Kroniek


1971-1972

 
     
     
VWB
Overzicht
  Kroniek [A] (1971)
Kroniek [B] (1972), deel I
Kroniek [C] (1972), deel II
Archives et bibliothèques de Belgique - Archief- en bibliotheekwezen in België, dl. XLII (1971), nr. 3-4 pp. 657-670: nrs. [1]-[33]

KRONIEK DER DRUKKUNST IN DE NEDERLANDEN
TOT 1600

door J. MACHIELS


[1] Deze kroniek die hier voor het eerst verschijnt en die wij hopen regelmatig verder te zetten, stelt zich tot doel een overzicht te geven van wat in het afgelopen jaar, in binnen - en buitenland, in boekvorm of tijdschriftenartikel verscheen over de drukkunst in de Nederlanden tot 1600. Immers noch in 1500 noch in 1540 zien wij een verandering in het boek optreden maar wel op het einde van de 16de eeuw. Het is vooral de drukkunst die ons het meest interesseert; de technische aspecten van het boek en van het drukken, de diverse edities, de bibliografie, de drukkers. De inhoud van het werk is hier voor ons bijkomstig. In een eerste deel worden de algemeenheden besproken, tijdschriften en huldealbums, werken over typographie... Een tweede deel is gewijd aan de incunabelen en, zonder de bedoeling te hebben een nieuwe Campbell voor te bereiden - wat in Nederland gebeurt - worden onbekende edities toch vermeld. Deel drie is gewijd aan de l6de-eeuwse drukkers en hun edities. Een vierde deel, een kroniek der veilingen en antiquariaatscatalogi, releveert de typographische zeldzaamheden zonder in pure bibliophilie te vervallen.
[2] Aan het opzet, een catalogus te maken van alle 16de-eeuwse edities verschenen in een bepaald land, wordt niet alleen in België, in Nederland en in Duitsland gewerkt, maar ook in Frankrijk stelt zich dit probleem en zoekt men naar een geschikte methode. E. BAYLE (1) gaf ons reeds een eerste schets van het initiatief van H. J. Martin om een beschrijving te maken van alle boeken uit de 16de, 17de en 18de eeuw aanwezig in Franse bibliotheken. Thans beschikken wij over een artikel van MARTIN (2) zelf. Na een korte schets over de toestand van de Franse bibliotheken waar de minder belangrijke bibliotheken in de provincie verwaarloosd blijven, en na de nadruk gelegd te hebben op de noodzakelijkheid naar de rekken terug te gaan voor hun bibliografisch opzet, vermits de bestaande catalogi onvoldoende zijn, wordt het plan uiteengezet voor de mechanisatie van dit reuzewerk. De auteur is zeer optimistisch. Wij zijn na lezing van zijn artikel en na enkele steekproeven het veel minder. De grote moeilijkheid ligt niet zozeer in het invullen van hun formulieren maar wel - en hier denken wij speciaal aan de 16de-eeuwse boeken - om de nodige gegevens uit het boek zelf te bekomen en dit in een nauwkeurige vorm. Een beter oordeel zal pas kunnen gegeven worden na verschijnen van hun eerste lijsten.
(1) E. BAYLE, Le recensement des livres anciens conservés dans les bibliothèques françaises, in Bulletin de l'Institut de Recherche et d'Histoire des Textes, 1967-68, t. XV, p. 154-156.
(2) H. J. MARTIN, Recensement des livres anciens des bibliothèques françaises, in Bulletin des Bibliothèques de France, 1971, p. 1-32.
