] leidde dan ook een officina, die in onze ogen een klein bedrijf moet geweest zijn." [BOdB]


3721– Rudy VAN ELSLANDE, Arend de Keysere & Ronse in Gentse middeleeuwse documenten in Annalen. Geschied- en Oudheidkundige Kring van Ronse en het Tenement van Inde, 55, 2006, p. 295-316. Artikel waarin een aantal middeleeuwse documenten (13de-15de eeuw) met een verwijzing naar Ronse worden samengevat. Er is ook een gedeelte dat gaat over Arend de Keysere, maar een wezenlijke bijdrage tot de biografie of de bibliografie krijgen we niet: het meeste gaat terug op de werken van Machiels. Enkel treedt A de idee dat de Keysere een deel van zijn typografisch materiaal zou achtergelaten hebben in Leuven, niet bij, zonder echter argumenten aan te dragen. [JH]


3722– Ina KOK, Die Datierung von Inkunabeln durch Holzschnitte in Gutenberg-Jahrbuch, 2006, p. 62-70. De incunabulistiek wacht al sinds 1994 op de publicatie van het meesterlijke proefschrift van Ina Kok, De houtsneden in de incunabelen van de Lage Landen 1475-1500. In dit artikel toont de auteur aan de hand van enkele voorbeelden nogmaals aan hoe belangrijk dit werk wel is, niet alleen voor de kunsthistorische studie van de houtsneden maar in het bijzonder voor de datering van de incunabelen en postincunabelen. Van de 2200 incunabelen gepubliceerd in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden bevatten 520 drukken (60 %) slechts één houtsnede voorin of achterin de druk, 340 (40 %) incunabelen bevatten ook houtsneden in de tekst. Haar repertorium bevat ongeveer 12.000 houtsneden waarvan de meesten meermaals werden gebruikt zodat men aan 3.800 originelen komt. Houtsneden werden soms in hetzelfde werk meermaals gebruikt of in andere uitgaven opnieuw gebruikt. Ze dienden echter ook als illustratie van ander werken waarbij de betekenis van de houtsnede werd gewijzigd al naargelang de tekst en houtsneden werden geleend of verkocht aan andere drukkers. Aan de hand van deze houtsneden kan men verloren gegane drukken reconstrueren. De gebruikssporen, sleet en beschadigingen, stellen ons in staat ongedateerde drukken nauwkeuriger te dateren. De dateringen op basis van het lettertype kunnen scherper worden gesteld. Hopelijk wordt haar werk snel gepubliceerd. [BOdB]


3723– C. VAN HOOREBEECK, Les libraires des fonctionaires bourguignons: le cas des livres de Martin Steenberch, secrétaire ducal (+1491) in J.M. Cauchies & J. Guisset (eds.), Du métier des armes à la vie de cour, de la forteresse au château de séjour XIVe-XVIe siècle. – Turnhout: Brepols, 2005, p. 241-247. – ISBN 978-2-503512266. Idem, À l’ombre de la Librairie de Bourgogne: les livres de Martin Steenberch, secrétaire ducal (+ 1491) in Revue belge de philologie et d’histoire, 84, 2006, p. 307-363. Grondige bespreking van de privé-bibliotheek van Martin Steenberch of Maarten van Steenberg ( ?-1491), hoge ambtenaar aan het Bourgondische hof, gedurende meer dan veertig jaar deken van het kapittel van de Sint Goedele-kerk te Brussel en griffier van de Orde van het Gulden Vlies. Een voorproef verscheen in de bundel Du métier en werd volledig uitgewerkt in het Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis. Van Steenberg stelde in 1487 samen met Charles Soillot de inventaris op van de Librije van Bourgondië. De inventaris van zijn eigen bibliotheek opgesteld na zijn overlijden bevat 125 nummers. Bij 21 inventarisnummers of 17 % is men praktisch zeker dat het gaat om een incunabel. De boedelinventaris is echter niet volledig want zijn broer Jan en een zekere Henric de Fuytere hadden reeds boeken gekozen. Een aantal boeken wordt in twee kavels verkocht en de opbrengst van deze boeken samen met de resterende boeken word verdeeld tussen verschillende Brusselse kerkelijke instellingen. [BOdB]


3724– Susan Speakman SUTCH, De Gouda-editie van Le Chevalier délibéré: een boek uitgegeven in eigen beheer in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 137-155. De Goudse editie van Le Chevalier délibéré van Olivier de la Marche (ILC 1403) is volgens de Hellinga’s niet gedrukt voor eind oktober 1489 en kwam waarschijnlijk van de persen van de Collatiebroeders. De houtsneden in deze druk zijn van een uitzonderlijke kwaliteit en de kunstenaar werd nog niet geïdentificeerd. Na een inleiding over het drukkerslandschap te Gouda rond 1480 (hier leren we wel dat er 115 incunabelen te Gouda werden gedrukt, vgl. het artikel van Jan Willem Klein), spitst de aandacht van de auteur zich toe op het mecenasmerk dat zich in deze editie bevindt, maar dat ook voorkomt in de Historie van hertoghe Godevaert van Boloen (ILC 1110) en bovendien heeft een derde tekst, de Historie van de vier Heemskinderen (ILC 319) hetzelfde lettertype als de uitgave van de Chevalier wat dus zou wijzen op dezelfde pers en privé-opdrachtgever. Volgens haar hypothese verwijst het merk naar Jan van Cats, een belangrijk juridisch en militair ambtenaar te Gouda. Zijn schoonbroer, Klaas van Ruyven, was opdrachtgever voor verschillende drukken te Haarlem. Beide mecenassen bekleedden ambtelijke functies binnen het Bourgondisch-Habsburgse vorstenhuis en zouden deze werken hebben laten drukken omdat ze aan hun persoonlijke smaak en noden voldeden en hun trouw aan het vorstenhuis symboliseerden. De conclusie van de auteur: "Dergelijke privé-opdrachten zijn vermoedelijk voor een groter aandeel van de gedrukte boeken verantwoordelijk dan tot nu toe werd aangenomen." Waarom de auteur bij de incunabelen steeds verwijst naar een verouderde bibliografie, CA (Campbell), terwijl ze wel degelijk de ILC kent (zie noot 18), is me een raadsel. [BOdB]


3725– Herman PLEIJ, Over betekenis en belang van de leesinstructie in de gedrukte proza-Reynaert van 1479 in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 207-232. In 1479 publiceerde Gheraert Leeu in Gouda Die hystorie van reynaert die vos, de enige gedrukte editie van Reynaert II. Hierbij werden de versregels in proza omgezet. In het begin van de tekst staat ook een inhoudsopgave en een leesinstructie, Hier beghint die hystorie ofte die parabolen van reynaert die vos. De drukker Leeu boort hiermee "de potentiële markt van individuele lezers" aan. Interessant en onderbouwd betoog. De term "auraliteit" van Janet Coleman gaat mijn petje echter te boven. Vele "orale" teksten zijn ook "vastliggende teksten", denken we maar aan de Indiase Veda’s, en ook bij het voorlezen kan de voorlezer een stuk tekst overslaan of zelf al voorlezend de tekst aanpassen, enz. Neen, laten we deze term beter vergeten. [BOdB].

 


3726– Albrecht CLASSEN, Werner Rolevinck's Fasciculus Temporum: the history of a Late-Medieval bestseller, or: the first hypertext in Gutenberg-Jahrbuch, 81, 2006, p. 225-230. Wim VAN ANROOIJ, Werner Rolevincks Fasciculus temporum: variatie in handschrift en druk in Paul Hoftijzer, Kasper van Ommen, Geert Warnar & Jan Just Witkam (red.), Bronnen van kennis: wetenschap, kunst en cultuur in de collecties van de Leidse Universiteitsbibliotheek. – Leiden: Primavera Pers, 2006, p. 56-63. – ISBN 978-90-5997-028-1. In 2006 verschenen twee artikeltjes over de Fasciculus Temporum. We behandelen ze hier samen. Classen situeert Werner Rolevinck, zijn verschillende publicaties en de kartuizerorde om daarna tot een korte bespreking van de inhoud van de Fasciculus Temporum over te gaan. Deze studie neemt nog geen vier pagina’s in beslag en is hoofdzakelijk gebaseerd op de Venetiaanse editie van 1481 (Erhard Ratdolt) en op twee exemplaren uit 1479 en 1480 bewaard in de University of Arizona Library te Tucson. De auteur vermeldt niet dat het gaat om de Venetiaanse edities respectievelijk gepubliceerd door Georgius Walch en Erhard Ratdolt: de ISTC geeft immers voor deze jaren twee verschillende edities op. Zijn artikel brengt ons weinig bij. Classen weet dat er een Nederlandse vertaling bestaat, maar vergeet te vermelden dat deze in Nederland werd gedrukt. Hij heeft het over de stad Leodio (p. 228), de nominatief is natuurlijk Leodium en het gaat om Luik/Liège. De stichter van de Devotio moderna is op dezelfde pagina "Gert Groet", ons beter bekend als Geert Grote of Groote. Het Engels is blijkbaar niet goed nagelezen (zie bv. p. 225 "one of the most popular books ever written"; p. 226 "two basic food items") en bij verschillende uitspraken van Classen kan men zich vragen stellen. Op p. 229 beweert hij: "Whereas the 1480 edition shows no colors, in the 1479 edition all the signs for new paragraphs and many times also the first capital letters are colored in red." Niets laat ons toe te veronderstellen dat Classen meer dan één exemplaar van deze edities zag. Op p. 230 beweert de auteur dan weer: "Rolevinck’s humility probably prevented him from creating a front page for his work …" Vreemd. Wat de Fasciculus Temporum met hypertekst te maken heeft weet ik niet. De korte situering van de Nederlandse vertaling van de Fasciculus gepubliceerd in 1480 bij Veldener te Utrecht door Van Anrooij in de bundel Bronnen van kennis is meer lezenswaard. Hij duidt aan dat een aantal handschriften aan de eerste editie in 1474 vooraf gaan en dat de vormgeving van de drukken op deze van de handschriften terug gaat. De eerste Latijnse editie uit onze gewesten verscheen bij Veldener te Leuven in 1475. De Leidse Universiteitsbibliotheek bezit twee exemplaren van de Nederlandse vertaling. De auteur hiervan is onbekend en de vertaling werd aangevuld met een aantal korte kronieken met betrekking tot de Nederlanden die voorzien werden van heraldische illustraties. [BOdB]


3727– Rob RESOORT, De presentatie van drukwerk in de volkstaal in de Nederlanden tot 1501: waar zijn de auteurs, vertalers en opdrachtgevers?: een verkenning in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 177-260. Er werden zo’n 481 Nederlandstalige incunabelen gedrukt. Slechts 61 (12, 5 %) van deze werken hebben de naam van een auteur of vertaler. Deze 61 werken wordt door de auteur volgens het soort literatuur dat werd gedrukt behandeld. Bij elke groep overloopt de auteur de drukken en trekt hier zijn tentatieve conclusies uit. Zo zouden chirurgische en anatomische werken blijkbaar steeds voorzien zijn van de naam van een auteur. In het algemeen worden auteurs van artesteksten en religieuze gebruiksteksten eerder vermeld. [BOdB]


3728– Hendrik D.L. VERVLIET, Early sixteenth-century Parisian Roman types in De gulden passer, 83, 2005, p. 1-88.
Beschrijving van de 51 Parijse romeintypes uit de periode 1501-1530, d.i. de periode voor de eigenlijke bloei van het Parijse letterontwerp. Sommige van de types ontstonden in de 15de eeuw, andere werden geïmporteerd uit Noord-Italië en Duitsland. Afgezien van de Colines-types zijn er geen opvallende bij. De auteur ondersteunt het belang van zijn studie met erop te wijzen dat de types een aanduiding geven van de romanisatie van Franse leesgewoonten, en van de "francisatie" van het Europese letterontwerp in latere eeuwen. [JH]


3729– Hendrik D.L. VERVLIET, Robert Estienne's printing types in The Library, 7de reeks, 5, 2004, 2, p. 107-175.
Overzicht van de lettertypes gebruikt door één van de belangrijkste 16de-eeuwse drukkers, m.n. Robert Estienne (c. 1503-59). De 29 types worden diepgaand en meticuleus beschreven, zoals we gewoon zijn van de auteur. [JH]


3730– Gwendolyn VERBRAAK, William Tyndale en de illegale boekhandel: een bibliografische zoektocht naar de drukkers van Tyndales Nieuwe Testamenten uit 1536 in De boekenwereld, 24, 2007, 1, p. 5-17.
Aan de hand van ornamentele initialen, ornamenten en illustraties onderzoekt de auteur vier anoniem gedrukte Engelse bijbelvertalingen uit 1536 in-8°. Hierbij is de auteur zich wel bewust van de uitleningen van dergelijk materiaal onder de drukkers. Om de drukken toe te schrijven aan Merten de Keyser baseert de auteur zich niet alleen op het typografisch materiaal, maar weet dit ook te onderbouwen met verwijzingen naar de filologie. In haar conclusie geeft Verbraak niet alleen een aansporing om ook de andere Engelse bijbelvertalingen te onderzoeken, maar vraagt zij ook meer verduidelijking omtrent het netwerk voor de verspreiding van dergelijk drukwerk. Het artikel wordt afgesloten met een lijst van gedrukte bijbels in het Engels van 1525 tot 1537. [JH]


3731– August DEN HOLLANDER, The New Testament, which ... surpasses all books Adriaen van Berghen, 1533 in Quaerendo, 36, 2006, 1-2, p. 35-50.
Engelse vermeerderde vertaling van een artikel dat eerder verscheen, zie nr. 3523. [JH]


3732– Jean-François GILMONT, La production typographique de Martin Lempereur (Anvers, 1525-1536) in Jean-François Gilmont & William Kemp (éd.), Le livre évangélique en français avant Calvin: études originales, publications d'inédits, catalogues d'éditions anciennes = The French Evangelical book Before Calvin: original analyses, newly edited texts, bibliographic catalogues. – Turnhout: Brepols, 2004, p. 117-129, ill. – ISBN 2-503-51705-6. – (Nugae humanisticae sub signo Erasmi, 4).
A situeert de productie van Maarten de Keyser a.d.h.v. een telling van het aantal gedrukte vellen in het landschap van protestantse drukkers en drukken in Europa in de eerste helft van de 16de eeuw. De Keyser was vooral begaan met de verspreiding van de werken en de boodschap van Erasmus en Luther, en was een Europese draaischijf voor dergelijke werken. Toch bleef hij binnen de traditionele kerk, in de hoop te kunnen meewerken aan een interne vernieuwing. Een goed geargumenteerd artikel waarin alle totnutoe bekende informatie over één van de belangrijkste drukkers van de post-incunabeltijd verzameld werd, in een wat ongewone vormgeving. [JH]


3733– Victor VAN DER HAEGHEN, Inventaire archéologique – fiche n° 135: de drukken van Lambrecht in Ghendtsche tydinghen, 35, 2006, 2, p. 81-2.
Bewerkte vertaling van de fiche over Joost Lambrecht uit de Inventaire archéologique van Van der Haeghen. Aangezien deze fiche reeds werd gebruikt door Rouzet, levert dit artikel geen wezenlijke bijdrage tot de studie van leven en werk van Lambrecht. [JH]


3734– Victor VAN DER HAEGHEN, Inventaire archéologique – fiche n° 145: de Maniliaanse drukken in Ghendtsche tydinghen, 35, 2006, 5, p. 298-9.
Victor VAN DER HAEGHEN, Inventaire archéologique – fiche n° 146: de Maniliaanse drukken II in Ghendtsche tydinghen, 35, 2006, 6, p. 355-6.
Victor VAN DER HAEGHEN, Inventaire archéologique -fiche n° 147: de Maniliaanse drukken III in Ghendtsche tydinghen, 36, 2007, 1, p. 12-3.
Bewerkte vertaling van drie fiches over de drukkersfamilie Manilius te Gent, die niet door Rouzet gebruikt werden. De eerste fiche, over Cornelius Manilius, levert niets nieuws op. De tweede, over Gislenus, verwijst naar een artikel van H. van Duyse uit 1898 dat niet vermeld wordt bij Rouzet. De derde fiche, over de zeventiende-eeuwse drukker Gauthier Manilius, wordt overbodig gemaakt door de notitie in de BN. In de verwijzing onderaan het artikel werd een vergissing gemaakt: lees Biographie Nationale i.p.v. Bibliographie gantoise. [JH]


3735– Paul G. HOFTIJZER, Broederliefde is zeldzaam: Franciscus Raphelengius aan Jan Moretus, 27 april 1594 in P.G. Hoftijzer, O.S. Lankhorst & H.J.M. Nellen, Papieren betrekkingen: zevenentwintig brieven uit de vroegmoderne tijd. – [Nijmegen]: Uitgeverij Vantilt, 2005, p. 21-29 – ISBN 90-77503-35-8.
In deze bundel met 27 brieven uit de vroegmoderne tijd wordt één brief uitgegeven van Franciscus Raphelengius aan Jan Moretus. De brief werd gedateerd op 27 april 1594 en bevindt zich in MPM, Archief 92, ff. 51-52. In deze Franstalige brief antwoordt Raphelengius op de condoleancebrief van Jan Moretus n.a.v. het overlijden van Raphelengius echtgenote. De titel verwijst naar een vers uit de Metamorphoses van Ovidius, dat Raphelengius gebruikt in zijn brief om de nauwe band tussen hem en Jan Moretus te benadrukken. [JH]


3736– Dirk IMHOF, De Spaanse koopman Luys Perez als financier van Jan Moretus' uitgaven van Benedictus Arias Montanus in De gulden passer, 83, 2005, p. 149-155.
De auteur beantwoordt in dit artikel de vraag naar de financiering van de werken van Arias Montanus. Essentieel hierin is de Spaanse koopman Luys Perez die met voorschotten en vaste afname van exemplaren de publicaties financierde. Dit wordt haarfijn uitgelegd a.d.h.v. de publicatie van de Commenatria in Isaiae sermones van 1599. Dat de steun van Perez essentieel voor de publicatie van de werken van Arias Montanus blijkt vanaf de 17de eeuw. Na de dood van Luys Perez en van zijn kleinzoon Martin Perez worden er geen werken van Arias Montanus meer gedrukt. Was Moretus steeds bereid gedurende hun leven Montanus’ werk te drukken, na hun dood maakte hij zoveel bezwaar dat het er nooit meer van gekomen is. Een boeiende inzage in het reilen en zeilen van het boekbedrijf van Jan Moretus. [JH]


3737– Hubert MEEUS, Twee boecken van Stantvasticheyt: een commerciële zet van Plantijn? in Iam illustravit omnia (zie nr. 3705), p. 79-102.
Uitvoerig en gedegen artikel over Lipsius De Constantia en vooral de vertaling ervan door Jan Moretus. A start met de bevinding dat de Latijnse editio princeps van De Constantia gepostdateerd werd. Er zijn brieven van Plantijn bekend waaruit blijkt dat hij het werk reeds in gedrukte vorm in 1583 verspreidde, terwijl op het titelblad het jaar "1584" prijkt. Hieruit besluit A dat de Nederlandse vertaling van het werk, eveneens gedateerd 1584, niet het gevolg kon zijn van de populariteit van het werk – dat kon men in 1584 nog niet weten van een boek dat in 1584 werd gedrukt -, maar dat er iets anders moet achter gezeten hebben. Aangezien het drukkersbedrijf in eerste instantie een commercieel bedrijf is, moet de achterliggende reden ook in die richting gezocht worden. Alles heeft te maken met de politieke en militaire omstandigheden van Antwerpen in die tijd. Lipsius’ boek pleit voor een standvastige houding in moeilijke tijden, en Antwerpen bevond zich, één jaar voor de Val, in een benarde positie. Het is daarom dat Plantijn zijn boek in 1584 dateerde: door het publicatiejaar voor zover mogelijk naar achter te verschuiven verhoogde hij de actualiteitswaarde van het werk (of daarmee ook het commerciele succes werd verhoogd blijft onduidelijk). En daarmee was Plantijn niet de enige, want ook nog tijdens twee latere crisismomenten in de Nederlandse geschiedenis werd een Nederlandse vertaling van De Constantia gepubliceerd. Het gaat hier om 1621, publicatie van de bewerkte Nederlandse vertaling van 1584 door Dirck Pieters Pers die samenvalt met het einde van het Twaalfjarig bestand, en 1672, publicatie van de vertaling van Frans van Hoogstraten die samenvalt met de invallen van Lodewijk XIV in de Republiek. A gaat in het artikel ook nog in op de verschillen tussen de verschillende vertalingen en de totstandkoming van de vertaling van Moretus, Coornhert en Walravens en op het beoogde publiek. [JH]


