Back to top

Kroniek 2008-2010

Met deze aflevering heeft de Kroniek zijn achterstand ingelopen. De notities behandelen publicaties met betrekking tot het gedrukte boek in België tot 2000, uitgegeven van 2008 tot en met 2010.
Na de rubriek ‘Algemeenheden’ zijn de notities chronologisch gerangschikt en gegroepeerd per thema of onderwerp (met het trefwoord in vetjes): 1. Literatuurbericht en Vakwoordenboeken; 2. Bibliografie (methodologie en repertoria); 3. Drukmateriaal; 4. Zetten en drukken; 5. Drukkers, steden, regio’s; 6. Boekversiering en – illustratie; 7. Boekband; 8 Bibliotheken en Bibliofilie; 9. Boekhandel en Uitgeverij; 10. Onderwerpen.
Lezers worden van harte uitgenodigd om hun suggesties aan de redactie te bezorgen.


3863– Kevin ABSILLIS, In de schaduw van Plantin. Hoe Vlaanderen zich de moderniteit ontzegde in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 2, p. 119-131.
De invloed van de boekdrukkunst is een vast gegeven voor de ontwikkeling van de westerse ‘moderniteit’ en leidde mee tot de ‘Verlichting’. A. pleit voor een ernstig historisch en niet ideologisch geconditioneerd onderzoek naar de realiteit van drukken en uitgeven in Vlaanderen tijdens de negentiende en twintigste eeuw. [MdS]

 


3864– Frans A. JANSSEN, Goud en koper in de boekenwereld. – Amsterdam: Bakker, 2008. – 255 p.: ill.; 24 cm. – ISBN 978-90-351-3129-3.
Gebundelde opstellen van dé Amsterdamse boekenkenner Frans Janssen. Hoewel niet toegespitst op de Zuidelijke Nederlanden, zijn de opstellen meer dan lezenswaard omwille van de trefzekere eruditie en de heldere, soepele stijl van de meester. Met zijn oog voor letters en vormgeving wijst hij de lezer de weg in het labyrint van de boekgeschiedenis. Voor absolute beginners én voor kenners. [MdS]


3865– Jan BOS & J.A. GRUYS, Veertig jaar STCN 1969-2009 in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 16, 2009, p. 9-36; Rémi MATHIS, The STCN in a global perspective in Id. p. 37-44; Piet VERKRUIJSSE, Waslijstjes en wenslijstjes. Zwarte gaten in de Nederlandse retrospectieve bibliografie in Id. p. 45-51; Marja SMOLENAARS, Bronnen over de grens. Wat kunnen de STCN en (nationale) bibliografieën voor elkaar betekenen? in Id. p. 53-62; Marieke van DELFT, Kwantitatief onderzoek op basis van de STCN: mogelijkheden en aandachtspunten in Id. p. 63-80.
De aangekondigde ‘voltooiing’ van de STCN in 2009 was de aanleiding tot een reeks boeiende beschouwingen over ‘nationale bibliografie’, de wereldwijde verspreiding van Nederlands drukwerk, ‘zwarte gaten’ in het onderzoek, de zin van auteurs- en genrebibliografieën enz. Occasioneel wordt de STCV hierbij vermeld, maar een systematische vergelijking is niet doorgevoerd. Leerzaam is dit alles wel, maar niet echt hoopgevend – de middelen zijn op en bibliotheken hebben nog vele andere noden… [MdS]


3866– Christoph RESKE, Die Buchdrucker des 16. und 17. Jahrhunderts im deutschen Sprachgebiet. Auf der Grundlage des gleichnamigen Werkes von Josef Benzing. – Wiesbaden: Otto Harrassowitz, 2007, xxxii+1090 p. – (Beiträge zum Buch- und Bibliothekswesen, 51). – ISBN 978-3-447-05450-8.
Geen aanvulling op Benzings pioniersarbeid, maar een nieuw werk, waarin het onderzoek van de laatste decennia is verwerkt. Hoewel niet handelend over drukkers uit de Nederlanden, toch onmisbaar voor wie de contacten met het Duitse boekenvak uit de behandelde periode wil onderzoeken: Emden, Frankfurt (beurs), Keulen enz. [MdS]


3867– André J. GEURTS, The Belgian-Dutch Bindings Society (Belgisch-Nederlands Bandengenootschap): goals, achievements, and current projects in Anne Margreet W. As-Vijvers, Jos. M.M. Hermans & Gerda C. Huisman (eds.), Manuscript studies in the Low Countries. Proceedings of the "Groninger Codicologendagen" in Friesland, 2002. – Groningen/Leeuwarden: Egbert Forsten/Fryske Akademy, 2008, p. 272-82. – (Boekhistorische reeks, III). – ISBN 978-90-6980-144-5.
Overzicht van ontstaan, doelstellingen, realisaties en lopende projecten van het Belgisch-Nederlands Bandengenootchap. [EC-I]


3868Gentse boekerijen. Curatoren: Gerda Dendooven en Gert Dooreman. – Antwerpen: VVBAD, 2009. – 96 p.: ill.; 24 cm. – ISBN 978-90-7267-900-0.
In het kader van het project "Boeken om naar te kijken" werd in 2009 de tentoonstelling "Gentse boekerijen" opzet. De bijhorende catalogus werd vormgegeven door Gert Dooreman, de inleidende beschouwing bij de boeken werd geschreven door Gerda Dendooven. Deze catalogus heeft geen enkele wetenschappelijke bedoeling, maar voor elke rechtgeaarde bibliofiel is dit boek wel echt genieten. Uit twintig Gentse bibliotheken hebben de curatoren de vreemde, gevaarlijke, grappige, kleine en grote, enz. boeken, tijdschriften, prenten, enz. gehaald en die gepresenteerd op een tentoonstelling. De lijst van de getoonde stukken, die behalve opvallend te zijn, ook de specificiteit van de bibliotheekcollectie moest weerspiegelen, bevindt zich achteraan de catalogus. De catalogus zelf bestaat uit een korte omschrijving (met praktische gegevens!), een foto van de bibliotheek en een aantal afbeeldingen van stukken met een korte toelichting. Een must voor al wie van boeken wil genieten, zonder bookish te zijn. [JH]


3869– Francine de NAVE, "Van Plantijnse werkbibliotheek tot UNESCO-Werelderfgoed.". Beknopte presentatie van de bibliotheek van het Museum Plantin-Moretus/Prentenkabinet UNESCO-Werelderfgoed in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 189-193.
De erkenning van het Museum Plantin-Moretus tot Unesco-Werelderfgoed straalt ook af op de belangrijke (familie)bibliotheek. [MdS]


3870– Dirk IMHOF, Aanwinsten van oude drukken voor het Museum Plantin-Moretus in 2007 [-2009] in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 195-199; 87, 2009, 2, p. 111-116; 88, 2010, 2, p. 159-163.
Systematisch screenen van antiquariaats- en veilingcatalogi levert nog steeds verrassende aanwinsten op voor de bibliotheek van het Museum Plantin-Moretus én voor de bibliografie van Plantijn en diens opvolgers. [MdS]


3871– Leo EGGHE & Goran PROOT, The estimation of the number of lost multi-copy documents: a new type of informetrics theory in Journal of Infometrics, 1, 2007, 4, p. 257-268; Goran PROOT & Leo EGGHE, Estimating Editions on the Basis of Survivals: Printed Programmes of Jesuit Plays in the Provincia Flandro-Belgica before 1773, with a Note on the "Book Historical Law" in The Papers of the Bibliographical Society of America, 102, 2008, 2, p. 149-174.
Van de ca. 1070 gedocumenteerde programma’s met Jezuïetentoneel uit de Zuidelijke Nederlanden zijn er nog 804 bewaard. Maar hoeveel zijn er ooit geweest, en hoeveel nu verloren? De auteurs hebben een wiskundig model ontwikkeld om dat te berekenen. Hun besluit: rekening houdend met een aantal randvoorwaarden is het wel degelijk mogelijk op basis van het aantal bewaarde exemplaren vrij nauwkeurig te schatten hoeveel edities er zouden zijn geweest. Genre is daarbij determinerend. Tevens verfijnen zij de boekhistorische "wet" ("in hoe groter aantal gedrukt, in hoe kleiner aantallen bewaard"). Belangrijk voor wie zich aan oplagestatistieken zou wagen. [MdS]


3872– Kevin ABSILLIS, Voorbij het aperitief: een overzicht van het wetenschappelijk onderzoek naar uitgeverijen in Nederland en Vlaanderen in Sascha Bru en Anneleen Masschelein (red.), Tijding en tendens: literatuurwetenschap in de Nederlanden. – Gent: Academia Press, 2009, p. 91-115. – ISBN 978-90-382-1502-0
Pittig geschreven overzicht van de stand van zaken m.b.t. uitgeverijgeschiedenis in Vlaanderen en Nederland. Met veel aandacht voor de literatuursociologische aanpak vanuit Tilburg (Frank de Glas) en de opvattingen van P. Bourdieu. Uitvoerige bibliografie. [MdS]


3873– Chris COPPENS, An album amicorum as a source of provenance in Bibliologia. An International Journal of Bibliography, Library Science, History of Typography and the Book, 5, 2010, p. 107-125.
Alba amicorum zijn in de eerste plaats autografencollecties en dus handschriften. Niet genoeg bekend is dat vooral zestiende-eeuwse alba ontstonden als doorschoten exemplaren van embleemboeken en aanverwante drukken. Zo’n album bewaart nu dus ook een druk. Wie exemplaren opspoort moet er dus ook aan denken in handschriftenverzamelingen te kijken. Bovendien is zo’n album een wel heel persoonlijk exemplaar uit de bibliotheek van de eigenaar. C. toont dit overtuigend aan met het album van de Antwerpenaar Dominicus Wagemakers. Hij was een kleinzoon van de architecten van de kathedraal en trouwde met de kleindochter van Pieter Gillis, de vriend van Erasmus en Thomas More... Wagemakers album (nu in de Houghton Library van Harvard) is zo’n doorschoten exemplaar van een Alciato-uitgave (Parijs: Wechel, 1542). Het daarin gedocumenteerde netwerk is ook gerelateerd aan zijn bibliotheek, waarover C. al eerder schreef. Het toont ons de intieme wereld van het boek in zestiende-eeuwse vriendenrelaties. Een voorbeeldige, fijne bijdrage over boek en mens. [MdS]


3874– Willem HEIJTING, De denkende huisvrouw: gedrags-, huishoud- en kookboeken uit twee eeuwen in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen, 2008, p. 155-210.
Vakkundige inleiding tot hedendaags verzamelen van etiquette- en kookboeken uit de Nederlanden. [MdS]


3875– Anneke VAN DEN BERGH, Volkomene muziek. Problemen en oplossingen in de muziekdruk in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 2007, 2008, p. 121-139.
B. geeft een historisch overzicht van de muziektypografie, meerbepaald van het probleem van het drukken van muzieknoten. De oudste muziekdrukken gebruikten houtsneden, waarop de snijder vrije hand had. Nog in de incunabelperiode waren er verschillende experimenten, waarbij gebruik werd gemaakt van twee drukgangen, een voor de notenbalken en een voor de noten. Men bleef echter zoeken naar een manier om muziek te zetten met losse loden letters, want de houtsnede bleef een erg dure techniek (B. spreekt hier vreemd genoeg ook over het gebruik van houtgravures, een techniek die pas vanaf het einde van de achttiende ontwikkeld werd). De eerste succesvolle muziekdrukken met losse noten kwamen van de persen van Pierre Attaingnant. Hij gebruikte een enorme voorraad lettermateriaal waarbij alle mogelijke combinaties voorkwamen. Dat deze succesvolle werkwijze ook door Plantin, Phalesius en andere belangrijke muziekdrukkers uit de Zuidelijke Nederlanden gebruikt werd blijkt niet uit het artikel. Wel wordt de Haarlemse muziekfirma van Hulkenroy belicht. B. merkt op dat het systeem van Attaingnant vooral werd gebruikt voor liedboeken; of ze het dan heeft over wereldse of geestelijke liedboeken is niet duidelijk, en welke andere drukwijzen er dan voor welke andere genres gebruikt worden, daar hebben we het raden naar.
Het systeem met de losse noten was handig voor de eenvoudige melodieën van (wereldse en geestelijke?) liedboeken, maar veel minder geschikt voor de ingewikkelde partituren met harmonieën (= meerdere noten op hetzelfde loden blokje) die vanaf de 17de eeuw ontstonden. Voor deze composities werden kopergravures gebruikt, een oplossing die vergelijkbaar is met de oudere houtsneden, en die dezelfde voor- en nadelen heeft: flexibel, maar duur. Het resultaat oogt wel veel fraaier, en dat is ook in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijk verkoopsargument. B. weet duidelijk niet zoveel van kopergravures, want ze meent onder andere dat een fout op een gegraveerde plaat betekende dat men helemaal opnieuw moest beginnen.
De eerste die op het idee kwam om de methode van Attaingnant verder te verfijnen, was de Belgische letterontwerper J.F. Rosart (1714-1774). B. had kunnen profiteren van de uitstekende biografische nota's over deze letterontwerper in F. Baudin & N. Hoeflake, The type specimen of Jean-François Rosart, Brussels 1768 (Amsterdam, 1973) maar kende het boek blijkbaar niet en gebruikt slechts de beperkte Fonderies de caractères van C. Enschedé (Haarlem, 1908). Bovendien verwijst meer dan de helft van haar voetnoten naar het overzichtsartikel over muziektypografie in de New Grove dictionary of music and musicians. Rosart ontleedde de muzieknoten voor zijn stempels tot hun kleinste eenheid, die vervolgens met elkaar gecombineerd konden worden voor het gieten. De notenbalken werden apart gedrukt, wat mooi aansluitende lijnen opleverde en de mogelijkheid gaf om noten verticaal te positioneren. Rosart was niet de enige die in deze periode aan het experimenteren ging: ook de Duitser Johann Breitkopf, telg van een belangrijke familie van muziekuitgevers, kwam met een verfijning van het notenschrift van Attaingnant, waarbij een enkele noot zelfs uit verschillende onderdelen bestond. De werklast van de zetter werd daardoor bijzonder zwaar. Toen Johannes Enschedé het resultaat van Breitkopf onder ogen kreeg, bestelde hij bij zijn stempelsnijder Fleischman een gelijkaardig systeem. Fleischman (die tussen haakjes waarschijnlijk kon profiteren van het systeem van Rosart) slaagde erin om aanzienlijke verbeteringen door te voeren; Enschedé noemde het type in zijn letterproef dan ook 'volkomene muziek'. De letter was echter niet te koop, om het beroepsgeheim te bewaren. Hoe fraai het resultaat ook was (ook Leopold Mozart was erdoor in de wolken), het zetten was te arbeidsintensief en de letter raakte in onbruik. Na 1815 werd hij nog wel gebruikt... om de waardepapieren van de Nederlandsche Bank te merken!
Elders in Europa zouden muziekuitgevers wel gelijkaardige systemen blijven gebruiken, naast kopergravures, stereotypie en (bijzonder succesvol) lithografie. Het artikel besluit met een zeer korte blik op de hedendaagse, computergestuurde drukmethoden. [SVI]


3876– Bart STROOBANTS & Wim HÜSKEN (redactie), Gedrukte Stad. Drukken in en voor Mechelen 1581-1800. – Brugge/Mechelen: Van de Wiele/Stedelijke Musea, 2010. – 129 p.: ill.; 27 cm. – ISBN 978-90-76297-46-0.
Met de verwerking van de "Mechelse Bibliotheek" (op het Stadsarchief) door de STCV was het mogelijk om een vrij nauwkeurig overzicht te krijgen van wat er in de stad was gedrukt. Hoewel Mechelen hofstad was (geweest), zetel van een aartsbisdom en van de Grote Raad (een hooggerechtshof) heeft de stad zich nooit echt ontwikkeld tot een drukkerscentrum. De geleerdheid ging naar Antwerpen en Leuven, overheidsdrukwerk naar Brussel, devotie en literatuur naar Antwerpen en Brussel. Met een (tijdelijke) tentoonstelling en een (blijvende) publicatie werd het boekenleven in een kleine(re) stad mooi belicht. Diederik Lanoye belicht in "Daer hy wat van te seggen weet, daer syn myn letters toe gereet: Mechelse drukkers en Mechelse drukken tijdens het ancien régime" (p. 14-51). Goran Proot behandelt met " Den zelven boekverkooper verkoopt alle soorten van kerk-boeken: boekdistributie en boekconsumptie in Mechelen vóór 1800" (p. 52-85). Willy van de Vijver overschouwt in "Die letterschatten bleven verborgen voor de burgers: 250 jaar boeken verzamelen voor de stad: van stadsbibliotheek tot erfgoedbibliotheek (1760-2010) (p. 86-117). Een geslaagd initiatief dat hopelijk navolging krijgt in andere steden. [MdS]


3877– Diederik LANOYE, De Mechelse drukpers voor 1800 in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 16, 2009, p. 131-150.
De beschrijving van de drukken uit het Stadsarchief Mechelen voor de STCV maakte deze synthetische schets mogelijk. Het aantal reeds in de STCV aanwezige edities (101) steeg tot 824. De Mechelse verzamelarbeid wierp haar vruchten af. L. beschrijft de voornaamste drukkers en de in Mechelen aan bod komende genres. Hij wijst op de concurrentie van het grote Antwerpen en het geleerde Leuven. Ook Brusselse uitgevers zorgden voor uitgaven van Mechelse auteurs. [MdS]


3878– Staf THOMAS, Drukkers, boekverkopers en papiermakers in Tienen in Geletterd Hageland. 30 jaar aanwinsten voor het Hagelands Historisch Documentatiecentrum. – Tienen: Erfgoedsite Tienen, 2008, p. 11-38.
Er was totnogtoe heel weinig bekend over de boekdrukkunst in Tienen. Deze stad was eigenlijk altijd al aangewezen op het nabije Leuven of op de hoofdstad Brussel om werken te publiceren. Aan de hand van aanwinsten uit dertig jaar gericht verzamelen én van naspeuringen in het stadsarchief brengt A een eerste synthese van het onderwerp. Daaruit blijkt Leonard Fauconier vermoedelijk de eerste Tiense drukker was, en dat vanaf 1792. In 1910 waren er elf actieve drukkers en vijftien papierleveranciers actief. Nuttig overzicht, met bronverwijzingen. Een aantal drukken uit die periode, evenals drukken met werk van Tiense auteurs of over Tiense onderwerpen, worden uitvoerig toegelicht in het catalogusgedeelte (p. 83-214). [MdS]


3879– Yann SORDET (dir.), Passeurs de textes. [2] Imprimeurs, éditeurs et lecteurs humanistes dans les collections de la Bibliothèque Sainte-Geneviève. Exposition conçue et réalisée par la Bibliothèque Sainte-Geneviève, catalogue publié avec la collaboration de la Maison d'Erasme. – Turnhout/Anderlecht [Bruxelles]: Brepols/Musée de la Maison d'Érasme, 2009. – 209 p.: ill.; 25 cm. (Nugae humanisticae sub signo Erasmi, 11). – ISBN 978-2-503-53117-5.
Boeiende tentoonstelling over drukkers als ‘doorgeefluik’ van teksten en over humanisten als lezers, gebaseerd op de rijke collectie van de Bibliothèque Sainte-Geneviève. Treden onder meer op: Erasmus als tekstbezorger van Griekse auteurs, J. Badius als wetenschappelijk uitgever, Jacobus Pamelius als ‘redder’ van Tertullianus. [MdS]


3880– Alfons K.L. THIJS, Drukvormen voor mannekensbladen van Brepols & Dierchx zoon (Turnhout): een gebruikstraject van volkscultureel erfgoed gereconstrueerd in Volkskunde, 108, 2007, 4, p. 273-293.
Boeiende studie van het (her)gebruik van door E. van Heurck aan het Antwerpse Museum van Folklore geschonken houten drukvormen voor mannekensbladen. Van Heurck had contractueel bedongen dat hij alleen die vormen mocht gebruiken voor bibliofiele edities. Later benutte Victor de Meyere ze als illustraties in zijn studies over de geschiedenis van de volksprent. [MdS]


3881– Jean LOWIES, Les Mommaert, une famille d'imprimeurs et d'éditeurs aux 16e et 17e siècles in Ucclensia. Cercle d'histoire d'archéologie et de folklore d'Uccle et environs, 227, 2009, p. 14-21.
Voornamelijk genealogisch artikel over de drukkersfamilie Mommaert met aandacht voor ambten in de Brusselse gemeenteraad en gronden in het Brusselse. De familie Mommaert is via het huwelijk van Barbara Mommaert met Henri Fricx verbonden met die andere belangrijke Brusselse drukkersfamilie. De schatting van de productiecijfers van Jan I, zijn weduwe en Jan II werd gedaan op basis van het bezit van de KB. [JH]


3882– Dorrit van CAMP, Onbekend maakt onbemind. Het archief van verwanten van de familie Moretus, in het bijzonder de familie Schilders in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 1, p. 65-83.
Met het huwelijk van Theresia Mechtildis Schilders (1696-1726) en Joannes Jacobus Moretus (1690-1757) kwam het omvangrijke familie-archief Schilders (en aanverwanten als De Labistraete) in het reeds gigantische Moretusarchief terecht. A. heeft het nu op orde gebracht en goed gepresenteerd. [MdS]