[3] In 1967 verscheen de laatste aflevering van het tijdschrift Het Boek. Samen met De Gulden Passer zijn zij voor de studie van het oude boek in de Nederlanden belangwekkende tijdschriften geweest. Het eerste nummer van Quaerendo dat thans verschenen is (Amsterdam 1971 4 maal per jaar voor de hoge prijs van 850 F. en dat als beginnummer verscheidene"In Memoriams" bevat) hoopt de ontstane leemte te kunnen opvullen. Tot onze periode behoren: Een kort artikel (p. 13-16) van de hand van E. COCKX-INDESTEGE, waarin zij ons een beschrijving geeft van de voor een paar jaar geleden ontdekte eerste editie van het Naembouck (1546) van Joos Lambrecht. Uit New light on Ludovicus Ravescot van Luc INDESTEGE (p. 16-18) blijkt dat deze Leuvense drukker ook boekbinder was. Het artikel van H. de la FONTAINE VERWEY, The first"book of etiquette" for children, Erasmus' De civilitate morum puerilium (p. 19-30) is meer van algemeen culturele aard. Het april 1971 nummer van Quaerendo omvat een eerste artikel van S. CORSTEN. Köln und die Ausbreitung der Buchdruckerskunst in den Niederlanden I (p. 5-17). Hij onderzoekt er de invloed van Keulen op de Nederlandse boekdrukkunst in de periode vóór 1480. In Keulen vindt men reeds in 1464 Ulrich Zell, weldra gevolgd door ter Hoernen, en voor 1475 zijn reeds zeven drukkerijen in de stad. Waarom bleef deze concentratie in Keulen? Waarom zwermden geen Keulse drukkers naar de Nederlanden uit? Een belangrijke reden hiervoor ziet de auteur in het aanschaffen van het papier, vooral het grootformaat papier. Inderdaad de Keulse drukken uit die periode vallen op door een klein formaat. Dit overtuigt ons niet voldoende, immers Straatsburg die een weinig verder dicht bij de Rijn ligt, valt op door zijn drukken in groot formaat. Keulen echter hield, voor Corsten, het papiermonopolium in handen en was voor de Nederlanden een sleutelpositie. Gottfried LANGER in Von den niederländischen Wiegendrucken der Marienbibliothek zu Halle/Sa (p. 42-45) geeft de uitvoerige beschrijving van drie incunabelen : Petrus de Aliaco, Tractatus et sermones [Brussel, Broeders van het Gemene leven, c. 1484] Campb. 148. Joh. Nilis, Repertorium iuris canonici, Leuven, Johannes van Westfalen; 29 april 1475, Camp. 1255; en de Verba deponentialia, Deventer, Rich. Pafraet, 26 mei 1499, niet in Camp., maar wel reeds vermeld door Hellinga (3).
(3) In Beiträge zur Inkunabelkunde, Dritte Folge I, 1965, p. 84.
[4] In 1964 zag deel I-IV van de Bibliotheca Belgica bij Culture et Civilisation te Brussel het licht; deze herbewerking van de Bibliotheca Belgica in een doorlopende alfabetische ordening krijgt thans in 1970 haar deel VI dat bestaat uit een supplement en de index. Het supplement omvat : de afleveringen 23l-240 van de kleine editie in één alfabetische ordening en volgende indices: 1) Een concordantietabel van de oude editie (editio princeps) en de herdruk van 1964; 2) index van auteurs, wetenschappelijk auteurs, vertalers, commentatoren en anonieme werken; 3) index van drukkers, commerciële uitgevers en boekhandelaars. Deze laatste index is de belangrijkste en de voornaamste aanwinst van deel VI. In het geheel een nuttig werk, maar wij vinden het spijtig dat geen correcties werden aangebracht aan het materiaal van B.B. waarvan de eerste aflevering bijna 100 jaar geleden verscheen.
[5] Alhoewel de Catalogus van de Middelnederlandse Handschriften van de hand van J. DESCHAMPS niet tot ons gebied behoort, kunnen we niet nalaten deze te vermelden. De auteur geeft ons namelijk voor zeer vele werken ook de edities ervan verschenen in de 15de en 16de eeuw. Steeds wordt zeer juist de referentie gegeven naar Campbell of N.K. (de NK 0620 van nr. 1C is 0621) en in vele gevallen worden de wijzigingen uit HPT stilzwijgend overgenomen. Relaties tussen het gebruik van een bepaald manuscript en een bepaalde druk worden niet besproken.