3738– Renaud ADAM, Une lettre inconnue de Max Rooses au chanoine Nicolas Henrotte in De gulden passer, 85, 2007, p. 141-144.
Op 10 november 1891 beantwoordde Max Rooses een vraag om inlichtingen van de Luikse kanunnik Nicolas Henrotte, specialist in liturgie en heraldiek. Rooses schrijft over exemplaren van Plantijns Antiphonarium (1572-1573) (met antiquarische prijzen) en over Renault Rogerius, een zestiende-eeuwse muziekmeester in de Mechelse kathedraal, die later te Atrecht werkzaam was. Ook wil Rooses aan Henrotte zijn eigen exemplaar van een van zijn publicaties uitlenen. Een typisch voorbeeld van hulpvaardigheid onder negentiende-eeuwse geleerden. [WW]


3739– Chris COPPENS, Le (vrai) bonheur de ce monde: Plantijns sonnet in alle staten in De gulden passer, 85, 2007, p. 43-59.
Het sonnet Le bonheur de ce monde, toegeschreven aan Plantijn, werd pas voor het eerst in 1694 gepubliceerd. A gaat in zijn artikel niet op zoek naar het auteurschap, maar situeert het gedicht tussen andere met hetzelfde onderwerp. Hij vertrekt van Martialis en komt via Ovidius, Marot, Agrippa d’Aubigné, Henry Howard, graaf van Surrey, Nicolas Vauquelin e.a. terecht in de 20ste eeuw bij twee Poolse vertalers en bij Philippe Devoghel. [JH]


3740– Chris COPPENS, Plantijns fondscatalogus uit 1572 compleet in De gulden passer, 83, 2005, p. 107-115.
Specialist terzake, Chris Coppens, heeft niet één, maar twee volledige exemplaren van de Plantijnse fondcatalogus uit 1572 teruggevonden in de Nationale Bibliotheek van Sint-Petersburg. Daarmee kan hij het beeld vervolledigen dat hij eerder (Zie Kroniek 28 nr. 3529) heeft gemaakt a.d.h.v. het onvolledige exemplaar in de KB Brussel. In het artikel komt hij tot de conclusie dat in vgl. tot de catalogus van 1567 zeker de liturgica, de edities van klassieke auteurs en de geneeskunde in aantal en belang zijn toegenomen, terwijl de humanistische literatuur er eerder op achteruitgaat. Behalve de bespreking bestaat het artikel uit een aantal grafieken, een afbeelding van de ontbrekende bladzijden en een kritische uitgave ervan. Afgesloten wordt met een concordantie met PP en een register. Hiermee is de fondscatalogus van 1572 volledig geanalyseerd. [JH]


3741– Youri DESPLENTER, Vroegmoderne Nederlandse bijbelvertalingen middeleeuwser dan vermoed: vondst van een vijftiende-eeuwse getuige van het Vorsterman-psalter (1528) in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 113, 2007, 3, p. 185-207.
Totnogtoe werd aangenomen dat de Vorsterman-bijbel van 1528 terugging op de Liesvelt-bijbel van 1526 en dus per definitie Luthers was. A heeft in Philadelphia een laatmiddeleeuwse psaltervertaling gevonden waaruit blijkt dat zeker voor het psalter en een aantal andere teksten Vorsterman niet van een Lutherse tekst gebruik heeft gemaakt, maar van een prereformatorische tekst, misschien geschreven door Cornelius Aurelius. Het zou de drukker Jan Seversz. zijn die de handschriftelijke tekst naar Antwerpen bracht. Een artikel dat de studie van de vroege bijbels dooreenschudt en de onderzoekers dwingt om één en ander te herbekijken en bij te sturen. M.a.w. een must. [JH]


3742– Koert VAN DER HORST, An unrecorded Book of Hours, printed by Plantin with a (partly) unrecorded series of illustrations in Quaerendo, 37, 2007, 4, p. 291-304.
In een artikel van 1995 (Zie Kroniek 21 nr. 2353) poneerde Karen Lee Bowen dat een aantal gravures van Jan Wierix en van een anonymus, die gebruikt werden in een in-4° Missale van Plantijn (1585), origineel moeten gebruikt zijn geweest voor edities van de Officium Beatae Mariae Virginis in-12° en in-16°. A heeft in een antiquariaat een exemplaar gevonden van een niet-gerepertorieerd Officium (Plantijn, 1578/79) dat de thesis van Bowen ondersteunt. [JH]


3743Eric LEENDERS, De kaart van Vlaanderen G. Mercator – J. van Deventer in Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 108, 2005, p. 85-116.
Artikel over de auteur van de kaart van Vlaanderen van 1540. A.d.h.v. een merkteken, bij sommige gebouwen een cirkeltje met erin nog een cirkeltje, schrijft A de kaart toe aan Jacob van Deventer. [JH]


3744– Claude SORGELOOS, ‘Renerus Argenteau me possidet’: quelques livres de Renaud d'Argenteau, étudiant à Louvain (1538-1542) in Bulletin de la Société des Bibliophiles Liégeois, 25, 2005, p. 25-82, ill.
Diepgaande studie van de bibliotheek van een adellijke Leuvense student, in hoofdzaak gebaseerd op boeken bewaard in de universiteitsbibliotheek Mons-Hainaut. Renier Argenteau († kort na 1558) studeerde te Leuven in de bloeiperiode van de universiteit (Collegium Trilingue!). Zijn boeken bleven een tijd in familiebezit, maar kwamen in de 17de eeuw terecht in de bibliotheek van de Bergense Miniemen. S. onderzoekt exlibrisformules, gebruiks- en leessporen, en vooral de (versiering van) de boekbanden (met uitvoerige beschrijvingen in bijlage). Eén van de bewaarde drukken is de Justinianuseditie door Fr. Balduinus (Leuven, R. Rescius, 1542 – BT 6108). Het exemplaar van Argenteau bevat een lang onuitgegeven Latijns gedicht van Balduinus (in handschrift toegevoegd). Voorbeeldige, boeiende studie! [MdS]


3745– A. DEWITTE, De bibliotheek van Jan Hebscap, deken van de kristenheid te Veurne, pastoor van Leisele, 1577 in Biekorf, 105, 2005, 3, p. 247.
In zijn testament vermeldt Jan Hebscap 24 titels die hij nalaat. Deze hebben alle betrekking op de oudheid, het humanisme, geschiedenis, recht en kerkvaders. Invloed van het concilie van Trente is hier niet te bespeuren. [JH]


3746– Edmond ROOBAERT, Centrale en gewestelijke besturen en hun aankopen en bestellingen bij boekhandelaars en -drukkers (16de eeuw) in Archief- en bibliotheekwezen in België, 76, 2005, 1-4, p. 1-66.
Roobaert heeft de archieven van enkele centrale en gewestelijke besturen onderzocht naar aankopen en bestellingen bij boekhandelaars en drukkers gedurende de 16de eeuw. De hoofdbrok gaat natuurlijk over officieel drukwerk zoals edicten en ordonnanties, maar ook ander werk (naslagwerken, pronosticaties, almanakken, etc.) komen sporadisch aan bod. Ook opdrachten voor het inbinden van registers en aankopen van papier, inkt e.d. worden vermeld. De onderzochte instellingen zijn: Raad van Brabant, Rekenkamer van Brabant, beide in Brussel, de Keizerlijke Munt van Brabant te Antwerpen en de ontvangerij-generaal van Financiën. Het artikel wordt afgesloten met een index op drukkers en boekhandelaars. Belangrijk onder de administratieve uitgaven van de Raad van Brabant voor het onderwerp zijn de reisvergoedingen voor de boden. Zij brachten niet alleen de gedrukte teksten naar de lokale besturen, maar brachten ook de teksten naar de drukkers. Pas vanaf 1531 kennen we de namen van de drukkers die opdrachten krijgen; de eerste was Vorsterman. Later worden ook o.a. Jacob van Liesvelt en Symon de Cock te Antwerpen, Servaas van Sassen te Leuven en Michel van Hamont en Rutgeert Velpius te Brussel, door de Raad van Brabant aangesproken. Leden van de Raad van Brabant kochten juridische werken voor de bibliotheek bij Adam Boudewijns te Antwerpen en bij Jean Thimon te Brussel. De Rekenkamer was een grote afnemer van een ander soort drukwerk, m.n. almanakken en pronosticaties. Deze publicaties kocht zij jaar na jaar aan en steeds in grotere aantallen: in het begin van de 16de eeuw waren het er drie, maar op het eind ging het al om 50 exemplaren en meer. Deze publicaties konden zowel in het Nederlands als het Frans zijn, en konden zowel éénbladdrukken als boekjes zijn. Ook liet de Rekenkamer ordonnanties en ander officieel drukwerk drukken. Wat opvalt is dat geen enkele drukker gedurende een heel deel van de 16de eeuw de exclusiviteit kreeg: zowel Silvius, Plantijn, van Parijs, Velpius, enz. drukten voor de instelling. Pas vanaf 1586 werd Velpius de exclusieve leverancier van drukwerk. Een boeiend en waardevol artikel over drukwerk dat niet altijd geapprecieerd wordt. [JH]


3747– Prosper ARENTS, Leerboeken voor Pieter Pauwel Rubens? Aankopen bij de Officina Plantiniana in 1585-1590 door Rumoldus Verdonck, magister van Rubens in De gulden passer, 83, 2005, p. 137-147.
Lijst van 40 boeken die Rumoldus Verdonck, leermeester van Rubens bij de Plantijnse drukkerij heeft aangekocht tussen 1585 en 1590. De lijst werd samengesteld a.d.h.v. de journalen van de Officina Plantiniana (MPM Archief 62-67), door Prosper Arents en uitgegeven door Alfons K.L. Thijs. Onder de boeken bevinden zich zowel schoolauteurs (Despauterius), auteurs van schooltoneelstukken (Schonaeus) als klassieke auteurs (Cicero, Vergilius). De 40 boeken worden eerst omschreven a.d.h.v. de eerste vermelding in het journaal (met opgave van de prijs!), daarna met een volledige titelopgave, formaat en paginering. Verder wordt er verwezen naar latere leveringen aan Verdonck, literatuurverwijzingen naar o.a. PP en Rooses en – indien mogelijk – naar een exemplaar. Mooi artikel, niet alleen voor kunsthistorici maar ook voor economische historici. [JH]


3748– John FUDGE, Commerce and print in the early reformation. – Leiden/Boston: Brill, 2007. – 289 p., ill., krtn.; 24 cm. – ISBN 978-90-04-15662-3. – (The Northern world: North Europe and the Baltic c. 400-1700 AD; Peoples, economics and cultures, 28).
A gaat in dit boek op zoek naar de betekenis van handelaars in de verspreiding van de religieuze vernieuwing in de jaren ’20 van de 16de eeuw. Een belangrijk punt hierin zijn de communicatie- en transportsystemen, de verspreiding van de drukkershuizen en de interregionale boekcirculatie. Het onderzoek vertrekt van een razzia naar verboden boeken bij buitenlanders in Londen in 1526. Reeds lang gelooft men dat de Duitse hanzehandelaars in Londen importeurs waren van Lutherse ideeën. Dit zou natuurlijk een markt voor Lutherse werken in Londen veronderstellen. De razzia leverde al bij al weinig op. Uit de enkele exemplaren die werden gevonden kan worden afgeleid dat de handelaars wel goed op de hoogte waren van de debatten die aan de gang waren, maar slechts weinig teksten van de leidende hervormers bereikten Engeland en de impact was dus minimaal. Van een markt voor Lutherse boeken kan helemaal geen sprake zijn. De rol van Antwerpen is niet te onderschatten, aangezien de stad de commerciële hub was in Noord-Europa, en waarvandaan verboden boeken naar Engeland konden gezonden worden. Voor Antwerpen worden natuurlijk de drukkers Christoffel en Hans van Ruremond, Frans Birckman en Maarten de Keyzer belicht, vooral in hun internationale context, en dan specifiek hun betrekkingen met Engeland. Jammer is wel dat hun situatie binnen de Antwerpse drukkers- en uitgeverswereld onderbelicht wordt, behalve dat A erop wijst dat bij de drukkers van de Cammerstraete en de Lombaerdeveste de zakelijke relaties en de persoonlijke loyauteit door elkaar liepen en families verbonden. [JH]


3749– Paul BEGHEYN, The catechism (1555) of Petrus Canisius, the most published book by a Dutch author in history in Quaerendo, 36, 2006, 1-2, p. 51-84.
N.a.v. de 450ste verjaardag van de eerste editie van de catechismus van Canisius geeft de specialist terzake een overzicht van wat een catechismus is en zijn ontstaan in de 16de eeuw, en gaat hij dieper in op de inhoud van de catechismus van Canisius, die in drie versies bestaat. De meest uitgebreide, de Summa doctrinae christianae met in zijn definitieve versie 222 vragen en antwoorden, is vooral gericht op een theologisch geschoold publiek met veel verwijzingen naar de bijbel en de kerkvaders. Voor de minst geschoolden was er de Catechismus minimus en voor de middengroepen (o.a. studenten) was er de Catechismus minor. A berekende dat er van deze catechismussen niet minder dan 1179 edities zijn gedrukt, hetzij in het Latijn, hetzij in vertaling. Daarmee is de catechismus van Canisius het meest gepubliceerde boek van een Nederlandse auteur (Canisius werd geboren in Nijmegen) van de geschiedenis. Van de 347 verschillende edities die gedurende Canisius’ leven zijn verschenen, heeft A een overzicht met 330 edities in short-title als appendix. Uit deze lijst blijkt dat er vanaf het jaar van verschijnen in 1555 tot het jaar van de dood van de auteur (1597) er per jaar minstens één editie verscheen, waarvan minstens één in de Zuidelijke Nederlanden vanaf 1556; enkel de jaren 1577, 1579, 1583, 1584, 1586, 1590, 1596 en 1597 zorgen voor een uitzondering. Canisius werd in drie steden van bij ons gedrukt: Antwerpen, Leuven en Luik, en de belangrijkste drukkers waren: C. Plantijn (29), J. Bellerus (18), J. Withagius (8), wed. C. Plantijn (5), J. Moretus (4), M. Verhasselt (4), B. Gravius (4), J. van Winghe (2), J. Latius (2), J. Bogardus (2), G. Morberius (2), H. Hovius (2) en D. Vervliet (2). Onder 1597 wordt J. van Soest vermeld als Antwerpse drukker. Volgens Rouzet was er in de Zuidelijke Nederlanden van de 15de en 16de eeuw geen drukker die van Soest heette. Het gaat hier waarschijnlijk over de 18de-eeuwse drukker Joannes-Franciscus van Soest (1695-1770; zie De Groote (1961) 110).
Als aanvulling willen we hier nog een aantal BT-nrs vermelden die niet werden opgenomen in de lijst, waarschijnlijk omdat de werken in BT niet onder Petrus Canisius gerepertorieerd werden, maar wel onder het eerste titelwoord. Het gaat om: 10=BT5392; 15=BT597; 21=BT4440; 22=BT6810; 23=BT6811; 24=BT6812; 35=BT598; 36=BT8034; 42=BT4441; 43=BT6813; 58=BT6814; 59=BT4442; 62=BT8035; 83=BT599. Wat de Luikse drukken betreft wordt er niet naar de Theux verwezen, maar dat is minder erg omdat die bibliografie geen bijkomende informatie omtrent exemplaren biedt. Voor de aardigheid: 12=Theux 2; 13= niet in Theux; 143= Theux 9; 160=Theux 11; 167=niet in Theux; 268=Theux 19; 288=Theux 21; 294=Theux 22. [JH]


3750– Peter VAN DAEL, Two illustrated catechisms from Antwerp by Petrus Canisius in K. Goudriaan, J. van Moolenbroek & A. Tervoort (eds.), Education and learning in the Netherlands, 1400-1600: essays in honour of Hilde de Ridder-Symoens. – Leiden: Brill, 2004, p. 277-296 – ISBN 978-90-04-13644-1. – (Brill's studies in intellectual history, 123).
Bespreking van de illustraties in twee catechismussen van Canisius. De eerste is een echte geïllustreerde catechismus, gedrukt bij J. Bellerus in 1578, de tweede is een boek met illustraties, uitgegeven bij Plantijn en F. Galle in 1589, dat een Parvus catechismus begeleidt. Dit illustratieboek werd geïllustreerd met 103 etsen, waarvan er één gesigneerd werd door P. van der Borcht. Bij vergelijking van de twee catechismussen blijkt dat diegene uitgegeven door Bellerus, veel traditioneler is dan de latere. Bellerus hanteert dikwijls nog een middeleeuwse manier van werken, terwijl Plantijn en Galle aansluiten bij de renaissance, gezien het bijbelse karakter van de afbeeldingen. [JH]


3751– Marijke SPIES, A Chaste Joseph for schoolboys: on the editions of Cornelius Crocus' Sancta Comoedia Ioseph (1536-1548) in Education and learning in the Netherlands, 1400-1600 (zie nr. 3750), p. 223-233.
Tussen 1536 en 1549 werden er minstens 17 edities van de schoolkomedie "Joseph" van Crocus gepubliceerd; niet alleen in de Nederlanden, maar ook in Frankrijk en Duitsland. A onderzoekt de verschillende edities en vraagt zich af welke veranderingen er in de loop van de tijd werden doorgevoerd. Niet de tekst, maar vooral de opdrachtbrief aan Martinus Nivenius en een noot omtrent de "Lutheraanse tirannie" werden in de verschillende edities herwerkt. Aan het eind van zijn leven, toen Crocus was toegetreden tot de jezuïetenorde, herwerkte hij zijn komedie volledig. Deze nieuwe editie, die veel meer aan de eisen van de Contrareformatie voldoet, was echter geen succes. Deze tweede editie verscheen voor het eerst in 1547 in Antwerpen en werd er ook herdrukt in 1548. In 1549 verscheen nog een druk in Dortmund, en meer dan 60 jaar later werd de editie opgenomen in de Opera omnia van Crocus (Antwerpen, 1613), in een editie door Andreas Schottus. [JH]


3752– Jelle KOOPMANS, Brugge als culturele draaischijf: de casus van de Spinrocken in Johan Oosterman (red.), Stad van koopmanschap en vrede: literatuur in Brugge tussen Middeleeuwen en Rederijkerstijd. – Leuven: Peeters, 2005, p. 163-181. – ISBN 90-429-1564-1. – (Antwerpse Studies over Nederlandse Literatuurgeschiedenis, 12)
In het kader van een onderzoek naar het literaire Bourgondische leven in Brugge, analyseert A de Evangiles des Quenouilles. Daarbij is een rol weggelegd voor Colard Mansion die het werk voor het eerst drukte, en daarmee aan de wieg stond voor latere Franse edities, de Engelse, Duitse en Nederlandse vertalingen, en minstens één bewerking. Of Mansion meer deed dan enkel maar drukken, moet nog uitgezocht worden. [JH]


3753– Hilmar M. PABEL, Erasmus, Willem Vorsterman and the printing of St Jerome's Letters in Quaerendo, 37, 2007, 4, p. 267-290.
Vorsterman heeft zowel in 1515 als in 1533 een aantal brieven van Hieronymus gedrukt. In beide edities is een Erasmiaanse invloed te onderkennen; in de vroegste editie expliciet, in de latere impliciet. De 1515-editie is nochtans geen Erasmiaanse editie: er bevinden zich in het boek een aantal elementen die meer dan gefrons bij Erasmus zouden kunnen teweeg brengen. A vraagt zich af of de editor en de drukker van de vroegste editie wisten van de op handen zijnde grote complete Hieronymus-editie van 1516 door Erasmus, maar wijst er wel op dat er geen enkele brief of verwijzing bestaat tussen Erasmus en Vorsterman. Misschien had Vorsterman in 1515 nog de naam van Erasmus nodig om zijn producten aan te prijzen, en was dit niet meer nodig in 1533. [JH]


3754– Stijn VAN ROSSEM, Leve(n)de taal!: Cornelis Kiliaan (ca. 1530-1607) herdacht in De gulden passer, 85, 2007, p. 167-173.
Kort overzicht van Kiliaans leven en werk, en van de manifestaties aan hem gewijd. [MdS]


3755– Jeanine DE LANDTSHEER, Justus Lipsius als go-between tussen auteur en drukker: een onbekende brief van Richard Stanihurst aan Lipsius in Iam illustravit omnia (zie nr. 3705), p. 69-78.
Bespreking van een teruggevonden brief van Stanihurst aan Lipsius van eind 1583 waarin Stanihurst de humanist vraagt of hij zijn werk, m.n. De rebus in Hibernia gestis, kan aanbevelen bij de Officina Plantiniana. Dit blijkt te werken, want reeds in 1584 verscheen het werk en werd het meegenomen naar de halfjaarlijkse boekenbeurs in Frankfurt. A.d.h.v. de biografie van Richard Stanihurst en vooral van zijn zoon William verklaart A hoe het boek met de daarin gekleefde brief, terecht is gekomen in de KB Brussel. Deze brief is voor A ook de aanleiding om de inhoud van De rebus te omschrijven. [JH]