3883– Stijn VAN ROSSEM, Books and the City. The urban networks of the Verdussen family (1585-1700) in Renaud Adam, Ann Kelders, Claude Sorgeloos & David J. Shaw (eds.), Urban networks and the printing trade in Early Modern Europe (15th-18th century). Paper presented on 6 November 2009, at the CERL Seminar hosted by the Royal Library of Belgium, Brussels. – London: Consortium of European Research Libraries, 2010, p. 39-52. (CERL Papers 10). – ISBN 978-0-9541535-9-5.
De Verdussendynastie is er in geslaagd met een succesrijke bedrijfsstrategie twee eeuwen een vooraanstaande rol te spelen in de uitgeverswereld van de Zuidelijke Nederlanden. Een doordachte filialisering en specialisatie voorkwam versplintering van het familiekapitaal en versterkte de positie tegenover de concurrentie. Goed getimede lucratieve samenwerkingsverbanden maakten het mogelijk om ook grotere projecten uit te voeren. Heldere synthese, met methodologische meerwaarde. [MdS]


3884– Jean DOFFE, De familie Vervliet, boekhandelaars en drukkers te Antwerpen en Valenciennes in Vlaamse stam, 44, 2008, p. 43-47.
Van Daniel Vervliet (actief Antwerpen 1564-1610) tot Jan Vervliet (Valenciennes 1604-1641). In hoofdzaak gebaseerd op de notitie in A. Rouzet (Dictionnaire des imprimeurs, 1975), aangevuld met enkele archivalia uit Valenciennes. De lijst van publicaties is hopeloos onvolledig omdat de auteur de bibliografie niet kent: geen Belgica Typographica en evenmin de repertoria van A. Labarre. [MdS]


3885– René DE HERDT (eindred.), Armand Heins. Etser, lithograaf en drukker. De technische wereld van een kunstenaar. – Gent: VIATvzw, 2009. – 270 p.: ill.; 27 cm. – ISBN 978-90-808-8535-6.
Het MIAT is Gent bezit een mooie collectie drukmachines uit de 19de eeuw. Deze verzameling vormt de stimulans om de Gentse drukkerswereld te verkennen en in kaart te brengen. Armand Heins (1856-1938) was een kunstenaar/drukker, markant voor de Gentse drukkerswereld van zijn tijd. Zijn vader Nicolas Heins was zelfstandig drukker-lithograaf in de Brabantstraat te Gent. Na zijn studies aan de Gentse academie en een reis naar Italië, wordt hij kunstenaar en raakt hij bevriend, niet alleen met Van Rysselberghe, Delvin en andere kunstenaars, maar ook met de beau monde van zijn tijd (F. Scribe, baron Verhaegen, baron de Pelichy). Hij maakt niet alleen schilderijen, maar ontwerpt ook illustraties, uitnodigingen enz. In 1908, na de dood van zijn vader, bestuurt hij de drukkerij, iets wat hem niet echt bevalt. Wanneer de bezetter in 1917 de persen en het ander materieel opeist, valt het doek over de drukkerij Maison Heins. Voor hij zich terugtrekt op het platteland, wordt hij in de jaren ’20 conservator van het Museum van Sierkunsten (nu: Design Museum). Dit museum dat in 1923 werd opengesteld, kende reeds een lange voorgeschiedenis die in 1903 was begonnen onder auspiciën van de Union de arts industriels et décoratifs.
In de catalogus volgt na de biografische schets een overzicht van het lithografisch werk van Heins, alsook van zijn etsen, alle van de hand van Alex Deseyne. Eddy Levis heeft het over het gelegenheidsdrukwerk, M.C. Laleman over de archeologische studies, L. Daenens over het museum van sierkunsten (toen: Musée de modèles) en Frank Huygens over de bibliotheek van dit museum.
In dit laatste artikel komt behalve de organisatie van de bibliotheek ook het acquisitiebeleid beschreven. Heins had de bedoeling om een encyclopedische bibliotheek samen te stellen, maar werd daarin gehinderd – hoe kan het anders? – door een gebrek aan middelen. Zeker in de jaren voor de eerste wereldoorlog was er ruimte voor aankoop: in 1912 en 1913 werden honderd boeken aangekocht, samen met een aantal tijdschriften. De boeken kocht Heins in Brussel bij Vromant, Claesen, Van Oest en De Nobele, in Gent bij Van Goethem en De Taevernier. [JH]


3886– Anne-Marie CLAESSENS-PERÉ, Zilveren hemelsleutels: Twee eeuwen Belgische boekbandjes. Met een bijdrage van Theo CLEMENS. – Antwerpen/Deurne: Provincie Antwerpen/ Zilvermuseum Sterckshof, 2008. – 280 p.: ill.; 18, 5 x 13, 5 cm. (Sterckshof Studies, 36). – ISBN 9789066251083. € 24, 95.
Tentoonstelling van een deel van de collectie kerkboeken van de Nederlandse verzamelaar Bernard van Noordwijk in het Zilvermuseum Sterckshof in Deurne/Antwerpen: het zilver vormt immers het belangrijkste onderdeel van deze banden. Aan het in hoofdzaak Nederlandse luik werd hier een verrassend luik van Nederlands- en Franstalige katholieke kerk- en devotieboekjes uit de achttiende en negentiende eeuw uit eigen land toegevoegd, als daar zijn Christelyke onderwysingen, L’ange conducteur, Het hemels palmhof. Het overgrote deel hiervan is uit Belgische openbare en particuliere verzamelingen afkomstig. Op de tentoonstelling zelf was overigens heel veel uit de Nederlandse collectie te zien, zodat men kon vergelijken. Bovendien werd grondig onderzoek door zilverdeskundigen verricht, ook in de archieven. Stijl en versieringstechnieken krijgen aandacht. In het noorden is het meer een luxeband, in het zuiden is het beslag eenvoudiger. Het boekje is van uitstekende afbeeldingen voorzien. (Voor een bespreking zie De Gulden Passer 86 (2008) p. 230-231). [EC-I]


3887Une vie, une collection: cinq siècles d’art et d’histoire à travers le livre et sa reliure. Exposition à la Bibliotheca Wittockiana du 10 octobre 2008 au 28 février 2009. – (Dijon): Art & Métiers du livre, Éditions Faton, (2008) . – 259 p., couv.: ill.; 28, 5 x 21, 5 cm. ISBN 978-2-87844-118-5. € 60.
Publicatie naar aanleiding van de tentoonstelling die het vijfentwintig jarig bestaan van de Bibliotheca Wittockiana in Brussel luister moet bijzetten: boekbanden van de renaissance tot de eenentwintigste eeuw, van bekende en minder bekende kunstenaars, even zoveel getuigen van de gróte passie van stichter en bibliofiel Michel Wittock. Uitgangspunt was het onderzoek naar de drijfveer van de verzamelaar, vroeger en nu, bij de keuze van boek en band. (Zie bespreking in De Gulden Passer 87 (2009) p. 121-122). [EC-I]


3888– Piet BUIJNSTERS, Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie. Boek- en prentverzamelaars 1750-2010. – Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2010. – 511 p.: ill.; 25 cm. – ISBN 978-94-6004-043-6.
Eindelijk een geschiedenis van de bibliofilie in Nederland! B. beschrijft ‘klassieke’ en ‘moderne’ bibliofilie, de jacht op Costeriana en Elzeviertjes, de eerste liefhebbers van kinderboeken, van ‘modern firsts’ en ‘pressbooks’, de bewaarders van oudere Nederlandse literatuur en volksboeken, van oude vroomheid, van reizen en kaarten, en nog heel veel meer. Egodocumenten (zoals alba amicorum) blijken steeds in trek te zijn geweest. En in het land van Rembrandt is er geen gebrek aan belangstelling voor grafiek. Vanzelfsprekend komen ook enkele verwante Belgische antiquaren (Overdiep!) en verzamelaars (Henri Dirkx!) in het verhaal voor, evenals in België wonende Nederlanders. [MdS]


3889– Claude SORGELOOS, Centenaire de la Société royale des Bibliophiles et Iconophiles de Belgique (1910-2010) in Le livre & l’estampe, 56, 2010, 173-174, p. 7-20.
Kort overzicht van wat er te zien was op de tentoonstelling bij het eeuwfeest van de vereniging. [MdS]


3890– Claude SORGELOOS, Colloque de l’Association internationale de Bibliophilie (Belgique, 2010) in Le livre & l’estampe, 56, 2010, 173-174, p. 21-44.
Uitvoerig gedocumenteerd verslag van het bezoek van de internationale bibliofielenvereniging aan België in 2010. Met heel veel verwijzingen naar vaak onbekende schatten. [MdS]


3891– Claude SORGELOOS, Pérennité ou dispersion: bibliothèques privées en Hainaut in Le livre & l’estampe, 56, 2010, 173-174, p. 157-189.
Synthetisch overzicht, met veel data en referenties, van twee eeuwen particuliere collecties in Henegouwen: Bergen (Mons), Doornik (Tournai), Ath en Mariemont. Aan bod komen de stichting van publieke collecties in die steden, schenkingen van particulieren en instellingen, verkoop en veiling van verzamelingen (H. Rousselle, R. Chalon), en de soms moeizame weg naar grote schenkingen (E. Puissant, R. Warocqué). Henegouwen was een hoofdrolspeler in de geschiedenis van de Belgische bibliofilie. Een belangrijk deel van de totstandgebrachte collecties is nu voor de hele gemeenschap bewaard en toegankelijk. [MdS]


3892La bibliothèque in Monique Maillard-Luypaert (dir), Séminaire de Tournai: histoire, bâtiments, collections. Volume publié à l'occasion du bicentenaire du Séminaire épiscopal de Tournai (1808-2008), avec la collabor. de l'Institut royal du Patrimoine artistique. – Leuven: Peeters, 2008, p. 77-156. – ISBN 978-90-429-2169-6.
In 1808 nam het Grootseminarie van het Bisdom Doornik zijn intrek in de gebouwen van het voormalige Jezuïetencollege aldaar. Geen opleiding zonder boeken, en dus kwamen er in twee eeuwen vele drukken en handschriften (p. 77-130) uit de regio naar het Seminarie. Renaud Adam schrijft bondig over incunabels en postincunabels (p. 131-136), Philippe Desmette over latere drukken (p. 137-139). Boeiend is het overzicht van oude boekbanden door Annie de Coster (p. 145-150). Elders in het boek komen andere kunstvoorwerpen of archeologische objecten aan bod. Mede dankzij de inleidingen, noten, referenties en registers een handige instap voor wie over Doorniks materiaal informatie zoekt. [MdS]


3893– Ronald L. VIANE & Lucien DEBERSAQUES, Het ontstaan van de bibliotheek van de Gentse Floraliën en van het Casino aan de Coupure in Ann Van Nieuwenhuyse & Sofie De Schampheleire (red.), Geschiedenis: zijn werk, zijn leven: huldeboek René de Herdt. – Gent: MIAT, 2010, p. 347-357. – ISBN 978-90-8088-536-3.
De oprichting in Gent, in 1797, van een Centrale School mét plantentuin, was de stimulans voor een aantal Gentse bloemenkwekers en –liefhebbers om zich te verenigen. In 1808 was het zover. Een reeks tentoonstellingen zette Gent definitief op de kaart als centrum van bloementeelt en botanische kennis. Daartoe was ook documentatie (bollen, tekeningen) bijeengebracht en een gespecialiseerde bibliotheek aangelegd. De aanwezigheid in het bestuur van de grote bibliofiel Karel van Hulthem was doorslaggevend. Hij schonk boeken én boekenplanken (van zijn oude bibliotheekkasten). De collectie was al snel representatief voor het gekozen domein, met oude basiswerken als Den grooten herbarius (Antwerpen 1541) en het Florilegium van E. Sweerts (1631), maar ook met kostbare tijdschriften als The botanical cabinet (1817-1833). Helaas verslapte de aandacht na de euforie van het begin, en waren er ook veelvuldige verhuizingen. In 1906 bleek nog amper 20% van de oorspronkelijke collectie aanwezig te zijn... In de twintigste eeuw keerde het tij: de collectie werd gecatalogiseerd en door ijverige en bekwame bibliothecarissen in stand gehouden en verrijkt – floreat! [MdS]


3894– William A. KELLY, Survey of pre-1801 Low Countries Imprints in Scottish Research Libraries in Gutenberg-Jahrbuch, 82, 2007, p. 278-337; 83, 2008, p. 165-232.
Grondig overzicht van Schotse collecties met drukken uit de Nederlanden, in de lijn van B. Fabians Handbuch der historischen Buchbestände in Deutschland, Österreich und Europa. Het gaat in hoofdzaak om Latijnse en, in mindere mate, Franse drukken. Op p. 232 een (selectieve) "Index of names & subjects". [MdS]


3895– Werner THOMAS & Eddy STOLS (eds.), Een wereld op papier. Zuid-Nederlandse boeken, prenten en kaarten in het Spaanse en Portugese wereldrijk (16de-18de eeuw). – Leuven/Den Haag: Acco, 2009, p. 477. – ISBN 978-90-334-7418-7.
Belangrijke bundel die een eerste verkenning biedt van boeken uit de Nederlanden in Spanje, Portugal en hun kolonies. De twee onderdelen zijn "Zuid-Nederlands drukwerk in de gebieden van de Spaans-Portugese monarchie" (p. 23-318) en "Kennisverspreiding en collectievorming" (p. 319-440). Aan bod komen onder meer de rol van Antwerpen en de Officina Plantiniana (F. de Nave en D. Imhof), de Verdussens (S. van Rossem), de verspreiding via Portugese routes (E. Stols), drukkers en boeken in Spanje en Spaans-Amerika (W. Thomas, M. de Paz, E. González González e. a.), maar ook Zuid-Nederlandse drukken in China (N. Golvers).Voorts deelstudies over prenten, militaria (P. Lombaerde), atlassen (F. & J. Depuydt). Met een nuttige uitvoerige bibliografie, maar helaas zonder registers. [MdS].


3896– Karen L. BOWEN, Sounding out a Public's views of Pedlars with texts. A Consideration of Images of Pedlars in the Low Countries (1600-1850) in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 15, 2008, p. 93-108.
Eerste analyse van afbeeldingen van marskramers, en meer specifiek van rondreizende verkopers van drukwerk. Na een negatief begin evolueerde hun reputatie in positieve zin. Het genre verschraalde in de negentiende eeuw en bleef toen beperkt tot Driekoningenvieringen. [MdS]


3897– Harry DE KOK, Marcel GIELIS & Christophe LEBBE, ‘Dlevende woort Gods’: enkele aspecten van bijbelstudie en –lezing in Turnhout en de Kempen in Post factum (Antwerpen), 2010, 2, p. 25-86.
Over bijbelhandschriften en –drukken in de regio Turnhout: "Oude drukken in verband met de Bijbel uit het Begijnhofmuseum en het Stadsarchief" – deze wat minder bekende collectie bevat onder meer een hybride exemplaar van de Nederlandstalige bijbel van Henrick Peetersen (Antwerpen 1541) met aanvullingen uit een oudere Vorstermanbijbel (p. 38-62); "Het fonds van Brepols: twee eeuwen Bijbeluitgaven in Turnhout" (p. 63-82). [MdS]


3898– August DEN HOLLANDER, Early printed Bibles in the Low Countries (1477-1520) in W. François & A.A. den Hollander (eds.), Infant milk or hardy nourishment?: the Bible for lay people and theologians in the Early Modern Period. – Leuven: Peeters, 2009, p. 51-61 (Bibliotheca Ephemeridum Theologicarum Lovaniensium, CCXXI). – ISBN 978-90-429-2144-3.
Bondig synthetisch overzicht van de Bijbelproductie in de Nederlanden: 115 uitgaven in de periode 1477-1520. Over verschijningsvormen, uitgevers en koperspubliek. [MdS]


3899– Goran PROOT, Gebruikssporen in programmaboekjes voor het collegetoneel van de jezuïeten in de Provincia Flandro-Belgica (1575-1773) in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 15, 2008, p. 71-91.
Helder verslag van een diepgaand onderzoek naar gebruikssporen in efemeer materiaal, met name in toneelprogramma’s uit Jezuïetencolleges. Alles wijst op een intensieve omgang met het materiaal door een ruime groep betrokkenen. A. waarschuwt voor al te snelle identificaties van ‘schenkers’ van exemplaren met de ‘auteur’ van het betreffende stuk. Tevens geeft hij informatie over de ordening en samenstelling van convoluten. [MdS]


3900– Pierre-Jean FOULON, Les jeux entre l'art et le livre au Musée royal de Mariemont. Du livre illustré au livre d'artiste in Denis Laoureux (ed.), Peintres de l'encrier: le livre illustré en Belgique (XIXe-XXe siècle). Actes du colloque international organisé par le Groupe de Recherche en Art moderne de l'Université libre de Bruxelles les 6 et 7 mars 2009 in Le livre et l’estampe, 55, 2009, 171, p. 127-154.
Mariemont verzamelde in het spoor van de stichtingscollecties van R. Waroqué vooral kunstenaarsboeken (livres d’artistes). A. overloopt de diverse genres en thema’s in de collectie. [MdS]


3901– Anna DLABAČOVÁ, Drukken en publieksgroepen. Productie en receptie van gedrukte Middelnederlandse meditatieve Levens van Jezus (ca. 1479-1540) in Ons geestelijk erf, 79, 2008, 4, p. 321-360.
In een artikel van 2007 lanceerde Goudriaan de hypothese dat de drukkunst een scherpe breuk vormde met de handschriftelijke traditie in de meditatieve ‘Levens van Jezus’ en dat er binnen het gedrukte corpus een groep is die de indeling volgens de getijden volgt en één met een "epische" doorlopende structuur. Adhv drie teksten (Tractaet vanden leven ons heren Jesu Christi (Delft, 1479, geen herdrukken), Tboeck vanden leven Jhesu Christi (Antwerpen, 1487, daarna 11 herdrukken) en Dat leven ons liefs heren Jhesu Christi (Den Hem, 1497, 25 herdrukken) wordt deze hypothese onderzocht en bevestigd. Zo blijkt dat de twee laatste teksten omzeggens niet handschriftelijk werden verspreid, en dikwijls werden herdrukt, terwijl het Tractaet ruim in handschrift werd verspreid, en niet werd herdrukt. Het Tractaet levert geen informatie omtrent de lezers, de beide andere doen dat wel. Daaruit blijkt dat Tboeck vooral door mannelijke lezers werd gehanteerd, Dat leven door vrouwelijke. Bijlage 1 bevat een lijst met edities van deze teksten met aanduidingen welke exemplaren werden gecollationeerd, bijlage 2 de editie van de prologen, bijlage 3 een overzicht van de middeleeuwse bezitters en bijlage 4 de vergelijking tussen de inhoud van Dat leven en de getijden. Er is ook een uitgebreid overzicht van de geraadpleegde literatuur. [JH]


3902– Timothy DE PAEPE, "Opera op de Antwerpse drukpers". Een commercieel interessante onderneming tussen 1682-1714 in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 43-60.
Tussen 1682 en 1714 verschenen in Antwerpen een zestigtal operalibretti, waarin nieuwe Parijse zangspelen ook buiten Frankrijk bekend werden gemaakt. A toont overtuigend aan dat de minder bekende Antwerpse drukker Hendrick van Dunwalt hiervoor zorgde. Zijn opvolgers Bartholomeus Foppens en Petrus Grangé werkten in dezelfde lijn. Het vage beeld van de late zeventiende eeuw krijgt eindelijk wat heldere contouren dankzij dit pionierswerk. Voor boek- en muziekhistorici aanbevolen inspiratie. [MdS]


3903– Sébastien AFONSO, L’imprimé officiel: enjeu et objet de rivalités entre imprimeurs dans les villes du sud des Pays-Bas méridionaux au XVIIe siècle in Urban networks and the printing trade (zie nr. 3883), p. 53-76.
Verkenning van de relatie tussen overheid en drukkers-uitgevers in Franstalig België. Overheidsdrukwerk was gegeerd als een vrij lucratieve opdracht én als middel in de concurrentieslag met collega’s uit de onmiddellijke omgeving, maar ook als statussymbool. Goede politieke contacten waren (en zijn) altijd nuttig. De meeste voorbeelden komen uit Henegouwen, en met name uit Bergen (Mons) waar Jean Havart blijkbaar de spin in het web was. Wie waagt zich aan een vergelijkbaar onderzoek voor Vlaanderen (graafschap) of Brabant (met of zonder Brussel)? [MdS]


3904– Guy LIAGRE, Sola Scriptura. Notitie over de protestantse aanwezigheid te Hasselt van de reformatie tot de officiële staatserkenning in Limburg. Het Oude Land van Loon, 87, 2008, 2, p. 153-192.
Overzicht van de Reformatie in Hasselt, met aandacht voor Plantijns medewerker en alibi Augustijn van Hasselt (pp. 159-161). [MdS]


3905– Marieke VAN DELFT & Jan Willem KLEIN, Nieuwe lezers, nieuwe hardware: het boek in de vijftiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 17, 2010, p. 53-91.
Artikel dat een overzicht wil schetsen van van de overgang van handschrift naar gedrukte boek in Nederland in de 15de eeuw. Jammer dat het gedrukte boek in het artikel niet veel aandacht krijgt; behalve een aantal gemeenplaatsen wordt niet veel verteld over de o zo berlangrijke overgang. Wie in handschriften geïnterresseerd is, heeft meer aan het artikel. Wel een mooie, instructieve bibliografie aan het eind. [JH]


3906– Ludo VANDAMME, Colard Mansion et le monde du livre à Bruges in Pierre Aquilon & Thierry Claerr (eds.), Le Berceau du livre imprimé. Autour des incunables. Actes des "Rencontres Marie Pellechet" 22-24 septembre 1997 et des Journées d'étude des 29 et 30 septembre 2005. – Turnhout: Brepols, 2010, p. 177-186. – ISBN 978-2-503-52575-4.
Goede synthese van de plaats van Colard Mansion in het Brugse boekbedrijf in de periode 1476-1484. De Brugse Biekorf-bibliotheek beschikt dankzij een legaat van oud-stadsgenoot Joseph-Basile van Praet (1752-1837) over tien Mansiondrukken in niet minder dan vijftien exemplaren. [MdS]