[6] De Mélanges offerts à Albert Kolb onder de mooie titel Refugium Animae Bibliotheca verschenen bij Pressler in Wiesbaden (1969) bevat diverse bijdragen die ons interesseren en in de eerste plaats de bibliographie van Kolb's werk zelf. Het artikel van H. ALKER, Unbekannte und bemerkenswerte Inkunabeln der Universitätsbibliothek Wien vermeldt een"onbekende" editie van de Verba deponentiala door Jacobus de Breda van 1486; de beschrijving is echter onvoldoende om dit te kunnen nagaan (zie Kronenberg Cont. 1723 a ?). Het artikel van E. COCKX-INDESTEGE, Van een boekje om vogels en vissen te vangen ?, vergelijkt de diverse edities van dit werkje en geeft er een bibliographie van tot 1600. Noteren we verder: A. LABARRE, L'étude des bibliothèques privées anciennes met een belangrijke bibliographie; Das gedruckte Schrifttum des Bernhard von Luxemburg van de hand van E. VAN DER VEKENE, die diverse l6de-eeuwse in de Nederlanden gedrukte edities bevat, en tenslotte is er het artikel van H. D. L. VERVLIET Les canons de Garamont over het ontstaan van de romein in Frankrijk in de l6de eeuw.
[7] Vermelden wij ook het opnieuw verschijnen onder een wat gewijzigde titel van het werk van O. MATTERLIN, Catalogue bibliographique des ventes publiques. France, Angleterre, Belgique, États-Unis, Suisse, Parijs, Ed. Publisol 1971 (over de jaren 1969-1970).
[8] Het belangrijke werk van Harry CARTER, A View of early Typographie up to about 1600, (Oxford, At the Clarendon Press, 1969) omvat volgende hoofdstukken. Eerst enkele technische gegevens over de letters, beter de typen; vervolgens over de diverse lettervormen die wij in de drukwerken ontmoeten en de moeilijkheid om er een preciese benaming voor te vinden; de algemene benamingen gotiek, romein, bastarda zijn absoluut onvoldoende. De beste benaming is deze van de naam van de lettersnijder maar dit is niet mogelijk. Het derde hoofdstuk onderzoekt het ontstaan van de romein, de textuur, de schwabacher, de bastarda ... om tenslotte de invloed na te gaan van het Latijn of van de vernaculair op de keus van het type (cursief en romein). (NB. De eerste Franse tekst in romein, volgens Carter p. 79, 1522, kan vervroegd worden tot 1519 met de Genealogies, faictz ... Paris P. Vidoue 1519). Het vijfde hoofdstuk lijkt ons het nieuwst nl. : The history of Typefounding and Punchcutting. Achtereenvolgens worden Plantin (F. Guyot), Egenolff-Luther (Frankfurt), Le Bé (Paris) en Hendrik de Lettersnijder (Rotterdam) behandeld. Tenslotte volgt nog een kort maar nauwkeurig gedetailleerd supplement over de cursief. Een belangrijke conclusie, die ook door Carter wordt geformuleerd op p. 105, wijst op het gevaar dat er aan verbonden is, om op grond van gelijke lettertypes in drukken van diverse drukkers, deze zo maar aan eenzelfde lettersnijder toe te schrijven (wat soms wel eens gebeurt bij bv. Hellinga). Vermelden wij tenslotte nog de keus van de illustraties die dit werk tot een van de beste inleidingen over dit onderwerp maken.
[9] Eenieder die zich interesseert aan de oude boekdrukkunst zal verheugd zijn over het verschijnen van de verzamelbundel A. F. JOHNSON (4). Een veertigtal artikels, vanaf 1929 tot 1954, waarvan het grootste deel gewijd aan de l6de-eeuwse boekdrukkunst, gevolgd door een index maken van dit boek een uitstekend werkapparaat. Wij kunnen hier onmogelijk de lijst geven van alle artikels maar releveren slechts enkele : The classification of gothic types (1929); A catalogue of Italian writing-books of the sixteenth century (1950); het belangrijke artikel The supply of types in the sixteenth century (1943); een kort artikel gewijd aan; The"Antwerp" ornaments(1954) over de arabesken; An Alphabet by Pieter Coecke van Aelst (1943) en een paar artikels over titelboorden waar Johnson zich vooral in onderscheidde.
(4) A.F. JOHNSON, Selected Essays on Books and Printings, edited by Percy H. Muir, Amsterdam Van Gendt & Co., 1970. Prachtig uitgegeven in in-folioformaat, XI-490 p. met index.