3756– Jeanine DE LANDTSHEER, An author and his printer: Justus Lipsius and the Officina Plantiniana in Quaerendo, 37, 2007, 1, p. 10-29.
Wanneer we denken aan de relatie tussen drukker en auteur in de 16de eeuw, komt automatisch de relatie Justus Lipsius en het Plantijnse huis voor de geest. Gedurende heel zijn leven heeft Justus Lipsius een intense relatie gehad met de Officina Plantiniana, niet alleen financieel/professioneel, maar ook emotioneel. Dit artikel vestigt de aandacht op de inspanningen die Lipsius heeft geleverd om na de dood van Christoffel Plantijn de Officina het monopolie te bezorgen voor het drukken van zijn werk. Immers, na de dood van Plantijn in 1589 verschenen er dadelijk werken van Lipsius die gedrukt waren bij Johann Wechel en Peter Fischer in Frankfurt, Hugo Porta in Lyon en John Legate in Cambridge. Deze laatste publiceerde zelfs een deel van zijn oplage onder het valse drukkersadres van Raphelengius in Leiden. Daarom diende Lipsius een aanvraag voor een privilegie in bij keizer Rudolf II, die op 1 augustus 1592 werd goedgekeurd. Daarmee bezat Lipsius een privilegie voor 30 jaar voor zijn werken. Lipsius duidde Jan Moretus aan als officiële drukker van zijn werk. Vijf jaar later verkreeg hij ook een gelijkaardig privilegie van Filips II en in 1605 kreeg hij er ook één van Hendrik IV, weze het dan maar voor 10 jaar. [JH]


3757– Tom DENEIRE, Justus Lipsius' Admiranda (1598) and the Officina Plantiniana: mixing otium with negotium in Iam illustravit omnia (zie nr. 3705), p. 159-176.
Onderzoek naar de relatie tussen Justus Lipsius en de Officina Plantiniana, i.c. Johannes en Balthazar Moretus, a.d.h.v. de correspondentie van Lipsius omtrent de uitgave en heruitgave van de Admiranda in 1598 en 1599. Uit de briefwisseling blijkt duidelijk dat beide partijen enthousiast begaan zijn met het verzorgen van de werken van Lipsius. De redenen hiervoor zijn zowel professioneel als emotioneel. Zowel met Plantijn zelf, als met zijn opvolgers, is Lipsius familiaal omgegaan. In brieven tussen beide is er sprake van privé-aangelegenheden en de situatie in Antwerpen. Maar professioneel zat er natuurlijk ook iets in voor beide. Lipsius heeft in 1597 het Plantijnse huis een belangrijke som geleend en Lipsius was natuurlijk de succesauteur van het huis. Lipsius zelf had, dankzij zijn relatie met het Plantijnse drukkersbedrijf, (bijna) onbeperkte toegang tot exemplaren van zijn eigen werk, zonder verplicht te worden een vast aantal exemplaren af te nemen. De Moretussen waren dikwijls tussenpersoon voor Lipsius om aan bepaalde boeken te geraken, soms zonder dat hij er hoefde voor te betalen. Tenslotte heeft hij misschien ook wel iets te danken aan de uitstekende relatie van het pro-katholieke en pro-Spaanse drukkershuis met de Antwerpse jezuïeten. [JH]


3758– Gilbert TOURNOY & Harald DECEULAER, Justus Lipsius and his unfinished Monita et exempla politica: the royal privilege of 1597 in Iam illustravit omnia (zie nr. 3705), p. 193-200.
Eind 1596 voltooide Lipsius de eerste twee boeken van de Monita et Exempla Politica, een commentaar bij de eerder verschenen Politicorum sive civilis doctrinae libri sex. Half december 1596 schrijft Lipsius aan de aartshertog Albrecht dat hij het werk aan hem wil dedicasseren. Aangezien hij de aartshertog niet steeds wil lastig vallen met zijn aanvragen voor een privilege voor één of ander werk, vraagt hij de aartshertog een privilege voor al zijn werken, natuurlijk indien ze goedgekeurd zijn door de kerkelijke overheid en de koninklijke censor. Een dergelijk privilege had hij reeds gekregen van Albrechts broer, keizer Rudolf II. Op drie maand tijd werd hem het privilege toegekend. De auteurs gaan in op de werkwijze tot het verkrijgen van een privilege en ook op de vondst van de minuten van het privilege. Als gevolg van 19de-eeuwse ingrepen in het archief van de Audientie, is het 345 meterlange archief verspreid en door elkaar geraakt. Als bijlage werd Lipsius’ verzoekschrift en de minuten van de patentbrief uitgegeven. [JH]

 


3759– Nele GABRIELS, & Eugeen SCHREURS (red.), Petrus Phalesius en het stedelijk muziekleven in de Vlaamse renaissancestad Leuven; uitgave n.a.v. het muzikaal erfgoedfestival Townscape-Soundscape: Leuvense stadsklanken uit de 16de eeuw, Leuven 3 november – 26 november 2005. – Leuven/Neerpelt: Alamire, 2005. – 95 p.: ill. – ISBN 90-6853-161-1. – (Resonant Cahier).
In de deze bundel met 13 bijdragen bevindt zich heel wat interessants voor de boekhistoricus. Jan Caluwaerts en Gilbert Huybens zorgen voor een familieschets, met genealogisch overzicht, van de familie Phalesius. H. Vanhulst belicht Phalesius’ Leuvense muziekdrukken (1545-78), terwijl K. Schiltz zijn niet muzikale werken omschrijft. Tot 1550 drukte Phalesius zowel wetenschappelijke (Frisius) als filologische (Nannius) werken. I. Bossuyt heeft het over de muziekdruk in Europa in de 16de eeuw, met aandacht voor de positie van Antwerpen en Leuven. 3 pagina’s is echter wel te kort voor zo’n boeiende materie. Nele Gabriëls schetst een beeld van de muziekhandel in dezelfde eeuwen en wijst erop dat Plantijn een verdeelfunctie had voor Phalesiusdrukken in binnen- en buitenland. P. Mannaerts tenslotte heeft het over de Gregoriaanse drukken in het 16de-eeuwse Leuven en benadrukt het belang ervan voor kloosters, abdijen, kathedralen, kapittel- en parochiekerken. Tevens heeft hij aandacht voor de Cantuale van Amsterdam. [JH]


3760– Stanley BOORMAN, The music publisher’s view of his public’s abilities and taste: Venice and Antwerp in Stanley Boorman, Studies in the printing, publishing and performance of music in the 16th century. – Aldershot (Hampshire): Ashgate, 2005, p. 405-429. – ISBN 978-0-86078-970-3. – (Variorum collected studies series, CS815).
A vergelijkt de productie van de Antwerpse en Leuvense muziekuitgevers, met die van de Venetiaanse. Hij komt tot de conclusie dat de Venetiaan een zakenman is die vooral twee groepen musici voorzag van boeken: de gesofisticeerde musici die precies wisten wat ze kochten, en de minder ervaren musici die eerder kozen per genre (villanella, dans, etc.) De markt in het noorden was veel gevarieerder: van mensen die enkel psalmnotaties konden lezen tot topzangers die uit koorboeken konden zingen, of luitspelers die complexe werken konden spelen. De noordelijke uitgevers hadden voor elk wat wils, en met een aantal hulpmiddelen in de boeken konden ze de kopers steeds een stapje verder laten gaan. Dit artikel verscheen eerder in Yearbook of the Alamire Foundation, 2 (1995) pp. 405-429. [JH]


3761– Maria José CALVO GONZALEZ, Spaanse en Nederlandse prozaromans uit de late middeleeuwen: de rol van de drukker en het contact tussen culturen in Jean Luc Meulemeester (samenst.), Vlaanderen-Spanje / Spanje-Vlaanderen. Speciaal nr. van: Vlaanderen. 55, 2006, 312, p. 223-5 – ISSN 0042-7683.
Over de rol van drukkers, uitgevers en boekhandelaars bij het tot stand komen van edities van Spaanse ridderromans. Thomas van der Noot uit Brussel zou de eerste geweest zijn die een Spaanse ridderroman drukte, m.n. Turias en Floreta (1523) waarvan slechts 4 bladzijden bewaard zijn. Willem Vorsterman, naast drukker ook zakenman [sic!], drukte niet alleen La historia de la reina Sevilla, maar bewerkte ook de tekst. [JH]


3762– Herman BRINKMAN, De const ter perse: publiceren bij de rederijkers voor de Reformatie in Geschreven en gedrukt (zie nr. 3682), p. 157-175.
A stelt zich de vraag waarom er op het eind van de 15de eeuw zo weinig retoricaal werk in de Nederlanden werd gedrukt. Pas met de Brusselse drukker Thomas van der Noot werd er een begin gemaakt met de samenwerking tussen drukkers en rederijkers. Dit komt des te vreemder over wanneer we weten dat er tussen beide groepen wel contacten bestonden. Zo hadden o.a. Jan Casus, Gheraert Leeu en Christiaan Snellaert professionele contacten, getuige hiervan een document uit de archieven van Bergen Op Zoom uit 1488. Ook de Sint-Lucasgilde was een ontmoetingsplaats voor rederijkers en drukkers. A legt de nadruk op het feit dat de rederijkers "gierig" waren met hun materiaal en het vooral als ruilmateriaal zagen. Ook was er de koudwatervrees van de drukkers die vreesden dat ze aan rederijkersteksten een financiële kater zouden overhouden. Aan dit laatste twijfelt A omdat hij meent dat de dunne bundeltjes teksten geen enorme investering vereisten. De teksten die wel gepubliceerd werden blijken afkomstig uit kringen van de Bourgondische machthebbers of uit stadskringen, en waarschijnlijk hebben die voor financiële steun gezorgd bij het totstandkomen van de drukken. [JH]


3763– Youri DESPLENTER, Lofzangen overghesedt en gheprent: van Die duytsche souter (1480) tot Sailly's Verscheyden Litanien (1595) in Trajecta, 16, 2007, 1, p. 5-29.
Een gedegen studie omtrent de publicatie van vertalingen van een aantal hymnen en sequensen, vertrekkend van Die duytsche souter. Het gaat hier o.a. om werk van Simon de Gruuter, gedrukt door Joos Lambrecht uit Gent, Den Psalter Davids, gedrukt door Jan van Waesberghe, werk van Karel Winckius uit Ieper, eveneens gedrukt te Gent, en de Hymnen, gedrukt bij Gerard Smits in Antwerpen. Sommige hymnen en sequensenvertalingen zijn ook terug te vinden in de Hortulus animae. [JH]


3764– H. ELKHADEM, & W. BRACKE, (eds.), Simon Stevin, 1548-1620: de geboorte van de nieuwe wetenschap. – Brussel;Turnhout: Koninklijke Bibliotheek van België; Brepols, 2004. – 184 p., ill. – ISBN 90-5622-054-3.
Uit deze bundel wetenschapshistorische opstellen over Simon Stevin (1548-1620) valt te vermelden: Dirk Imhof, ‘Christoffel Plantin als uitgever van Simon Stevin’ (p. 42-47). Plantin gaf Stevins eerste werken zelf uit en zorgde ervoor dat Fr. Raphelengius en de Leidse Officina Plantiniana die taak voortzette. [MdS]


3765– Kris COOMAN, De publicaties van Triverius in Hieremias Triverius Brachelius 1504-1554: over de Renaissance van de geneeskunde en de betekenis van een te vaak vergeten wetenschapper uit Brakel; met een uitgebreide schets van de tijdsgeest en de kommer voor gezondheid en ziekte bij het begin. – Brakel: Triverius 500, 2004, p. 91-99, ill.; 30 cm.
Niet geheel volledig en foutloos overzicht van de publicaties van Triverius, met vooral aandacht voor de inhoud van sommige werken. [JH]


3766– Willem HEIJTING, Profijtelijke boekskens: boekcultuur, geloof en gewin: historische studies. – Hilversum: Verloren, 2007. – 342 p.: ill. – ISBN 978-90-655-0989-5.
Bundeling van boekhistorische artikelen van de oud-conservator van de bibliotheek van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Om maar enkele ‘zuidelijke’ titels te noemen: ‘Vroegreformatorische lectuur uit de drukkerij van Crom en Mierdmans’ (p. 85-101), ‘Protestantse confessies in het Wonderjaar 1566’ (p. 112-123), ‘De psalmberijmingen van Marnix en Datheen en het "particulier interest" van de boekverkopers’ (p. 124-142). Het is altijd een genoegen om onberispelijk vakwerk te lezen. Aanbevolen, ook voor niet- of anders-gelovigen! [MdS]


3767– Steven VAN IMPE, Stijn VAN ROSSEM & Goran PROOT, Handleiding voor de Short Title Catalogue Vlaanderen. – Antwerpen: Erfgoedbibliotheken Vlaanderen & VVBAD, 2005. – 182 p., ill. – ISBN-10 90-807079-3-7. – (Armarium. Publicaties voor erfgoedbibliotheken, 1).
Dit boek heeft een onduidelijk statuut. Enerzijds is het bedoeld als handleiding voor de medewerkers van het STCV-project, die voor een groot deel geïnspireerd is op de richtlijnen voor de STCN. Het is wat vreemd om deze handleiding in boekvorm te publiceren, te meer daar het project nog volop aan de gang is en er zich ongetwijfeld geregeld nieuwe problemen stellen die moeten worden toegevoegd. Als het boek anderzijds bedoeld is als handleiding voor de gebruiker van de STCV, aan wie in een eerste hoofdstuk het STCV-project wordt voorgesteld, is het dan weer veel te uitvoerig. De gebruiker heeft geen boodschap aan de richtlijnen voor de invoer in Brocade. De STCV gebruikers vinden de informatie die ze nodig hebben om de STCV te kunnen gebruiken ook allemaal op de website. Het boek is vooral interessant voor de kritische beschouwer van het project omdat hier de keuzes worden verantwoord die bij het samenstellen worden gemaakt. [HM]


3768– Goran PROOT, Ergebnisse des Short Title Catalogus Vlaanderen: die erste Phase (2000-2003) in Kirchliches Buch- und Bibliothekwesen. Jahrbuch, 2004, p. 227-249.
In 2003 werd de Short Title Catalogus Vlaanderen reeds in het Engels en het Nederlands voorgesteld aan de (boek)wetenschappelijke wereld. In dit artikel wordt ook het Duitse publiek op de hoogte gebracht van de opbouw en werking van de online bibliografie van het gedrukte boek voor Vlaanderen. Naast aandacht voor de behandelde collecties tijdens de eerste fase van het project, gaat er veel aandacht naar hoe de databank als bibliografisch en boekhistorisch zoekinstrument gebruikt kan worden. [SvR]


3769– Steven VAN IMPE, Honderd boeken uit 1621 in de Short Title Catalogus Vlaanderen in Handelingen [van de] Koninklijke Zuidnederlandse maatschappij voor taal- en letterkunde en geschiedenis, 60, 2006, p. 151-79.
Dit vlot geschreven artikel illustreert de inhoud en onderzoeksmogelijkheden van de Short Title Catalogus Vlaanderen (STCV). Een set van 100 boeken uit 1621, het jaar waarin onder meer het Twaalfjarig Bestand ten einde liep, brengt de boekenwereld in Vlaanderen tot leven. Van Impe behandelt welke genres populair waren in dat jaar en wie ze op de pers legde. [SvR]


3770– Dermot MCGUINNE, Irish Types in Europe in Gutenberg-Jahrbuch, 82, 2007, p. 167-176, ill.
Kort overzicht van Ierse lettertypen, met aandacht voor specimina gegoten in de Officina Plantiniana (door Thomas Strong?) en/of gebruikt in de Ierse drukkerij te Leuven (17de eeuw). [MdS]


3771– Steven VAN IMPE en Jan BOS, Romein en gotisch in zeventiende-eeuws drukwerk: een voorbeeldonderzoek voor het gebruik van de STCN en STCV in De zeventiende eeuw, 22, 2006, 2, p. 283-297.
Uitgewerkt voorbeeld van hoe nationale bibliografieën als de Short-Title Catalogue, Netherlands (STCN) en de Short Title Catalogue Vlaanderen (STCV) kunnen gebruikt worden voor boekhistorisch onderzoek. Van Impe en Bos gebruiken de bibliografische informatie uit beide databanken om statistisch na te gaan wanneer, waar en in welke genres de romein als broodletter belangrijker wordt dan het gotisch. Alhoewel deze casestudy het potentieel van een dergelijke aanpak overtuigend illustreert, moeten de resultaten met enige omzichtigheid gebruikt worden, omdat met name de STCV nog niet voldoende beschrijvingen bevat om betrouwbare resultaten op te leveren. [SvR]


3772– Gerrit VERHOEVEN, "Van eigen markten thuis": structuur en evolutie van het lokale, Zuid-Nederlandse distributienetwerk van Antwerpse uitgevers in de 17de eeuw in Bruno Blondé, Bert de Munck & Filip Vermeylen (eds.), Doodgewoon: mensen en hun dagelijks leven in de geschiedenis: liber amicorum Alfons K.L. Thijs. – Antwerpen: Universiteit Antwerpen. Centrum voor Stadsgeschiedenis, 2004, p. 375-400; 24 cm. – (Bijdragen tot de Geschiedenis, 87).
In de historiografie wordt de tweede helft van de zeventiende eeuw afgedaan als een periode van economische aftakeling. Deze veronderstelling wordt ook vaak overgeplaatst op de Antwerpse boekhandel. Verhoeven nuanceert deze aan de hand van de overgeleverde bedrijfsarchieven van de drukkersfamilies Moretus, Verdussen en Verhulst. Eerder dan een contractie van de Zuid-Nederlandse boekenmarkt, ziet hij een verschuiving in het distributiesysteem. De Moretussen hielden nog slechts een paar lokale handelspartners over. Dit had echter weinig te maken met een inkrimping van de markt, dan wel met een bewuste keuze voor een geconcentreerd en getrapt distributiesysteem. Zij werkten slechts met een paar bevoorrechte handelspartners, in grote steden als Gent, Brussel en Rijsel, die op hun beurt zelf het hinterland moesten bedienen. Ook middelgrote en kleine firma’s als Verdussen en Verhulst konden hun netwerk nog uitbreiden in de kleinere stedelijke centra van de Zuidelijke Nederlanden. [SvR]


3773– Gerrit VERHOEVEN, Grondslagen van verandering: assimilatie en differentiatie van het Antwerpse boekbedrijf in de tweede helft van de zeventiende eeuw in Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 122, 2007, 1, p. 15-37.
Ambitieus artikel waarin Verhoeven recente theorieën uit de economische geschiedenis (van onder meer Lis, Soly en Blondé) wil toetsen aan de situatie in het boekenvak in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Deze theorieën willen het traditionele beeld van een vernietigende economische crisis in de Zuidelijke Nederlanden na de Vrede van Münster (1648) bijstellen door te wijzen op succesvolle, creatieve reactiepatronen in sommige bedrijven en sectoren, die kunnen worden gethematiseerd als een industriële en een handelskapitalistische reflex. Verhoeven wil nagaan of dergelijke patronen ook te herkennen zijn in de boekproductie en –distributie aan de hand van de studie van de families Moretus en Verdussen. Dit deductieve uitgangspunt brengt jammer genoeg een te selectieve keuze en overinterpretatie van de bronnen met zich mee, die wel moeten leiden naar een bevestiging van de vraagstelling, namelijk dat beide bedrijven een antwoord vonden op de crisis: de Moretussen via de industriële aanpak, de Verdussens dankzij een handelskapitalistische strategie. Een voorbeeld ter illustratie: Verhoeven vermeldt een brief van Verdussen waarin hij goedkoop papier uit Luik bestelt en leidt daaruit af dat Verdussen wilde besparen op papier, zonder deze informatie te vergelijken met de papieraankoop van Verdussen uit andere periodes. Tot slot nog enkele onvolkomenheden: 1) het internationale netwerk van de Verdussens reikte in de tweede helft van de zeventiende eeuw veel verder dan Keulen en Frankfurt (p. 30), maar strekte zich uit van Gdansk tot Sevilla en zelfs tot Lima, 2) samenwerking tussen Antwerpse boekhandelaars voor internationale transporten was geen antwoord op de crisis, maar bestond reeds vroeger (p. 31), 3) commissiehandel werd reeds in de eerste helft van de zeventiende eeuw door de Verdussens toegepast (p. 31). [SvR]