3907– Renaud ADAM & Alexandre VANAUGAERDEN, Passeurs de textes. [1] Thierry Martens et la figure de l'imprimeur humaniste (une nouvelle biographie). Avec une liste de ses éditions et les adresses aux lecteurs signées par l’imprimeur. – Turnhout/Anderlecht [Bruxelles]: Brepols/Musée de la Maison d'Érasme, 2009. – 249 p.: ill.; 25 cm. (Nugae humanisticae sub signo Erasmi, 11) – ISBN 978-2-503-53112-0.
A. heeft het gewaagd een nieuwe blik te werpen op een (te) gecanoniseerd personage uit de vaderlandse boekgeschiedenis: Dirk Martens. Hij verwerkt recent eigen onderzoek en enkele nieuwe vondsten en hypotheses en komt zo tot een licht gewijzigd beeld. De invloed van Erasmus blijkt groter te zijn dan gedacht, en Martens’ kennis van het Latijn blijkt nogal twijfelachtig. Met handige overzichten van zijn drukken en de uitgave van een aantal Latijnse opdrachten (in naam) van Martens. Hoort in elke studiebibliotheek van het boek in de Nederlanden! [MdS]


3908– Renaud ADAM, Jean de Westphalie et Thierry Martens. La découverte de la Logica Vetus (1474) et les débuts de l'imprimerie das les Pays-Bas méridionaux (avec un fac-similé). – Turnhout/Anderlecht [Bruxelles]: Brepols/KBR/Musée de la Maison d'Érasme, 2009. – 127 p. + facsimile; 25 cm. (Nugae humanisticae sub signo Erasmi, 8). – ISBN 978-2-503-52841-0.
Het opduiken van een ‘vergeten’ incunabel, op 6 mei 1474 te Aalst gedrukt door Dirk Martens en Jan van Westfalen, en op 10 juni 2004 op de Macclesfield-veiling bij Sotheby’s te Londen verworven door de Koninklijke Bibliotheek van België, gaf aanleiding tot nieuw onderzoek naar de eerste drukken in de Zuidelijke Nederlanden. Was Dirk Martens eerst uitgever en dan pas drukker, en is Jan van Westfalen dan de eerste ‘Belgische’ drukker? A. presenteert de methode en resultaten van zijn verkenning, en geeft in bijlage onder meer een bibliografische beschrijving en een overzicht van de watermerken. Het unicum is tevens in een uitstekende reproductie beschikbaar voor verder onderzoek. Want zoveel is duidelijk: over Martens en Van Westfalen is het laatste woord nog niet gezegd. [MdS]


3909– U. RAUTENBERG, Die Entstehung und Entwicklung des Buchtitelblatts in der Inkunabelzeit in Deutschland, den Niederlanden und Venedig: quantitative und qualitative Studien in Archiv für Geschichte des Buchwesens, 62, 2008, p. 1-105.
Belangwekkende studie van (het onderzoek naar) het opkomen van het gedrukte titelblad in de incunabelperiode. De Nederlanden komen ruim aan bod (p. 28-29 en vooral 53-84). Het oudste titelblad is er een van Gerard Leeu uit 1477 (GW 7519) en hij blijkt ook het belangrijkste personage te zijn voor het ontstaan van geïllustreerde titelbladen. Tevens komen layout en kleurengebruik aan bod. Aanbevolen lectuur! [MdS]


3910– Albert DEROLEZ, Benjamin VICTOR & Wouter BRACKE, The surviving manuscripts and incunables from medieval Belgian libraries. Edited with the collaboration of Thomas Falmagne & Lise Otis. – Brussel: Paleis der Academiën, 2009. – 434 p.; 26 cm. (A. Derolez & B. Victor (eds.), Corpus Catalogorum Belgii. The Medieval Booklists of the Southern Low Countries, 7). – ISBN 978-90-6569-056-2.
De auteurs hebben het gewaagd, geïnspireerd door vergelijkbaar onderzoek van Neil Ker (Groot-Brittanië) en Sigrid Krämer (Duitsland & Zwitserland), om een lijst samen te stellen van de (thans in instellingen) bewaarde handschriften en incunabelen afkomstig uit instellingen in de Zuidelijke Nederlanden (nauwkeuriger maar a-historischer: het huidige België). Exemplaren in de handel of in privécollecties zijn niet vermeld. Een indrukwekkend vertrekpunt voor verder onderzoek naar de boekencultuur in het hart van West-Europa, mede dankzij de uitvoerige registers op auteurs en titels, en op personen en plaatsnamen. Finis coronat opus! [MdS]


3911– Pieter DONCHE, De incunabel Van den proprieteyten der dinghen (1485) en zijn oudst bekende private bezitter in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gesticht onder de benaming 'Société d'émulation' te Brugge, 145, 2008, p. 267-278.
Een van de 58 bewaarde exemplaren van de door Jacob Bellaert in Haarlem gedrukte encyclopedie Van den proprieteyten der dinghen (1485) hoorde toe aan een "Jacop Donche ... hem ghegeven ... by ... Roelandt zijnen vadre" (Parijs, BnF, Rés. R 372). Roeland Donche (ca. 1460-1492) was schepen-keurheer van de kasselrij Veurne. En ook zijn zoon Jacob (1491-1552) vervulde die functie. Hij liet in het exemplaar (een pentekening van) het familiewapen aanbrengen en schreef er ook in. Niets is bekend van het verblijf van het exemplaar na Jacobs dood en vóór de verwerking van het exemplaar in de BnF (na 1857?). Het boek geraakte allicht in Parijs via de confiscaties door de Franse bezetter aan het einde van de achttiende eeuw. [MdS]


3912– Christian COPPENS, The Incunabula of Parc Abbey (Heverlee, Leuven) in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 2, p. 23-70.
De veilingcatalogus uit 1829 is de belangrijkste bron voor het oude boekenbezit van de Parkabdij (Leuven). A spitst zijn onderzoek toe op de incunabels: hij fileert de catalogus methodologisch en gaat op zoek naar overgebleven exemplaren.Maar A laat het hier niet bij en doorzoekt een aantal Parijse bibliotheken naar exemplaren die voor de veiling, vnl. in de Franse tijd, uit de bibliotheek verdwenen zijn. Zo komt hij tot een lijst van 84 incunabels die worden opgelijst met bibliografische referenties en met bijzondere aandacht voor de herkomstgegevens. Tenslotte worden de 7 incunabels vermeld die zich vandaag in de Parkabdij bevinden. Het artikel wordt afgesloten met een index op auteurs, medewerkers en anonieme werken, en één op drukkers en uitgevers. Een voorbeeldige studie. [JH]


3913– L. VANDAMME, Wiegendrukken verzamelen in Biekorf, 108, 2008, 2, p. 236-7.
Bespreking van twee artikels van ECI (nrs. 3716 en 3271) met een beschrijving van de incunabels in twee privéverzamelingen: de verzameling Caloen (56 incunabels) en een niet nader genoemde (128 incunabels) met vooral werken van klassieke auteurs en humanisten. Een aantal van deze incunabels werden op 30 november 2010 bij Christie’s verkocht. [JH]


3914– Lotte HELLINGA, Four book auctions of the Fifteenth Century in Richard A. Linenthal, James H. Marrow & William Noel (eds.), The Medieval Book. Glosses from Friends & Colleagues of Christopher de Hamel. – Houten: Hes & De Graaf, 2010, p. 261-269. – ISBN 978-90-6194-370-9.
Belangwekkende analyse van drie documenten m.b.t. de oudste boekenveilingen in de Nederlanden: Kortrijk 1470-01, Sint-Omaars 1481, en Mechelen 1489. Over verkochte handschriften én drukken, kopers en prijzen. [MdS]


3915– Elly COCKX-INDESTEGE & Willem HEIJTING, De doorbraak van de drukkunst in roerige tijden: het Nederlandse boek in de zestiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 17, 2010, p. 93-139, ill.
Bijna 50 jaar na het verschijnen van Kopij en Druk (1962) wordt in het 17de JNB een round-up van de boekgeschiedenis sindsdien. Het artikel ivm de 16de eeuw belicht het boek vanuit zowel de Noord- als Zuid-Nederlandse kant. Na een inleiding waarin het boek in de nieuwe plurimediale maatschappij van de 16de eeuw wordt gesitueerd, worden de algemene ontwikkelingen in het boekbedrijf beschreven. Het gaat dan om de relatie met de verschillende overheden, de bedrijfsvoering, productie, distributie en consumptie. Uit dit overzicht blijkt nog maar eens het belang van Plantijn, maar ook onze Plantijn-gestuurde blik op het 16de-eeuwse boek, als gevolg van zijn rijk archief. Voor de eerste helft van de 16de eeuw wordt dan dieper ingegaan op het belang van de volkstaal, het humanisme en de reformatie. Ook is er aandacht voor de vernieuwingen in de vormgeving, de typografie, de boekdecoratie en de verzamelpassie. Ook voor de periode 1550-1580 komen gelijkaardige onderwerpen aan bod. Voor de laatste periode, 1580-1600, is de meeste aandacht toegespitst op boekproductie en vormgeving.
In het besluit wordt de balans opgemaakt tov Kopij en Druk. Waar is er winst, waar is er verlies? Een winstpost is de grotere beschikbaarheid van informatie: waar De la Fontaine Verwey vooral een cultuurhistorische schets aanbood, is er nu een stortvloed aan concrete gegevens die de boekhistoricus nu opnieuw dwingt tot een synthese. Als gevolg van deze stortvloed ontstond de zelfreflectie: "wat is boekgeschiedenis en hoe moet deze discipline beoefend worden"? Verschillende richtingen waren mogelijk en werden ingeslagen: in Vlaanderen meer de richting van Henri-Jean Martin, in Nederland die van de new bibliography. De invloed van Robert Darnton, met de trits productie/distributie/consumptie is niet te onderschatten. Aan deze winst zit ook een verlies: als gevolg van de toevloed van de gegevens zien we specialisatie en fragmentatie, waardoor het grote verhaal, typisch voor De la Fontaine Verwey verloren gaat. [JH]


3916– Andrew PETTEGREE, The Low Countries and the Sixteenth Century Book World in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 2, p. 153-157.
Naar aanleiding van het verschijnen van Netherlandish Books (NB) (zie volgende Kroniek) roemt A de kwantitatieve vooruitgang van zijn onderneming. Voor het verschijnen moest de onderzoeker van het (Noord- en Zuid-) Nederlandse boek uit de 16de eeuw zijn informatie halen uit NK, BT en TB. Deze drie werkinstrumenten zijn echter ongelijk van opzet waardoor het moeilijk werken is: BT is een catalogus van Belgische bibliotheken, TB is een project gestut door Valkema Blouw die zich ook baseerde op bibliografische referenties, enkel NK ging buiten de landsgrenzen om het Nederlandse boek, gedrukt 1501-1540, op te sporen. NB wou uniformiseren en uitbreiden, en deed dit ook: vóór NB waren er 23.464 edities gerepertorieerd, in NB zijn het er 32, 153 geworden. In feite gaat het om 31, 290 boeken, de resterende boeken zijn Nederlandstalige boeken, gedrukt in het buitenland. Uit een vergelijkende tabel met de productie van de belangrijkste Europese regio’s blijken de Nederlanden zich eenzaam in het midden te vinden: ver achter de grote drie Frankrijk, Italië en Duitsland (resp. 80.344, 88.000 en 110.000 edities), maar ver boven Spanje en Portugal, Engeland en Zwitserland (18.368, 15.127 en 14.027 edities). [JH]


3917– Brecht DEWILDE, Het sociaal kapitaal van Marcus Gerards in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gesticht onder de benaming 'Société d'émulation' te Brugge, 146, 2009, 2, p. 309-346.
Studie van het netwerk van Marcus Gerards in het humanisten- en kunstenaarsmilieu. Een belangrijke bron voor de reconstructie van dit netwerk vormt de Fabulen der dieren waarin niet alleen Hubert Goltzius een rol van betekenis speelt als verdediger van de tekst, maar ook Lucas de Heere. De spilfiguur in het hele netwerk blijkt Abraham Ortelius te zijn. [JH]


3918– Edmond ROOBAERT, Michiel van Hamont: hellebaardier van de keizer, rederijker en drukker van de koninklijke ordonnanties en plakkaten in Frank Daelemans & Ann Kelders (eds.), m.m.v. Annelies Op de Beeck, Miscellanea in memoriam Pierre Cockshaw (1938-2008). Aspects de la vie culturelle dans les Pays-Bas méridionaux (XIVe-XVIIIe siècle). Aspecten van het culturele leven in de Zuidelijke Nederlanden (14de-18de eeuw). – Brussel: Koninklijke Bibliotheek, 2009, p. 465-485. (Archives et Bibliothèques de Belgique. – Archief- en bibliotheekwezen in België. Numéro spécial. – Extranummer 82). – ISSN 0778-0722.
In deze gedetailleerde biografische studie van de Brusselse drukker Michiel van Hamont baseert Roobaert zich – opnieuw – op gedegen archiefonderzoek (Geheime Raad, Rekenkamer te Rijsel en te Brussel, broederschappen, kerk- en kloostergemeenschappen).
Na in de leer te zijn geweest in Utrecht had van Hamont sinds ongeveer 1556 zijn eigen drukatelier in Brussel. Hamont drukt er vooral ordonnanties, edicten en plakkaten. Reeds op 18 december 1554 werd zijn drukkersoctrooi in het rijksregister ingeschreven. Dit is zeer opmerkelijk aangezien hij de enige Nederlandse drukker is die met een drukkersoctrooi in het rijksregister staat ingeschreven. Volgens A wijst dit erop dat van Hamont geen onbekende van de keizer was: uit een document van 1565 blijkt dat de drukker eerder hellebaardier van de keizer is geweest. Waarschijnlijk had hij in juni 1556 ontslag genomen met het vertrek van Karel V naar Spanje. Reeds van begin af onderhield hij nauwe contacten met officiële instanties: magistraat van Brussel, Staten van Brabant, Raad van Brabant, Rekenkamer en Geheime Raad. Voor al deze instellingen zou hij talrijke publicaties drukken. Behalve deze overheidspublicaties heeft van Hamont ook een uitnodigingskaart voor de inhuldiging van de vaart Brussel-Willebroek gedrukt, met een houtsnede die niet voor de Antwerpse moet onderdoen. Twee jaar later, in 1563, drukt hij de bundel van teksten die werden voorgedragen op het refreinfeest in Brussel van het vorig jaar. Ook in dit boek heeft van Hamont zijn kwaliteiten als figuursnijder kunnen tonen. A besluit met de inventaris van de winkel van Michiel van Hamont, opgemaakt in 1569 door commissarissen afgevaardigd door de hertog van Alva (AR Raad van Beroerten 28, ff. 29-39v°). Uit de inventaris blijkt dat van Hamont de op één na (die van Peter van Tombe of La Tombe) grootste boekhandel van Brussel runde. In de inventaris werden 752 titels van toegelaten boeken genoteerd en van 65 verdachte of verboden boeken. Behalve overheidspublicaties waren er ook schoolboeken, rederijkersliteratuur en (Vlaamse) volksboeken aanwezig. De prenten en modeboeken getuigen opnieuw van zijn activiteit als figuursnijder. [JH]


3919– Sylvia VAN ZANEN, "Heeft Plantijn zijn verstand verloren?!" De relatie tussen de botanicus Carolus Clusius (1526-1609) en zijn uitgevers in Edwin Bloemsaat, Erik Geleijns, Linda Hurkmans, Anneleid Schepers & Marja Smolenaars (red), Janboel: opstellen aangeboden aan Jan Bos bij de afronding van de Short-Title Catalogue, Netherlands. – Den Haag, 2009, p. 33-40.
In de briefwisseling van geleerden met het Plantijnse huis is heel wat informatie te vinden over de relatie tussen auteur en uitgever. A gaat na hoe de relatie was tussen Plantijn en de botanicus. Die was niet altijd zo goed: Clusius beklaagde zich over de drukfouten en te weinig presentexemplaren, Plantijn over de veelvuldige brieven van Clusius. [JH]


3920– Jeanine DE LANDTSHEER, "Die wereldvreemde proffen van Leuven in hun ivoren toren". Een vergeten brief van Nicolaas Oudaert aan Christoffel Plantijn in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 1, p. 31-52.
Een brief in de Universiteitsbibliotheek van Leiden, van de hand van Nicolaas Oudaert, werd lange tijd beschouwd als een brief aan Justus Lipsius. Dit blijkt fout te zijn, de geadresseerde is waarschijnlijk Plantijn, en hoort dus thuis in de Correspondance de Plantin en niet in ILE. De brief is owv twee redenen interessant voor de boekgeschiedenis. Ten eerste laat de brief duidelijk zien dat Plantijn echt bekommerd is om geen verboden boeken uit te geven. Hij twijfelt namelijk of hij nog werken van Lipsius kan uitgeven en of een dedicatie aan Philip Sydney toegelaten is; Plantijn wordt hierin gerust gesteld. Ten tweede gaat het om de spanning tussen Plantijn en de Leuvense drukker Masius, die bij Plantijn de stiel had geleerd en nog met hem had samengewerkt. Echter beide drukkers stellen zich tegen elkaar kandidaat om de Pastorale Mechliniensis diocesis te drukken. Plantijn kan via Oudaert op de steun van bisschop Hauchinus rekenen, zodat hij de editie krijgt toevertrouwd. [JH]


3921– Jean-François GILMONT & Alexandre VANAUTGAERDEN (eds.), La page de titre à la Renaissance. Treize études suivies de cinquante-quatre pages de titre commentées et d’un lexique des termes relatifs à la page de titre. – Turnhout/Anderlecht [Bruxelles]: Brepols/Musée de la Maison d'Érasme, 2008. – 395 pp.: ill. (Nugae humanisticae sub signo Erasmi, 6). – ISBN 978-2-503-52669-0.
Deel 6 van de mooi uitgegeven reeks Nugae humanisticae bevat als hoofdbrok 13 studies over de titelpagina. Na de inleiding weerlegt A. Derolez de idee dat de titelpagina een uitvinding zou zijn van het gedrukte boek: reeds in een aantal manuscripten kunnen we spreken van een titelpagina. In de bundel worden verder de titelpagina’s van de brievenbundel van Erasmus (Bénévent), de drukkers Wechel (Guilleminot-Chrétien) en Ferrarese drukkers/boekhandelaars (Gorris) besproken. De drukkersmerken op de titelpagina’s van de Estienne worden behandeld door (Kemp, Gilmont en Cazes). Deze studies worden ingeleid door Higman die het heeft over de relatie tussen emblemata en drukkersmerken. In het variagedeelte heeft Barbieri het over papillons, stukjes papier gekleefd op de titelpagina om de tekst enigszins te wijzigen (niet opgenomen in de woordenlijst achteraan), Muller heeft het over de titelpagina van de dialoog Karsthans (Straatsburg, 1521) en Gilmont over de betekenis van contrefaçon, privilège, émission et caractères in het werk van Dolet. De studies over de titelpagina’s van Lipsius (Landtsheer) en van Plantijn (Sorgeloos) worden apart besproken (zie nrs. 3922 en 3923). Na de studies werden afbeeldingen van 54 titelpagina’s opgenomen die de verschillende facetten (inhoud en context van het werk, plaats en bespreking van de titelpagina, drukker/boekhandelaar en drukkersmerk/illustratie, adres, dedicatie, colofon, kleur, …) van de 16de-eeuwse titelpagina belichten. Deze facetten komen niet bij de bespreking van elke titelpagina terug, maar worden gebruikt wanneer ze van toepassing zijn. Voor België worden titelpagina’s van Eckert van Homberch, Maarten de Keyser, Joos Lambrecht en Jan Mollijns afgebeeld. Instructief is de afbeelding van de titelpagina die door Dirk Martens werd gebruikt voor de Bellum van Erasmus en diegene die gebruikt werd door Frobenius (pp. 276/77). Jammer is wel de dat bibliografische gegevens niet werden afgedrukt naast de titelpagina maar in een register ervoor. De bundel wordt afgesloten met een handige trefwoordenlijst ivm 16de-eeuwse titelpagina’s, waarbij de Franstalige lemmata in 5 talen worden vertaald (Duits, Engels, Nederlands, Italiaans en Spaans). [JH]


3922– JEANINE DE LANDTSHEER, Les pages de titre dans l’oeuvre de Juste Lipse (1547-1566) in Page de titre (zie nr. 3921), p. 57-72, ill.
De titelpagina’s van Plantijn zijn meestal zeer eenvoudig: auteur en titel, weinig explicatie, drukkersmerk en adres. Dit is ook het geval voor de titelpagina’s bij de werken van Lipsius. De werken over de maagd van Halle en over de maagd van Zichem volgen grotendeels het schema, alleen werd het drukkersmerk vervangen door een afbeelding van de Maagd. De Seneca-editie van 1605 vormt de grote uitzondering. Het boek gededicasseerd aan paus Paulus V, bezit een gegraveerde titelpagina van de hand van Theodoor Galle die emblematisch is opgevat. Uit de correspondentie van Lipsius met het Plantijnse huis blijkt de grote bezorgdheid omtrent de formulering van de editie op de voorpagina, vooral mbt de censuur. Ook is het opmerkelijk dat vanaf Jan Moretus de privilegies op de titelpagina worden vermeld. [JH]

 


3923– Claude SORGELOOS, Les pages de titre dans l’officine plantinienne in Page de titre (zie nr. 3921), p. 89-94, ill.
In zeer kort bestek geeft A een overzicht van illustraties die op de titelpagina’s bij Plantijn te vinden zijn. Het drukkersmerk dat meestal wordt gebruikt in de Plantijnse edities, wordt soms vervangen door de wapens van de overheid of het orde-embleem van wie de uitgave uitgaat (Filips II, Staten van Brabant, SJ) . In devotionele werken komt er soms een houtsnede of kopergravure in de plaats van het drukkersmerk. Gegraveerde titelpagina’s zijn meestal symbolisch en/of emblematisch. [JH]