[10] In het tweede deel van F. GELDNER, Die deutschen Inkunabeldrucker, Leipzig, 1970, vindt men op p. 315-341 een kort overzicht van de drukkers van Duitse afkomst in de Nederlanden werkzaam.
[11] Van de ongeveer 7000 incunabelen in Hongaarse bibliotheken aanwezig bezitten wij nu een goede catalogus (5). Op p. 1060-1064 vindt men een overzicht van deze uit de Nederlanden (een 70-tal). Allen zijn ons bekend behalve nr. 2504, Pamphilius de amore, [Antwerpen, Matthias van der Goes c. 1488-90], in-4°, 14ff, a8 b6 (6).
(5) Catalogus Incunabulorum quae in Bibliothecis publicis Hungariae asservantur ediderunt G. SAJO et E. SOLTÉSZ, Budepest, 1970, 2 dln.
(6) Bekend zijn betekent: opgenomen in Hellinga's index in zijn The Fifteenth-Century Printing Types of The Low Countries, 1966, t. II, p, 463-505. Deze index neemt Campbell over, zijn 4 supplementen, en de 6 andere aanvullingen op Campbell sedertdien verschenen.
[12] In het Gutenberg-Jahrbuch, 1970, p. 83-88 wijden Lotte en Wytze HELLINGA een korte bespreking aan A Costerian fragment, nl. een fragment van de Doctrinale van Alexander de Villa Dei gedrukt in het type 5 van de Nederlandse prototypographie. Dit fragment dat zich bevindt in de Lakenhal te Leiden was door Campbell reeds gekend, maar eigenaardig genoeg niet opgenomen in zijn Annales.
[13] In het supplement tot zijn cat. 262, verschenen in 1970, bood Menno Hertzberger een belangrijke verzameling incunabula aan afkomstig uit het Carmelietenklooster te Aken. Vooral het tiende werkje uit die bundel trekt onze aandacht: Dialogus inter ciuem et ruriculam ... Impressum Leodij per me cornelium de delff, s.d., gedrukt, volgens de beschrijving, in het type nr. 10 van Johannes Van Westfalen. Dit werkje, door onze Koninklijke bibliotheek aangekocht, wordt kort besproken in het Bulletin, nr. 10 van 1970. Men houdt zich daar aan de datum ± l500, zoals in de catalogus werd vermeld. Wij hopen weldra meer over die belangrijke vondst te kunnen mededelen, alhoewel de datum ± 1500 naar onze mening wat te vroeg lijkt.
[14] De smaakvol uitgegeven catalogus (7) van de incunabelen der Nationale Bibliotheek te Luxemburg omvat, in alfabetische orde 132 nummers, gevolgd door een concordantielijst naar G. W., naar de eeuwig terugkerende Hain (maar niet naar B. M.) en een drukkersregister. De werken worden kort beschreven, ex-libris en band zijn vermeld, referenties naar bibliographieën worden toegevoegd. De bibliotheek omvat slechts 6 Nederlandse incunabelen, alle gekend en gedrukt door R. Paffraet Deventer. Referenties naar Campbell worden niet gegeven, behalve voor één uitzondering nr. 125 waar naar het supplement wordt verwezen.
(7) Katalog der Inkunabeln der National-Bibliothek Luxemburg, zusammengestellt von Emil VAN DER VEKENE, Luxemburg, 1970.
[15] De catalogus van HUBAY (8) geeft ons, in twee alfabetische geordende registers, het bezit van twee bibliotheken weer. Samen een duizendtal incunabelen met een korte beschrijving en de nodige referenties, vermelding van oorsprong, drukkersregister en Hainconcordantie. Zij bevat slechts een tiental incunabelen uit de Nederlanden; waarvan één, nr. 519, het Psalterium cum Athanasii in Psalmos praefatiunculis A. Politiano interprete, [Deventer, J. de Breda, c. 1496 ?] ons onbekend lijkt.
(8) Ilona HUBAY, Incunabula aus der staatlichen Bibliothek Neuburg/Donau [en] in der Benediktinerabtei Ottobeuren, Wiesbaden, 1970. Bij dezelfde uitgever, O. Harrassowitz, verscheen van dezelfde auteur in 1968 Incunabula Eichstätter Bibliotheken. Hierin vindt men onder nr. 937 ook een onbekende incunabel: Sequentiae et hymni, Jacobi de Breda, [14]94, 44ff., a-c6 d4 e-g6 h4.