3774– Gerrit VERHOEVEN, Het vertrouwen geschonden: ondernemerscultuur van de Antwerpse uitgevers Moretus en Verdussen (1665-1675) in De zeventiende eeuw, 21, 2005, 2, p. 375-95.
In het ancien régime bleef de wetgeving van de boekhandel en de afdwingbaarheid ervan beperkt tot de landsgrenzen. Daarom speelden goede naam, eerbaarheid en wederzijds vertrouwen een cruciale rol in de internationale boekhandel. Dit artikel verkent aan de hand van de correspondentie van Balthasar II Moretus en Hieronymus III Verdussen welke rol begrippen als eer en reputatie speelden in de handelsstrategie van de twee belangrijkste internationale boekhandelaars uit het Antwerpen van de tweede helft van de zeventiende eeuw. Drie thema’s komen aan bod: 1) het kwaliteitsargument: hoe status wordt gecreëerd op basis van de kwaliteit van het drukwerk, 2) de houding tegenover roofdrukken, die in bepaalde gevallen als rechtvaardig werden beschouwd, en 3) de financiële betrouwbaarheid, essentieel omdat boeken vaak op krediet werden gekocht. [SvR]


3775– P. DE BAETS, Een fictief Iepers impressum in Biekorf, 106, 2006, 3, p. 270-271.
Vermelding van een onbekend fictief impressum gebruikt voor L’Anti-phantome du jansenisme, ou la nouvelle descriptor du païs de Jansenie, een satire tegen het jansenisme met als impressum ‘A Ipres Chez Antoine Novateur’. Ieper is een verwijzing naar de plaats waar Jansenius bisschop was en Antoine Novateur refereert waarschijnlijk naar Anthoine Arnauld, die het jansenisme vanuit Port-Royal verder heeft verspreid. [SvR]


3776– Dirk SACRÉ & Jeanine DE LANDTSHEER, Schrijvers, drukkers en hun deadlines: een nieuwe brief van Balthasar Moretus aan Justus Lipsius (1605) in De gulden passer, 83, 2005, p. 157-173.
In de briefwisseling van de humanist Olivier de Wree (Vredius) bewaard in de KB Brussel ontdekten de auteurs nog een briefje dat Balthasar Moretus op 14 oktober 1605 aan Justus Lipsius schreef. In de brief vertelt Balthasar dat Jan Moretus brieven en boeken voor Lipsius heeft meegebracht van de boekenbeurs in Frankfurt. Hij verwijst ook naar de catalogus van de boekenbeurs naar aanleiding van de controverse rond een polemisch geschrift van Carolus Scribani waarop het protestantse kamp heel heftig had gereageerd. De auteurs weten zowel een geschenkboek voor Lipsius als het polemisch poëziebundeltje waarnaar in de brief wordt verwezen te identificeren. Omdat Balthasar bij de brief ook een vel van Lovanium stuurt, hebben de auteurs het hele drukproces van Lipsius Lovanium in detail gereconstrueerd. Het briefje vermeldt ook een nakend bezoek van Jan Moretus en enkele familieleden aan Leuven, wat de auteurs dan weer bij het probleem brengt dat Moretus had met kardinaal Baronio naar aanleiding van de censuur in het elfde boek van zijn Annales ecclesiastici. [HM]


3777– Dirk IMHOF, Aankopen van Peter Paul Rubens bij Balthasar I Moretus in Marcus de Schepper (ed.), Een hart voor boeken: Rubens en zijn bibliotheek. – Antwerpen: Stadsbestuur & Museum Plantin-Moretus, 2004, p. 22-26, ill. – ISBN 90-76704-72-4.
Kort artikel over de boeken die Rubens kocht bij de Officina Plantiniana tussen 1613 en 1640. De schilder ontwierp regelmatig titelpagina’s voor de beroemde drukkerij en liet zich hiervoor gedeeltelijk in boeken betalen. In het totaal tellen de grootboeken 213 boeken voor Rubens, die voor alle boeken, zelfs die waaraan hij had meegewerkt, de volledige prijs moest betalen. [SvR]


3778– Kees VAN DEN OORD, Op zoek naar Bossche "geleerde jongens": Jan I Moretus aan Herman Rombouts, 2 mei 1606 in Papieren betrekkingen (nr. 3735), p. 50-58.
Van den Oord geeft een brief van 2 mei 1606 van Jan Moretus aan de Bossche geneesheer Herman Rombouts uit. Moretus reageert daarin op de aantijgingen van Johannes Rombouts, de zoon van Herman, die dan net terug is bij zijn ouders nadat hij zijn leertijd bij Moretus heeft beëindigd. Om de brief beter te begrijpen geeft Van den Oord als achtergrond, wat informatie over Jan Moretus en zijn Bossche collega Jan Scheffer, over de Bossche familie Rombouts en over leerjongens bij Moretus. [HM]


3779– Erik BREULS, De Büchermessen van Frankfurt en de internationale verspreiding van Lipsius' werken door de Moretussen in Iam illustravit omnia (zie nr. 3705), p. 281-294.
Goed gestoffeerd artikel over de rol die de Büchermesse heeft gespeeld in de verspreiding van de werken van Lipsius tijdens het bewind van Joannes I Moretus en Balthasar I Moretus (en niet Balthasar II zoals hij op p. 286 genoemd wordt). De aanwezigheid van de werken van dé sterauteur van de Officina Plantiniana op de internationale boekenmarkt bij uitstek wordt gevolgd aan de hand van een aantal uitgekozen werken. Breuls concludeert dat de publicaties van Lipsius tijdens zijn leven zeer prominent op de Messe aanwezig waren, een situatie die drastisch verandert na zijn dood in 1606. Van dan af wordt nog slechts een klein percentage van de herdrukken naar Frankfurt gestuurd. Deze terugval is te verklaren door het wegvallen van het privilege van de Duitse keizer, dat nadruk van het werk van Lipsius verbood in het Duitse rijk, maar ook door de achteruitgang van het belang van de Messe in de loop van de zeventiende eeuw. [SvR]


3780– Dirk IMHOF, Rockox te boek bij de Officina Plantiniana in Rockox' huis volgeboekt (zie nr. 3789), p. 29-37, ill.
Overzicht van de boeken die de Antwerpse burgemeester Nicolaas Rockox heeft gekocht bij de Officina Plantiniana. Dankzij de lopende rekening van Rockox bij de Moretussen zijn we zeer goed ingelicht over de boekensmaak van de Antwerpse burgermeester. In de journalen is er sprake van 165 boeken, waarvan het merendeel afkomstig was van de persen van de Officina zelf. Maar Rockox bestelde via de Moretussen ook boeken van andere, buitenlandse uitgevers. Rockox bleek veel interesse te hebben in geschiedeniswerken en klassieke auteurs, boeken die hem zeker van nut waren bij het aanleggen van zijn grote verzameling munten. Dit artikel wordt gevolgd door een transcriptie van alle aankopen van Rockox (zie nr. 3781). [SvR]

 


3781– Dirk IMHOF, Aankopen van Rockox bij de Officina Plantiniana volgens de Journalen in Rockox' huis volgeboekt (zie nr. 3789), p. 39-55, ill.
Transcriptie van de lijst van aankopen van Nicolaas Rockox bij de Officina Plantiniana, opgesteld aan de hand van de samengevatte noteringen in de grootboeken. Indien mogelijk werden de boeken geïdentificeerd. Deze lijst hoort inhoudelijk bij Rockox te boek (zie nr. 3780) en zou beter tot zijn recht komen als bijlage bij dat artikel. [SvR]


3782– Werner WATERSCHOOT, Das Haus Plantin (Officina Plantiniana) und die Numismatik im 17. Jahrhundert in Christian Dekesel & Thomas Stäcker (eds.), Europäische numismatische Literatur im 17. Jahrhundert. – Wiesbaden: Harrassowitz Verlag, 2005, p. 341-350. – ISBN 3-447-05301-1. – (Wolfenbütteler Arbeiten zur Barockforschung, Band 42).
Verhaal van het Plantijnse Huis in de 17de eeuw met aandacht voor de numismatische publicaties. A komt tot het besluit dat dat het huis zich tegen dit soort dure publicaties terughoudend opstelt. Ofwel gaat het om heruitgaven van werken die eerder door Plantijn zelf werden uitgegeven (Lipsius, Pighius), ofwel gaat het om de werken van de familie Chifflet. Toch was de Officina in staat om haar naam ook zelf te verbinden aan prestigieuze uitgaven, zoals de Opera Omnia van Goltzius. Na 1665 drukte het Plantijnse Huis geen numismatische weken meer en spitste het zich volledig toe op liturgische werken. Aangezien Goltzius niet meer in het concept paste, werd de voorraad aan exemplaren, koperplaten en houtblokken, verkocht aan de firma Verdussen. In bijlage bevindt zich een stamboom van de families Plantijn en Chifflet. [JH]


3783– Stijn VAN ROSSEM, Drukkersbelangen en politiek verlangen: Hieronymus II Verdussen en de controle op de productie van almanakken in Antwerpen, 1626-1642 in De gulden passer, 83, 2005, p. 175-199.
De productie van almanakken was in de zeventiende eeuw van groot economisch belang en leidde tot concurrentie tussen de drukkers. Zo poogde Hieronymus II Verdussen in 1626 een monopolie voor de almanakken in handen te krijgen met het argument dat hij de kwaliteit wilde verbeteren maar daarmee ontketende hij een storm van verontwaardiging en protest in de Antwerpse drukkersnatie, waardoor de zaak niet doorging. Omdat de overheid controle wilde uitoefenen op de verspreiding, maar vooral op de inhoud van de almanakken leek het er in 1630 even naar uit te zien dat Verdussen toch het monopolie voor de Zuidelijke Nederlanden zou verkrijgen, maar ook ditmaal was er zoveel protest dat de overheid het monopolie slechts voor één jaar kon laten bestaan. Zowel Verdussen als zijn tegenstanders voerden juridische en andere argumenten aan om hun stelling te verdedigen. Verdussen liet de almanak voor 1631 door Godfried Wendelen samenstellen, maar slaagde er niet in om het monopolie volledig te doen naleven. Hij kreeg wel een monopolie voor het drukken van kronieken in het hertogdom Brabant. Na 1642 slaagden de Antwerpse drukkers er dan uiteindelijk toch in om afspraken te maken die blijkbaar wel ten goede kwamen aan de grote spelers in het veld. Van Rossem geeft een goede inkijk in de relaties tussen drukkers onderling en met de overheid. [HM]


3784– Stijn VAN ROSSEM, In compagnie!: samenwerkingsverbanden rond de familie Verdussen in de zeventiende eeuw in Boekgeschiedenis in het kwadraat (zie nr. 3671), p. 79-96.
Stijn van Rossem houdt een pleidooi om via archiefonderzoek meer te achterhalen over de samenwerking tussen drukkers, meerbepaald over compagnieën, waarvan vaak niets wordt vermeld in de impressa. Over dergelijke samenwerking is niet zoveel te vinden in het archief van de Officina Plantiniana omdat de Moretussen niet veel samenwerkten met anderen, maar dat ligt anders bij de Verdussens. Van Rossem maakt een onderscheid tussen volledige samenwerking wat het geval was tussen de broers Hieronymus III en Jan Baptist I Verdussen, een structurele samenwerking tussen Jan II van Keerberghen en Hieronymus II Verdussen voor het drukken van liturgische boeken, een beperkte samenwerking met of zonder taakverdeling, meestal voor de publicatie van één titel, en een trust, het samengaan van enkele Antwerpse drukkersbedrijven met het oog op een monopolie voor het produceren van almanakken. [HM]


3785– Joan HEMELS, Abraham Verhoeven (1575-1652), de eerste gazettier in de Zuidelijke Nederlanden: een communicatiehistorisch onderzoek naar de prototypen van de vroegmoderne krant in Jos Huypens, Hilde van den Bulck & Michel Walrave (eds.), De toekomst van de krant: 1605 – 2005 – ?. – Antwerpen: Universiteit Antwerpen-Communicatiewetenschappen, 2005, p. 13-77, ill.
Breedvoerig, niet-boekhistorisch, algemeen essay over nieuwsvoorziening in de vroegmoderne tijd, met aandacht voor variatiabele vormen als pamflet, nieuwstijding, krant. Verhoeven was in de eerste plaats een handig uitgever van "nieuws". [MdS]


3786– Paul BEGHEYN, An unknown illustrated Life of Ignatius of Loyola by Petrus Firens (about 1609) in Archivum Historicum Societatis Jesu, 75, 2006, 149, p. 137-157, ill.
De graveur Petrus Firens (Antwerpen 1580) verhuisde in 1604 naar Parijs en zette er een prentdrukkerij op, die er na zijn dood in 1638 werd voortgezet door zijn weduwe Catharina van Boeckel (+Parijs 1651). Firens liet een vrij omvangrijk oeuvre na, waaronder een aantal titelbladen voor werken van jezuïeten. Hij graveerde ook een plano en een bundeltje met een geïllustreerd leven van Sint Ignatius van Loyola met het oog op zijn zaligverklaring en geïnspireerd door een Vita geïllustreerd door Rubens en Jan Baptist Barbé. De Latijnse, Franse en Spaanse onderschriften wijzen op een boek voor de internationale markt en het feit dat er slechts twee exemplaren van bekend zijn laat Begheyn vermoeden dat het heel populair is geweest. Het artikel bevat prenten van de dertig afbeeldingen van het in Amsterdam bewaarde exemplaar. [HM]


3787– A.G. VAN DER STEUR, Een onbeschreven staat van het portret van Sasbout Vosmaer door Johannes Wierix in De boekenwereld, 21, 2005, 4, p. 233-234, ill.
Van der Steur wijst erop dat er van het portret van Sasbout Vosmaer (1598) door Johannes Wierix twee verschillende staten bestaan die te herkennen zijn aan het wapen links bovenaan. [HM]


3788– Ria FABRI, Diversche boeken van verscheyden taele, soo groot als cleyn: aspecten van het Antwerpse privé-boekenbezit in Rockox' tijd in Rockox' huis volgeboekt (zie nr. 3789), p. 9-27.
Interessant overzichtsartikel over particulier boekenbezit in de zestiende en zeventiende eeuw op basis van meer 66 kunstinventarissen die boeken vermelden. De lijst is grotendeels gedistilleerd uit de reeks uitgegeven kunstinventarissen van Erik Duverger. Het artikel gaat dieper in op de voor- en nadelen van het gebruik van boedelinventarissen als bron voor het bestuderen van particulier boekenbezit en op de manier waarop dergelijke inventarissen werden opgesteld. Vervolgens komen de plaatsing van de boeken, het formaat, de taal en de teruggevonden aantallen aan bod. Zo leren we dat boeken bijna nooit in een speciaal daartoe ingerichte kamer, een bibliotheek, werden bewaard en dat bijna de helft van de opgesomde boeken in het Latijn was gesteld. De meeste bibliotheken waren echter beperkt van omvang: de helft van de inventarissen telde minder dan 20 boeken, waarvan religie en geschiedenis de twee belangrijkste categorieën waren. Speciale vermelding in de kunstinventarissen verdienen de geïllustreerde uitgaven en prentenboeken, die in de grotere collecties niet konden ontbreken. Een algemene tekortkoming van het artikel is het ontbreken van voetnoten. Er is wel een literatuurlijst achteraan, maar de onderzoeker die op zoek wil gaan naar specifieke bron- en literatuurverwijzingen bij interessante passages, vist achter het net. [SvR]


3789– Ria FABRI, Dirk IMHOF & Hildegard VAN DE VELDE (eds.), Rockox’ huis volgeboekt: de bibliotheek van de Antwerpse burgemeester en kunstverzamelaar Nicolaas Rockox [1560-1640]. – Antwerpen: KBC Bank nv/Museum Nicolaas Rockox vzw, 2005. – 189p., ill.; 23 cm. – Geen ISBN.
Deze catalogus verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling gehouden in het Rockoxhuis van 23 februari tot en met 15 mei 2005. Het boek is meer dan een pure catalogus en bevat een aantal wetenschappelijke artikelen die apart besproken worden: Ria Fabri schreef over privé-boekenbezit in zestiende en zeventiende eeuw (zie nr. 3788) en over het liber amicorum. Dirk Imhof heeft het over de boeken die Rockox bij de Officina Plantiniana aankocht (zie nrs. 3780 en 3781), tot slot heeft Hildegard Van de Velde het over de verzameling numismatische werken van de kunstverzamelaar. In het catalogusgedeelte behandelen dezelfde drie auteurs, nu versterkt met Karen Bowen en Maurice Bronselaer, in korte notities de tentoongestelde stukken. Het betreft belangrijke handschriften die inzicht bieden in Rockox’ belangstelling voor boeken, waaronder de inventaris van zijn sterfhuis, die vermeldt dat hij meer dan 200 boeken in zijn bezit had. Verder worden een groot deel van deze boeken in detail beschreven. Ook de boeken waaraan Rockox meewerkte of die aan hem zijn opgedragen, ontbreken niet in de catalogus. Tot slot volgen nog enkele portretten van belangrijke tijdgenoten. Zelfs een index ontbreekt niet. Rockox’ huis volgeboekt biedt een mooi overzicht van de rol die boeken speelden in het leven van een van de prominente figuren in het Antwerpen van na 1585. [SvR]

 


3790P. HUYS, Een Plantijndruk (1613), ooit van de Ieperse zwartzusters in Biekorf, 2007, p. 95.
Vermelding van een Missale Romanum, gedrukt in 1613, dat ooit tot het "Monasterium Sororum Nigrarum Ypris" en verkocht wordt op een Gentse veiling. [JH]


3791– Paul BEGHEYN, The printing of the "Acta Sanctorum" in Amsterdam: two unpublished documents, 1671-1672 in Lias, 33, 2006, 2, p. 217-221.
Het eerste deel van de Acta Sanctorum verscheen in 1643 bij de Antwerpse drukker Jacob van Meurs. Omdat hij het werk na het derde deel niet meer aankon, zocht de jezuïet Daniel van Papenbroeck voor het deel over April zijn toevlucht bij de Amsterdamse drukker Joan Blaeu, die zeer vereerd was met de vraag. Op 28 november 1671 stelde Papebrochius een contract op met Blaeu voor het drukken van de drie foliodelen met heiligenlevens uit de maand April. Papebrochius bleef in Amsterdam om toezicht te houden op het drukken. Als gevolg van een brand die in de nacht van 22 op 23 februari 1672 het hele bedrijf van Blaeu verwoestte, werd het contract verbroken. De jezuïeten kregen hun voorschot terugbetaald in de vorm van door Blaeu gepubliceerde atlassen. Van Papenbroeck kon aan de hand van de drukproeven het verloren manuscript herstellen en vertrouwde de opdracht nu toe aan de Antwerpse drukker Michiel Cnobbaert. In bijlage zijn het Latijnse contract voor het drukken en de Nederlandse regeling na de brand toegevoegd. [HM]


3792– Mirjam DE BAAR, Publicatiestrategieën van een zeventiende-eeuwse vrouwelijke auteur Antoinette Bourignon en de uitgave van haar geschriften in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 12, 2005, p. 47-64.
Over de rol die auteurs in de zeventiende eeuw hebben gespeeld in het publiceren en verspreiden van hun werk, is nog steeds te weinig geweten. Deze casestudy over de publicatiestrategieën van Antoinette Bourignon biedt dan ook een interessante blik op de relatie tussen een auteur en haar werk. Het artikel beschrijft inderdaad eerder een uniek geval, waarvan de resultaten moeilijk tot de eigentijdse norm verheven kunnen worden. Bourignon was immers alles behalve een typische auteur: deze in Rijsel geboren profetes en mystica, was niet alleen één van de weinige vrouwelijke auteurs, maar ook de meest gepubliceerde schrijfster van haar tijd. De Baar illustreert helder dat vooral de strategische beslissingen en allianties van Bourignon zelf dit uitgebreide oeuvre tot stand hebben gebracht. Ze bezat bijvoorbeeld haar eigen pers, die bediend werd door tot drukkersgasten opgeleide volgelingen, maar maakte daarnaast handig gebruik van geldschieters om haar werk door commerciële drukkers te laten uitgeven. Uit haar briefwisseling komt ten slotte ook naar voren dat zij zelf achter de idee zat om een oeuvre-catalogus te drukken en zich inliet met de oplage en vormgeving van haar boeken. [SvR]


3793– Noël GOLVERS, De jezuïetenmissie in China (17de-18de eeuw): (ook) een kwestie van Westerse boeken en bibliotheken in De gulden passer, 83, 2005, p. 201-221, ill.
Fascinerend verslag van een onderzoek naar de lectuurvoorziening van China-missionarissen in de periode 1644-1755. Hoe bleven zij op de hoogte van actuele en wetenschappelijke Westerse publicaties? Welke kregen ze in handen en langs welke wegen? Een boeiende reis door een verdwenen boekenwereld. [MdS]