3924– Paul DYCK, Gathering the Story. Antwerp Biblical Illustrations in Little Gidding Books in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 2, p. 93-118.
Vlaamse prenten van o.a. Maarten de Vos en Gerard de Jode, en Engelse kopieën van dergelijke prenten werden gebruikt door de religieuze gemeenschap van Little Gidding in hun concordanties van de vier evangeliën. In deze concordanties, die de samenvoeging vormen van de vier evangeliën tot één verhaal, worden de illustraties niet alleen gebruikt ter illustratie, maar gaandeweg ook als commentaar op specifieke passages uit de Bijbeltekst. Een artikel over bijzonder gebruik (inclusief verknippen!) van Vlaamse gravures. [JH]


3925– Karen L. BOWEN& D. IMHOF, Christopher Plantin and Engraved Book Illustrations in Sixteenth-Century Europe. – Cambridge: Cambridge University Press, 2008. – xvi, 458 p.: ill.; 25 cm. – ISBN 978-0-521-85276-0.
Gedurende zijn hele drukkerscarrière heeft Plantin slechts een beperkt aantal edities met kopergravures of etsen (intaglios) gedrukt. Toch is dit beperkte aantal niet onbelangrijk: hij was daarmee één van de belangrijkste intagliodrukkers van Europa. In het boek wordt aangetoond hoe Plantin de productie van dergelijke boeken economisch en praktisch winstgevend heeft gemaakt, en hoe deze hele revolutie in het boekontwerp tot stand is gekomen. Van begin af aan wordt dus duidelijk dat dit werkstuk geen kunsthistorische studie van de gegraveerde/geëtste boekillustratie van Plantin, maar een bedrijfseconomische studie; en dat kan, dankzij het uitgebreide archief van Plantin waar beide auteurs nauw aan verbonden en volledig mee vertrouwd zijn.
Na de inleiding waarin de situatie van de gegraveerde boekillustratie in de periode voor Plantin wordt geschetst, komen in het eerste hoofdstuk een aantal specificiteiten van boeken met gegraveerde prenten aan bod, in het tweede hoofdstuk wordt de plaats bepaald van Antwerpen en zijn kunstenaars in de 16de eeuw. In de drie volgende hoofdstukken wordt het eigenlijke verhaal van de Plantijnse intaglios verteld. Eerst de periode 1559-1571 met het aarzelende begin, dan de bloeiperiode in de jaren ’70 met o.a. het belangrijke aandeel van de liturgische edities en tenslotte het laatste decennium van Plantins carrière met niet alleen gegraveerde, maar ook geëtste boekillustraties. Het laatste hoofdstuk behandelt de Plantijnse edities met intaglios van anderen.
Deze studie is zo nauwkeurig en diepgaand gemaakt dat we enkel een aantal opmerkelijke conclusies kunnen vermelden. Het belang van geldschieters voor intaglioproducties mag niet onderschat worden, niet alleen owv het geld, maar ook omdat deze geldschieters (Arias Montanus, Perez, Granvelle) ervoor gezorgd hebben dat Plantin een belangrijk deel van de markt voor devotionele werken in handen kreeg. Dankzij het economisch hergebruik van de platen en de verschillende niveaus van illustratie (geen, houtsnede, kopergravure) vanaf de jaren ’50 heeft Plantin een markt geschapen die in de jaren ’80 bereid was om een grote variëteit van teksten (niet alleen liturgische en devotionele) met intaglios (dus dure boeken) te accepteren. Een ander belangrijk en opvallend punt is de bereidwillige medewerking van kunstenaars, wanneer het op ontwerpen aankomt, maar een veel grotere terughoudendheid voor het graveren van die ontwerpen. Liever voerden de graveurs hun eigen projecten uit dan die van anderen, zeker van Plantin die de knip op de geldbeugel hield. De problemen met de plaatdrukkers waren minder groot: P. Huys, Myncken Liefrinck en Jacques vander Hoeven waren bereid tegen een gering bedrag de platen te drukken. Een laatste punt, naast vele andere, waar de auteurs en Plantijn veel belang aan hechten is de levensduur van de plaat, die beperkter is dan die van een houtsnede. Toch is dit geen belemmering geweest voor de verdere evolutie: Plantijn heeft ervoor gezorgd dat Franse, Italiaanse en Spaanse drukkers vanaf zijn tijd steeds meer hun boeken illustreerden met intaglios, ten nadele van de houtsneden (met uitzondering voor de goedkope edities).
In de appendices komen twee bedrijfseconomische items aan bod (het kostenberekeningsysteem voor liturgische edities, de verkoop van Plantijnse edities met intaglios). Ook is er een overzicht van de inventarissen van de koperplaten, een bespreking van de edities met intaglios en een biografisch repertorium van wie voor Plantijn aan de intaglios heeft gewerkt (ontwerpers, graveurs, plaatdrukkers) met speciale aandacht voor de Plantijnse edities. Bij de bibliografische verwijzingen wordt wel verwezen naar de Grove’s Dictionary of Art, maar niet naar Thieme-Becker.
Het boek bevat een schat aan informatie over de gang van zaken in de Plantijnse drukkerij, zeker wat de intaglios betreft. Daarmee hebben de auteurs een standaardwerk geschreven, waaraan enkel nog details of specifiëringen aan toe te voegen zijn; iets waar de auteurs trouwens mee bezig zijn (zie nr. 3938). Een must voor al wie het geïllustreerde gedrukte boek bestudeert. [JH]


3926– Thijs & Henk PORCK, "Hoemen alle boucken bewaren sal om eewelic te duerene". Acht regels uit 1527 over het conserveren van boeken in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 15, 2008, p. 7-21, ill.
In de KB Den Haag wordt een handschrift bewaard dat ooit in het bezit is geweest van Margriet van der Spurt, die woonde bij de Sint-Lievenspoort te Gent. Het boek dat devotionalia bevat, vooral voor kinderen, bevat helemaal in het begin 8 regels om goed om te gaan met boeken, zodat ze minstens 200 jaar zouden meegaan. Margrietes boek gaat reeds bijna 500 jaar mee. De tips die worden gegeven zijn ook vandaag nog steeds geldig: 1) boeken droog en stofvrij bewaren, 2) geen vuile, vette of natte handen, 3) niet verhitten of wijd open laten liggen, 4) geen vastgeplakte dekbladen van boekplatten lostrekken, 5) schimmelaantasting door vocht voorkomen, 6) bladen of katernen niet uit het boek scheuren, 7) geen tekeningen of krabbels maken in de marge, 8) nooit een boek aan een kind geven! [JH]


3927– Renaud ADAM, Dans le Gyron de Marguerite de Croÿ, comtesse de Lalaing (1508-1549) in Renaud Adam& Alain Marchandisse, (eds.), Le livre au fil de ses pages. Actes de la 14e journée d'étude du Réseau des Médiévistes belges de Langue française. Université de Liège, 18 novembre 2005. – Bruxelles, 2009, 13-23: ill. (Archives et Bibliothèques de Belgique. – Archief- en bibliotheekwezen in België. Numéro spécial. Extranummer, 87). – ISSN 0775-0722.
A bestudeert het boekenbezit van een adellijke dame, naar aanleiding van de vondst in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel van een exemplaar van het boek (Inc B 553), gedrukt in Parijs bij Michel le Noir en Jean Petit ca. 1516, met het handschriftelijke ex libris van de gravin, Belangrijk bij deze studie is niet alleen het boekenbezit van de dame zelf, maar ook van haar echtgenoot Karel II van Lalaing. A merkt op dat dit boek een scharniermoment markeert: voor 1500 zou het ondenkbaar zijn geweest dat een adellijke dame een gedrukt boek in bezit had: had Marguerite de Croÿ in de tweede helft van de 15de eeuw geleefd de Gyron zou een rijk versierd manuscript zijn geweest.
In de bundel bevindt zich ook een artikel van X. Hermand, E. Ornato & C. Ruzzier waarin zij hun project voorstellen met betrekking tot de studie van uitgeversstrategieën in de incunabelperiode. Het project is een samenwerking tussen de universiteit van Namen en de CNRS te Parijs (pp. 75-82). [JH]


3928– Johan OOSTERMAN, De lezer heeft gelijk. Over de bijna primaire receptie van twee vroege drukken (Elckerlijc en Anna Bijns) in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 15, 2008, p. 23-34, ill.
Onderzoek naar gebruikersnotities in het Haags exemplaar van Elckerlijc (A’pen, G. Bac, ca. 1501) en in een Amsterdams exemplaar (KNAW) van de gedichten van Anna Bijns (A’pen, 1541 en 1553). In de Elckerlijc heeft de gebruiker de rijmen verbeterd (ook op plaatsen waar dit niet hoefde), in Anna Bijns heeft de lezer duidelijk gemaakt dat de situaties aangeklaagd door auteur in de jaren ’20 ook nog in de jaren ’60 actueel waren, mits enige ingrepen. Een tekst is niet alleen van de auteur, maar ook van de lezer. [JH]


3929– Karel MANNAERTS, Boeken in Mechelen in het tweede kwartaal van de zestiende eeuw in Handelingen van de koninklijke kring voor oudheidkunde, letteren en kunst van Mechelen, 111, 2007 [=2008], p. 217-232.
In drie registers uit de verzameling Zestig Gebroeders (Aartsbisschoppelijk archief Mechelen) vond A 102 lijsten van boekenverzamelingen in Mechelen, te dateren tussen van 11 maart 1531 tot 17 december 1554. Deze lijsten zijn ofwel inventarissen, ofwel verkooplijsten, ofwel beide van 70 erflaters waarin 2104 boeken met naam van de auteur en/of titel vermeld staan. Met de naamloze boeken zouden er maximaal 2792 boeken aanwezig zijn in de lijsten. Hoe deze naamloze boeken vermeld staan in de lijsten vermeldt A echter niet. Adhv deze lijsten geeft A ons een inkijk in het Mechelse boekenbezit in de 16de eeuw. Aangezien zo’n 90% van de erflaters tot de clerus behoorden is het niet verwonderlijk dat religieus werk het meest voorkomt. Wel opmerkelijk is de grote populariteit van Erasmus: hij voert de top twintig aan met 153 vermeldingen van hetzij zijn werken, hetzij zijn naam. Op de tweede plaats komt Cicero met 35 vermeldingen. Uit het artikel blijkt ook de belangrijke aanwezigheid van rechtsboeken, zowel canoniek recht als Romeins recht. In het artikel geeft A ook een lijst van de auteurs uit de Nederlanden die zich in het Mechelse boekenbezit bevinden. Behalve voor de inhoud heeft A ook oog voor de plaats waar de boeken zich in huis bevonden en de boekbanden. [JH]


3930– Steven GYSENS, "Gekocht op de openbare veiling op 7 oktober 1598". Handschriften uit Ortelius' bibliotheek "teruggevonden" in Brussel in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 29-42.
De zoektocht naar de boeken en de bibliotheek van Ortelius werd in 2006 in gang gezet door B. Op de Beeck en A. De Coster. A zorgt met dit artikel voor een belangrijke stap vooruit. Adhv een aantal manuscripten en brieven van tijdgenoten van Ortelius weet hij de veiling van het boekenbezit van Ortelius te situeren op 7 oktober 1598. Maar daarmee is de zoektocht niet afgerond: waar werd de veiling gehouden, wie kocht er wat, … Niet alleen de drukken bieden oplossingen, ook handschriften. Een mooi artikel. [JH]


3931– Antonio DAVILA PÉREZ, Lezers, boeken en lectuur van een humanistenkring in de zestiende eeuw. Boekbestellingen door Arias Montanus en zijn Sevilliaanse vrienden (vert. Kris Delcroix) in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 1, p. 7-119, ill.
Op het einde van de 16de eeuw stuurden 7 Sevillianen, onder wie Benito Arias Montano handgeschreven bestellijsten naar Johannes Moretus. Deze lijsten die nu nog in MPM worden bewaard, werden door de auteur uitgegeven, de titels werden geïdentificeerd en benaderd met de vraag naar "de wetenschappelijke belangstelling van de bestellers, hun veelzijdige culturele interesse en hun socio-economische situatie". Na een methodologische inleiding waarin de na- en voordelen van de bestellijsten worden belicht, gaat A dieper in op de humanistenkring in Sevilla en situeert er de 7 bestellers. Bijzonder interessant is dat A ingaat op de financiële implicaties van de bestellingen: daaruit blijkt dat Arias Montanus in de jaren ‘92-‘93 zo’n 12.000 euro zou uitgegeven hebben aan boeken, de humanist Pacheco meer dan 7500 en de geneesheer-botanist Simón de Tovar bijna 5000 euro. De boeken die de humanisten bestelden pasten volledig in het concept van de 16de-eeuwse humanistenbibliotheek: meer gericht op kennis (geschiedenis, wetenschappen, taal) dan op ontspanning (literatuur en boeken in de volkstaal). Het artikel wordt besloten met de uitgave van de bestellijsten met een voorbeeldige identificatie. Alhoewel dit artikel een mooie inkijk verschaft in de Sevilliaanse humanistenwereld, laat het de kans voorbijgaan om ook een blik te werpen op de Sevilliaanse boekenwereld. Aangezien de bestellers naar Antwerpen trokken om boeken te bestellen kan daaruit afgeleid worden wat er in Sevilla ontbrak. Ook zou het interessant geweest zijn om vast te stellen hoe oud of hoe recent de publicaties waren die de Sevillianen bestelden. Tenslotte kan de lezer zich afvragen hoe deze titels in Sevilla bekend waren. [JH]


3932– A. DUBOIS, Les échanges de livres entre Genève et Anvers lors des foires de Francfort: l'exemple de Jacob Stoer et de la firme plantinienne in Bibliologia. An International Journal of Bibliography, Library Science, History of Typography and the Book, 3, 2008, p. 55-106.
Jacob Stoer, een van de belangrijkste drukkers uit Geneve, is zeer goed vertegenwoordigd in de catalogi van de Frankfurtse boekenbeurs: 173 titels in de catalogi van 1570-1620. Hij was vooral gespecialiseerd in religie, recht, Griekse en Latijnse auteurs en schoolhandboeken. Hij verdeelde zijn aandacht over de Franse en de Duitse markt. Op basis van het archief MPM wordt de transacties tussen Stoer en Plantijn (later Jan Moretus) nagegaan: Stoer koopt bij PM, maar verkoopt ook eigen boeken, alsook van andere Geneefse boekhandelaars (oa Henri Estienne, de Tournes, Vignon, Chouet, Crespin) en van boekhandelaars uit Lyon (oa La Porte, Gazeau, Rouillé). PM heeft 507 exemplaren gekocht van Stoer, naast religie (waaronder Abraham sacrifiant van de calvinist Bèze) en recht, vooral literatuur (339 exx) en klassieken (Latijnse vertalingen van Griekse auteurs). Moretus verkoopt aan Stoer in de periode 1586-91 vooral religie en literatuur en wetenschap, maar nooit grote aantallen. In het bijvoegsel werd de lijst van boeken opgemaakt die gekocht en verkocht werden door Stoer aan Jan Moretus (1586-1609), met in noot de volledige titelopgave, het formaat en het aantal pagina’s. Ook de prijs en aantal exemplaren wordt opgegeven. Een verwijzing naar PP voor de Plantijnse drukken die verhandeld werden, werd niet opgenomen. [JH]


3933Christan Coppens, I cataloghi degli editori e dei librai in Italia (secoli XV-XVI) in Bibliologia. An International Journal of Bibliography, Library Science, History of Typography and the Book, 3, 2008, p. 107-124.
Uit dit artikel over boekhandelcatalogi in Italië blijkt dat ook Plantijnse catalogi hun weg vonden naar Italië: de catalogus van 1579 bevindt zich in Perugia, die van 1584 in Firenze en Rome (p. 123). [JH]


3934– Wim FRANÇOIS, Het voorwoord bij de "Leuvense bijbel" van Nicholaus van Winghe (1548). Over Schrift, Traditie en volkstalige bijbellezing in Ons geestelijk erf, 79, 2008, 1, p. 7-50.
Alhoewel het artikel zich aansluit bij de rij van publicaties omtrent de plaats van de Schrift in de theologie en de spiritualiteit van de 16de-eeuwse leek, is het begin van het artikel (pp. 8-13) lezenswaardig voor de boekhistoricus dankzij het overzicht van volkstalige bijbels in het begin van de 16de eeuw. [JH]


3935– Paul F. GEHL, ‘Grammatica Despauteriana’: l’adattamento di libri di testo provenienti dal Nord Europa per il mercato editoriale italiano, 1540-1600 in Bibliologia. An International Journal of Bibliography, Library Science, History of Typography and the Book, 3, 2008, p. 35-53.
Despauterius is wel de succesauteur van het schoolhumanisme in de Nederlanden. Dankzij zijn gedreven Parijse uitgever Badius (ook uit de Nederlanden!) domineerde hij ook de Franse markt. Die boeken kwamen noordwaarts, maar bereikten ook het zuiden, en hadden zelfs succes in de bakermat van het humanisme, Italië. Samen met teksten van zijn Franse geestesgenoot Jean Pellison werden enkele van zijn werken in Italië herdrukt en/of aangepast naar de wensen van plaatselijke scholen. Een ‘school-voorbeeld’ van marketing. [MdS]


3936– Alfons K.L. THIJS, Den lustelijcken Mey. Het incipit van een populair lied gerecycleerd tot titel van een devotieboekje door Paulus Fabri (Brussel, 1600) in Volkskunde, 110, 2009, 2, p. 137-157.
Den lustelijcken Mey is een boek van Paulus Fabri, vice-plebaan van de collegiale kerk van Sint-Goedele te Brussel. De titel van het devotionele boek (dat niet in BCNI wordt vermeld) is op zijn minst vreemd te noemen: het is eveneens de titel van zowel een devoot als een amoureus lied. Het boek van Fabri werd opgedragen aan Jacqueline du Bois, overste van het Leuvense annunciatenklooster. In het artikel legt A de band tussen de devotionele tekst en de wereldse meivieringen en toont zo het devotionaliseren van de volkse gebruiken aan na Trente. [JH]


3937– Christian COPPENS, "For the Benefit of Ordinary People". the Dutch Translation of the Fasciculus medicinae, Antwerp 1512 in Quaerendo, 39, 2009, 2, p. 168-205: ill.
Studie van het eerste geïllustreerde geneeskundige werk, gepubliceerd in de Nederlanden, namelijk de Fasciculus medicinae. Na duidelijk te hebben gemaakt dat Johannes de Ketham niet de auteur of de editor van het boek is, bestudeert A de illustraties in relatie tot zijn Venetiaanse voorganger. Deze illustraties hebben een Nachleben gekend dat niet beperkt bleef tot geneeskundige werken: ze werden ook in botanische werken gebruikt. En het is niet omdat Vesalius’ Fabrica (1543) verscheen, dat automatisch de oudere illustraties uit de boeken verdwenen: nog tot in 1668 werden de illustraties in een Venetiaans geneeskundeboek gebruikt. De Gentse druk van 1566 met de vertaling van Guy de Chauliac wordt vermeld in BT8434, i.t.t. wat in noot 8 gezegd wordt. [JH]


3938– Karen L. BOWEN, Unknown examples of Christopher Plantin's books of hours and new discoveries concerning his working practices in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 2, p. 7-33.
Na de studie van een aantal onbekende exemplaren (Avranches, Wroclaw, Oxford Oriel College, Bath, York) van getijdenboeken, gedrukt door Plantin, komt A tot een aantal markante bevindingen. Ook al leek Plantin twee identieke edities van een tekst onmiddellijke na elkaar te drukken, toch waren de boeken niet noodzakelijk identiek. Wat de illustraties betreft, zijn er soms grote verschilpunten: Plantin gebruikte zijn voorraad platen niet als een verzameling van afzonderlijke reeksen, maar als één grote verzameling waaruit hij plukte naargelang de nood en de vereisten. Maar nog opmerkelijker is dat Plantin soms twee verschillende lettergroottes gebruikte voor edities met dezelfde katernenstructuur. Op die manier liet Plantin zijn kopers niet alleen de keuze tussen houtsneden of kopergravures, maar ook tussen twee lettergroottes. Met een dergelijke creativiteit diversifieerde Plantin zijn klantenkring. Het artikel wordt afgesloten met een bibliografische beschrijving van de vijf exemplaren en een chronologie van de Plantijnse gedrukte officia tussen 1572 en 1574. [JH]


3939– An FAEMS, Van "oude historiën" naar `wat nyeus". Middeleeuwse ridderstof in zestiende-eeuwse gedrukte prozaromans in Elke Brems, Vincent Buyens, An Faems& Marc Van Vaeck (red.), De tekst & de drager. Nieuwe en oude media in de Nederlandse literatuur [= Spiegel der Letteren 50 (2008). 2], p. 172-190.
Studie adhv Die historie van Malegijs van de formele en inhoudelijke verschillen tussen handschriftelijke en gedrukte ridderromans. Formeel liggen de verschillen in het gebruik van het titelblad en de proloog in de gedrukte romans. Inhoudelijk gaat het om een direct benoemen van de emoties, een minder genuanceerde karaktertekening en een explicitering van de handeling in deze laatste. Tenslotte verzet A zich tegen de globale typeringen (vereenvoudiging, idealisering) voor de prozaromans die vergezeld gaan van negatieve connotaties. [JH]


3940– Jacques MERTENS, Maten en gewichten in het Cijferbouck van Adriaen Vander Gucht (Brugge, 1569) in Biekorf, 108, 2008, 4, p. 452-467.
Studie van het Cijferbouck van Adriaen Vander Gucht (BT 4623) met speciale aandacht voor maten en gewichten die 12 pagina’s van de 246 uitmaken. [JH]