[16] In 1969 verscheen ook het tweede deel van de nieuwe RENOUARD (9). We hebben niets anders dan bewondering voor dit werk dat wij spijtig genoeg zelf nooit voltooid zullen zien. Het tweede deel gaat van Baaleu tot Banville en het grootste deel ervan wordt ingenomen door Badius (p. 6-297) en de muziekdrukker Ballard Robert (p. 320-371). Voor deze laatste wordt de bibliographie overgenomen van Lesure-Thibault verschenen in 1955. Voor wat Badius betreft heeft men grotendeels het werk van Renouard, verschenen in 1908, overgenomen, maar met 74 nog niet door hem in zijn gedrukt boek beschreven edities. Wat ons het meest interesseert en ons ook het oorspronkelijkst lijkt is de studie van het typographisch materiaal door Mme Veyrin-Forrer (p. 15 sq.), speciaal het gebruik van de Griekse letters en de diverse merken. Alhoewel het grootste gedeelte van de 775 Badius-edities gedateerd zijn, helpt in diverse gevallen het typographisch onderzoek de niet gedateerde edities te situeren. Op p. 18 vindt men een overzicht, chronologisch gerangschikt, van de diverse Griekse typen door Badius gebruikt; relaties met andere Griekse typen en vanwaar Badius deze haalde worden niet nagegaan. Vermelden wij tenslotte nog de rijke illustratie van het diverse typographisch materiaal. Voorwaar een model om na te volgen bij de studie van onze 16de-eeuwse drukken.
(9) Imprimeurs et libraires parisiens du XVIe siècle. Ouvrage publié d'après les manuscrits de Ph. Renouard, t. II, Paris, 1969 (deel I dateert van 1964).
[17] Een belangrijke studie wordt door H. HARTHAUSEN gewijd aan Der Kölner Buchdrucker Heinrich van Neusz (1505-1522) (10). Na een kort biografisch overzicht wordt het typografisch materiaal grondig onderzocht en volgt een bibliografie van zijn edities.
(10) In Annalen des historischen Vereins für den Niederrhein, 1969, t. CLXXI, p. 8l-174. .
[18] Uitstekend is de tentoonstellingscatalogus De comptabiliteit door de eeuwen heen van de hand van Ernest STEVELINCK, (Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1970). Alhoewel het grootste gedeelte van de tentoongestelde werken buiten onze periode vallen, vindt men er toch diverse 16de-eeuwse drukken waaronder de eerste in het Nederlands geschreven handleiding over boekhouding, nr. 14 van Jan Ympijn of Impens, Antwerpen 1534. De catalogus bevat verder een belangrijke bibliografie.
[19] Benjamin de TROEYER werkt onverpoosd verder; nauwelijks is zijn imposante Bio-bibliographia Franciscana Neerlandia Saeculi XVI bij de Graaf in 1969 verschenen en reeds vinden wij in het eerste nummer van jaargang 1970 van Franciscana zijn tweede projekt, nl. de 15de-eeuwse Minderbroederbibliografie. Keren wij even terug naar het eerste werk dat ten zeerste onze bewondering afdwingt. Het werk bestaat uit 2 banden. Boekdeel I bevat chronologisch geordend de biografieën van de Minderbroeders uit de 16de-eeuwse Nederlanden van wie tenminste één publicatie bekend is. Band II bevat 2 secties, elk alfabetisch per auteur gerangschikt : A. 16de-eeuwse edities van Nederlandse Minderbroeders-auteurs in de Nederlanden of elders verschenen; B, 16de-eeuwse edities van buitenlandse Minderbroeders-auteurs in de Nederlanden verschenen. Tenslotte, index drukkers, uitgevers en boekverkopers; chronologische index van de beschreven edities; systematische index; index van personen en plaatsen. Elke editie is uitvoerig beschreven (nog uitgebreider dan NK) en wordt gevolgd door de namen van de bibliotheken waar een exemplaar aanwezig is en het plaatsnummer. De typografie is uitstekend, misschien worden wel alle gegevens op een zelfde plan beschouwd en valt het onderscheid tussen hoofdzaak en bijkomstigheid niet voldoende op. Een dergelijk werk ondernemen betekent in de eerste plaats de bibliotheken en bibliografieën uitpluizen. Eerste vraag : Welke bibliotheken werden nagegaan en hoe? In het voorwoord op p. xv zegt de auteur"binnenlandse en buitenlandse bibliotheken", meer niet. Het interesseert ons ten zeersten te weten welke. Tweede vraag : Welke bibliografieën werden onderzocht? p. XVII-XXIV geeft ons de lijst, maar diverse belangrijke werken ontbreken. Voorbeelden : Werden Cambridge en Adams onderzocht? Het British Museum en haar Short-Title Catalogues? Ritter en Straatsburg? Baudrier voor Lyon? Parijs? De Bibliotheca Aureliana? Het is niet omdat men na enkele werken door de Troeyer vermeld een verwijzing vindt naar een exemplaar in Cambridge of Parijs dat men kan veronderstellen, dat die fondsen onderzocht werden en op welke manier (11). Ik geloof dat een systematisch onderzoek verscheidene onbekende edities aan het licht zou brengen. De opmerkingen die verder volgen - van zuiver technische aard - zijn gering; wij vinden het spijtig ze te moeten maken : in de eerste plaats het formaat : De Troeyer duidt dit aan door mm. en niet door de enige aanduiding voor 16de-eeuwse boeken nl. in-8°, ... Het is hier niet de plaats om de betekenis van"het formaat in-8° ... aan te duiden" uit te leggen, maar wij durven gerust zeggen dat de aanduiding van het formaat in mm. weinig betekenis heeft en ons over de structuur van het boek niets leert. Verder : wat betekent het wanneer men ziet: [48] ff. Vermoedelijk dat het boek door de beschrijver verondersteld wordt 48 bladen (feuillet) te hebben, maar dit een persoonlijke interpretatie blijft? Waarom niet het systeem van NK, vanaf haar tweede deel, overnemen? Wanneer men zo precies begint te beschrijven moet men enkele conventies in acht nemen. En tenslotte : Schrijver neemt het begrip auteur zeer breed met het gevolg dat talrijke anoniemen door hem onder een bepaalde auteur geplaatst worden terwijl deze nog niet zo goed gekend zijn, bv. Die keyserlike Crone, als anoniem gekend en zo te vinden bij NK komt bij De Troeyer onder Berninck. Weet men dit niet, dan is het werk zonder anoniemen-index niet zo gemakkelijk terug te vinden.
(11) Enkele aanvullingen uit de Gentse Universiteitsbibliotheek : nr 214 : Theol. 3397. Nr. 694 : Theol. 4034. Nr. 710 : Her. 2234. Nr. 775 : Theol. 1045 (1) zonder variant. Nr. 890 : Theol. 3090 en 3129.
[20] G. VISSER, Luther's geschriften in de Nederlanden tot 1546, Assen, Van Gorcum & Comp., 1969. Na een inleidend hoofdstuk over de verspreiding van Luther's geschriften in de Nederlanden, volgt in het tweede hoofdstuk de opsomming van een 85-tal werken (geschriften, Bijbelvertalingen en liederen) in de Nederlanden, of Nederlandse vertalingen in Duitsland, verschenen tot 1546, sterfjaar van Luther. Het grootste gedeelte ervan kenden wij reeds uit Kronenberg's Bibliografie en haar twee artikels (12). Een paar zijn nieuw en voor enkele edities komt Visser tot een latere datering. Elke editie wordt gevolgd door een korte commentaar, de N.K. en Benzing-referentie (13). Het derde hoofdstuk, Aanhalingen van Luther's geschriften in andere werken in deze tijd in de Nederlanden verschenen en het vijfde hoofdstuk gewijd aan de drukkers van Luther's geschriften in de Nederlanden zijn veel te summier behandeld. Een methodologische opmerking tenslotte over een herhaaldelijk voorkomende werkwijze van Visser : bv. nr. 24 Adversus execrabilem Antichristi Bullam. Marc. Lutherus 1520. s.l. s.n. Hier vermeldt de auteur nu : Waarschijnlijk een druk van Hillen, en in voetnoot de referentie N.K. en Benzing. Goed : ofwel geeft de auteur hier de visie van Kronenberg wat echter niet expliciet vermeld wordt, ofwel geeft hij zijn eigen visie, wat men in een werk over dit onderwerp wel mag verwachten, en in dit geval vragen wij ons af : waarom Hillen? Idem nr. 31, nr. 33 ... Kortom dit uiterst boeiend onderwerp is nog onvoldoende behandeld.