3794– Pierre DELSAERDT (red.), Het dagelijks boek: zeventiende-eeuwse lectuur anders bekeken: catalogus bij de rondreizende tentoonstelling maart-september 2007. – Antwerpen: Erfgoedbibliotheken Vlaanderen, 2007. – 103 p., ill. – ISBN-13 978-90-807079-4-8.
Dit is de mooi verzorgde catalogus van een tentoonstelling georganiseerd door het overlegplatform Erfgoedbibliotheken Vlaanderen in samenwerking met de STCV. Om een breed publiek te bereiken presenteert de catalogus twaalf boeken die in de zeventiende eeuw dagelijks werden gebruikt en daardoor vaak zeer zeldzaam zijn geworden. Het zijn diverse genres zoals een krant, een humoristisch werk, een dichtbundel, een boek over deugdzame vrouwen en een over vrouwelijk wangedrag, een schooleditie van Vergilius, een liedboek, een kookboek, een almanak, een tuinboek, een fabelboek, een instructieboek voor vroedvrouwen en een resigids. De boeken zijn geproduceerd tussen 1620 en 1753 in Antwerpen, Brugge, Brussel, Gent of Ieper door de drukkers Abraham Verhoeven, Guilliam Lesteens, Geeraerd II van Wolsschaten, Joost Griettens, Jan Bellet, Jan vanden Kerchove, Hieronymus II Verdussen, Jan II Mommaert, Godtgaf I Verhulst, Joos van der Meulen, Petrus Vleugaert, Ignatius Pee en Franciscus II Foppens. Bij elk boek staat een commentaar van een specialist in het genre die vooral aandacht schenkt aan de inhoudelijke aspecten. Om een modern publiek te bereiken is er bij elk van de twaalf boeken naast een deskundige beschrijving ook een interpretatie opgenomen van een bekende persoon die vandaag actief is in het betrokken domein. [HM]


3795– Maartje DE WILDE, Meer dan vorm: een typografische analyse van zeventiende-eeuwse wereldlijke liedboeken uit de Zuidelijke Nederlanden in Boekgeschiedenis in het kwadraat (zie nr. 3671), p. 39-61, ill.
Maartje de Wilde toont aan dat het aspect vormgeving ook in de zestiende en zeventiende eeuw een belangrijke rol speelde. Aan de hand van het Antwerps Liedboek betoogt zij dat aandacht voor de typografie van een boek verhelderend is voor de interpretatie van de inhoud. Zij pleit voor een interdisciplinaire aanpak die zij illustreert met een gevalsstudie. Zij gaat na welke de formele kenmerken zijn van gedrukte zeventiende-eeuwse wereldlijke liedboeken en schenkt daarbij vooral aandacht aan het formaat, katernsignaturen, paginering, custoden, lopende titels, lettertypen en decoratie. Tot besluit benadrukt ze het belang van analytisch bibliografisch onderzoek bij het bestuderen van gedrukte teksten. [HM]


3796– Mark MORFORD, Lipsius's 1605 edition of Seneca in Iam illustravit omnia (zie nr. 3705), p. 239-255.
Morford bekijkt Lipsius’ editie van de werken van Seneca, zowel materieel als inhoudelijk. De illustraties bij de eerste editie door Theodoor Galle lieten te wensen over en daarom vroeg Balthazar Moretus aan Rubens om er nieuwe te maken. De opdracht door Lipsius aan paus Paulus V was voor vele controversieel. Morford schenkt vooral aandacht aan de voorrede waarin Lipsius zijn editie en zijn werkwijze verantwoordt, maar kijkt ook hoe Lipsius probeert de stoïcijnse filosofie te verzoenen met de christelijke leer. De auteur beschouwt de commentaar van Lipsius bij de editie als een pleidooi voor de intellectuele vrijheid. [HM]

 


3797– Werner WATERSCHOOT, Het boek en de man: Karel van Mander en zijn 'Schilder-boeck' in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen, 13, 2005, p. 76-124, ill.
Na de biografie van Karel van Mander gaat Waterschoot dieper in op Het Schilderboeck. Hij bekijkt de invloed van Vasari en hoe Van Mander zelf materiaal verzamelde o.a. via correspondentie. Bij het overzicht van de inhoud, ook van de Wtleggingh op den Metamorphosis, geeft hij aan wat van Van Mander zelf is en wat hij elders heeft ontleend. Hij neemt ook de uitgever Paschier van Wesbusch in Haarlem, maar afkomstig uit Menen en de drukker Jacob de Meester in Alkmaar, oorspronkelijk uit Brugge, onder de loep. Waterschoot schenkt tot slot uitvoerig aandacht aan de registers, de opdrachten bij de verschillende onderdelen en de lofdichten, die dienen voor de publiekswerving. [HM]


3798– Dirk SACRÉ, Aubertus Miraeus' brief over de dood van Justus Lipsius: twee onbekende edities in Iam illustravit omnia (zie nr. 3705), p. 257-269, ill.
Niet Johannes Woverius, de belangrijkste testamentuitvoerder van Lipsius, maar Aubertus Miraeus (Aubert Le Mire, 1573-1640) wierp zich op als biograaf van Lipsius. Kort na het overlijden van Lipsius schreef Miraeus een brief De obitu Iusti Lipsii epistola waarin hij het einde van Lipsius beschreef. Deze tekst werd eerst in Augsburg in 1606 gedrukt, maar Sacré heeft ook nog herdrukken in Firenze en in Verona ontdekt naast een reeds bekende herdruk uit Parijs. Van een meer uitgebreide biografie, Vita sive Elogium Iusti Lipsii verschenen in 1609 drie edities in Antwerpen. De Augsburgse druk was ook nog geïllustreerd met een portret van Lipsius door Dominicus Custodis. [HM]


3799– Dirk SACRÉ, A Forgotten Somnium: Philippus Wannemakerus (1586-1630) and his Triumphus Litteratorum, 1611 in Lias, 31, 2004, p. 141-164.
De Vlaamse Dominicaan Philippus Wannemakerus (Gent 1586-Leuven 1630) publiceerde in 1611 in Milaan zijn Triumphus Litteratorum, een werk dat net als zijn auteur in de vergetelheid is geraakt. Wannemakerus vertelt er geïnspireerd door Lipsius hoe hij in een droom allerlei bekende humanistische schrijvers uit zijn tijd ontmoet, voornamelijk Italianen en Belgen. Het boek prijst zowel de Leuvense hoogleraar Puteanus als kardinaal Federico Borromeo bij wie Wannemakerus gastvrijheid genoot in Milaan toen deze er de Bibliotheca Ambrosiana oprichtte. Naast de inhoud van het boek vertelt Sacré ook het leven van Wannemakerus vooral dan zijn relatie tot Puteanus en Borromeo. Wannemakerus slaagde er niet om nog een tweede verbeterde editie van zijn werk in België te laten verschijnen omdat hij geen drukker vond die bereid was om het risico aan te gaan. In de bijlage transcribeert Sacré nog de tekst van drie brieven van Wannemakerus aan Borromeo. [HM]


3800– Andries WELKENHUYSEN, Aries seu Aurei Velleris encomium van Godefridus Wendelinus: voorstelling, tekst, vertaling, aantekening in De gulden passer, 85, 2007, p. 61-104, ill.
De humanist Godfried Wendelen (Herk-de-Stad 1580 – Gent 1667) hield zich als geestelijke bezig met tal van exacte wetenschappen. Daarnaast schreef hij ook Latijnse gedichten o.a. Aries seu Aurei Velleris encomium, (De ram of lofzang op het Gulden Vlies) in 1632 gedrukt door Balthazar Moretus. Het gedicht is met eigen signatuur en paginering achteraan toegevoegd in de Insignia gentilitia equitum Ordinis Velleris Aurei van Jean Jacques Chifflet, een geschiedenis van de Orde van het Gulden Vlies. Welkenhuysen onderzoekt de relatie tussen beide drukwerken. Met de kennis over de bibliotheek van Wendelen probeert hij te achterhalen welke bronnen deze heeft gebruikt voor zijn Aries. Welkenhuysen editeert de Latijnse tekst (208 verzen), voegt er parallel een Nederlandse vertaling aan toe en geeft een overzicht van de verstechniek en de citaten verwerkt in de Aries. [HM]


3801– P. MOURIAU DE MEULENACKER, Les ornements typographiques du "Journal encyclopédique" in Le livre et l'estampe, 51, 2005, 163, p. 109-156.
Eén van de belangrijkste verlichtingstijdschriften, het Journal encyclopédique (1756-1793), werd gedurende de grootste periode van zijn bestaan gedrukt te Bouillon. De uitgever Pierre Rousseau, die niet alleen de idealen maar ook de redacteurs van de Encyclopédie had overgenomen, vestigde zich in 1756 eerst in Luik, maar daar werd zijn privilege al snel ingetrokken. Na een kort verblijf te Brussel vestigde hij zich definitief in Bouillon waar de verlichte vorst hem bescherming bood. Rousseau kon er zelfs de Société typographique de Bouillon (STB) oprichten die tal van verlichtingswerken (na)drukte. Deze maatschappij werd nooit grondig bestudeerd, deels doordat ze zelf veel gebruik maakte van schijnadressen maar ook zelf door andere uitgevers als schuilnaam werd gebruikt. Bovendien verkocht de STB elders gedrukte werken, zodat ook haar eigen fondscatalogi niet altijd even bruikbaar zijn. Omdat het journal encyclopédique zonder twijfel aan de société typographique kan worden toegeschreven, kan een inventaris van gebruikte ornamenten een hulpmiddel zijn om andere werken toe te wijzen. M. bezorgt daarom fotografische reproducties, helaas zonder schaal, van titelpagina's, ornamenten, vignetten, typografische composities (combinaties van ornamenten) en initialen. Het artikel besluit met een case study over de Almanach philosophique, waarvan al lang werd vermoed dat de STB deze had gedrukt. Op basis van de gebruikte composities en sierletters (deze laatste vertonen dezelfde schade als degene gebruikt in het journal encyclopédique) kan de toewijzing definitief worden vastgesteld. [SvI]


3802– Daniel DROIXHE, "Elle me coûte dix mille écus": la contrefaçon des oeuvres de Molière offerte par l'imprimeur Bassompierre à Marmontel in Revue française d'histoire du livre, 114-5, 2002, p. 125-64.
In 1768 bezocht de Franse auteur en historicus Jean-François Marmontel Luik, waar hij uitgever Bassompierre ontmoette. Deze schepte zonder blozen op over de piraatedities van Marmontel die hij verkocht, en schonk de schrijver bij wijze van schadeloosstelling een kleine uitgave van de werken van Molière. Deze passage in de memoires van Marmontel deden D. vermoeden dat het ging om de editie in 8 volumes verschenen onder het valse adres van 'la veuve David, Quai des Augustins, au St. Esprit à Paris.' Er waren in die periode twee weduwen David, beiden op de Quai des Augustins. De eerste, weduwe van Michel Étienne I David, gebruikte het uithangbord 'la Providence' terwijl de tweede, weduwe van Michel Étienne II David, in 'le St. Esprit' werkte. Aangezien Michel Étienne II slechts drie dagen na zijn vader stierf, waren beide weduwen tegelijk actief. Deze opvallende omstandigheid moet hen in het boekenvak vrij bekend hebben gemaakt. In de KBR wordt een zeldzame volledige reeks van de 8 volumes van Molière bewaard. Vergelijking van de ornamenten (niet minder dan 50) en vergelijking met ander drukwerk van Bassompierre leert dat hij zonder enige twijfel de drukker was. Daarnaast valt ook op dat de vignetten vaak op dezelfde manier in de bladspiegel functioneren. Het is jammer dat de voorbeelden die dat moeten bewijzen, niet op tegenoverliggende bladzijden werden afgedrukt maar telkens recto en verso. Dat Bassompierre deze editie van Molière aan Marmontel aanbood, bevestigt dat in elk geval het jaartal 1768 op de titelpagina correct is: de uitgever zal zijn bezoeker een set hebben meegegeven die vers van de pers kwam. Bovendien had Marmontel enkele jaren voorheen een Misanthrope corrigé uitgegeven, terwijl Molières werken in die periode nagenoeg niet meer gespeeld werd. Misschien gaf Bassompierre hem uit om zijn nogal uiteenlopende fonds en zijn imago een meer verlichte kant te geven; Molière was dan een stuk veiliger dan Voltaire, zelfs in het zo tolerante Luik. Misschien voelde hij de hete adem van zijn concurrent Plomteux in de nek, die niet veel later een encyclopedisch programma voor zijn uitgeverij uit de doeken zal doen en Bassompierre zal vervangen als belangrijkste Luikse drukker. [SvI]


3803– Jeroom VERCRUYSSE, L'édition in 4° de Jean-Jacques Rousseau et Jean-Louis de Boubers: hommage ou profit? in Le livre et l'estampe, 52, 2006, 165, p. 7-94.
De Brusselse boekverkoper Boubers probeerde Rousseau warm te krijgen voor een uitgave van zijn Oeuvres complètes in 4° met illustraties. Rousseau zou later ontkennen een overeenkomst gesloten te hebben, terwijl Boubers beweerde brieven te hebben die het tegendeel bewezen. Na een lange aanlooptijd met onderhandelingen met de Société Typographique de Neuchâtel (bekend uit Darntons The business of enlightenment) kondigde Boubers zijn uitgave in 1779 aan bij het publiek. Inmiddels werd in Genève echter aan een officiële editie gewerkt. De initiatiefnemers startten een polemiek maar besloten vervolgens Boubers gewoon te negeren en door te gaan met hun uitgave. Ondertussen had Boubers andere eitjes te pellen. De Rijselse geldschieters, die op een snelle winst hadden gehoopt, waren ontevreden over het trage verloop en de geestelijke overheid was niet te spreken over het 'goddeloze' werk: aartsbisschop Franckenberg schakelde de Geheime Raad in, maar die moest na onderzoek en getuigenverhoor besluiten dat er geen bewijs was dat de editie binnen haar jurisdictie werd gedrukt. Kort daarop ging Boubers failliet, terwijl het publiek wachtte op de aangekondigde ongepubliceerde egodocumenten. Op het einde van deel 9 verklaarde Boubers dat de weduwe Rousseau de manuscripten aan een andere uitgever had verkocht. De onverkochte stock en de nog te publiceren teksten werden overgenomen door een Frans-Duits consortium achter de Parijse boekverkoper Duplain. Blijkbaar was dat geen groot succes, want reeds in 1790 werd de editie met een nieuwe titelpagina aangeboden door Volland. De editie Boubers – Duplain – Volland is dus als één geheel te beschouwen. V. geeft een extensieve analytische bibliografie van de 12 delen in 4° (aangevuld met een beknoptere beschrijving van de twee latere edities in 12°). De inhoudelijke waarde van deze editie schuilt, naast de prachtige illustraties, vooral in het achtste deel waarin niet eerder gepubliceerde jeugdwerken voorkomen die ontbreken in de Geneefse editie. [SvI]


3804– Jeroom VERCRUYSSE, Une liste des gens du livre à Bruxelles, 1755 in Lias, 32, 2005, 2, p. 295-300.
V. vond een lijst uit 1755 van 41 mensen die in Brussel met boeken bezig zijn: drukkers, verkopers, binders, ... De opsomming werd waarschijnlijk opgesteld in het kader van een hervorming van de censuur, wellicht door de gilde zelf. Achteraan worden immers kort enkele nieuwe, protectionistische regels voorgesteld tegen auteurs die zelf boeken verkopen, tegen colporteurs en vreemde boekverkopers op de markt. De gilde moet controle krijgen op alle importboeken. De naamlijst vormt een aanvulling op het uitstekende overzicht van Desmaele, 'Les imprimeurs et libraires des Pays-Bas au XVIIIe siècle' (Zie Kroniek 13 nr. nr. 1063). Niet alleen vermeldt deze lijst adressen en datums van octrooien (in feite de datum van opname in de gilde), de lijst heeft ook een heel aantal namen die bij Desmaele niet voorkomen. Soms gaat het om boekbinders die niet als drukker of boekverkoper actief waren, maar in 12 gevallen meldt de lijst, die vermoedelijk van het gilde zelf uitging, ongegeneerd 'sonder octroij'. Daartussen de bekende drukker Jorez (die later wel octrooi zou krijgen), maar ook onbekenden als Nicolaus Ducqens, Zacharias Nielens en Petrus Hes. [SvI]


3805– Daniel DROIXHE, & Caroline KLEINERMANN, Les contrefaçons maastrichtoises d' "Imirce" de l'abbé Dulaurens par Jean-Edme Dufour (1774, 1776) in Le livre et l'estampe, 53, 2007, 167, p. 79-101.
Zoals zovele auteurs ontvluchtte ook abbé Dulaurens de Franse censuur, eerst naar Nederland, waar hij enkele boeken liet uitgeven door Marc-Michel Rey (vanaf 1761), en later naar het prinsbisdom Luik, waar hij corrector was voor uitgever de Boubers. In 1765 verliet hij Luik; in Frankfurt werd hij aangehouden en levenslang opgesloten. De Boubers wordt soms aangewezen als drukkers van een aantal onder schijnadres gepubliceerde libertijnse romans van Dulaurens, maar dat staat nog niet vast. Wel is duidelijk dat hij niet de drukker was van de eerste editie van Imirce, ou La fille de la nature (het artikel vertelt trouwens niets over de inhoud of het belang van deze erotisch-filosofische novelle). De Imirce werd later, net als andere werken van Dulaurens, uitgegeven als roofdruk door Jean-Edme Dufour, uitgever te Maastricht. Mogelijk wilde hij met deze serie succesvolle publicaties de schuldenput dempen die was ontstaan na de mislukte lancering van een tijdschrift. De verschillende werken van Dulaurens uitgegeven te 'Londres' vertonen zeer gelijkaardige typografische kenmerken (zetspiegel, ornamenten, voortitel, ...). Dat de edities van Imirce van 1774 en 1776 van de persen van Dufour komt wordt aangetoond door de gebruikte ornamenten te vergelijken met werken die zijn adres dragen.
Toch even opletten: de illustratie op pagina 100 van het artikel komt niet van blz. [1] van de bron, zoals aangegeven, maar van blz. [37]. [SvI]


3806– Renaud ADAM, Le libraire-imprimeur bruxellois Joseph Ermens (1736-1805) et l'étude des incunables à la fin du XVIIIe siècle in Bulletin du bibliophile, 1, 2005, p. 143-168.
De Brusselse historicus, bibliofiel en uitgever Ermens zette de traditie van Miraeus en Foppens voort met het uitgeven van reeksen van plakkaten, edikten en ordonnanties. In 1783 vatte hij het plan op om een bibliografie van de Zuidelijke Nederlanden op te stellen (de KBR bewaart onuitgegeven handschriften rond het project); in hetzelfde jaar krijgt hij als libraire savant de opdracht de verkoop van de bibliotheken van opgeheven kloosters te leiden. De eerste twee catalogi redigeerde Ermens nog in de oude stijl (rangschikking per formaat) en zonder nota's. Voor de volgende twee gebruikte hij het système des libraires de Paris en gaf hij bibliografische informatie. Zoals andere bibliografen gebruikte Ermens daarvoor andere veilingcatalogi en standaardwerken. Daarbij ging de aandacht vooral naar de zeldzaamheid. Ermens probeerde bij elke anonieme incunabel de drukker te identificeren op basis van historische overzichten (Visser, Marchand, Meerman, ...). Hij meldde conflicterende informatie en maakte gefundeerde keuzes. Soms corrigeerde hij ook naslagwerken. Wanneer de referentiewerken hem in de steek lieten vergeleek Ermens lettertypes om anonieme werken toe te schrijven.
A. besluit het artikel met een voorlopige bibliografie van Ermens: werken door hem gedrukt, veilingcatalogi door hem gedrukt of geredigeerd, een beperkte lijst van historische nadrukken (vroege facsimilé's of vervalsingen?), en een overzicht van de handschriften in de KBR. Deze lijst is enkel gebaseerd op de collecties van de KBR en de UB Luik; met weinig moeite en wat zoekwerk in andere (Vlaamse) bibliotheekcatalogi kan de lijst snel worden uitgebreid. In Antwerpen heeft EHC de Description abrégée géographique et historique du Brabant hollandais et de la Flandre hollandaise (1788), en de bibliotheek van het Ruusbroecgenootschap bezit de Historicae Flandricae synopsis, ab anonymo scriptore Flandriae generosae, titulo circa annum 1162 exhibita (J.N. Paquot, 1781) en een Triumphus Mariae semper Virginis (1788). [SvI]


3807– Pierre MOURIAU DE MEULENACKER, Attribution à l'imprimerie Hayez de trois ouvrages sous fausses adresses in Le livre et l'estampe, 53, 2007, 167, p. 103-122.
De Luikse firma Hayez, die nog steeds actief is, heeft haar oorsprong in de private press van de prins de Ligne, die boekdrukker Pion aantrok om hem te helpen bij zijn hobby. Op basis van de ornamenten kunnen verschillende drukwerken, gedrukt op de schijnadressen 'L'imprimerie de l'Olympe', 'Genève' en 'Lampsaque' aan het atelier worden toegewezen. Het artikel geeft afbeeldingen van alle ornamenten (waarbij helaas niet wordt aangeduid uit welke exemplaren of van welke pagina's de opname komt), een lijst van al dan niet anoniem gedrukte werken, en een aanduiding welk ornament in welk werk voorkomt. De reden van de anonimiteit kan worden verklaard door de periode van uitgave: na de dood van Pion in 1784 duurt het tot 1791 voor Hayez zelf octrooi verwierf. [SvI]