3941– Enrique GONZALEZ GONZALEZ, Vives' Introduction a la sabiduria, Antwerpen, 1551 in Ex officina. Bulletin van de vrienden van de Leuvense Universiteitsbibliotheek, 22, 2009, 2, p. 2-3.
In 1551 brengt Joannes Steelsius te Antwerpen een nieuwe Spaanse vertaling door Diego de Astudillo van de Introductio ad sapientiam van J.L. Vives op de markt. Deze vertaling, gemaakt in Brugge in 1546 (datering inleidende brief) werd door de UB Leuven aangekocht. Daarmee bezit de bibliotheek behalve één van de drie geregistreerde exemplaren van de editio princeps van de Spaanse vertaling van de Introductio ook een exemplaar van de Castilliaanse vertaling van Astudillo. [JH]


3942– Pierre DELSAERDT, De kennismachines van Cornelis Kiliaan. Een typografische analyse van drie Nederlandse woordenboeken uit de 16de eeuw in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 1, p. 9-30.
Vertrekkend van Paul Valéry’s omschrijving van een boek als een machine à lire stelt A de vraag: hoe en met welke typografische middelen ontwikkelden wetenschappelijke naslagwerken zich in de vroegmoderne tijd tot machines à savoir? Centraal staat daarbij hoe de typografie de retrieval-functie van dergelijke werken ondersteunt. Bij de studie van o.a. woordenboeken moet daarbij rekening gehouden worden met het macroniveau (terugvinden van het gezochte lemma) en het microniveau (structurering van de informatie binnen het lemma). Aan de hand van de studie van de drie woordenboeken van Kiliaan die in door de Plantijnse officina werden uitgegeven (1574, 1588 en 1599) komt A tot de conclusie dat reeds in de 16de eeuw met beide niveaus werd rekening gehouden en dat Kiliaan/Plantijn dat voorbeeldig hebben gedaan. Zo was het mogelijk om de lemmata terug te vinden niet alleen aan de hand van de koptitels, maar ook adhv de versierde initialen die het begin vormen van elk nieuw hoofdstuk (letter). Op microniveau zorgt het gebruik van de gotische letter bij het lemma – en alleen bij het lemma! – voor een duidelijk onderscheid met de rest van de informatie. Bij de keuze van het formaat kunnen economische overwegingen een rol gespeeld hebben, maar of de keuze van de kleine marges enkel en alleen door besparingen zijn ingegeven, daar durft A aan te twijfelen: mogelijk presenteerde Kiliaan/Plantijn de tekst als definitief, en dus hoefde er geen commentaar in de marge geschreven worden! [JH]


3943– Jos van HEEL, Gisbertus Voetius on the Necessity of Locating, Collecting and Preserving Early Printed Books in Quaerendo, 39, 2009, 1, p. 045-56.
De Utrechtse calvinistische theoloog Gisbertus Voetius (1589-1676) gaf zijn studenten ook bibliografische richtlijnen. In 1644 publiceerde hij een handboek met een overzicht van relevante literatuur. In 1651 verscheen een bijgewerkte en vermeerderde editie waarin hij ook de methode van bibliografisch onderzoek bespreekt. Hij waarschuwt zijn lezers dat na het concilie van Trente vele teksten zijn gecensureerd en gewijzigd door Rome. Daarom geeft Voetius de raad om naar vroeg gedrukte boeken op zoek te gaan omdat deze nog niet gecensureerd waren. Voetius raadt aan om naar de bron te gaan, maar ook om zoveel mogelijk edities van een tekst te verzamelen zodat men kan vergelijken. A editeert de Latijnse tekst van Voetius, identificeert in voetnoten de boeken waar Voetius naar verwijst en geeft er een Engelse vertaling van. Voetius geeft de raad te zorgen voor eigen exemplaren, boeken uit kloosters moeten overgebracht worden naar openbare publieke bibliotheken, men moet bij antiquaren op zoek gaan naar deze oude boeken en ook bij personen die de boeken verwerken tot lijm. [HM]


3944– Paul DIJSTELBERGE & Piet VERKRUIJSSE, Een schitterend moeras: boek en wereld in de zeventiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 17, 2010, p. 141-170.
Dijstelberge en Verkruijsse behandelen voor dit themanummer Kopij en druk revisited van het Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis de gouden eeuw van de Nederlandse boekenwereld. Dit nummer beoogde een wisselwerking tussen het cultboek van Hellinga uit 1962 en de inzichten die sinds die tijd zijn verworven. Dit is geen kleine klus aangezien de boekwetenschap vanaf de jaren ’80, onder meer onder invloed van goeroes als Darnton en Chartier, niet in het minst in Nederland een hoge vlucht heeft genomen. Terecht wordt er gewezen op de maatschappelijke omstandigheden die de Republiek deden uitgroeien tot de belangrijkste typografische regio ter wereld: een goed werkend transportsysteem en de makkelijke toegang tot kapitaal. Nochtans wordt er amper aandacht besteed aan de rol van de Republiek in de internationale boekenmarkt, maar beperkt dit artikel zich tot de eigen landsgrenzen wanneer er gesproken wordt over het publiek van de Nederlandse boeken. Daarnaast blijft het artikel te veel hangen bij de materiële beschrijving van het drukkersvak: de inrichting van het atelier, de illustratietechnieken, formaten, ... terwijl de grote sprong voorwaarts in de boekhistorische historiografie net ligt in de livre et société-benadering. Een dergelijke benadering kan de eigenheid en de impact van de Noord-Nederlandse boekproductie, –distributie en –consumptie in kaart brengen. Pas in de epiloog treden de auteurs in dialoog met Kopij en druk en breken ze een lans voor het belang van de analytische bibliografie. [SvR]


3945– Goran PROOT, Hoe volledig zijn de STCN en de STCV?: een bepaling van het werkelijk aantal boeken in folio, kwart, octavo en duodecimo uit de periode 1601-1640 gedrukt in Nederland en Vlaanderen aan de hand van overgeleverde exemplaren in Janboel (zie nr. 3919), p. 123-132.
A breekt een lans voor het belang van het toevoegen van dubbele exemplaren bij het samenstellen van bibliografieën. Ze kunnen namelijk gebruikt worden om de volledigheid van onze nationale retrospectieve bibliografieën te berekenen. Hiervoor gebruikt hij een wiskundig model dat hij in 2008 samen met Leo Egghe wist te ontwikkelen (zie nr. 3871). Op basis van deze formule berekende hij dat de STCN voor de periode 1601-1640 voor de meest frequente formaten aan een volledigheid van 58% zit. Voor de STCV komt hij voor dezelfde selectie uit op 53%. [SvR]


3946– Dirk IMHOF, François Bellet en Jan I Moretus: een verhaal van vertrouwen en mistrouwen in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 2, p. 71-91.
Imhof beschrijft de carrière van François Bellet aan de hand van zijn relatie met Jan I Moretus. Bellet begon zijn carrière als zetter bij Moretus en kon in het begin van de zeventiende eeuw, dankzij mediatie en financiële hulp van zijn vroegere werkgever een eigen boekbedrijf opzetten in Saint-Omer. Hij bleef tijdens deze periode echter steeds financieel afhankelijk van Moretus en kon de bestellingen die hij plaatste bij de Officina Plantiniana amper terugbetalen. Wanneer het in 1606 tot een conflict kwam met Moretus omdat Bellet het had gewaagd om liturgica te gaan uitgeven en hij hierdoor tegen de belangen van Moretus inging, bekoelde de relatie tussen beiden en was zijn rol in Saint-Omer uitgespeeld. Bellet verhuisde zijn bedrijf naar Ieper, waar hij als enige drukker in de stad een tweede adem vond, onafhankelijk van de Officina. Dit artikel is zeer goed gestoffeerd maar zou winnen bij een breder kader. [SvR]


3947– Dirk IMHOF, De Plantijnse uitgeverij onder Balthasar II Moretus (1641-1674). Een vergelijking met het uitgeversfonds van zijn grootvader Jan I Moretus (1589-1610) in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 16, 2009, p. 113-129.
Het uitgeversfonds van de Officina Plantiniana evolueerde in de loop van de eerste helft van de zeventiende eeuw. In vergelijking met het fonds van zijn grootvader Joannes I Moretus, publiceerde Balthasar II Moretus veel meer religieus drukwerk (77% tegenover 48%). Vooral de stijging van het aantal liturgische werken is opmerkelijk. Werken over taalkunde, uitgaven van klassieke auteurs, cartografische werken en muziekuitgaven kwamen bijna of helemaal niet meer voor. Ook in de formaten zijn er verschillen merkbaar. In vergelijking met zijn grootvader gaf Balthasar II meer werken in folio en in kleine formaten (vanaf duodecimo) uit. Wat betreft de keuze van de illustratietechnieken is de overgang van houtsnede naar gravure in de tijd van Balthasar II compleet. Er werden amper nog houtsneden gebruikt vanaf het midden van de 17de eeuw. [SvR]


3948– Claude SORGELOOS, Alberto Struzzi et Etienne Van Schoore, graveur et enlumineur à Bruxelles (fl.1614-1627) in Miscellanea in memoriam Pierre Cockshaw (zie nr. 3918), p. 487-496.
Aan de hand van een exemplaar van Imago militiae auspicii Ambrosii Spinolae (Brussel, 1614) van Alberto Struzzi in de Koninklijke Bibliotheek van België kan Sorgeloos de auteur van de bekende titelprent achterhalen. Het exemplaar in kwestie bevat immers een met de hand ingekleurde titelprent waarop onderaan in inkt is toegevoegd: ‘Stephanus Van Schoore, sculpsit & enluminit’. Sorgheloos somt vervolgens nog een aantal andere werken op waarvoor Etienne Van Schoore het titelblad heeft ontworpen. [SvR]


3949– Theo DEPOORTERE & Johan VERBERCKMOES, Wereldwijze Leuvenaars. Een boekeninventaris uit 1653 van de familie Van den Tympel in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 2, p. 47-67.
Overzicht van het boekenbezit van de Leuvense adellijke familie Van den Tympel aan de hand van een boedelinventaris uit 1653 opgesteld na het overlijden van Maria van Schoonhoven, weduwe van Lodewijk Van den Tympel. De taxatie van de 95 boeken die zich in hun woonhuis in Leuven bevonden, gebeurde door de Leuvense boekdrukker Hieronymus Nempe. Erg waardevol was de boekcollectie van de familie niet: 43 gulden en 2 stuivers. Het bekende meertalige woordenboek van Calepinus was een uitzondering met een waarde van 6 gulden. De hoofdmoot van de verzameling is niet gericht op persoonlijke devotie, zoals misschien voor de hand ligt, maar op ontspanning en lering, met vooral Franse literatuur of naar het Frans vertaalde klassieke auteurs. Deze worden aangevuld met een collectie humanistische titels en geschiedeniswerken. [SvR]


3950– Gilbert TOURNOY, A la recherche de la bibliothèque du juriste liégeois Gerardus Corselius (1568-1636), professeur à l'Université de Louvain in Dries Vanysacker, Pierre Delsaerdt, Jean-Pierre Delville & Hedwig Schwall (eds.), The Quintessence of Lives. Intellectual Biographies in the Low Countries Presented to Jan Roegiers. – Turnhout/Louvain-La-Neuve Leuven: Brepols Publishers/Bibliothèque de la RHE, 2010, p. 127-149 – ISBN 978-2-503-53210-3.
A onderzoekt 10 boeken die het handschriftelijk ex libris van Gerardus Corselius dragen. Daaruit blijkt dat sommige boeken afkomstig zijn van de bibliotheek van zijn oom J. Wamesius, dat hij het werk van Lipsius door en door kende, getuige de noten bij een Livius-editie (Bazel, 1543) en dat hij in nauw contact stond met Filips Rubens en J. Rycquius, getuige de presentexemplaren. [JH]


3951– Christian COPPENS, A Post-Mortem Inventory Turned into a Sales Catalogue: a Screening of the Auction Catalogue of the Library of Charles Duke of Croy, Brussels 1614 in Quaerendo, 38, 2008, 4, p. 359-380.
De verkoopscatalogus van de bibliotheek van Karel, hertog van Croy uit 1614 was opgesteld door de Brusselse boekhandelaars Rutgerus en Hubertus Antonius Velpius. Lange tijd werd gedacht dat de catalogus verloren was: het enige exemplaar uit de Universiteitsbibliotheek Leuven werd vernietigd tijdens de Eerste Wereldoorlog. Coppens gebruikte een zeldzaam exemplaar uit het archief van de familie Arenberg in Enghien. Op basis hiervan stelde hij vast dat de verkoopcatalogus in oorsprong bedoeld was als een inventaris van de bibliotheek van de hertog, waartoe hij in zijn testament uit 1611 de opdracht had gegeven. De catalogus moest de rijkdom van de collectie van de hertog in de verf zetten. Dit verklaart enkele bijzonderheden in de catalogus, zoals een vreemde onderwerpsontsluiting en het veelal ontbreken van formaten en impressa. De veilingcatalogus was echter nog een nieuw genre, de oudste in de Nederlanden dateert van 1599 en deze catalogus is de oudst bewaarde voor de Zuidelijke Nederlanden, wat de onervarenheid van de drukkers met het genre kan verklaren. [SvR]


3952– Feike DIETZ, Gedrukte boeken, met de pen gelezen: sporen van leesinterpretaties in de religieuze manuscriptcultuur in De zeventiende eeuw, 26, 2010, 2, p. 152-171.
In de Universiteitsbibliotheek Nijmegen wordt een bijzonder convoluut bewaard (nr. 325) waarin een handschrift, een prentenreeks (Vita Sint Ioseph) en een druk (Het heylich leven van Sint Ioseph bruydegom der Moeder Godts Maria) zijn samengebracht. Het handschrift bevat een merkwaardige interpretatie van de succesrijke bundel Pia desideria (Antwerpen 1624) van de jezuïet Herman Hugo (1588-1629). D. analyseert de tekst en plaatst die in het kader van mystieke devotie. [MdS]


3953– Hubert MEEUS, Zacharias Heyns, Sometime Apprentice to Moretus, Becomes the First Merchant/Publisher in Amsterdam in Quaerendo, 38, 2008, 4, p. 381-397.
Overzichtsartikel over Zacharias Heyns, die het vak leerde bij Plantijn in Antwerpen maar carrière maakte als marchant-libraire in Amsterdam. Heyns bezat geen drukpersen en combineerde dus de taken die we nu uitgever en boekverkoper zouden noemen. Hij trad met andere woorden op als financier van werken gedrukt door andere drukkers. Heyns had internationale ambities maar startte zijn carrière bescheiden met het uitgeven van schoolboeken, vaak geschreven door hemzelf of familieleden. Later kon hij, onder meer door samenwerking met de in Franeker werkzame Gillis van den Rade, ook een reeks humanistische werken uitgeven. Vanaf 1599 richtte Heyns zich met succes op de welgestelde Amsterdamse elite, die voor een groot deel bestond uit Zuid-Nederlandse emigranten zoals hemzelf. Veel van deze werken schreef of compileerde hij overigens zelf. [SvR]


3954– Stijn van ROSSEM, The Bookshop of the Counter-Reformation Revisited. The Verdussen Compagny and the Trade in Catholic Publications, Antwerp, 1585-1648 in Quaerendo, 38, 2008, 4, p. 306-321.
Van Rossem illustreert enkele veranderingen in het Antwerpse boekbedrijf aan de hand van de familie Verdussen. Net zoals de Moretussen slaagden de Verdussens er in de eerste helft van de 17de eeuw in om een aantal monopolies te bekomen o.a. voor muntordonnanties en voor liturgische werken. Wat de aantallen gedrukte titels betreft zijn er merkelijke verschillen tussen Hieronymus I en II Verdussen, maar als men ook rekening houdt met het formaat dan blijkt dat een en ander wordt gecompenseerd door het feit dat er grotere formaten worden gedrukt. Verdussen II werkte ook meer voor de internationale markt wat zich ook vertaalt in het genre boeken en in de taal.
Ook in de boekhandel stelt A een evolutie vast. Uit de bewaarde briefwisseling (1629-1630) met de Utrechtse boekhandelaar Jan Everdsen van Doorn (c. 1580-1651) blijkt dat Verdussen hem niet alleen de eigen publicaties leverde, maar ook vooral contrareformatorische werken van andere drukkers in de Zuidelijke Nederlanden en zelfs van daarbuiten. Als het Antwerpse drukkersbedrijf in 1649-1650 in crisis verkeert, gaat Jan Baptist Verdussen op zoek naar een nieuwe markt voornamelijk voor hun contrareformatorische publicaties in Frankrijk. De missie van Jan Baptist was echter niet zo succesvol bij gebrek aan middelen, zowel geld als boeken maar vooral ook door een gebrek aan transportmiddelen. Na de dood van Hieronymus II zou Jan Baptist zich met meer succes concentreren op het Iberische schiereiland. Hieruit blijkt dat de Verdussens zowel een goede naam hadden in de productie van katholieke boeken als in de boekhandel. [HM]


3955– Guido VAN MEERSBERGEN, De uitgeversstrategie van Jacob van Meurs belicht: De Amsterdamse en "Antwerpse" edities van Johan Nieuhofs Gezantschap (1665-1666) in De zeventiende eeuw, 026, 1, 2010, p. 73-90.
Het gezantschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie aan den grooten Tartarischen Cham van Johan Nieuhof verscheen in 1665 bij de Amsterdamse boekdrukker Jacob van Meurs. Het is een rijk geïllustreerd reisverhaal (149 koperplaten!) over de handelsmissie die Pieter de Goyer en Jacob Keyser tussen 1655 en 1657 ondernamen in naam van de VOC naar het Chinese hof in Beijng. Van Meurs wilde zijn investering laten renderen en verkreeg een privilege voor de duur van 15 jaar voor de Verenigde Provincies, Frankrijk en Duitsland. Snel na de Nederlandse uitgave verscheen er dan ook een Franse en een Latijnse uitgave. In samenwerking met Van Meurs verscheen zelfs een Engelse uitgave bij de Schot John Ogilby. De these van dit artikel is dat een uitgave van het werk met het impressum ‘t’Antwerpen, By Michiel Cnobbert, Boekverkooper, in S.te Peeter, by het Professie-huys der Societeyt Jesu. Anno 1666’, in werkelijkheid ook door Van Meurs gedrukt is. Van Meersbergen baseert zich voor zijn bewijsvoering in hoofdzaak op de koperplaten in het werk, die dezelfde zijn als in de Van Meurs-drukken. Met het werk wilde de Amsterdamse uitgever dus ook de katholieke Nederlandstalige markt aanboren en hiervoor had hij een ‘betrouwbaar’ impressum nodig. Ook de inhoud van het werk werd aangepast aan het beoogde publiek. De negatieve passages in het oorspronkelijke werk over onder meer de jezuïeten werden geweerd om het werk acceptabel te maken voor katholieke lezers. [SvR]


3956– Meghan KING, Richard Stanihurst's Hebdomada Mariana. Catholic devotion and Spanish zeal in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 1, p. 53-64.
Analyse en contextualisering van de bij Jan I Moretus verschenen Hebdomada Mariana. De auteur van deze tekst was Richard Stanihurst, een historicus en humanist van Ierse oorsprong die vanwege zijn religieuze overtuigingen aan het hof van de aartshertogen Albrecht en Isabella terecht kwam. Alhoewel Stanihurst zich vòòr zijn verblijf de Nederlanden relatief tolerant stond tegenover het protestantisme, kiest hij met de Hebdomada, mogelijk om politieke redenen, voor een zuiver katholieke interpretatie van de Mariadevotie die typisch was voor het contrareformatorisch discours van die tijd. [SvR]


3957– Pieter MOELANS, Hoe schrijf je een gedrukt lied? De invloed van het gedrukte lied op de vormgeving van zeventiende-eeuwse wereldlijke liedhandschriften in De tekst & de drager (zie nr. 3939), p. 191-209.
Moelans onderzoekt of er formele relaties te vinden zijn tussen liederen in druk en liederen in handschrift. Aangezien in handschriften vaak liederen uit gedrukte liedboeken voorkomen, wil hij nagaan of ook de formele kenmerken in de handschriften worden overgenomen, zowel op het niveau van het individuele lied als op het niveau van de hele bundel. Hij bekijkt daartoe een aantal handschriften met liederen uit de periode 1400-1700. Moelans behandelt echter alle handschriften op gelijke voet ook al hadden ze soms een heel verschillende functie. Aangezien heel wat verschillen ook vast te stellen zijn in de evolutie van handschriften, kan hij niet meteen de invloed van het gedrukte liedboek aantonen, noch waar het gaat om de vormgeving van individuele liederen als waar het over de samenstelling van het handschrift gaat. Moelans suggereert wel dat dit in achttiende-eeuwse handschriften wel het geval zal zijn, maar die heeft hij niet in zijn onderzoek betrokken. [HM]


3958– Marcus DE SCHEPPER, Pausin Johanna in Antwerps gewaad (bij Fransoys Fickaert, 1614). Met een verdoken briefje van Justus Lipsius aan Franciscus Sweertius in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 2, p. 35-46.
Van de Antwerpse boekverkoper Fransoys Fickaert zijn tot nu toe slechts zeven uitgaven bekend. Daarbij is er ook een Nederlandse vertaling door een onbekende M.M. van het werk van Florimond de Rémond over de pausin Johanna (1614). Het werk valt op doordat het ook een onbekende brief van Justus Lipsius aan Franciscus Sweertius jr. (1547-1606) bevat. A belicht niet alleen de verschillende aspecten van het boekje en de personen die erbij betrokken waren, maar hij houdt in zijn besluit ook een vurig pleidooi voor meer doorgedreven bibliografisch onderzoek dat ook aandacht schenkt aan de inhoud van een boek. [HM]