(12) Uitgaven van Luther in de Nederlanden verschenen tot 1541, in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1953, t. XL, p. 1-25. en de aanvulling in 1968, p. 101-103.
(13) J. BENZING, Lutherbiliographie. Baden-Baden, Heitz. 1965-1966. 3 dln.
[21] Het artikel van F. CLAES over de Nederlandse lexicografie tot 1600 (14) is een algemeen overzicht dat uitgebreider zal verschijnen.
(14) Ontwikkeling van de Nederlandse lexicografle tot 1600, in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, 1970. p. 102-128.
[22] P. THOEN geeft ons een uitgebreide studie over de diverse Aesopus-edities van de Dorpius verzameling (15). Na een overzicht van de edities, p. 247-281 (1512-1852) - wij vinden het spijtig dat de auteur geen beschrijving van de boeken gaf, en zien ook niet in waarom hij de verwijzing N.K. die toch algemeen aanvaard is door NB vervangt, - volgt een soort synthese, waarin hij de inhoud tot 3 typen herleidt. Volgt verder een studie over de bronnen van de Dorpius verzameling en de relatie met de andere verzamelingen en tenslotte een hoofdstuk gewijd aan de vertalingen. Een dergelijk werk zou zeer interessant kunnen zijn moest de auteur ons van de diverse edities een voldoende beschrijving geven met de katernenindeling ; maar wij geloven dat Thoen het grootste gedeelte van de edities niet eens gezien heeft, maar zich steunt op bibliografieën. Waarom wordt nr. 29(±1521) gedateerd? (cf Burg 179, en het exemplaar in Gent).
(15) In zijn Aesopus Dorpii. Essai sur l'Esope latin des temps modernes, in Humanistica Lovaniensia, 1970, t. XIX, p. 241-309.
[23] De dissertatie van Ch. L. KUESTER is gewijd aan de Illustrierte Aesop Ausgaben des 15. und 16. Jahrhunderts, (Hamburg, 1970, 2 dln). In het eerste deel worden de verschillende soorten van illustraties behandeld. Uitgaande van de Ulmer Aesops van 1476/77 wordt de filiatie van de illustratie ervan nagegaan in de latere uitgaven. Het tweede gedeelte geeft ons een katalogus van de geïllustreerde Aesopus-editie uit de 15de en 16de eeuw, gevolgd door een chronologisch drukkersregister en een uitgebreid illustratiemateriaal.
[24] Deel IV (1970) van het Nationaal biografisch Woordenboek omvat een korte notitie van de hand van A. SCHOUTEET gewijd aan de drukker Jan II Genuwe (Genive) waarvan slechts één drukwerk bekend is (Brugge, 1581).
[25] H. PLEY (16) wijdt een kort artikel aan een editie verschenen bij Jan van Ghelen (II) in 1558 te Antwerpen. Het betreft de Nyeuwe sekere en warachtighe tijdinghen, hoe dat ... Ferdinandus tot eenen Roomschen Keyser gecoren (sic) is. De vertaler van dit werk is volgens hem niemand anders dan de Brugse drukker Hubrecht Goltzius.
(16) In Handelingen van ... Société d'Emulation te Brugge, 1970. nr. 1-2, p. 96-99.