3808– P. DE BAETS, Een zeldzaam Oostends drukwerk: de statuten van de vrije schippers te Oostende in Biekorf, 106, 2006, 3, p. 222-225.
Volledige uitgave van een vroege Oostendse druk door Jacobus de la Rivière (actief 1704-1731) met approbatie van 1687. [SvI]


3809– J.L. MEULEMEESTER, Het oudste programmaboekje van de Brugse Belofte in Biekorf, 107, 2007, 3, p. 208-217.
In 1715 drukte Paulus Roose een programmaboekje waarin de taferelen en deelnemers werden opgesomd aan de processie van de Brugse Belofte, die dat jaar 5 eeuwen bestond. De Belofte in kwestie is een belofte van O.L.V. aan Robert de Bethune dat hij de overwinning zou behalen in de slag bij Pevelenberg. Die geschiedenis werd ook in het programmaboekje afgedrukt. Het zeldzame programmaboekje vormt voor M. de aanleiding voor een uitgebreide biografische nota over de Brugse drukkersfamilie Roose, teruggaand tot Pieter Roose die in 1661 als drukker werd ingeschreven. Hij werd na zijn dood in 1678 opgevolgd door zijn zoons Pieter jr. (+ 1711) en Paulus Josephus (1673-1731), de drukker van het besproken programmaboekje. Deze wordt op zijn beurt opgevolgd door Paulus Franciscus (1708-1773). [SvI]


3810– Peter DE BAETS, De inventaris van de Brugse drukker Martinus De Sloovere (1800) in Biekorf, 107, 2007, 4, p. 380-382.
B. geeft een uitgave van de boedelinventaris van deze drukker, opgesteld na zijn overlijden in 1800. De Sloovere verkocht vooral papier en kranten, en drukte marktliederen. Bij de schuldeisers vinden we leveranciers van papier, inkt, boeken en uitbesteed drukwerk. [SvI]


3811– W.L. BRAEKMAN, Prent van de "Broederschap om wel te sterven" in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge in Biekorf, 106, 2006, 1, p. 42-6, ill.
B. beschrijft een uniek exemplaar van een prent van dit broederschap, dat in 1722 werd heringericht. De datering van de prent is onduidelijk. Vooral de geschiedenis van het broederschap komt ter sprake. Met afbeelding van de prent. [SvI]


3812– W.L. BRAEKMAN, Een zeldzame Brusselse confrerieprent (18de e.) in Eigen Schoon en de Brabander, 90, 2007, 1, p. 11-22.
B. ontdekte in het Rijksarchief te Gent een confrerieprent met afbeeldingen van Onze Lieve Vrouw van Lorette (gezeten op de kerk van Loreto), St. Guido en St. Elooi. Rond St. Guido bestond een confrerie in zijn geboortedorp Anderlecht. Bovendien werd in 1633 een confrerie van koetsiers en carossiers opgericht, die hun bijzondere mis hielden in de kerk van de Zavel in de kapel van St. Elooi en St. Guido. De afbeeldingen van St. Guido en St. Elooi zijn bovendien sterk verwant met een 18e-eeuwse confrerieprent van de Brusselse koetsiers en carossiers. De prent is waarschijnlijk gesneden in 1621, toen in het Brusselse miniemenklooster een kapel aan OLV van Loreto werd gewijd. De afdruk in het RAGent (sinds 2001 zoek) is van latere datum: het houtblok vertoont talrijke wormsporen. [SvI]


3813– Franz AUMANN, Onderzoek naar de bibliotheek van de benedictijnenabdij van Sint-Truiden in de tweede helft van de 18de eeuw: nieuwbouw, verwervingen, teloorgang en verspreiding in Historische bijdragen over Sint-Truiden en omgeving opgedragen aan Kamiel Stevaux. – Sint-Truiden: Geschied- en Oudheidkundige Kring van Sint-Truiden, 2006, p. 27-60. – (Historische bijdragen over Sint-Truiden, 5).
Op basis van weinig gebruikte bronnen schetst A. een beeld van de nu verdwenen bibliotheek die abt van Herck vanaf 1772 inrichtte in de abdij van Sint-Truiden. Eerst wordt het interieur besproken, een vaak vergeten aspect. D.m.v. reisverslagen, ontwerptekeningen van architect Dewez en rekeningen uit het abdijarchief wordt de inrichting, soms symbolisch geladen, gereconstrueerd. Ook het collectiebeleid wordt geschetst. De abt, want hij nam alle beslissingen, liet o.a. bieden op de veiling van de Leuvense jezuïeten (waar vooral preekbundels werden gekocht), en kreeg advies van de behulpzame pater Stéphani O.C.D. die hem aankopen suggereerde. Mogelijk werden ook de advertenties in de Luijksche gazette waarop de paters geabonneerd waren betrokken in het aankoopbeleid. Ook over het lot van de bibliotheek na het einde van het ancien régime weet A. nieuwigheden te vertellen. De abdij werd openbaar verkocht en afgebroken, zodat de nieuwe bibliotheek die in het eerste deel van het artikel werd besproken na 30 jaar al tot puin herleid was. De boeken zijn waarschijnlijk niet door de Fransen gevonden en geveild in Maastricht, zoals wel met andere kloosterbibliotheken gebeurde. De boeken blijken echter pas in 1824 terug opgedoken te zijn. Willem I schonk toen de handschriften en incunabelen aan de Luikse universiteitsbibliotheek. De andere boeken werden misschien verkocht. Ze blijken enkele jaren later in het Gentse op te duiken, o.a. bij P.P.C. Lammens en in de Universiteitsbibliotheek aldaar. [SvI]


3814– Carmélia OPSOMER, La bibliothèque du chirurgien liégeois Lambert Goby (1652-1729) in Bulletin de la Société des Bibliophiles Liégeois, 25, 2005, p. 83-130, ill.
Aan de hand van de door notaris Jean-Nicolas Lambinon op 21 maart 1729 opgestelde inventaris (Rijksarchief Luik, 84 nummers) van de bibliotheek van de Luikse chirurgijn Goby schetst de auteur een boeiend portret van de toenmalige medische cultuur. [MdS]


3815– A.B., Een boek uit het bezit van de familie Van Huerne in Biekorf, 107, 2007, 2, p. 133.
In een exemplaar van Troost in Nood van Mathias Croonenborch (1706), ooit in het bezit van Magde van Huerne, werden een aantal raadgevingen geschreven omtrent de behandeling van boeken. Er wordt aangeraden een ex-libris te gebruiken en ezelsoren, vlekken en ongedierte te vermijden. [JH]


3816– Gilbert HUYBENS, Karel Alexander van Lotharingen, muziekliefhebber en –mecenas in Biesense opstellen... (zie nr. 3693), p. 269-284, ill.
Karel van Lotharingen (1712-1780) was een groot staatsman, mecenas en kunstliefhebber. Ook tal van muziekwerken zijn aan hem opgedragen. Met bijzondere aandacht voor het fenomeen van de intekenlijsten en hun belang voor ‘de consumptie’. [MdS]


3817– Jean Luc MEULEMEESTER, De "geestelijke Oefeningen" van Ignatius van Loyola in Brugge heruitgegeven in Biekorf, 107, 2007, 4, p. 334-339.
M. bespreekt uitgaven van Franciscus Bauters s.J., een broederschapsboek (Pieter Vande Capelle, 1733) en de Geestelijke Oefeningen van Ignatius (Andreas Wydts, 1740). Over deze laatste bestaat een contract met de drukker, dat een oplagecijfer geeft (minstens 600 ex.) en de kosten bepaalt. De drukker financierde de zaak, Bauters kocht 200 exemplaren over. Ook de typografie en de verkoopprijs aan andere boekhandelaars worden vastgelegd. Met volledige tekst van het contract. [SvI]


3818– Pierre DE LAEY, Boekenveilingen in Brugge, 1750-1810: een repertorium van de gedrukte veilingcatalogi in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gesticht onder de benaming 'Société d'émulation' te Brugge, 142, 2005, p. 54-131, ill.
Pierre de Laey (1933-2004) werkte jarenlang aan een onvoltooide studie over Brugse veilingen. Uit zijn materiaal kon gelukkig het essentiële worden gepubliceerd: een repertorium van Brugse veilingen 1750-1810 (p. 90-131), voorafgegaan door een handige analyse en ontsloten door uitvoerige registers. Het grootste aantal catalogi bevindt zich in een particuliere collectie. Een waardige Brugse pendant van de Antwerpse inventaris door P. Delsaerdt en D. Vanysacker (Zie Kroniek 24 nr. 2875). [MdS]


3819– [Ludo VANDAMME], Boekenveilingen in Brugge: de verwerving van de oudste gedrukte veilingcatalogi (1704, 1708) in Inzoemen: nieuwsbrief van de Vrienden van de Biekorfbibliotheek (Brugge), 2 (juni-augustus), 2005, p. 5-8.
In 2004 kocht de OB Brugge twee vroege Brugse veilingcatalogi die de tot dan toe vroegst bekende Brugse catalogus (1752) qua ouderdom overtreffen. Het gaat om planovellen door boekdrukker Judocus van Pee van veilingen gehouden op 20 juni 1704 en 24 maart 1708. In de eerste veiling werden een aantal loten geveild van Margriete Rapaert, de tweede bestond volledig uit boeken van Carolus Robyn, pastoor van Kaprijke. Het is een kleine geleerdenbibliotheek met humanistische uitgaven van kerkvaders, jezuïetenboeken, anti-jansenistische geschriften en een aantal emblemata. Het artikel bevat een foto van de catalogus van 1704. [SvI & MdS]


3820– Rietje VAN VLIET, De poliep en de luis: geleerden en boekverkopers in het midden van de achttiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 11, 2004, p. 145-161.
Uitgevers die wetenschappelijke auteurs wilden aantrekken tot hun fonds moesten zelf ook deelnemen aan het wetenschappelijke debat. De jonge Leidse boekverkoper Elie Luzac (1721-1796) wist door een wetenschappelijke vriend een netwerk van geleerden rond zich op te bouwen die hun manuscripten bij hem lieten drukken. Om dat netwerk te onderhouden kon hij niet altijd de koele businessman zijn maar moest hij soms ook vriendendiensten verrichten en risico's nemen, bijvoorbeeld bij de publicatie van het omstreden boek L'homme machine. Door zijn positionering in het debat werd hij door geleerden beschouwd als een philosophe-libraire, wat hem sociaal krediet opleverde. Ook Luzac zelf zag zich meer en meer als wetenschapper: de kans is groot dat hij het was die in 1748 een voorstel indiende voor een internationaal auteursrecht, een regeling die de wetenschappers ten goede zou komen maar voor uitgevers (en dus Luzac zelf) nadelige gevolgen zou hebben. [SvI]


3821– J. DE ZUTTER, Cartes de Suisses: een geheugenpaleis over de muziek in Vlaanderen in Mozarts tijd: tentoonstelling Gent, Hotel d'Hane-Steenhuyse, 30 september 2006 – 7 januari 2007. – Gent: Departement Cultuur van de stad Gent, 2006. – 128 p.: ill.; 28 cm.
Ter gelegenheid van het Mozartjaar ging D. op zoek naar getuigenissen over het bezoek van de jonge Mozart aan Gent. Buiten twee regeltjes in Leopold Mozarts dagboek waren die er niet. Het gevolg werd een tentoonstelling over Gent in de Oostenrijkse periode, met (een klein beetje) extra aandacht voor de muziekcultuur. Behalve dat de tentoonstelling voor een deel steunde op gedrukte ordonnanties en gravures valt er weinig te rapen voor boekhistorici. Erg storend is dat de naam van Jozef II steeds in het Frans als 'Joseph II' wordt weergegeven. Notitie 142, een Missale Romanum uit 1737, wordt toegeschreven aan 'Plantijn-Moretus'. [SvI]


3822– Gaëtane MAES, L'itinéraire du "Voyage pittoresque de la Flandre et du Brabant" de Jean-Baptiste Descamps (1769) in Revue du Nord, 87, 2005, nrs. 360-361, p. 513-528.
De succesvolle toeristische gids van kunstschilder Descamps (eerste uitgave 1769) voert de reiziger langs een langgerekt en enigszins onlogisch parcours doorheen Vlaanderen en Brabant. De bedoeling van Descamps was om toegang te bieden tot zoveel mogelijk kunstschatten, en de kerken en kloosters van deze gebieden waren daar bijzonder rijk aan. Bovendien was Descamps bijzonder geïnteresseerd in de Vlaamse kunst. Hij kon dan ook putten uit een rijke persoonlijke bibliotheek om de Voyage pittoresque te stofferen met informatie; over deze bibliotheek is beperkte informatie te vinden in de boedelbeschrijving na Descamps' dood opgesteld. Voor de geografische kant lijkt hij enkel te hebben beschikt over een kaartenboek van Nicolas de Fer (dat niet bijzonder correct was), maar in zijn historische collectie vinden we ondermeer Guicciardini en Sanderus. Verder zijn er van reisverhalen die als model gediend kunnen hebben voor de Voyage pittoresque. Voor een Description générale et particulière de la France trad Descamps bovendien ook zelf als verkoopsagent in Normandië op voor de Parijse boekverkoper. Deze werken gaven misschien wel het idee, maar niet de inspiratie voor het boek van Descamps. De schrijver combineerde namelijk het oude genre van het reisverhaal met de nieuwere mode van de kunstgids die sinds kort in de Nederlanden en Frankrijk opgeld maakte. Terwijl de geografische reisgidsen vooral historische en topografische informatie bevatten, maakt Descamps vooral plaats vrij voor de beschrijving van kunstschatten. Het belangrijkste model voor de Voyage pittoresque was wellicht Le peintre amateur et curieux van Mensaert (1763), dat bovendien een gelijkaardige route voorstelt. Descamps voegde daar informatie aan toe uit een handschriftelijke Beschryvinge van de gedenckweirdigste schilderijen (nu in de OB Brugge en uitgegeven door Duverger en Van Biervliet in 1998). Dat handschrift was Descamps ter inzage gegeven door Matthijs de Visch, directeur van de Brugse academie. Descamps heeft de gegevens van Mensaert en het anonieme handschrift gecombineerd en gestroomlijnd en voegde praktische reisinformatie toe (vertrekplaatsen en -tijden van diligences, ...). Opvallend is ook dat Descamps zich niets aantrekt van landsgrenzen: het gebied waar zijn reis doortrekt, is dat van de Vlaamse schildersschool van de zestiende en zeventiende eeuw. Het idee van de 'nationale scholen' was nog betrekkelijk nieuw en hing samen met de opkomst van de natiestaat en het verlichtingsidee van de natie als volk. Toch houdt Descamps niet te hard vast aan de Vlaamse schildersschool: hij wil zijn reizigers vooral vermaken, en indien een interessante Franse meester toevallig in dezelfde kerk hangt als een Vlaamse schilder zal hij het niet laten de eerste ook te vermelden. De toekenning van een meester aan een 'nationale' school laat Descamps volledig afhangen van de geboorteplaats, en op die manier kan hij zichzelf als Duinkerkenaar ook als 'Vlaams' schilder bestempelen hoewel hij het grootste deel van zijn scholing en carrière in Frankrijk doorbracht. Dat de aanpak van Descamps succes had blijkt uit de heruitgaven: nog tijdens het privilege van 6 jaar verschenen er Hollandse piraatedities, in 1771 kwam er een Duitse vertaling. De laatste uitgave dateert van 1838. In de geschiedenis van de kunstappreciatie is de gids van Descamps niet minder dan een mijlpaal. [SvI]


3823– Pierre MOURIAU DE MEULENACKER, Les éditions liégeoises de "Don Quichotte" de 1750 à 1795 in Le livre et l'estampe, 52, 2006, 165, p. 94-131.
M. bespreekt de edities van Don Quichotte die tussen 1750 en 1795 met het adres van de Luikse uitgever Bassompierre verschenen. Daaronder één met Luiks schijnadres maar eigenlijk gedrukt te Rouen, vier in 12° die wel degelijk te Luik verschenen en één in f° met prenten uit een editie die eerder bij Pieter de Hondt verscheen in 's-Gravenhage. [SvI]


3824– Theo CLEMENS, De Antwerpse suffragiën (1703-1739): het wegen van een gedrukte bron in De gulden passer, 85, 2007, p. 105-140.
In dit eerste deel van drie onderzoekt C. een veronachtzaamde bron voor de studie van de catechese. De Antwerpse suffragia, een maandelijkse reeks kleine briefjes met een stichtende tekst, vormen door hun vorm een bijzondere bibliografische uitdaging. De enige titel die als dusdanig gebruikt kan worden, is die van het (los verkochte) voorwerk, de Instellinge en regels van het aertsbroederschap der christelycke leeringe, dat echter vaak ontbreekt en dat enkel bij het eerste bandje ingebonden werd. Het is daardoor bijzonder moeilijk exemplaren op te sporen, wat de door C. in appendix toegevoegde finding list en bibliografie van het instellingsbericht bijzonder nuttig maakt. Het artikel, soms langdradig en verwarrend wanneer C. de al dan niet vruchteloze stappen overloopt die hij tijdens zijn onderzoek moest doen, maar de bibliograaf en de historicus herkennen er de opwinding van het speurwerk in. Een traditioneel suffragium bestaat uit een aantal vaste onderdelen: een afbeelding, een hoofding (het thema), een citaat, een beetje uitleg op de achterkant, en een kort gebed. Ze werden maandelijks uitgedeeld aan de leden van een broederschap of een andere religieuze gemeenschap (dus niet via de reguliere boekhandel), en werden vaak voorzien van de naam van een gelovige voor wie bijzonder gebeden moest worden. De Antwerpse suffragia in het bijzonder werden uitgedeeld onder de leden van het aartsbroederschap der christelijke lering, opgericht in 1703 onder impuls van de stedelijke pastoors. Van bij het begin maakte deze broederschap gebruik van maandbriefjes, echter niet zoals bij de traditionele suffragia gericht op heiligenverering en gebed, maar op catechese. De Antwerpse suffragia zijn ook uitgebreider, en veel programmatischer: ze waren bedoeld om in een bepaalde volgorde gebruikt te worden, en dit gedurende een lange periode. Wie voldoende lang lid was van het aartsbroederschap, verzamelde uiteindelijk een reeks die naast een voorwerk niet minder dan 437 maandbriefjes (augustus 1703 – december 1739) beslaat, door de opstellers in 9 reeksen onderverdeeld. Met deze lange looptijd is het niet verwonderlijk dat er verschillende edities zijn geweest, die in tal van exemplaren door elkaar zijn geraakt: wie pas later lid werd van het broederschap, wilde toch graag de eerdere briefjes aankopen om zijn reeks te vervolledigen. Op de briefjes zelf staat geen drukker aangegeven, wel echter op het instellingsbericht dat als voorwerk beschouwd kan worden. Het blijkt Joannes van Soest geweest te zijn die door de opstellers voor de druk werd aangezocht. Van het instellingsbericht vond C. niet minder dan 6 edities bij van Soest, en telkens één bij Verdussen (c.1775) en Heyliger (c.1810). Om de verschillende edities te onderscheiden gebruikt C. een combinatie van spellingsvarianten, gebruikte ornamenten en andere indicatoren. Het grote aantal edities, het grote aantal exemplaren dat na intensief speurwerk werd teruggevonden en het feit dat er ook buiten Antwerpen, en tot in de 19de eeuw, navolgingen bestonden, wijst erop dat de Antwerpse suffragiën inderdaad een zeer belangrijk medium zijn geweest bij de catechese. De Antwerpse pastoors hadden zich tot doel gesteld de kennis over de Christelijke leer zo goed mogelijk te verspreiden, en hadden met de maandbriefjes duidelijk het juiste middel gevonden om een zeer breed publiek te bereiken. [SvI]


3825– Frans A. JANSSEN, The first encyclopedia devoted to the world of books: Peignot's Dictionnaire de bibliologie of 1802 in Quaerendo, 36, 2006, p. 85-97, ill.
Etienne-Gabriel Peignot (1767-1849) publiceerde zijn Dictionnaire de bibliologie in 1802 als een encyclopedie van de studie van het boek (hij populariseerde daarvoor de term 'bibliologie'). Het werk bouwde voort op een Franse traditie van belangstelling voor het oude boek, uitgaande van bibliofiele interesse. Peignot verklaarde termen en definities. Hij gaf blijk van grote belezenheid in de wetenschappelijke literatuur. Zo verklaart hij zeer accuraat de 'stéréotypage' van de gebroeders Pierre en Firmin Didot. Zijn kennis van bibliotheken is aanzienlijk. Te Leiden kent hij naast de universiteitsbibliotheek ook de Thysiana. Gerard Meerman wordt geprezen als kenner van prototypografie, echter niet als verzamelaar (er bestond nog geen gedrukte catalogus van diens collectie). In overeenstemming met de opkomende belangstelling op het einde van de achttiende eeuw is er grote aandacht voor incunabelen en belangrijke drukkers. Ook bibliografen, van Gabriel Naudé tot Joseph van Praet, worden behandeld. In het spoor van de Verlichting kiest Peignot voor classificatie van kennis. Zijn eigen indeling is georiënteerd op de Encyclopédie van Denis Diderot. Een vermelding van zijn (meeste) bronnen ontbreekt niet. [WW]