3959– Paul BEGHEYN, De meditaties over het evangelie van Jerónimo Nadal in een Nederlandse editie van 1629, met houtsneden van Christoffel van Sichem in Kees Schepers & Frans Hendrickx (red.), De letter levend maken: opstellen aangeboden aan Guido de Baere bij zijn zeventigste verjaardag; m.m.v. Rob Faesen & Ineke Cornet. – Leuven: Peeters, 2010, p. 151-166 (Miscellanea Neerlandica, XXXIX). – ISBN 978-90-429-2441-3.
De Evangelicae historiae imagines van de Spaanse jezuïet jerónimo Nadal zijn een hoogtepunt van de laat-zestiende-eeuwse boekproductie in de Zuidelijke Nederlanden, en, kenden vele herdrukken en bewerkingen. Één daarvan, Der zielen lust-hof ("Tot Loven, by Isbrandt Jacobsz. voor P.I. Paets A° 1629") roept vele vragen op. Er bestond bv. geen drukker met die naam in Leuven. Het gaat om een pseudoniem van de katholieke Amsterdamse uitgever Pieter Jacopsz Paets. A. gaat ook in op inhoud en illustraties. [MdS]


3960– Hannie van GOINGA & Jeroen SALMAN, Expansie en begrenzing van de interne markt: de achttiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 17, 2010, p. 171-219.
Een goed gestructureerd en grondig overzicht van het Nederlandse boekbedrijf in de achttiende eeuw, door twee specialisten ter zake, met een uitgebreide literatuurlijst. Het artikel volgt het bekende schema van Darnton, dat het verder verfijnt. De invalshoek is, zoals bij alle bijdragen in deze bundel, de inbedding van het boek in de bredere cultuur. De Zuidelijke Nederlanden komen slechts zijdelings ter sprake in het hoofdstuk over de internationale boekhandel. Dit overzicht vormt het nieuwe startpunt voor elk verder onderzoek. Wanneer iets dergelijks voor onze gewesten? [SVI]


3961– Tim DANKERS, Drukken met de lezer in het vizier. Een inhoudelijk-typografische analyse van pamfletten in dialoogvorm rond de Brabantse Omwenteling (1790) in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 115-150.
Welke typografische strategieën gebruikte de drukker om zijn publiek te bereiken? Kunnen we daaruit het door hem beoogde lezerspubliek afleiden? Voor die vraagstelling ontwikkelt D. een inhoudelijk-typografische code. Dat D. zijn analyse begint met op inhoudelijke gronden een selectie te maken van het beoogde doelpubliek, en daarna op typografische gronden 'bewijst' dat het beoogde doelpubliek op uiterlijke gronden kan worden vastgesteld, proeft toch wat naar een cirkelredenering. De hypothese is steekhoudend, maar iets meer voorzichtigheid was op zijn plaats geweest.
Uit de analyse van twee subgenres in politieke pamfletten, de volkse dialoog en het intellectuele dispuut, blijken subtiele verschillen in o.m. de zetspiegel: het dispuut is langgerekter dan het iets meer vierkante volkse dialooggenre. Uiteraard is diepgaander onderzoek noodzakelijk, zoals D. zelf aangeeft: de analyse is op een zeer klein corpus van twee subgenres gebaseerd.
Nog een algemene opmerking. In een tijdschrift als de GP mogen we toch betere foto's verwachten dan de slecht gekaderde, donkere, met een goedkope camera uit de hand genomen plaatjes bij dit artikel. [SVI]


3962– Steven VAN IMPE, Verloren illusies of bijgestelde ambities? Leven en loopbaan van Jan Baptist Carstiaenssens in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 2, p. 69-91.
Mooie studie van de Antwerpse drukker Carstiaenssens (1733-1812) die begon als een drukker met indrukwekkende publicaties (Robiano, Smits) maar die als gevolg van familiaal ongeluk, financiële moeilijkheden en problemen met de overheid, zowel de Oostenrijkse als de Franse, zich later bekende tot het volkse, goedkopere genre, waarin hij niet onsuccesvol was. Een klassiek biografisch artikel gebaseerd op gedegen archiefonderzoek, zoals het hoort. [JH]


3963– H. BILLIET, Gentenaar Carlos Habré, eerste drukker op Cuba in Ghendtsche Tydinghen, 37, 2008, 2, p. 97-102.
Juan Carlos Habré, waarschijnlijk de Gentenaar Jean Charles Havrey was de eerste drukker in Havanna. Van zijn pers zijn drie publicaties bekend: een Tarifa, een prijslijst van medicijnen uit 1723, een werk met de verdiensten van priester de Sosa (1724) en een brevier (1728). [JH]


3964– Jan D'HONDT, Een merkwaardige inkijk in het laatste levensjaar van drukker Pieter de Sloovere, 1767 in Het Brugs Ommeland, 48, 2008, 2, p. 86-99.
D. vond stukken van een burgerlijk proces uit 1767, waarin de echtgenote van de Brugse drukker de Sloovere zich beklaagt over de drankzucht en gewelddadigheid van haar man. Tijdens de verschillende getuigenverhoren komen schrijnende toestanden aan het licht. De eerste aanklacht wordt geklasseerd (wellicht omdat de Sloovere stadsdrukker was) maar na een tweede klacht wordt hij gecolloqueerd bij de cellebroeders. Zijn echtgenote Anna vander Piet laat beslag leggen op zijn goederen en neemt de drukkerij over (na de dood van de Sloovere zal ze hertrouwen met Joseph de Busschere en zo de basis leggen voor één van de belangrijkste Brugse drukkerijen van de 19de eeuw). De processtukken bevatten, naast uitgaven in herbergen, bordelen en bij het gokken, ook gegevens over de drukkerij en de boekhandel. Zo heeft de Sloovere waarschijnlijk het geld dat hij ontving voor de voorintekening op den volstandighen Catechismus gebruikt om zijn liederlijk leven te financieren. In bijlagen geeft D. een transcriptie van een aantal opmerkelijke fragmenten uit de ondervraging (waarbij D. blijkbaar systematisch 'ledent' voor 'sedert' leest) en de lijst van voorintekenaren op voorgenoemde Catechismus. [SVI]


3965– Dirk VAN DE VIJVER, Hendrik Pulinx jr., Emmanuel van Speybrouck en Paulus de Cock: drie Brugse architecten en hun professionele bibliotheek in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gesticht onder de benaming 'Société d'émulation' te Brugge, 147, 2010, 1, p. 67-105.
A onderzocht voor zijn doctoraat de bibliotheken van Gentse architecten en ingenieurs, en breidt dit nu uit met de studie van drie Brugse architectenbibliotheken van de tweede helft van de 18de eeuw. De bibliotheken Pulinx en van Speybrouck werden beiden geveild in 1787, die van de Cock in 1810. Inhoudelijk lag de organisatie van de veilingen in handen van de uitgevers van Praet, de Busscher en de Moor. De Cock kocht zelf boeken op de eerste twee veilingen, niet enkel voor zichzelf maar ook voor de bibliotheek van de Brugse academie waar hij leraar was. Ook de achttiende-eeuwse bibliotheek van die academie, heropgebouwd na een brand in 1752, wordt tentatief gereconstrueerd. Uit de analyse blijkt dat vooral de Franse architectuur, en de Noord-Nederlandse ingenieurswetenschappen in trek waren bij deze Brugse architecten. De studie wordt afgesloten met een handig biobibliografisch overzicht over de betrokken architecten. [SVI]


3966– S. DAUCHY& V. DEMARS-SION, La bibliothèque du juriste flamand Georges de Ghewiet in Bulletin de la Commission royale des anciennes lois et ordonnances de Belgique. – Handelingen van de Koninklijke Commissie voor de uitgave der wetten en verordeningen van België, 48, 2007, p. 277-320.
Een exemplaar van de veilingcatalogus van de bibliotheek van de rechtsgeleerde Georges de Ghewiet (1651-1745) bevindt zich in de Stadsbibliotheek van Rijsel. Nog geen twee maanden na zijn overlijden werd de bibliotheek van de Ghewiet verkocht (18 juli – 13 september). De catalogus bestaat uit 584 nummers, meer dan 700 titels, die volgens formaat werden gerangschikt. Natuurlijk vormen de juridische werken het zwaartepunt: gewoonterecht, middeleeuws zowel als modern canoniek recht, wetgeving, enz. Geografisch zijn er werken te vinden zowel mbt de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk als mbt de Noordelijke Nederlanden en Italië. Behalve recht is er natuurlijk ook nog klassieke literatuur en geschiedenis, maar ook cartografie, astronomie, tuinbouw en reizen. Aan het eind van het artikel (pp. 281-320) werd een niet becommentarieerde uitgave van de catalogus toegevoegd. [JH]


3967– Stefanie BEGHEIN, Klanken in de kathedraal. Muziekleven en muziekcollectie van de Mechelse 'metropolitaine', ca. 1695-1751 in Handelingen van de koninklijke kring voor oudheidkunde, letteren en kunst van Mechelen, 112, 2008, p. 77-103.
Naast informatie over het muzikale personeel van de Sint-Rombouts in de periode ca. 1695-1751, biedt deze studie een bijdrage tot de muziekbibliotheek van de kathedraal. Zowel de acquisitie van nieuwe muziek, hetzij als eigen productie door huiscomponisten, hetzij door aankoop of schenking, wordt via archivalische bronnen toegelicht. In de achttiende eeuw werden twee inventarissen opgesteld, waaronder één van de rijke collectie Italiaanse muziek, afkomstig uit een schenking van Corneille van den Branden de Reeth (1690-1761). Een belangrijk deel van die schenking, trouwens allemaal handschriften, is ook bewaard gebleven in het Aartsbisschoppelijk Archief, en werd ter plaatse bestudeerd. Op het einde van het artikel (bijlage 4) staat een verdienstelijke catalogus; uit een eerste vergelijking met RISM blijkt dat slechts 4 van de 141 composities daarin vermeld staan. [SVI]


3968– Noël GOLVERS, De Leuvense universiteitsbibliotheek, work in progress in Ex officina. Bulletin van de vrienden van de Leuvense Universiteitsbibliotheek, 22, 2009, 2, p. 4-5.
Korte uitgave met vertaling van een verslag van een bezoek van de Portugese diplomaat Luis da Cunha aan de Leuvense universiteitsbibliotheek in 1727. Die werd op dat moment verbouwd, en de boekencollectie liet maar een magere indruk na. Da Cunha slaagde er wel in de plannen van de architect te kopiëren. [SVI]


3969– D. LYNA, De geboorte van de moderne veiling: specialisering en commercialisering van publieke verkopen in achttiende-eeuws Antwerpen in Tijdschrift voor sociale en economische geschiedenis, 5, 2008, 4, p. 87-106.
In de achttiende eeuw scheidden de kunst- en boekveilingen zich af van het 'gewone' tweedehandscircuits. Kunsthandelaars en boekverkopers speelden daarbij een steeds belangrijkere rol, terwijl de officiële roepers van de oudekleerkopersgilde slechts een ondersteunende functie hadden. Uitgeverszoon G.J. Bincken begon zijn carrière zelfs als gezworen roeper, en volgde pas later zijn vader op als boekverkoper. Boekhandelaar Jean-François de Bock daarentegen evolueerde van drukker van veilingcatalogi tot roeper (de oudekleerkopers slaagden er onvoldoende in hun monopolie te beschermen). Belangrijk is ook de locatie van de veiling: gebeurde deze aanvankelijk op de Vrijdagmarkt of in het sterfhuis, vanaf de tweede helft van de 18de eeuw werden steeds vaker comfortabele zalen aan de rand van de stad gebruikt; er ontstond ook een aparte verkoopscultuur, gericht op een nieuw doelpubliek: de bibliofiele verzamelaar. [SVI]


3970– Claude SORGELOOS, Les réseaux commerciaux de Guillaume Fricx, imprimeur et libraire à Bruxelles (1705-08) in Urban networks and the printing trade (zie nr. 3883), p. 1-37.
In Brussel werd drukkerij-uitgeverij Mommaerts vanaf 1688 voortgezet door Eugène-Henri Fricx (1644-1730) en zijn opvolgers. Van diens zoon Guillaume (1675-1712) is een bedrijfsdagboek bewaard (Stadsarchief Brussel, Oud Archief 3438) over de periode 23 oktober 1705 – 2 januar1708i 1708. S. analyseerde het netwerk dat in al die cijfers schuilt: aankopen bij Brusselse collega’s, bij collega’s in Antwerpen (Moretus, Van Soest, Foppens), en, eenmalig, in Ieper (Remi Noël). Op de internationale markt koopt hij in Frankrijk, (Prinsbisdom) Luik, Duitsland, Engeland en vooral Nederland. Het gaat niet enkel om boeken, maar ook om papier en kantoorbenodigdheden. Fricx exporteerde naar dezelfde regio’s eigen drukwerk (o.m. zijn bestseller Notarius belgicus van J. Huygens), maar ook publicaties van andere uitgevers. Voorbeeldige, rijk gedocumenteerde aanzet tot verder onderzoek van Fricx’ talloze collega’s in binnen – en buitenland. [MdS]


3971– Paul BRUYERE, Une oeuvre inconnue de Pierre-Corneille Blessebois in Le livre et l'estampe, 54, 2008, 170, p. 71-85.
A. bespreekt een recent opgedoken exemplaar van een slechts fragmentair bekende Luikse druk uit 1678, die nu aan de drukker Antoine Le Noir kan worden toegeschreven. Het betreft een anoniem toneelstuk over Sint-Lambertus, door Pierre Corneille Blessebois (een tweede editie vermeldde geen auteursnaam). Blessebois was een reizende broodschrijver met een slechte reputatie; het toneelstuk toont welke tactieken hij als schrijver gebruikte om zijn uitgever en het lezerspubliek te overtuigen van zijn literaire kwaliteiten. [SVI]


3972– Claude SORGELOOS, Lire la Chine dans les Pays-Bas autrichiens et la principauté de Liège in Brigitte D'Hainaut-Zveny & Jacques Marx (eds.), Formes et figures du goût chinois dans les anciens Pays-Bas. – Bruxelles: Editions de l’université de Bruxelles, 2009, p. 123-145. (= Etudes sur le 18e siècle, 18).
Interesse voor China is er reeds heel lang: in de 17de eeuw zijn het de Antwerpse drukkers die werken met betrekking tot China verspreiden: Trognesius, Moretus, Meursius. In de 18de eeuw wordt China vooral een aangelegenheid van Luik en Brussel, een enkele keer Bouillon. Alle mogelijke aspecten komen aan bod: taal, politiek, literaire verwerkingen, satire en de Verlichting. Op basis van een aantal boekhandelcatalogi kan A ook de plaats bepalen van boeken over China die verkocht worden in boekhandels: ook moeten we rekening houden met een aantal lacunes en de specificiteiten van dergelijke bronnen, uit de steekproef blijkt dat in heel wat catalogi dergelijke boeken voorkomen: bij Georges de Backer en Pierre Vasse, H-F. t’Serstevens, Le Charlier en Joseph Ermens te Brussel, Henri Hoyois in Mons, G. Berbie en H. Bincken in Antwerpen. Op basis van veilingcatalogi gaat A op zoek naar werken over China in privébibliotheken: hij komt oa terecht bij Karel van Lorreinen, graaf Cobenzl, Neny, graaf de Calenberg, schepen Mols en burgemeester Van Schorel in Antwerpen, graaf Charles de Proli, in Brugge bij schepen Custis, in Gent bij Dominique Bernard Lemmens, enz. Ook in kleinere veilingcatalogi worden soms werken en voorwerpen uit China gevonden. Wat de religieuze instellingen betreft zijn de Jezuïeten bezitters geweest, alsook het kapittel van Doornik. Nieuhoff, Kircher en Du Halde houden een eeuw lang hun waarden maar evolueren: van encyclopedie naar objet de curiosité.
Een mooi artikel over een mooi onderwerp, en voor wie niet begaan is met boeken over China in de noten zijn er talrijke bibliografische verwijzingen naar de catalogi. De moeite waard. [JH]


3973– L. VANDAMME, Het Medicyn Boexken van chirurgijn Willebald David, 1765 in Biekorf, 108, 2008, 1, p. 46.
Een exemplaar van een goedkope medische handleiding uit de collectie van Karel Jonckheere, nu in de OB Brugge, is aanleiding voor deze korte reflectie over het gebruik van dit soort boekjes op het platteland door lager geschoolde chirurgijns. [SVI]


3974– Pierre SWIGGERS, The Elements of the Irish Language (Leuven, 1728) van Hugh MacCurtin in Ex officina. Bulletin van de vrienden van de Leuvense Universiteitsbibliotheek, 22, 2009, 3, p. 2-3.
A. beschrijft een zeldzame Ierse grammatica, gedrukt in Leuven in 1728 door Martinus van Overbeke. Het Iers College zorgde al in de 17de eeuw voor een belangrijke Ierse aanwezigheid in de universiteitsstad, en liet ondermeer in 1611 de allereerste Ierse letters graveren. In de Elements werden waarschijnlijk nieuw gegoten letters op basis van deze set gebruikt. [SVI]


3975– Dries LYNA & Ilja VAN DAMME, A strategy of seduction? The role of commercial advertisements in the eighteenth-century retailing business of Antwerp in Business History, 51, jan. 2009, p. 100-121.
A. onderzoeken de rol van krantenadvertenties in de opkomst van de consumptiemaatschappij in het 18de-eeuwse Antwerpen, meer bepaald de aankondigingen in de Gazette van Antwerpen. Omwille van het toenemende aantal advertenties bracht drukker Jean François van Soest wijzigingen aan in de lay-out. Enkele slordigheden in de boekhistorische context: Joannes Grangé was nooit de drukker van de Gazette, de (dure) advertentie die A. vonden in de papieren van kanunnik Bruyninckx (p. 107) hebben mogelijk te maken met het drukken van de veilingcatalogus zelf of een affiche die de veiling aankondigde. Het aantal abonnementen wordt met 700 onderschat (p. 107): redacteur Van der Sanden sprak rond 1778 van 1295 exemplaren. De toename van advertenties in Antwerpen loopt gelijk met die in de omringende gebieden (Engeland, Frankrijk, Verenigde Provinciën), maar er werd geen causaal verband gevonden met de opkomende consumptiemaatschappij. De krantenadvertentie was voor vele verkopers niet het juiste medium om hun waren aan de man te brengen. Advertenties waren niet wervend, maar eerder informerend. In de omvangrijke bibliografie ontbreekt helaas H. van Goinga's Alom te bekomen waar A inzichten over advertenties voor boeken hadden kunnen vinden die misschien algemener van toepassing waren, bijv. dat veel advertenties niet de consument maar de gespecialiseerde distributeur als doelpubliek hadden. [SVI]


3976– Pierre DELSAERDT, Pierre Lambinet (1742-1813) et les débuts de l'histoire du livre en Belgique in Quintessence of Lives (zie nr. 3950), p. 293-318.
Lambinet publiceerde in 1798 het eerste grondige onderzoek over Belgische incunabels. Hij gebruikte dit werk om zich te profileren in de république des lettres. A laat zien hoe Lambinet grondig te werk ging en zich zo veel mogelijk op autopsie van de boeken zelf baseerde. Zijn netwerk was daarvoor onontbeerlijk. [SVI]


3977– Jeroom VERCRUYSSE, Bibliographie descriptive des écrits du prince de Ligne. – Paris: Honoré Champion, 2008. – 560 p. (Histoire du livre et des bibliothèques, 10). – ISBN 978-2-7453-1621-9.
Na de uitvoerige bibliografie van werken over de Charles Joseph de Ligne in 2004 zorgt A. nu ook voor een verzorgd uitgegeven en zeer gedetailleerde bibliografie van werken van de ‘roze prins’. Bijzondere zorg is daarbij besteed aan het uitroeien van de talrijke spookedities. De werken staan gerangschikt onder het jaar van hun eerste verschijning in druk, met telkens een wetenschappelijke inleiding en daaronder een opsomming van alle edities. Edities vóór 1830 worden gedetailleerd beschreven, met een quasi-facsimiletranscriptie van de titelpagina, een collatieformule en vindplaatsen van exemplaren. Ook fragmenten in andere werken en hedendaagse bronnenedities worden opgenomen. [SVI]


3978– Joost KLOEK, Een medium voor platterts. De opkomst van het literaire tijdschrift in de achttiende eeuw in Noord-en Zuid-Nederland in De tekst & de drager (nr. ), p. 211-222.
A. beschrijft vooral Noord-Nederlandse literaire tijdschriften, maar besteedt op het einde ook aandacht aan het enige (bekende) zuidelijke tijdschrift: de Vlaemsche indicateur. Veel meer dan het samenvatten van de studie van Smeyers (1995) en oproepen tot meer studie doet hij helaas niet. [SVI]


3979– Theo CLEMENS, De Antwerpse suffragiën (1703-1739). Het wegen van een gedrukte bron (vervolg) in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 61-114.
Na een eerste kennismaking met de suffragiën en hun complexe problematiek (3824) wil A nu de manier bekijken waarop deze maandbriefjes werden geproduceerd en gedistribueerd, en hoe ze functioneerden in de catechetische context. In de eerste plaats blijkt dat de productie van de maandbriefjes chronologisch én geografisch veel ruimer is aanvankelijk verwacht. Er zijn aanwijzingen voor een sterke stijging van de oplage, wat wijst op de populariteit van de maandbriefjes. [SVI]


3980– Theo CLEMENS, De Antwerpse suffragiën (1703-1739). Het wegen van een gedrukte bron (slot) in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 87, 2009, 1, p. 85-114.
Aansluitend op de analytische studie van de maandbriefjes (nr. 3979. – ) gaat A nu op zoek in archiefbronnen om de initiatiefnemers op te sporen. Spilfiguur is Henricus Norbertus Le Merchier, kanunnik van het Sint-Jacobskapittel; later erft het het college van pastoors van Antwerpen de verantwoordelijkheid. Zij komen ondermeer in conflict met drukker Robyns, die een privilege aanvroeg voor het drukken van suffragia. Tot het einde van de negentiende eeuw blijven de Antwerpse stadspastoors maandbriefjes uitgeven. Ook buiten het bisdom Antwerpen vonden ze gretig aftrek, ondanks het feit dat ze verdacht werden van jansenistische invloeden. [SVI]


3981– Marie CORNAZ, Les éditions musicales publiées à Bruxelles au XVIIIe siècle (1706-1794). Catalogue descriptif et illustré. Bruxelles [etc.]: Peter Lang, 2008. – 321 p. (Études de musicologie, 2). ISBN 978-90-5201-480-7
Belangwekkende beschrijvende inventaris van Brusselse muziekdrukken 1706-1794. Ontsloten door verscheidene registers: "Index des oeuvres" (p. 293-302) en een "Index des personnes citées" (p. 303-321). In dat laatste register schuilen ook de namen van drukkers en uitgevers: de belangrijkste was duidelijk Van Ypen (& Mechtler/Pris). [MdS]


3982– Jan ROEGIERS, At the Origin of Revolution: Printing in Exile in Quaerendo, 38, 2008, 4, p. 322-332.
Net als bij de Franse Revolutie werd de Brabantse Omwenteling voor een belangrijk deel gedreven door pamfletten. Doordat de overheid hard optrad tegen de schrijvers en drukkers hiervan, vluchtten dezen naar het buitenland, o.a. Luik (Sint-Truiden). Daar vonden de ballingen elkaar, wat de pamfletproductie alleen maar verhoogde. Hetzelfde gebeurde bij de Vonckisten die na de interne machtsstrijd in de Verenigde Nederlandse Staten naar Noord-Frankrijk vluchtten. [SVI]


3983– Mimi DEBRUYN, De wondere wereld van een 18de-eeuws receptenboek voor konst-schilders, vernissers, vergulders en marmelaers in Monumenten en Landschappen, 29, 2010, 6, p. 4-19.
A beschrijft een receptenboek, de Nieuwen verlichter der konst-schilders, vernissers, vergulders en marmelaers, uitgegeven in Gent door Gimblet in 1777. De recepten die daarin worden beschreven zijn nuttig voor kunsthistorici en restauratoren omdat ze de oude werkwijzen zeer gedetailleerd beschrijven. Het boek is wellicht geschreven door verschillende auteurs. Ook andere gelijkaardige publicaties komen in het artikel aan bod. [SVI]


3984– Berry DONGELMANS & José de KRUIF, Technische vooruitgang zoekt gretig publiek. Het boekbedrijf in de negentiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 17, 2010, p. 220-252, ill.
In het begin van de 19de eeuw richtte het boek zich tot een elite; op het einde van die eeuw is het een massaproduct geworden. Dat is het gevolg van rationalisatie, industrialisatie en mechanisatie. Rationalisatie uitte zich in de specifi¬cering van uitgever versus boekhandelaar, in de versterking van de positie van de auteur (kopijrecht) en in de distributie (commissiehandel i.p.v. ruilhandel). Industrialisatie en mechanisatie betekenden het overstappen van de houten handpers naar de ijzeren pers en daarna naar cilinder- en rotatiepers. Dan volgden de zetmachines: mono- en linotypezetmachines komen in gebruik voor goedkope productie (kranten, brochures en tijdschriften). Boeken zijn nog lang met de hand gezet. Door de nieuwe productiewijzen stijgt het titelaanbod. Novi¬teiten zijn: het kinderboek en de literaire series. Pamfletten ruimen de baan voor tijdschriften en brochures. Het overzicht is exclusief op de evolutie in Nederland ge¬stoeld, maar men herkent een soortgelijke evolutie in België (mechanisatie in de krantenwereld via de rotatiepers, terug¬houdendheid van de uitgevers bij de erkenning van het kopij¬recht van buitenlandse auteurs). [WW]


3985– Paul HUYS, Een brief van Julius de Praetere vanuit Zürich (1907) in Contactblad van de Kring voor geschiedenis en kunst van Deinze en de Leiestreek, 29, 2009, 2, p. 3839-3841.
Brief van Julius de Praetere aan Armand Pauwels waarin sprake is van een ex libris en een ex libristentoonstelling. Met transscriptie en kopie van de brief. [JH]


3986– Adrienne FONTAINAS, Une illustration de l'imaginaire de Maurice Maeterlinck: Auguste Donnay in Le livre et l'estampe, 54, 2008, 170, p. 7-40
De Fransschrijvende Vlaming Maurice Maeterlinck en zijn Brusselse uitgever Edmond Deman vonden in de Waalse symbolistische kunstenaar Auguste Donnay (1862-1921) de ideale illustrator voor Maeterlincks toneelstukken. Een fijne analyse door dé kenner van Deman. [MdS]


3987– Céline DE POTTER, Les illustrateurs belges en France de 1919 à 1939. Jean de Bosschère [!], Frans Masereel, Frans De Geetere, Luc Lafnet. Pratiques et réseaux in Denis Laoureux (ed.), Peintres de l'encrier: le livre illustré en Belgique (XIXe-XXe siècle). Actes du colloque international organisé par le Groupe de Recherche en Art moderne de l'Université libre de Bruxelles les 6 et 7 mars 2009 = Le livre et l’estampe, 55, 2009, 171, p. 155-183
Korte verkenning van het aandeel van Belgische kunstenaars in de wereld van het geïllustreerde boek in Frankrijk. [MdS]


3988– Ingrid GODDEERIS, L'Art (1875-1907). Une revue illustrée fondée par le critique et marchand d'art belge Léon Gauchez in Peintres de l'encrier (zie nr. 3987), p. 19-47.
Kunstcriticus Léon Gauchez (1825-1907) richt in 1875 in Parijs L’Art. Revue hebdomadaire illustrée op. Dat blad zal de artistieke wereld bij een groter publiek brengen. De overvloedige illustratie, soms met primeurs van levende kunstenaars, maakte dat de eigentijdse kunst snel weerklank vond. Naast het tijdschrift redigeert hij ook reeksen als Les artistes célèbres en La Bibliothèque internationale de l’art. [MdS]


3989– Adrienne FONTAINAS, Deux précurseurs: la revue Le Réveil (1892-1896) et l'éditeur Deman in, Peintres de l'encrier (zie nr. 3987), p. 49-71
Onderzoek naar de relatie tussen uitgever Edmond Deman, het tijdschrift Le Réveil en de vormgeving van boeken door beeldende kunstenaars als Charles Doudelet en Théo van Rysselberghe. [MdS]

 


3990– Noémie GOLDMAN, De la page aux cimaises. Le livre illustré et le groupe des XX (1884-1893) in Peintres de l'encrier (zie nr. 3987), p. 73-99
Verkenning van de groep rond Les XX en hun betrekking met boekillustratoren zoals F. Rops. In bijlage een overzicht van "Les illustrations exposées aux Salon des Vingt" (1885-1893). [MdS]


3991– Thomas COOMANS, Livres manuscrits et imprimés néo-gothiques en Belgique. Un art élitaire, historiciste, catholique ou national in Peintres de l'encrier (zie nr. 3987), p. 101-125.
De neogotiek lijkt een heel duidelijke strekking te zijn geweest. toch is dat schijn. C. onderscheidt drie fases: (a) een "néo-gothique troubadour", ontstaan uit het romantisch historicisme; (b) een "néo-gothique érudit", gestoeld op nationale identiteit; (c) een "néo-gothique idéologique" als wapen in de katholieke propaganda. Hij belicht ook even het verband tussen neogotiek en art nouveau. [MdS]


3992– Véronique JAGO-ANTOINE, Sens dessus dessous: tribulations de l'image et du texte dans trois livres-ateliers de Jean de Boschère in Peintres de l'encrier (zie nr. 3987), p. 185-214
De relatie tekst-beeld in drie "livres d’artiste" van Jean de Boschère (1878-1953): Métiers divins (1913), 12 Occupations (1916) en Le Bourg (1922). [MdS]


3993– Marcus DE SCHEPPER, An KELDERS & Jan PAUWELS (red.), In de ban van boeken. Grote verzamelaars uit de negentiende eeuw in de Koninklijke Bibliotheek van België. 1 februari. – 23 augustus 2008. – Brussel: Koninklijke Bibliotheek van België, 2008. – 217 p.: ill.; 27 cm. – ISBN 90-6637-145-5
Tentoonstellingscatalogus die een bijdrage wil aan geschiedenis van de KB en die tegelijk het patrimonium van de bibliotheek ontsluit. Van de 20 boekverzamelaars (van Hulthem, Heber, Lammens, van de Velde, le Candele de Ghyseghem, Willems, Borluut de Noortdonck, Müller, de Jonghe, van Alstein, gravin de Lalaing, Fétis, Phillipps, Serrure, Goethals, van Arenberg, Capron, Vergauwen, Faber en Helbig) wordt een biografie gegeven met natuurlijk aandacht voor de karakteristieken van hun boekcollectie. Een vijftal boeken, zowel handschriften als gedrukte werken, zowel efemeer drukwerk als monumentale edities, uit hun collectie die zich in de KB bevinden worden voorbeeldig afgebeeld en omstandig toegelicht door specialisten. Daarbij gaat de aandacht niet alleen naar de inhoud van het werk, maar wordt het werk ook gesitueerd in de collectie van de voormalige bezitter. Een modelcatalogus die elke bibliotheek die zichzelf respecteert en zijn schenkers/mecenassen eert zou moeten maken. Dit smaakt naar meer. [JH]


3994– L. VANDAMME, Verzamelaars in de ban van boeken in Biekorf, 108, 2008, 2, p. 237-9.
Bespreking van de tentoonstellingscatalogus "In de ban van boeken" (zie nr. 3993) met aandacht voor Jules Capron (1829-97), Iepers bibliofiel. [JH]


3995– François DE CALLATAY & Claude SORGELOOS (eds.), Renier Chalon alias Fortsas. Un érudit malicieux au mitan du XIXe siècle. – Morlanwelz: Musée royal de Mariemont, 2008. – 156 p.: ill. (Monographies du Musée royal de Mariemont 16). – ISBN 2-930469-19-6.
Bundel met 10 artikels over de 19de-eeuwse bibliofiel en numismaat Renier Chalon (1802-1889). Behalve van een biografie van de hand van de editors, wordt natuurlijk veel aandacht besteed aan de catalogue du bibliothèque de Fortsas het bibliofiel evenement van de 19de eeuw dat op een sisser uitliep. Paul Aaron schetst de situatie, Claude Van Loock en Sorgeloos bespreken de catalogus waarvan een facsimile wordt afgedrukt. Andere aspecten die aan bod komen zijn Chalon de historicus, de bibliofiel, de numismaat, bibliograaf en mecenas en de société des agathopèdes. [JH]


3996– Gerrit VERHOEVEN, "Le libraire de Cogels". Leescultuur en levenscyclus van een Antwerpse elitefamilie (1815-1846) in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 169-188.
Na het overlijden van Adelaïde van Havre (1864), weduwe van Henri Cogels (1774-1846) werd een aparte inventaris van een vierhonderdtal boeken opgesteld. Cogels stamde uit een van de voornaamste Antwerpse families en maakte carrière als politicus, eerst op lokaal, later op provinciaal en nationaal vlak. In zijn archief bleven de afrekeningen met de Antwerpse boekhandelaar (van Franse afkomst) François Ancelle en diens Brusselse collega Simon Berthot bewaard. Cogels bleek een bijzonder ruim interesseveld te cultiveren. Voor een politicus was het aandeel aan boeken over recht zeer bescheiden. Ook religieuze literatuur, die in het ancien regime in bibliotheken sterk vertegenwoordigd was, ontbrak grotendeels, afgezien van enkele prestigieuze en peperdure bijbeluitgaven. Cogels kocht veel geografie en geschiedenis (hoewel geen lokale), maar besteedde ruim de helft van zijn uitgaven voor boeken (jaarlijks ca. 400 francs) aan literatuur. Hij was vooral gebrand op 'nouveautés', recente literatuur: romans, poëzie, liedboekjes, moraliserende verhalen en triviale teksten. In de loop der jaren werd de Franse invloed in zijn bibliotheek overheersend. Ook voor zijn drie kinderen werd kinderliteratuur in ruime mate aangeschaft. Naast Ancelle en Berthot moet Cogels nog andere leveranciers gehad hebben: van kranten en tijdschriften is in hun leveringen niets te bespeuren.
Een interessant gegeven in deze studie is de vergelijking tussen de kwitanties van de twee boekhandelaars en de inventaris van 1864. Daaruit blijkt dat Cogels zijn 'nouveautés' regelmatig opgeruimd heeft. Met enige reserve ziet de auteur deze houding als symptomatisch voor het afscheid van 'de bijna sacrale omgang met boeken' in het ancien regime tegenover een meer utilitaire en functionele houding die zou toenemen in de negentiende eeuw. [WW]


3997– Johan EECKELOO, François-Joseph Fétis and the Brussels Conservatory Library in Marie Cornaz, Valérie Dufour & Henri Vanhulst (eds.), François-Joseph Fétis (1784-1871). Actes du colloque international ... 15-16.XII.2006. = Belgisch tijdschrift voor muziekwetenschap, 62, 2008, p. 135-146.
F. – J. Fétis kwam met een pak bibliotheekervaring uit Parijs naar Brussel. Naast zijn privéverzameling behartigde hij ook de belangen van een institutionele collectie, die van het Brusselse Conservatorium. Zo haalde hij de collectie van de Duitse organist J. H. Westphal (1756-1825) naar Brussel. Uit de gedrukte bibliotheekcatalogus door M. van Lamperen uit 1870 blijkt hoezeer Fétis een encyclopedische muziekverzamelaar was. In bijlage een lijst van door Fétis geschonken stukken. [MdS]


3998– Ludo VANDAMME, Nog West-Vlaamse onderwijzersbibliotheken in Biekorf, 108, 2008, 4, p. 473-474.
De catalogus van de onderwijzersbibliotheek van de kring Wevelgem (schoolkanton Menen) is een brochure (56 blz.), gedrukt door Paul Denys, drukker-boekhandelaar te Komen. De titelpagina is tweetalig, het binnenwerk daarentegen Frans. Na het reglement van de bibliotheek volgt de lijst van beschikba¬re boeken, gegroepeerd in veertien rubrieken met de Neder¬landstalige titels op kop. Die catalogus verscheen ca.1900 (jongste boek:1898). Literatuur vormt de grootste rubriek, ook de enige met meer Nederlandse (82) dan Franse (71) titels. Conscience is goed vertegenwoordigd. De tweede grootste groep is de afdeling land- en tuinbouw en bijenteelt.
Er is ook een catalogus uit ca.1899 van Brugse onderwijzersbi¬bliotheken bewaard, onderverdeeld in rubrieken die te verge¬lijke zijn met het exemplaar uit Wevelgem. Deze bibliotheken boden wetenschappelijke en didactische literatuur op alle vakgebieden aan en waren een belangrijk instrument in de pedagogische en intellectuele bijscholing van het onderwijzend personeel. [WW]


3999– Guido HENDRIX, Les livres du recteur P.F.X. De Ram à la bibliothèque de l'abbaye des trappistes à Westmalle in Quintessence of Lives (zie nr. 3950), p. 347-358.
In een kroniek over de abdij van Westmalle, uit 1865, wordt de Leuvense rector de Ram genoemd als één van de schenkers van boeken aan de bibliotheek. A gaat op zoek naar de exemplaren en vindt verschillende exemplaren die hij in groepen opdeelt, al naargelang de schenker zichzelf in het boek vermeldt: enkel de naam, de naam met de toevoegsels "Lov.", "Lov. Presb." of "pr.", met of zonder jaartal. Sommige van de exemplaren hebben herkomstgegevens die verder teruggaan dan de Ram. Zo is de Analogia van M. Becanus afkomstig van de Leuvense professor J. Delvaulx, en zijn twee andere werken afkomstig van priesters uit Nazareth. [JH]


4000– Jan PAUWELS, Une des plus belles pages de l'histoire de la Belgique. Un exemplaire bibliophilique des mémoires de Jean-Joseph Charlier (1853) in Le livre et l'estampe, 54, 2008, 169, p. 51-59.
A koopt een exemplaar van de Memoires van Charlier op een veiling en vindt er een gedeelte, waarschijnlijk een postscript, van het contract tussen auteurs en drukker in. Hieruit blijkt dat de Memoires van Charlier geredigeerd werd door een zekere A. Wester. Wat dat redigeren inhoudt, is onduidelijk, maar uit het contract blijkt dat hij waarschijnlijk de ghostwriter was voor het boek. Tevens valt op dat er in 19de-eeuws België er nog geen echte uitgevers waren (tenzij enkele in Brussel) zodat de kosten ten laste van de auteur waren (zoals in de tijd van Plantijn, 3 eeuwen vroeger!). Een mooie inkijk in de publicatiegeschiedenis van een 19de-eeuws boek. [JH]


4001– Janneke WEIJERMARS, Goede boeken in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden 1815-1830. De verspreiding van het katholieke gedachtegoed door de firma Hanicq te Mechelen, in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 151-167, ill.
Onder leiding van prins de Méan, aartsbisschop van Mechelen, richtte een groep geestelijken, onder wie Jan Baptist David en Petrus F.X. de Ram, in 1825 een 'Vereeniging ter Verspreiding van Goede Boeken' op. Tussen 1826 en 1829 werden 33 teksten uitgegeven. De bedoeling was, het Hollands protestantisme tegen te gaan, in het bijzonder de publicaties van 'Tot Nut van t'Algemeen'. Er werd een reeks opgezet, waarin per maand een boek van ca. 300 bladzijden zou verschijnen. Als publiek zag men de plattelandsbevolking, aan wie de teksten desnoods voorgelezen konden worden. De Mechelse firma Hanicq fungeerde als uitgever. Die propageerde de reeks via intekening: zes boeken in een half jaar voor fl. 1, 90. De oplage schommelde tussen 2500 en 3000 exemplaren, wat als een succes beschouwd werd. De serie bestond alleen uit vertalingen. [WW]


4002– Lisa KUITERT, Schrijven per nummer. Een populair literair medium in de negentiende eeuw in Spiegel der Letteren, 50, 2008, p. 223-235, ill.
Aan het begin van de 19de eeuw werden de meeste nieuwe boeken nog in losse vellen verhandeld. Omstreeks 1830-1840 kwam de uitgeversband tot stand. Toen waren nieuwe romans duur en was de markt ervoor klein. De uitgevers poogden hieraan te verhelpen door nieuwe tegemoetkomingen; zij gaven 'novellen' of 'vertellingen' uit, korte stukjes van ca. 30 bladzijden in gebrocheerde vorm. Deze boekjes waren niet zelden overdruk¬ken uit romantijdschriften. Daarin stonden meestal novellen van ver¬schillende auteurs. Ook waren er romans in afleveringen: de lezer kon aldus de kosten voor aanschaf van zijn lectuur uitsmeren. De uitgever kon met de eerste afleveringen de markt verkennen en de oplage bijstellen. De 19de-eeuwse auteur werd betaald per hoeveelheid geschreven tekst. Langdradigheid en dialogen waren niet zelden het gevolg daarvan. Nog twee opmer¬kingen vanuit de rijke ervaring van Kuitert: 'tensotte waren negentiende-eeuwse uitgevers net zo slim als onze hedendaagse' (p.233) en 'dat het moeilijk te achterhalen is wat de oor¬spronkelijke verschijningsvorm van een boek was, omdat bibliografische gegevens en reclamemateriaal elkaar dikwijls tegen¬spreken' (p.234). [WW]


4003– Jan PAUWELS, Selling the Book Trade: the International Distri¬bution of Nineteenth-Century Book Auction Catalogues from the Southern Netherlands in Quaerendo, 38, 2008, p. 333-345.
Soms eeuwenoude boekencollecties uit religieuze instellingen raakten in de Zuidelijke Nederlanden verspreid op het einde van de 18de en in het begin van de 19de eeuw: na de afschaffing van de jezuïetenorde onder Maria Theresia volgde onder haar zoon Jozef II de opheffing van de beschouwende kloosterorden, waarna de Franse revolutionairen het resterende kerkelijk bezit confisqueerden. Zo konden particulieren binnen relatief korte tijd aanzienlijke bibliotheken aanleggen tegen niet overdreven kosten. Vooral in Gent huisden grote bibliofielen. A. Voisin, bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek, telde er in 1835 48 collecties met een totaal bezit van 200.-000 boeken. Deze bibliotheken kwamen op hun beurt op de markt in de jaren 1835-1865. Pauwels localiseerde 686 Gentse veilingcatalogi uit de periode 1835-1875. Niet alleen Gentse collecties werden er geveild: de goede infrastructuur en een belangstellend koperspubliek bekoorden ook boekeneigenaars van elders. De catalogi werden internationaal verspreid. Neder¬land, Frankrijk en de Duitssprekende landen waren de grootste afnemers. In de tweede helft van de 19de eeuw waren de voor¬naamste kopers niet langer particulieren, maar actieve weten-schappelijke instellingen. [WW]