3826– H. VANDEVOORDE, & C. VERBRUGGEN, Le palais du livre: het Gentse boekwezen in en rond de Veldstraat in H. Defoort & W. De Vuyst, Veldstraat/Gent. – Gent/Tielt: Cultuurstad/Lannoo, 2005, p. 70-79. – ISBN 978-90-209-6088-4.
Een bondig overzicht van enkele 19de-eeuwse Gentse boekhandelaars in en om de Veldstraat. Zowel de nabijgelegen universiteit als de Kouter, met zijn opera en genootschappen, waren belangrijke factoren voor de vestiging van boekhandelaars in de buurt. De belangrijkste waren Hoste, van liberale, en Siffer, van katholieke signatuur. Alhoewel ze zich beiden voordeden als boekhandels die de "Vlaamse" literatuur verspreidden, waren zij toch in hoofdzaak gericht op Franstalige en wetenschappelijke boeken. Hoste had bij zijn overlijden een grote voorraad rechtskundig en educatief werk. De eerste boekhandel die zich nadrukkelijk op literair Nederlandstalig werk richtte was de Nederlandsche Boekhandel. De Gentse afdeling, opgericht in 1901, hield het slechts een paar jaar vol. Na de Eerste Wereldoorlog ging het reeds bergaf met de Gentse boekhandel: Hoste concentreerde zich op commercieel drukwerk en de uitgeversactiviteiten van Siffer werden afgebouwd. Het artikel besluit met het verhaal van boekhandel Herckenrath, die in 2000 zijn deuren sloot. [JH]


3827– Hendrik VAN DE ROSTYNE, Omtrent de eerste drie drukkers-uitgevers van Maldegem en hun weekbladen in Jaarboek. Heemkundige Kring Het Ambacht Maldegem, 10, 2004, p. 162-227, ill.
Aan het einde van de negentiende eeuw verschijnen er in Maldegem drie weekbladen bij evenveel kleine uitgevers/drukkers: De volksbode (1879-, bij Willems, Coelis en Cabuy), ’t Getrouwe Maldeghem (1888-, bij Victor de Lille) en Het weekblad van Maldeghem en omstreken (1891-1914, bij Parrin). De drukkerij van Cabuy wordt in 1929 omgevormd tot de enige nog bestaande Maldegemse drukkerij: Van Hoestenberghe. Enkel De Lille verwierf ruimere bekendheid, met zijn Duimpjesuitgaven. [MdS]


3828– Ludwig De TEMMERMAN, Drukkerij August Defrène Nederbrakel 1883-1980. Deel 1 – De familie Defrène-Van Pevenaege in Triverius, 26, 2006, 3, p. 57-64.
Ludwig De TEMMERMAN, Drukkerij August Defrène Nederbrakel 1883-1980. Deel 2 -Drukkerij van rouwprentjes in Triverius, 26, 2006, 4, p. 49-59.
Ludwig De TEMMERMAN, Drukkerij August Defrène Nederbrakel 1883-1980. Deel 3 – Drukkerij van prentkaarten in Triverius, 27, 2007, 1, p. 42-52.
Ludwig De TEMMERMAN, Drukkerij August Defrène Nederbrakel 1883-1980. Aanvullingen en correcties in Triverius, 27, 2007, 2, p. 14-18.
In een aantal artikels brengt A een overzicht van leven en werk van de Brakelse drukker August Defrène. Als boekdrukker is hij weinig belangrijk: A vermeldt twee blijspelen, een zangspel en enkele muziekpartituren van Jozef de Waegenaere. Zelf vonden we in de LIBIS-catalogus nog De keus der zaaizaden met het oog op de verbetering onzer landbouw en tuingewassen door de studiekring Landbouwcomice Herzele (1899). Veel belangrijker was Defrène echter als drukker van rouwprentjes en prentkaarten. Voor de rouwprentjes had hij contacten in Parijs, Bergamo en Mönchengladbach. Aangezien hij voor zijn rouwprentjes afbeeldingen van kunstwerken gebruikte en soms kleurendruk aanwendde mag hij als een vernieuwer in het genre beschouwd worden. Het grootste deel van zijn productie bestond in de periode 1906-1911 uit prentbriefkaarten: het ging om niet minder dan ongeveer 2, 5 miljoen kaarten! [JH]


3829– Robrecht PENDERS & Raf VAN LAERE, Antoine Louis Bellefroid (1801-1867), voedstervader van de Hasseltse bibliotheken of de bibliofiele erfenis van een 19de-eeuwse mecenas in Jean Maenen, Raymond Driessen & Bruno Indekeu (eds.), Tesi samanunga vvas edele unde scona: liber amicorum Theo Coun. – Hasselt: Federatie der Geschied- en Oudheidkundige Kringen van Limburg, 2005, p. 291-302, ill. – (Limburg – Het Oude Land van Loon. Extranummer, 4).
In 1867 legateerde advocaat Bellefroid 5000 fr aan boeken uit zijn privébibliotheek aan de Hasseltse stadsbibliotheek, die in 1842 was ontstaan. De privébibliotheek bestond uit 3000 titels waarvan het merendeel juridische werken en tekstuitgaven van klassieke auteurs. Het legaat vormde een aanzet tot andere schenkingen (J.J. Thonissen, A. Visschers en G. Briers) en tot het begin van aankoop van een aantal oude drukken, m.n. 9 drukken van de 16de-eeuwse Hasseltse auteur Frans Titelmans. De sterke groei van de bibliotheek was vooral een 19de-eeuwse aangelegenheid. Na WO I werd de stedelijke bibliotheek weggeconcurreeerd door de katholieke bibliotheek "De Oude Hal". Dit zorgde ervoor dat in 1939 het stadsbestuur alles overdroeg aan het provinciebestuur en het "Werk van koningin Elisabeth". [JH]


3830– Ludo VANDAMME, Isaac De Meyer en zijn boekenverzameling op het domein van de historische verloskunde in I. Verrept (ed.), Isaac: leven en werk van een veelzijdig Brugs figuur. – Brugge: Erfgoedcel, 2005, p. 28-34, ill.
In 1874 ontvangt het stadsbestuur van Brugge een brief van Desiré De Meyer, zoon van Isaac, waarin hij een deel van de bibliotheek van zijn vader aan de stad schenkt. De collectie die betrekking heeft op de verloskunde, bestaat uit 2 handschriften en 223 oude drukken uit de periode 1563-1863. Het grootste deel van de verzameling bestaat uit 18de- en 19de-eeuwse boeken (resp. 96 en 87) en is overwegend Franstalig, en afkomstig uit Frankrijk: 40% van de boeken werden gedrukt in Parijs, andere drukkersplaatsen zijn Brussel, Amsterdam, Gent, Londen en Leiden. De collectie bestond zowel uit wetenschappelijke studies, praktische handboeken en polemische geschriften (pro of contra keizersnede), alsook uit een aantal randgevallen zoals het ‘Traité des hermaphrodits’ van Jacques Duval, boeken over seksualiteit als over de invloed van de verbeelding van de moeder op het kind. De Meyer heeft natuurlijk zijn collectie samengesteld in samenwerking met de Brugse boekhandelaren, maar hij moet ook de veilingen van (medische) bibliotheken in Brugge hebben bezocht. Misschien getuigen daarvan twee exemplaren die als prijsboeken hebben gediend. De experimentele typografie, een te kleine letter a.h.w. getypt met een typemachine op een te groot blad, is niet echt geslaagd. [JH]


3831– Marika CEUNEN, Louis van Gobbelschroy (1787-1850), orangist in hart en nieren in Vrijgevochten stad: Leuven en de Revolutie van 1830 / 1831. – Leuven: Peeters, 2006, p. 151-161, ill.
Biografie van de vertrouwensman van Willem I in de Zuidelijke Nederlanden. Hij was een verwoed verzamelaar, wiens rijke collectie handschriften en vroege drukken (‘vélins’!) in 1851 te Gent werd geveild. [MdS]


3832– R. FAYT, Les "Monocoqueloges" in Le livre et l'estampe, 51, 2005, 163, p. 67-93.
Tussen 1882 en 1884 drukte Henry Kistemaeckers 8 plaquettes met monologen voor Ernest Coquelin, de grootste tekstvoordrager van zijn tijd. Elke plaquette werd geïllustreerd met een portret van Coquelin, dat de sfeer weergeeft van de monoloog. In het artikel wordt elke monoloog besproken. Jean Richepin liet in 1884 zijn monoloog verbieden, waarom is onduidelijk, maar het betekende wel het einde van de reeks. [JH]


3833– Walter NOTTEBOOM, De Duimpjesuitgave van Victor De Lille (1897-1913, 1922-1926) in Jaarboek Ambacht Maldegem, 12, 2006, p. 29-70, ill.
Victor de Lille, journalist-drukker-uitgever van ’t Getrouwe Maldeghem, is nu niet meer bekend als creatief auteur, maar des te meer als een belangrijke schakel in de Vlaamse boekgeschiedenis en leescultuur. Met zijn serie Duimpjesuitgaven tilde hij de Vlaamse vertelkunst over de eeuwgrens, met zin voor continuïteit én voor vernieuwing. Hij leidde het trouwe lezerspubliek van Conscience en Mevrouw Courtmans naar Streuvels en Timmermans. [MdS]


3834– Jan PAUWELS, Schrijven en herschrijven, drukken en herdrukken: gedichten van Guido Gezelle op devotieprenten, in ZL: literair-historisch tijdschrift, 4, 2005, 3, p. 56-71, ill.
Veel van Gezelles dichtwerk is oorspronkelijk verspreid op aparte bladen of blaadjes als religieuze devotieprenten. Gezelle zelf bezorgde de teksten een ruimere bekendheid door ze te hernemen – met varianten – in latere prenten, maar ook in andere publicaties (kranten, tijdschriften) en dichtbundels. Voor de devotieprenten zelf ontwierp Gezelle de hele tekst: niet enkel het gedicht, maar ook het omgevend literair kader met bijbelcitaten en in- en uitleidingen in proza. Een serieuze uitgave van dit soort teksten verplicht de editeur dan ook tot opname van de integrale compositie. [WW]


3835– Dirk VAN DE VIJVER, Medailles, boeken en plechtige woorden: de prijsuitreikingen in de bouwkunst aan de 'Academie voor Schoone Kunsten' te Leuven in Belgisch tijdschrift voor filologie en geschiedenis, 83, 2005, 2, p. 425-452.
Op basis van de Procès verbaux de la distribution des prix gedrukt tussen 1801 en 1830 door o.a. J. Meyer en F. Michel, gaat A na welke prijsboeken er werden uitgereikt in de afdeling bouwkunst van de Leuvense academie. Tot 1830 werden er 171 titels uitgereikt waarvan 86 verschillende. De prijsboeken (die voor de academies een Brusselse en Leuvense aangelegenheid waren) waren in hoofdzaak Frans. De auteurs waren overwegend Frans, of het ging om Franse uitgaven van Italiaanse auteurs, de publicatieplaats was Parijs en de taal was, op drie na, Frans. De boeken dateren uit de 19de eeuw en de 2de helft van de 18de, 14 uit de eerste helft van de 18de of vroeger. Hieruit blijkt de lange levensduur van boeken (iets wat ook uit andere studies over prijsboeken blijkt) en de continuïeteit van de architectuur tussen de 2de helft 18de en de 1ste helft 19de eeuw. De titels werden aan de voortgang aangepast: klassen naar model kregen modelboeken (orden en burgerlijke architectuur), de ontwerpklas fundamenteel theoretisch werk (Vitruvius) of plaatwerk. [JH]


3836– Raf DE BONT, Geraldine REYMENANTS & Hans VANDEVOORDE (red.), Niet onder één vlag: Van Nu en Straks en de paradoxen van het fin de siècle. – Gent: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2005. – 337 p., ill.; 24 cm.. – ISBN 90-72474-65-1.
Deze bundel bevat bijdragen van zowel literair-, cultuur- als wetenschapshistorische aard. In vier ervan komt het tijdschrift Van Nu en Straks vanuit een boekhistorische visie ter sprake.
Christophe Verbruggen belicht in 'Van Nu en Straks ontmoet Le Réveil' (p. 75-107) Gentse kunstkringen en netwerken in het fin de siècle. Van Nu en Straks en Le Réveil bezaten gemeenschappelijke abonnees en medewerkers (vooral illustrators). Van Nu en Straks was een van de voorbeelden van Le Réveil inzake typografische vormgeving. Het aantal Franstalige schrijvers en kunstenaars, dat geabonneerd was op Van Nu en Straks was gering, maar invloedrijk (Max Elskamp, Georges Eekhoud).
Johan de Smet gaat in 'Van Nu en Straks in avant-gardistisch perspectief' (p. 109-143) analogieën en divergenties met L'Art Moderne, La Jeune Belgique en La Société Nouvelle na. Van Nu en Straks nam deze drie leidende tijdschriften tot voorbeeld en leunde voor zijn artistiek-modernistische en anarchistische opvattingen tegen hen aan. Maar in de geschiedenis van de gebruiksgrafiek en van de boekversiering bekleedt het een bijzondere plaats. Henry Van de Veldes omslag voor Van Nu en Straks is zowel vergelijkbaar met dat van Georges Lemmens voor L'Art Moderne (1891) en voor een catalogus van Les XX (1891), als met illustraties van Théo van Rysselberghe voor Pierre Olin. Van Nu en Straks bracht als eerste het illustratiewerk van Lemmens en Van de Velde samen uit. In de toepassing van de vernieuwende principes van de Art Nouveau ging Van Nu en Straks verder dan het eclectische L'Art Moderne, het meer politiek ingestelde La Société Nouvelle en het steeds conservatiever wordende La Jeune Belgique.
Joan E. Greer bestudeert in 'Radicale beeldtaal in Van Nu en Straks' (p. 145-161) de Nederlandse bijdrage aan het Van Gogh-nummer. Dat bevatte werk van Jan Toorop, Johan Thorn Prikker en Richard N. Roland Holst. Hun bijdrage wordt gesitueerd in hun overig werk uit die periode.
Ellen van Impe behandelt in 'Een blinde vlek in de studie van de Belgische Arts-and-Craftsreceptie' (p. 283-306) een onverwacht, maar welkom element: William Morris en John Ruskin in katholieke tijdschriften. Met name de Revue de l'Art chrétien en het Bulletin des Métiers d'Arts waren verbonden met de katholieke neogotiek en de Sint-Lucasbeweging, die zeer sterk beïnvloed werden door de religieus-archeologische Gothic Revival in Groot-Brittannië, belichaamd in A.W.N. Pugin. Met zijn aandacht voor de toegepaste kunsten zou deze laatste generaties van designhervormers inspireren, onder wie de protagonisten van de latere Arts and Crafts Movement. Terwijl Van de Velde Morris en Ruskin beschouwde als radicale vernieuwers, zagen de twee katholieke tijdschriften hen als exponenten van een oudere traditie. De socialistische artistiek-maatschappelijke ideeën van Morris en Ruskin konden zonder veel moeite 'vertaald' worden dankzij de voorliefde van beiden voor de gotische middeleeuwen. Uit de Gentse Sint-Lucasschool kwamen een aantal kunstenaars voort die tot de 'Kortrijkse Kunstgilde' gerekend worden (Victor Acke, Jozef de Coene, Jozef en Emmanuel Viérin). De Coene haalde Van de Velde naar Kortrijk voor een lezing over Morris (1899). Jozef Viérin ontwierp 'Het Lijsternest' voor Stijn Streuvels. [WW]


3837– Peter THEUNYNCK, 'Hij is de onmogelijkste auteur om mee te doen te hebben!': Karel van de Woestijne en de Wereldbibliotheek in ZL: literair-historisch tijdschrift, 4, 2005, 3, p. 2-19, ill.
In 1906 nam Karel van de Woestijne via zijn vriend Emmanuel de Bom contact op met Leo Simons, stichter van de Wereldbibliotheek: zou die vertalingen van hem uit het Frans willen publiceren? Simons' zakenpartner G. Schreuders zegde toe voor een 'Serie van Keurwerken'. Van de Woestijne incasseerde een voorschot voor een vertaling van Les Diaboliques van Barbey d'Aurévilly, maar daarvan kwam verder niets. Een vertaling in proza van Homerus' Ilias kende een ware lijdensweg: in 1906 toegezegd, kwam het werk pas in het najaar 1910 van de pers. Om de gecorrigeerde proef in handen te krijgen, moest Simons met gerechtelijke stappen dreigen. Wel kreeg die vertaling gunstige recensies en verkocht ze vlot. Simons bleef echter huiverig voor andere projecten met Van de Woestijne: De Leemen Torens, een gezamenlijke roman van Van de Woestijne en Herman Teirlinck, verscheen niet bij de Wereldbibliotheek en ook tot de serie 'De Vlaamsche Bibliotheek', die Simons binnen zijn uitgeverij lanceerde, kreeg Van de Woestijne geen toegang. [WW]


3838Doctorale proefschriften: L. Peiren, De kinderen van Gutenberg: geschiedenis van de grafische vakbeweging in België voor 1975 in Belgisch tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, 35, 2005, 1, p. 99-107 [signalement].
Luc Peirens proefschrift De kinderen van Gutenberg, waarvan dit artikel een synthese brengt, is in de eerste plaats een bijdrage aan de syndicale historiografie en theorievorming. Het beschrijft hoe de vakbonden die werknemers uit de Belgische drukkerijsector verenigden (tot in de negentiende eeuw veelal letterzetters of boekdrukkers), traditioneel sterk stonden, maar in de twintigste eeuw geleidelijk aan invloed verloren. De specifiek boekhistorische waarde van dit onderzoek schuilt onder meer in het feit dat Peiren de impact van technologische vernieuwingen in de negentiende en twintigste eeuw op de positie van de werknemers bestudeert. [KA]


3839– Henk GIANOTTEN, Fernand Baudin, 1918-2005 in Quaerendo, 36, 2006, 4, p. 242-249.
Dit ‘In memoriam’ voor de Belgische typograaf Fernand Baudin bevat een korte biografische schets en voorts onder meer toelichting bij Baudins werk voor Établissements Plantin in de jaren 1950 en 1960 en enkele persoonlijke anekdoten van Gianotten. [KA]


3840– Geert SWAENEPOEL, "Ik houd mij gaarne en passant met alle mogelijke zaken bezig": Herman Teirlinck als illustrator en boekbandversierder in Vlaanderen, 55, 2006, 311, p. 130-133.
De Vlaamse schrijver en toneelvernieuwer Herman Teirlinck heeft altijd een grote belangstelling getoond voor de typografische aspecten van het boek. Sterker: aan het eind van de negentiende eeuw en in het eerste decennium van de twintigste eeuw heeft hij een niet onbeduidend aantal boeken zelf van illustraties en bandversiering voorzien. Zijn rolmodel op dit gebied was William Morris, de bezieler van de Arts & Crafts Movement. Na 1910 zou Teirlinck zich minder vaak met boekvormgeving inlaten, al benutte hij zijn kennis en ervaring wel bijvoorbeeld nog voor de Blauwe Snoeckjes, een reeks die de Gentse firma Snoeck-Ducaju tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgaf. [KA]


3841– E. COCKX-INDESTEGE, Berthe van Regemorter and Prosper Verheyden: books and bindings in Antwerp, 1912-39 in The library, 7th series, 2006, 7, 1, p. 65-86.
Neerslag van een lezing gehouden voor The Bibliographical Society in Londen. De bijdrage die de kunstboekbindster B. van Regemorter en de (boek)bandhistoricus P. Verheyden in de eerste helft van de twintigste eeuw in Antwerpen geleverd hebben is gesteund op de bewaarde correspondentie tussen beiden. [A]


3842– André DE KÉ, De achteruitkijkspiegel: bibliotheek in Land van de Woestijne, 28, 2005, 3, p. 33-34.
Jeugdherinnering van de auteur. Twee schooljongens (De Ké en zijn vriend Paul van Belleghem) richten de ingemaakte kast van een tante in als een bibliotheek. Als een van hun onderwijzers lucht van de plannen krijgt en ontdekt dat er ook boeken van de ‘verderfelijke’ (want liberaal-protestantse) volksschrijver Abraham Hans te leen zijn, schakelt hij de onderpastoor in. Die komt vervolgens in de school spreken over verderfelijke literatuur, waarna de bibliotheek uitdraait op een fiasco. [KA]


3843– E. BAECK & H. BAECK-SCHILDERS, Ludo van Bogaert (1897-1989): neuroloog, bibliofiel, kunstverzamelaar en mecenas in Jaarboek. Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde. (Antwerpen), 15, 2003-2004 [versch. 2005], p. 32-43.
Biografische schets van de grote, maar zeer discrete verzamelaar Ludo van Bogaert. Zijn literaire en bibliofiele boeken schonk hij aan de Koninklijke Bibliotheek van België (Zie Kroniek 27 nr. 3243). De medische bibliotheek ging naar de Universiteit Antwerpen (zie noot 98 van het artikel!). [MdS]


3844– Anne ROUZET, Le legs de Madame Léon Courtin à la Bibliothèque royale de Belgique in Le livre et l'estampe, 53, 2007, 168, p. 161-176.
Een nauwelijks in volzinnen uitgeschreven overzicht van de collectie van Marcelle Courtin-Bouché (1906-2003), die zich na de dood van haar echtgenoot Péruwelz Léon Courtin in 1965 aansloot bij de Société des Bibliophiles et Iconophiles de Belgique en een mooie collectie van geïllustreerde boeken en luxe-uitgaven samenstelde. Uit deze opsomming van boeken en illustratoren (voornamelijk negentiende en twintigste eeuw) blijkt dat de nalatenschap van Courtin-Bouché een mooie en zeer welkome aanvulling vormt op de collectie van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, die het Fonds Léon Courtin in 2004 erfde. [KA]


3845– D. LAOUREUX, Maurice Maeterlinck et la bibliophilie in Le livre et l'estampe, 51, 2005, 163, p. 7-61.
De Belgische symbolist Maurice Maeterlinck heeft altijd een levendige belangstelling gehad voor boekvormgeving. Hij koos doorgaans zelf illustratoren (o.a. Minne en Doudelet) en eiste medezeggenschap in de typografische verwezenlijking van zijn teksten. Dit artikel bespreekt in detail de vier werken van Maeterlinck die tot stand kwamen dankzij bibliofiele gezelschappen, namelijk: La Vie des abeilles (1908), geïllustreerd door Carlos Schwabe en uitgegeven door la Société des Amis du Livre moderne, Pelléas et Mélisande (1920), geïllustreerd door Fernand Khnopff en uitgegeven door l’Association de bibliophiles bruxellois les Cinquante, La Princesse Maleine (1923), geïllustreerd door Émile-Henri Tielemans en eveneens uitgegeven door les Cinquante, en Bourgmestre de Stilmonde (1928), geïllustreerd door Hermann-Paul en uitgegeven door l’Union liégeoise du Livre et de l’Estampe. Interessant zijn de korte ontstaansgeschiedenis van de genoemde bibliofiele genootschappen. Het artikel heeft het voorts over de (demi-)luxe uitgaven van Maeterlincks werk dat o.a. verscheen bij Claudio Argentieri, Rikola Verlag, H. Piazza en Edition aryenne. [KA]


3846– Pierre COCKSHAW, La bibliothèque maçonnique imaginaire de A. Peeters-Baertsoen in Le livre et l'estampe, 53, 2007, 167, p. 37-59.
Dit artikel gaat in op twee fouten die begaan zijn door E. Jouin et V. Descreux bij de opmaak van de door hen in 1930 uitgegeven Bibliographie occultiste et maçonique... d’après les fiches recueillies par A. Peeters-Baertsoen... De auteur komt tot de conclusie dat de bibliotheek van de negentiende-eeuwse vrijmetselaar A. Peeters-Baertsoen nooit bestaan heeft en slechts door de slordige interpretatie van beide bibliografen in het leven is geroepen. [KA]


3847– Wilfried DEVOLDERE, Onze kwartierstaat: Lieven Spyckerelle – dokter en bibliofiel in Vlaamse stam: tijdschrift voor familiegeschiedenis, 41, 2006, 5, p. 400-6.
Korte biografische en genealogische notitie over de Roeselaarse bibliofiel Lieven Spyckerelle die in 2005 overleed. [JH]


3848– Gaetan REGNIERS, De bibliotheek van de Gentse wevers: kroniek van een sociaal-culturele dynamiek in Brood & rozen, 10, 2005, 1, p. 18-37.
In 1860 werd te Gent de bibliotheek van de Broederlijke Weversmaatschappij opgericht, gesticht door de wever Jan Smeesters. Vijf jaar na de stichting komt er een afsplitsing en ontstaat het Leesgenootschap der Wevers. De afsplitsing van het conflict kwam er als gevolg van een generatieconflict tussen jonge vooruitstrevende textielarbeiders en de oude garde. Naast beide bestond te Gent ook de bibliotheek van de Vooruit. In de loop van de 19de eeuw zijn de verschillende bibliotheken op verschillende manieren met elkaar samengesmolten tot de Vrijzinnige Werkmansbibliotheek Leren Vereert (1902). Pas in 1983 werd de collectie overgenomen door de Gentse Stadbibliotheek. De collectievorming van de bibliotheek is onduidelijk: de catalogi dateren zeker niet van de beginperiode. A vermoedt dat in het begin Conscience, Zetternam en Geiregat werden verzameld, en dat pas veel later het aanbod diverser werd. Een interessant (maar soms verwarrend) artikel omtrent een onbekend stuk Gentse bibliotheekgeschiedenis. [JH]


3849– H. RENDERS, L. KUITERT & E. BRUINSMA, Inktpatronen: de Tweede Wereldoorlog en het boekbedrijf in Nederland en Vlaanderen. – Amsterdam: De Bezige Bij, 2006. – 432 p. – ISBN 90-234-1948-0.
Deze typografisch tot in de puntjes verzorgde essaybundel, die vorm kreeg na een congres in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), bevat naast twee inleidende stukken een veertiental casestudies over de geschiedenis en werking van Nederlandse en Belgische uitgeverijen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ernst Bruinsma schreef de inleiding over het boekbedrijf in bezet Vlaanderen. Voorts zijn er stukken over de door Guido Eeckels geleide collaboratie-uitgeverij De Lage Landen (Marnix Beyen), de zich hoofdzakelijk als ‘literair’ profilerende uitgeverij van Angèle Manteau (Jan Stuyck en Ernst Bruinsma), de uitgever en Nieuwe Orde-aanhanger Julien Bernaerts (Michel Fincoeur) en het Vlaams-nationalistisch gekleurde fonds van Godfried Lannoo (Romain Vanlandschoot). Alle op degelijk archiefonderzoek gestoelde bijdragen zijn informatief en de fondslijsten die na de behandeling van de genoemde uitgeverijen zijn opgenomen, maken van Inktpatronen een onmisbaar naslagwerk voor wie het culturele leven onder nationaalsocialistische bezetting wil bestuderen. De bijdrage over uitgeverij De Lage Landen verdient bijzondere vermelding, omdat daarin op uitzonderlijk inzichtrijke wijze een geval van intellectuele en economische collaboratie wordt beschreven en de Duitse cultuurpolitiek in al haar nuances wordt ontrafeld. [KA]


3850– Nico LAAN, Vormen van samenwerking tussen kritiek en uitgeverij (1) in Nederlandse letterkunde, 12, 2007, 3, p. 217-256.
Het eerste deel van een artikel waarin Laan de verhouding tussen de literaire kritiek en het uitgeverswezen in Nederland en Vlaanderen in de twintigste eeuw in kaart wil brengen. In het tamelijk breed opgezette onderzoek komt de belangenverstrengeling tussen uitgeverijen, de pers en recensenten aan de orde. Het gaat met name over recenserende uitgevers, aan uitgeverijen verbonden critici en alle mogelijke andere uitingen die van een betekenisvervaging tussen kritiek en reclame lijken te getuigen. Laan is het uiteindelijk te doen om vraagtekens te plaatsen bij de vermeende onafhankelijkheid van het recensentendom als bemiddelende instantie tussen boekproductie en -consumptie. Zijn bijdrage brengt veel (praktisch allemaal uit gepubliceerde bronnen gesprokkelde) gegevens samen, maar tot een inzicht dat de courante buikgevoelens over deze kwestie kan vervangen, komt hij niet echt. Met zin voor objectiviteit, maar niet zonder een soort ingehouden verontwaardiging bereikt hij de conclusie dat de rol van criticus als beoordelaar en controleur met scepsis moet worden bezien. [KA]


3851– Nico LAAN, Vormen van samenwerking tussen kritiek en uitgeverij (2) in Nederlandse letterkunde, 12, 2007, 4, p. 257-279.
Het tweede deel van het hoger besproken artikel. [KA]


3852– Kevin ABSILLIS, "Een vat waaraan de helft van de bodem ontbreekt.": de overname van uitgeverij Manteau door het Van Goor-concern in ZL: literair-historisch tijdschrift, 4, 2005, 4, p. 24-41.
In 1970 sloeg Angèle Manteau de deur achter zich dicht en verliet zo haar eigen uitgeverij, kort na het jubileumjaar 1968 waarin hoopvol naar de toekomst werd gekeken. A vraagt zich af hoe het zover was kunnen komen. Alles start na WO II toen de uitgeverij een overeenkomst aanging met Willem van Hoeve, een Nederlandse uitgever gespecialiseerd in boekenexport naar Indonesië. Toen Van Hoeve in de problemen kwam, verkocht hij in 1964 zijn bedrijf aan Van Goor. Deze firma was vanaf 1952 in handen van Piet van Veen die zich toelegde op de overname van verschillende bedrijven en Elzevier en Kluwer naar de kroon wou steken: boeken uitgeven werd big business. Aangezien Van Hoeve ook 51% van de aandelen van Manteau bezat, had de verkoop ook verstrekkende gevolgen voor de uitgeverij: in 1965 werd Manteau een dochteronderneming van Van Goor. Na een aandelenruil – Van Veen wilde de 49% aandelen van Angèle Manteau ook in handen krijgen – werd Manteau volledig overgenomen door Van Goor. Alhoewel de overname onder een goed gesternte was gestart, voelde Angèle Manteau zich eind de jaren ’60 ondergewaardeerd in het concern en stapte zij in 1971 naar Elzevier over. [JH]


3853– Kevin ABSILLIS, Revolutionair, gedurfd en ongewoon'?: de Vijfde Meridiaan-reeks van uitgeverij Manteau (1968-1971) in Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 116, 2006, 1, p. 97-115.
In 1968, in volle revolutieperiode, lanceerde Manteau de "Vijfde Meridiaan-reeks", verwijzend naar Amsterdam en Brussel die op diezelfde meridiaan liggen. A stelt zich de vraag hoe het komt dat Julien Weverbergh, die eerder zoveel bijtende kritiek publiceerde op de Manteau-auteurs als Teirlinck, Lampo, Daisne, e.a. aangezocht werd om de redactie van deze reeks op zich te nemen. Hij vermoedt dat het niet alleen was om door inlijving de kritiek van Weverbergh te smoren, maar ook om het imago van Manteau te verbeteren. De uitgeverij leek oubollig en stoffig tussen De Bezige Bij en Nijgh & Van Ditmar, die reeds vroeg jonge auteurs hadden gepubliceerd, en Vlaamse avant-gardische uitgeverijtjes zoals Paradox-Press en De Galge. In feite was Manteau niet oubollig, maar de fondsvernieuwing (Jeroen Brouwers, Pjeeroo Roobjee) kreeg te weinig aandacht, en daar moest Weverbergh voor zorgen. Daarbij werd ook gezorgd voor een stijlbreuk in de vormgeving, zoals de omslag van de paperback en het gebruik van een ondertitel voor de werken in de reeks. De reeks was echter geen succes: o.a. de gebrekkige samenhang binnen de reeks werd door de pers onder vuur genomen. [JH]


3854– Boris ROUSSEEUW, "Ik vertrek nu!": een persoonlijke geschiedenis van antiquariaat De Librije (1984-2006) in De boekenwereld, 23, 2007, 4, p. 215-222.
In 1984 stichtte Rousseeuw samen met zijn achterneef Emile Verdickt en met kapitaal van de havenbaron Roger Lorson aan de Prinsstraat in de Antwerpse studentenbuurt het antiquariaat De Librije. Wat later kreeg het duo de hulp van de gepensioneerde apotheker Miel Hoet. De zaak draaide spoedig niet onaardig, omdat ze voorzag in een behoefte nadat begin jaren 1980 om diverse redenen enkele Antwerpse antiquariaten waren verdwenen. In 1988 verhuisde De Librije naar de Gierstraat in de omgeving van De Groenplaats. Niet lang na het overlijden van Lorson in 1988 nam Rousseeuw ontslag, omdat hij steeds vaker van mening verschilde met Verdickt en omdat de zaak hem onvoldoende toekomstperspectief scheen te waarborgen. Emile Verdickt zette de zaak voort op verschillende adressen tot zijn overlijden in 2005. Deze bijdrage is inderdaad een ‘persoonlijk geschiedenis.’ Het good old days-sfeertje charmeert wel, maar het portret van Miel Hoet (die kennelijk sigaren in oude drukken doofde) heeft vaagweg iets van een afrekening. [KA]


3855– Boris ROUSSEEUW, "Eigenlijk was het maar een hobby": het Antwerpse antiquariaat M.L. Vanherck (1970-1998) in De boekenwereld, 24, 2007, 2, p. 89-94.
In 1977 opende René De Ruyter aan de Hoogstraat in Antwerpen Boek- en Prentenantiquariaat M.L. Vanherck (hij gebruikte om fiscale redenen de naam van zijn partner). Rousseeuw beschrijft de opkomst en ondergang van deze zaak, die volgens hem nooit echt hoge toppen heeft geschoren, maar door de bescheiden en rustige houding van De Ruyter – hij beschouwde zijn antiquariaatsactiviteiten als een hobby – finaal toch een niet onaardig palmares kon voorleggen. Bevat net als het hoger besproken artikel van Rousseeuw (zie nr. 3854) ook persoonlijke anekdoten. [KA]


3856– Piet BUIJNSTERS, Jos Goudswaard (1870-1959), leurder en verzamelaar in De parelduiker, 12, 2007, 4, p. 25-37.
Biografische schets van Jos Goudswaard, een uit Nederland afkomstige boekventer die in Vlaanderen titels uit de fondsen van o.a. De Nederlandsche Boekhandel, Elsevier en Veen aanbood en in die rol contact heeft gehad met menig letterkundige. Goudswaard stelde zijn ervaringen als colporteur te boek in Uit ’t leven van een leurder (1915). Buijnsters heeft niet alleen aandacht voor de verkoopsactiviteiten van Goudswaard, maar ook voor zijn grote volkskundige belangstelling. De leurder verkocht namelijk niet alleen boeken, hij kocht en verzamelde ook Vlaamse heiligenprentjes, schilden, kinderboeken, folkloristische hebbedingen, enzovoort. [KA]


3857– G. VAN DER LIST, Meer dan een weekblad: de geschiedenis van Elsevier. – Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker, 2005. – 292 p. – ISBN 978-90-3512-874-5.
Vlot verteerbaar, journalistiek relaas over de geschiedenis van Elseviers Weekblad, het behoudsgezinde, rechts-liberale periodiek dat na de Tweede Wereldoorlog door Elsevier-directeur Ted Klautz en Henk Lunshof werd opgericht en mede dankzij de medewerking van journalisten en schrijvers als Godfried Bomans, Maurice Roelants, Anton van Duinkerken, Michel van der Plas en G.B.J. Hiltermann uitgroeide tot een van de toonaangevende stemmen in Nederland. Het boek steunt hoofdzakelijk op een vijftigtal interviews met betrokkenen, volgens Van der List omdat er nauwelijks ‘sporen uit het verleden’ bewaard zijn. Toch is het moeilijk voorstelbaar dat het indrukwekkend omvangrijke (maar nauwelijks geïnventariseerde) Elsevierarchief dat zich in het Amsterdamse Gemeentearchief bevindt en waar de auteur geen melding van maakt, geen enkele bruikbare bron meer zou bevatten. Van der List, die zelf redacteur is van Elsevier, karakteriseert zijn onderzoek als een vorm van oral history. In het licht van Van der Lists tamelijk irritante belustheid op de betere toogpraat – over directielid Piet van Eck komen we bijvoorbeeld te weten dat hij zijn secretaresses ‘op hun rondingen’ aannam (p. 105) – is het gebruik van dat begrip toch veeleer eufemistisch te interpreteren. [KA]


3858– R. FAYT, Un oublié de nos lettres: Paul Gérardy in Le livre et l'estampe, 50, 2005, 163, p. 157-189.
Informatief portret van de volgens de auteur ten onrechte vergeten Belgisch-Franstalige dichter, schrijver en journalist Paul Gérardy (1870-1933), wiens dubbelzinnige reputatie ooit steunde op het destijds schandaalwekkende pamflet Carnets du roi (1903). [KA]


3859– Pedro MONAVILLE, "Conseils aux partants": une lecture politique des manuels d'hygiène coloniale publiés en Belgique (1895-1950) in Belgisch tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, 36, 2006, 1-2, p. 97-125.
Artikel gewijd aan de als vademecum opgevatte publicaties die Belgen moesten helpen bij de voorbereiding van een verblijf in hun tropische kolonie door op bevattelijke wijze richtlijnen inzake gezondheid en hygiëne te formuleren. In de bijdrage wordt gefocust op de wijze waarop het discours van deze boekjes de koloniale ideologie legitimeerde. Bijzondere aandacht is er voor de Belgische antropoloog Jean-Marie Habig, auteur van o.a. Enseignement médical pour coloniaux (1944) en Initiation à l’Afrique (1948). [KA]


3860– Yves T' SJOEN, Maurice Roelants, vasthoudend uitgever van Richard Minne: drie vroege plannen, op het eind van en kort na de Eerste Wereldoorlog, voor een uitgave van Richard Minnes dichtbundel Den Zoeten Inval in ZL: literair-historisch tijdschrift, 5, 2005, 5, p. 28-45.
Minder dan een gestructureerd verhaal is dit artikel een reeks aantekeningen over de diverse pogingen van Maurice Roelants om (In) Den Zoeten Inval van Richard Minne uit te geven, die deels gebaseerd zijn op een tekstgenetische studie van de dichtbundel. Aanvankelijk had Den Zoeten Inval moeten verschijnen bij De Nieuwe Boekhandel, een uitgeverij en boekhandel die Roelants in 1915 in volle oorlogstijd had opgericht. In 1923 is er even sprake van dat Minnes gedichten zouden verschijnen in een nooit van de grond gekomen ’t Fonteintje-fonds. (’t Fonteintje was het tijdschrift waarin Roelants, Minne en voorts Raymond Herreman en Karel Leroux begin jaren 1920 voor het voetlicht traden.) Uiteindelijk zouden Roelants en Herreman In den Zoeten Inval (sic) in 1927 uitgeven, nadat een eerste poging van Herreman alleen, in 1926, in de mist was gegaan. De ontknoping van dit artikel is nogal lapidair. [KA]


3861– Yves T’SJOEN, Klassieke reeksen en klassiekenreeksen: bij wijze van inleiding in Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 116, 2006, 1, p. 3-7.
Inleiding bij de tot essays omgewerkte bijdragen die op 13 april 2005 werden gepresenteerd op een in de KANTL georganiseerde studiedag over ‘klassieke reeksen’ (reeksen die ooit verschenen en intussen in de literatuurhistoriografie klassieke status genieten) en ‘klassiekenreeksen’ (reeksen die zijn samengesteld uit gecanoniseerde teksten). T’Sjoen geeft enkele relevante tendensen aan in de literatuurwetenschap en boekwetenschap die voor de bestudering van het reeks-concept relevant kunnen zijn. [KA]


3862– Sébastien BAUDART, Strips in de Belgische dagbladpers, 1945-1950: aspecten van het publicatiebeleid en van de politiek-maatschappelijke inhoud in Belgisch tijdschrift voor nieuwste geschiedenis, 35, 2005, 1, p. 53-97.
In deze samenvatting van zijn licentiaatsverhandeling Stripverhalen in de Belgische dagbladpers 1945-1950, inventaris en politiek-maatschappelijke analyse (Vrije Universiteit Brussel, Departement Geschiedenis, 2003) biedt Baudart een overzicht van de strips (of tekenverhalen) die diverse Belgische dagbladen (Frans- en Nederlandstalige) opnamen in de onmiddellijke naoorlogse jaren. Naast nogal wat kwantificerend materiaal (stripstroken per krant, verhouding Belgische versus buitenlandse tekenaars e.d.) bevat dit artikel een bespreking van de manieren waarop politieke hangijzers zoals de repressie, de koningskwestie en de Koude Oorlog in strips werden behandeld. De conclusie luidt dat strips voor kranten vanwege hun door de lezers zeer gewaardeerde entertainmentgehalte een belangrijk promotioneel nut hadden en voorts doorgaans min of meer de politieke lijn van de hoofdredactie volgden. [KA]


Onbepaald