4004– Anthony GLINOER, La diffusion du livre romantique à Liège: quelques glanes in Histoire et civilisation du livre. Revue internationale, 4, 2008, p. 309-316.
De Franse literatuur van de romantiek werd in de periode voor de Belgische onafhankelijkheid beter ontvangen in Luik dan in Brussel, waar er zelfs een vijandige stemming heerste. Op basis van enkele catalogi, namelijk van boekhandel Collardin uit 1829, en van de leeskabinetten van Duvivier (1834, 1837) en weduwe Castiaux-Massart (1844) gaat A na welk soort romans vooral verspreid worden en hoe de romantische boeken en die van hun concurrenten, de klassieken, in het prinsbisdom werden verspreid. Opmerkelijk is dat in de periode voor de onafhankelijkheid de meest populaire auteurs (Madame de Montolieu, Madame de Genlis, Auguste La Fontaine, …) niet behoren tot het literaire pantheon van de romantiek. Wat het genre betreft zijn het vooral de "frenetieke" romans die in trek waren. Het jaar 1830 markeert het ontstaan van een nationale Belgische literatuur en vindt zijn weerslag uin de catalogi: de historische roman en de fantastische vertellingen breken ten volle door (Walter Scott, Hoffmann, Janin, Chasles, Balzac, Hugo, …). [JH]


4005– Cees VISSER, Streuvels' Vlaschaard honderd jaar in De Boekenpost, 16, 2008, 95, p. 7-9.
Artikel naar aanleiding van 100 jaar De Vlaschaard. Het artikel wordt geïllustreerd door een aantal afbeeldingen met bandontwerpen van het boek. Aan het eind wordt de Streuvelsverzameling van Paul Thiers belicht. [JH]


4006– Guido LANDUYT, De Lancasterscholen in de Kempen onder Willem I in Taxandria, 80, 2008, p.307-328, ill.
De Engelse quaker Joseph Lancaster opende in 1798 een school voor arme kinderen in Londen. Alle kinderen werden in één lokaal ondergebracht en door slechts één onderwijzer onderwe¬zen. Hierin werd hij bijgestaan door de beste leerlingen, die als monitoren oefeningen bij de andere kinderen indrilden. Het onderricht was strikt hiërarchisch georganiseerd en er heers¬te een ijzeren tucht. In 1815 raakte het Lancaster-systeem bekend in Frankrijk en bereikte het ook de Antwerpse autori¬teiten. Het was aantrekkelijk, want de goedkoopste vorm van armenon¬derwijs: er moest maar één onderwijzer betaald worden en de kinderen dienden slechts twee jaar naar school te gaan voor de hele cyclus. Jan Frans van de Gaer werd als onderwij¬zer door de stad aangeworven en startte in 1819. In 1820 verscheen een eerste 'Leesboeksken' (Antwerpen, J.B. Schoeset¬ters). Het Lancaster-systeem had succes in Antwerpen, Brussel en de Kempen en bleef in voege tot de eerste organieke wet op het lager onderwijs in 1842. [WW]


4007– Claire SQUIRES, Books Without Borders? Readers, Writers and Publishers in the Global Literary Marketplace in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 2, p. 133-152.
Schriftelijke neerslag van de lezing die Claire Squires op 20 mei 2010 gaf voor de jaarlijkse Leerstoel boek.be (Universiteit Antwerpen). Vertrekkend van het faillissement van de bekende boekenketen Borders maakt de aan de Universiteit van Stirling verbonden academica in gedachten een reis kriskras over het aardoppervlak om enkele soms ogenschijnlijk weinig met elkaar verband houdende plekken (Londen, China, Egypte, Peru, Schotland, ...) en fenomenen (internationalisering, piraterij, digitalisering, censuur, ...) in een wel degelijk inzichtrijk verband te plaatsen. [KA]


4008– Laurens van KREVELEN& Adriaan van der WEEL, De stormachtige evolutie van de boekcultuur: het Nederlandse boek in de twintigste en eenentwintigste eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 17, 2010, p. 253-300.
Heldere synthese van de 20ste- en 21ste-eeuwe geschiedenis van het Nederlandse boek. Aandacht voor het Nederlandstalige boekbedrijf in België is er slechts kort en terloops in een paragraaf over Vlaams-Nederlandse samenwerking in de jaren 1970, i.e. voor wederzijdse vertegenwoordiging, fusies en overnames alsook initiatieven van de Nederlandse Taalunie ter bevordering van (boeken)marktintegratie. Het gebrek aan succes van deze Taalunie blijkt indirect dus fraai uit dit artikel, waarvan in de inleiding van deze 17de editie van het Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis was opgemerkt dat Nederlands rijksgrenzen er de ambitie van mochten inperken. Dat geldt uiteraard niet als het over de periode voor 1585 gaat; dan blijken de gebeurtenissen in de graafschappen Vlaanderen en Brabant voldoende prestigieus om even te annexeren. In de bibliografie van onderhavig artikel blijft de Nederlandse focus strikt gehandhaafd, wat ertoe leidt dat de van fouten en onnauwkeurigheden uit haar boekband barstende studie Goud op snee van J. Van Rosmalen (1985) wél wordt gesignaleerd en Ludo Simons’ tweedelige naslagwerk over de uitgeverij in Vlaanderen niet (het bevat nochtans niet weinig informatie bevat over het Nederlandse boekbedrijf en Vlaams-Nederlandse samenwerkingen). [KA]


4009– Martijn VAN GRONINGEN, Het vak van de vormgever. Een verslag van het Zomertyposium 2007 van Initiaal in De Gulden Passer, 86, 2008, p. 201-208.
Bespreking van het ‘zomertyposium’ dat Initiaal, de vereniging voor oud-studenten van de door het Plantin Genootschap georganiseerde ‘expert classes’, op 25 augustus 2007 organiseerde rond het thema ‘praktijk van typografische vormgeving.’ De uiteenzettingen van de vier sprekers – achtereenvolgens Tessa van der Waals, Mathieu Lommen, Jan de Jong en Just Enschedé – worden door Van Groningen kort samengevat. [KA]


4010– Martijn VAN GRONINGEN, Over yin en yang van taal en beeld in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 2, p. 165-169.
Verslag van het Zomertyposium georganiseerd door Initiaal op 28 augustus 2010. De bijdragen van volgende sprekers worden kort samengevat en geïllustreerd met enkele voorbeelden: Jos van den Broek (auteur van het boek Beeldtaal, 2010), Klaas Verplancke (kinderboekenillustrator) en Geert De Weyer (striprecensent). [KA]


4011– Pascal DE SADELEER (ed.), Henry Van de Velde. Art Nouveau Bookbinding in Belgium (1893-1900). – Brussels: Bibliotheca Wittockiana, 2010. – 267 p.
Imposante en fraai vormgegeven "definitieve" publicatie over de boekbanden ontworpen door Henry van de Velde (1863-1957), sleutelfiguur van de Art Nouveau in België en Duitsland. Hij verwoordde niet alleen de theorie, maar paste haar ook toe in talloze domeinen van de kunstwereld: architectuur, meubilair, gebruiksvoorwerpen, lay-out van boeken enz. Van de Velde was een boekenman: hij schreef boeken, gaf er vorm aan en ontwierp hun versiering, van de (tekst)illustratie tot de ornamenten en het decor van hun banden. Over dit laatste handelt deze rijkelijk geïllustreerde uitgave. Paul Culot schreef een fijne synthese ter inleiding: "Henry Van de Velde et les Arts du Livre (p. 20-24). Kathleen de Muer analyseerde in "La Beauté est une arme!" Van de Veldes theoretische geschriften (p. 56-65). Pascal de Sadeleer vertelt over "Petites histoires à propos de grandes découvertes" (p. 77-81). Pièce de résistance is het door De Sadeleer samengestelde "Corpus" (p. 89-267). Daarin behandelt hij systematisch en descriptief onder meer "Reliures à décor unique", "Reliures inconnues de Van de Velde", "Les dérives de Paul Claessens", "Ornementation comparée à encadrement de Van de Velde", "Caronnages, papiers de garde et papiers peints", "Petites reliures de Paul Claessens". Een "Répertoire des catalogues et de la critique" (p. 228-263), een "Répertoire des fers de Van de Velde" (p. 264-265) en een bibliografie maken deze grondige studie tot een naslagwerk, niet enkel voor Van de Velde, maar ook voor de geschiedenis van de boekband en de boekversiering in België in die periode. Dit boek hoort thuis in elke bewaar- en museumbibliotheek. [MdS]


4012– Jozef GLASSÉE, Unremitting generosity. Antwerp patrons' societies cooperate for the benefit of a new Municipal print room (1926-1934) in De Gulden Passer. Tijdschrift voor Boekwetenschap, 88, 2010, 1, p. 121-147.
Dit artikel reconstrueert de van 1926 tot 1934 durende samenwerking tussen het Bestendig Dotatiefonds voor de Stadsbibliotheek (tegenwoordig Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience) en het Museum Plantin-Moretus, en de Maatschappij ter volledigmaking van het Antwerpsch Museum, onder het motto Artibus Patriae, om voornamelijk Antwerpse en met Antwerpen verband houdende topstukken aan te kopen voor een stedelijk prentenkabinet. Om een en ander te duiden maakt de auteur daarbij gebruik van inzichten van D.J. Sherman. Hoofdrollen zijn er voor Maurits Sabbe, directeur van het Museum Plantin-Moretus, de vermogende verzamelaar Georges Caroly en bovenal voor de geslepen kunstkenner en schrijver Ary Delen, destijds in dienst van het Museum Plantin-Moretus. Daarnaast wordt uitvoerig stilgestaan bij de verkoop van de Oude Meesters-collectie Clément van Cauwenberghs, die in 1926 de aanleiding was voor de samenwerking tussen het Dotatiefonds en Artibus Patriae, het cruciale mecenaat van de in Antwerpen aanwezige Duitse industriëlen en bankiers, en de uiteindelijk nooit gerealiseerde plannen voor een nieuw stedelijk prentenkabinet. Ook de inbedding van een prentenkabinet in een nog op te richten Rubensmuseum kwam niet van de grond. De collectie die mede dankzij de in dit artikel centraal staande samenwerking tot stand kwam en onder meer tekeningen van Rubens, Van Dijck en Jordaens bevat, is ondergebracht in het Stedelijk Prentenkabinet in het Plantin-Moretus Museum. [KA]


4013– Piet BUIJNSTERS, "Suikerjan" of de perversies van een boekenverzamelaar in De Parelduiker, 13, 2008, 3, p. 50-69.
Buijnsters levert met dit portret van de legendarische Antwerpse verzamelaar en bibliofiel Henri Louis Dirkx (1904-1980) een fraai voorschot op zijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie die in 2010 zou verschijnen bij Vantilt in Nijmegen (zie nr. 3888). Dirkx, die decennialang aan de St. Jacobsmarkt onder de naam Suikerjan een winkel in ambachtelijk suikergoed uitbaatte, bracht in de 20ste eeuw een van de indrukwekkendste Belgische verzamelingen van manuscripten en bibliofiele uitgaven tot stand. Stukken van Hendrik Conscience, Karel van de Woestijne en bovenal Guido Gezelle en Honoré de Balzac vormden daarvan de kroonjuwelen. Dirkx was bevriend met Felix Timmermans en Maurice Gilliams, onderhield uitstekende contacten met het Amsterdamse antiquariaat Schumacher en zou een grote invloed uitoefenen op Flor Bastaens (1917-1991), een van die andere illustere namen uit de geschiedenis van de Belgische bibliofilie. Na het overlijden van Dirkx eind 1980 werd op 23 juni 1981 het grootste deel van zijn Nederlandse collectie geveild bij Beijers in Utrecht. Handschriften van o.a. Hendrik Conscience (Rikke-tikke-tak), Guido Gezelle en Willem Elsschot (een exemplaar van het beruchte Borms-gedicht) werden afgehamerd op fabelachtige prijzen. Ook een niet van Dirkx afkomstige collectie Jan Greshoff werd toen geveild . Volgens Buijnsters was die van mindere kwaliteit was, maar de 115 brieven van Jan Greshoff aan uitgeefster Angèle Manteau (1911-2008) en haar echtgenoot François Closset (lot 361), die sinds 1981 helaas niet meer boven water zijn gekomen, zou van grote waarde zijn voor de Manteau-studie. Dirkx’ Franse collectie, niet minder indrukwekkend dan zijn Nederlandstalige, werd overigens in Parijs verhandeld. [KA]


4014– Marie-Anne, WILSSENS, Romain VANLANDSCHOOT & Marc REYNEBEAU, De toekomst is al begonnen: 100 jaar Uitgeverij Lannoo: het verhaal van een voorzichtige durver. – Tielt: Lannoo, 2010. – 366 p. – ISBN 978-90-209-8637-2.
Gelegenheidsuitgave verschenen na Uitgeverij Lannoo’s honderdste verjaardag. Zoals de titel van dit boek een verdieping te hoog gaat, telt het boekomslag een auteursnaam te veel. Op basis van een inleiding van tien bladzijden mag Marc Reynebeau namelijk pronken als coauteur naast Romain Vanlandschoot en Marie-Anne Wilssens die de rest van deze ruim 350 bladzijden beslaande boek voor hun rekening nemen. Vanuit boekhistorisch oogpunt is het eerst deel van De toekomst is al begonnen het belangwekkendst. Het behelst de periode 1909-1959 en werd opgetekend door Romain Vanlandschoot, historicus en auteur van de al in 1984 ter gelegenheid van Lannoos 75-jarige jubileum verschenen biografie Joris Lannoo. In tegenstelling tot de twee andere grote delen, die de jaren 1959-1991 en 1991-2009 beschrijven, wordt hierin een inspanning geleverd om een verhaal te vertellen. Het is ook uitvoerig gestoffeerd met archiefmateriaal en bevat diverse aanvullingen op de biografie van Joris Lannoo, die een in 1909 nog door zijn ouders aangekocht drukkerspand in Tielt tot bloei zou brengen en in de tussenoorlogse jaren een van de meest vooraanstaande uitgevers werd in Nederlandstalig België. Naast het verhaal van de firma Lannoo wordt hier bovendien ook aandacht besteed aan andere in de streek actieve drukkers en uitgevers zoals Jules De Meester (Roeselare), Andries Benedict Stéven en Louis François Michiels. Het tweede en het derde deel bevat eveneens tal van gegevens, maar een verhaal valt er niet echt meer in te ontdekken. Veeleer is het een tamelijk vrijblijvende opsomming van titels, auteurs en vormgevers die de almaar meer diverse fondsen van Lannoo in de jaren gestalte hebben gegeven. Een van de interessantste stukken volgt op da valreep nog aan het einde van het boek: een epiloog die een nauwgezette reconstructie bevat van hoe de directie van Lannoo samen met het WPG-concern een deel van de PCM-uitgeverijen (met name Meulenhoff Boekerij en Unieboek/Het Spectrum) inlijfde, een operatie die niet onopgemerkt bleef in de Vlaamse en Nederlandse pers. [KA]


4015– Kevin ABSILLIS, Angèle Manteau and the Indonesian Connection. A Remarkable Story of the Flemish Book Trade after the Second World War in Quaerendo, 38, 2008, 4, p. 346-358.
Uitgeverij Manteau was reeds vanaf de start in 1938 een risicovolle onderneming. In 1957 bevond de uitgeverij zich op de rand van het bankroet. In hetzelfde jaar kwam de belangrijke Nederlandse uitgever W. van Hoeve diep in de financiële problemen te zitten. Deze uitgever had zich volledig gespecialiseerd in het uitgeven van boeken voor de Indonesische markt., maar in de 2de helft van de jaren ’50 verzuurden de relaties tussen Nederland en zijn kolonie. Tekenend hiervoor is dat op 4 december 1957 Indonesië alle Nederlandse publicaties verbant. Alle Nederlandstalige dagbladen worden gestopt en de distributie van alle tijdschriften en boeken in het Nederlands wordt stilgelegd. Naar het voorbeeld van een aantal andere producenten (o.a. tabak) en op aanraden van J. Silitonga, directeur van Soerangan, vereniging van importerende boekhandels, gevestigd in Jakarta, wordt uitgekeken naar een buitenlandse partner. Silitonga stelt voor om van Hoeve boeken te publiceren met het adres van Manteau. Op die manier wordt België en niet Nederland als plaats van herkomst genoteerd. In de herfst van 1959 draagt van Hoeve zijn copyright van wetenschappelijke boeken in het Engels over aan Manteau. Van dan af verloopt elke interactie tussen Den Haag en Jakarta via Brussel en lijken beide uitgevershuizen gered. Manteau ontvangt een commissie op de geëxporteerde boeken, krijgt grote sommen geleend en af en toe betaalt van Hoeve zelfs schulden af van Manteau. Het lijkt nog beter te gaan wanneer Manteau ook kantoorruimte krijgt in Amsterdam. Toch is dit meer schijn dan werkelijkheid. Manteau mag dan wel de zone van het bankroet hebben verlaten, uit de rode cijfers komt het niet. Ook W. van Hoeve is niet echt uit de problemen, en dit blijkt des te meer in 1965 wanneer hij zijn belangen verkoopt aan de uitgeverij Van Goor. Een verkoop met verstrekkende gevolgen voor Manteau. Voor het vervolg zie nr. 3852. [JH].


4016– Co VAN DER ZWET, Vals ingeburgerd. Uitgeversmaatschappij Oceanus 1941-1945 in De Boekenwereld, 25, 2009, 4, p. 274-92.
Artikel over de onmiskenbaar collaboratiegezinde Haagse uitgeversmaatschappij Oceanus, die voor haar oorlogsactiviteiten na de bezetting door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels van de lijst van uitgevers werd geschrapt. De oprichter van het bedrijf, Robert John Goddard (1885-1968), was al in 1924 in Den Haag actief als uitgever onder de naam Uitgeversbureau Boek en Periodiek, een bedrijfje dat alweer snel verdween in de jaren 1930. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog begint Goddard opnieuw, ditmaal onder de naam Oceanus, met kapitaal verstrekt door Mundus, een Duits uitgeversconcern dat in diverse bezette landen filialen oprichtte om nazipropaganda te verspreiden. Goddard zou de hele bezetting trouwens strikt aan de ketting liggen van zijn Raad van Commissarissen. Oceanus zou inzetten op non-fictie en fictie, met enkele in het oog springende literaire namen als P.C. Boutens en Lodewijk van Deyssel. De firma begint zelfs met een Feniks Reeks, die niet mag worden verward met de gelijknamige, in 1933 door de Mechelse (later Antwerpse) uitgeverij Het Kompas opgerichte serie. Na de oorlog tekent Goddard beroep aan tegen zijn schorsing als uitgever. En in mei 1946 kan hij wederom van start gaan met zijn oude uitgeversbedrijf Boek en Periodiek.
De toon van dit artikel mag hier en daar nogal inquisitoir zijn (in die zin sluit het helaas meer aan bij Adriaan Venema’s Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie, dan bij de serenere aanpak van de essaybundel Inktpatronen), maar het is voortreffelijk gedocumenteerd en dist veel wetenswaardigs op, zoals de vondst dat Goddard onder het impressum Boek en Periodiek in de jaren 1946-50 er zowaar nog in slaagde om titels uit het fonds van Oceanus heruit te geven. Met name de fondslijst, die na het artikel is opgenomen, bevat diverse aanknopingspunten voor verder onderzoek. Een lijst met geplande, maar niet verschenen titels onthult dat Oceanus belangstelling had om tijdens de bezetting ook een editie te brengen van Ernest Staes van Antoon Bergman en Bruges la Morte, dat overigens verkeerdelijk aan een ‘A.’ (wellicht Albrecht) Rodenbach in plaats van aan een G. (Georges) Rodenbach wordt toegeschreven. [KA]


4017– Johan DAMBRUYNE, De ontsluiting van een literair bedrijfsarchief: de inventaris van het archief van Orbis en Orion in Annalen van de oudheidkundige kring van het Land van Waas, 112, 2009, p. 355-361.
Op 10 mei 1983 verklaarde de Dendermondse rechtbank van koophandel de NV Orbis en Orion Uitgevers failliet. Het bedrijf kende een lange voorgeschiedenis, maar stond op dat ogenblik bij het brede publiek voornamelijk bekend als de uitgever van encyclopedieën (onder het imprint Orbis), schoolboeken en literatuur (onder het imprint Orion). Om de uitstaande schulden ten belope van maar liefst 360 miljoen frank zo veel mogelijk te delgen werden zoals gebruikelijk curatoren aangesteld. Zij organiseerden op 6 en 7 september 1983 een openbare verkoop van de volledige inboedel van de uitgeverij. De curatoren stelden het Brusselse Rijksarchief, het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven in Antwerpen (nu Letterenhuis) en de Katholieke Universiteit Leuven voor om de vanuit cultuurhistorisch oogpunt meest waardevolle papieren aan de hoogste bieder toe te wijzen, waarna de rest van het archief automatisch aan de koper zou worden geschonken. Het Rijksarchief haalde het met een bod van 100.000 frank (exclusief btw). Meer dan twintig jaar later werd deze collectie ontsloten door Johan Dambruyne. Dit opent fraaie perspectieven voor de historiografie van het moderne Vlaamse boekbedrijf en voor de naoorlogse Vlaamse literatuurgeschiedenis. De ‘geschiedenis van de archiefvormers’, die A onder meer reconstrueerde op basis van interviews met Aloïs Goyvaerts (gewezen gedelegeerd beheerder van Orbis-Orion), is informatief en bevat talrijke aanvullingen op al het wetenswaardige dat Ludo Simons al neerschreef in zijn tweedelige geschiedenis van het moderne Vlaamse uitgeverswezen. In de inleiding wordt voorts zorgvuldig beschreven wat er in het archief zit, hoe het werd ‘geschoond’ en hoe hij deze inventaris heeft opgesteld. De inventaris zelf is mede dankzij een uitgebreide inhoudsopgave en een register op naam van personen, bedrijven, instellingen en verenigingen overzichtelijk. Het pronkstuk van het archief vormen de op auteursnaam gerangschikte publicatiedossiers met correspondentie, (gecorrigeerde) drukproeven, contracten, illustraties, enzovoort, op basis waarvan de ontstaansgeschiedenis van vele honderden uitgaven van (voornamelijk) De Kinkhoren, Desclée De Brouwer en Orion kan worden gedocumenteerd. [KA]

Onbepaald