[26] Het werk van John LANDWEHR (17) geeft, na een inleiding en illustraties, een chronologisch overzicht van de embleemboeken vanaf 1554 in de Low Countries verschenen. Daarop volgt dan de eigenlijke alfabetisch geordende bibliografie. Wij hebben een steekproef gedaan onder Paradin met volgende resultaten. Beschrijvingen onvoldoende; nr. 472 formaat vergeten, signatuur geeft slechts ~ aan wat gedrukt staat A2-Y5 (Y7) voor A-Y8. Nr. 465 small 16 mo, wat betekent dit? en waarin onderscheidt zich dit formaat van een 16°?. Een editie van 1563, typis Ioannis Latij, te Antwerpen bij de weduwe Steelsius (Gent Res. 481 niet vermeld). Idem de interessante editie van Goropius nr. 170 is uiterst gebrekkig behandeld. Idem Junius Hadrianus, de nr. 279 en 282, volgens de auteur"the same collation", maar wij vragen ons af als wat. Als de eerste editie, nl. A2-K2 (K4) 2-5 (8) wat moet betekenen A-I8 K8, maar dit is dan onjuist. Verder Alciati, hier had Landwehr toch kunnen gebruik maken van de werken van Duplessis (18) en Cartier (19) om precieser de oorsprong van de houtsneden na te gaan. Voor de 16de-eeuwse edities onvoldoende.
(17) Emblem Books in the Low Countries 1545-1949. A Bibliography Utrecht, 1970, een herwerking van zijn in 1962 verschenen Dutch Emblem Books. (18) Georges DUPLESSIS, Les Emblèmes d'Alciat, 1884.
(19) Alfred CARTIER, Bibliographie des éditions des De Tournes, Paris, 1937.
[27] In de catalogus 146 (april 1971) van Goldschmidt, Londen, werden volgende twee belangrijke post-incunabelen te koop aangeboden : nr. 9. Baptiste Mantuanus Opus insigne de mundi calamitatibus ..., Deventer. R. Pafraet, 22 mei 1514 (NK 2331 één exemplaar) voor 40.000 fr. en Bonagarius Pistoriensis Declamatio ..., Leuven, D. Martens, 1 december 1501 (NK 462) voor 16.250 fr.
[28] De catalogus nr. 101 van Breslauer, Londen, vermeldt : nr. 109 Ockam G. Dialogus de haereticis, epitoma door H. de Zoemeren, Leuven, Joh. de Westfalen 1481 (Camp. 914) voor 48.000 fr., nr. 63 Caracciolus Sermones de laudibus Sanctorum, Antwerpen G. Leeu 1490 (Camp. 397) voor 32.000 fr. en nr. 67 Cronike van Brabant, Antwerpen, Roeland vanden Dorpe 1497 met 48 houtsneden (Camp. 508) prijs niet vermeld.
[29] De catalogus 52 van Gilhofer en Ranschburg, Luzern, biedt onder nr. 18 de belangrijke eerste geïllustreerde editie van Joost de Damhoudere aan : Pupillorum patrocinium ... Antwerpen, Johannes Bellerus 1564 voor 42.000 fr.
[30] In december 1970 had in het hotel Drouot de belangrijke verkoping plaats van een gedeelte van de Tudor Wilkinson bibliotheek : noteren wij : een onvolledig exemplaar op velijn van de Brevarium Romanum van Plantijn 1575; een werk dat ons interesseerde, maar wij spijtig genoeg niet konden onderzoeken was een verzameling Carmina de S. Joanne Baptista, de Petri et Paulo ... in de catalogus toegeschreven aan Jacobus de Breda ±1495. Een zeer belangrijke Erasmusverzameling, waaronder een onbekende Castilliaanse vertaling van de Querela pacis Seville, Jacobus Cromberger 1520 die verkocht werd voor meer dan 100.000 fr. en de Progymnasmate-editie van Martens, Leuven 1521.
[31] Menno Hertzberger blijft echter de voornaamste leverancier, zijn catalogus 262 bevat : nr. 6 Alexander de Villa Dei Doctrinale, een deel van blad 19 op perkament gedrukt. Dit is een onbekend stuk van de 32 regel Doctrinaal toegeschreven aan"Coster", beter behorend tot de Nederlandse"prototypografie" (prijs 87.500 fr.). Nr. 10 Boëthius, De consolatione philosophiae Deventer, Jacobus de Breda 1497 (Camp. 318) voor 22.500 fr. Nr. 11 Pseudo-Bonaventura Sermones de tempore et de sanctis, Zwolle, Peter van Os, 1479 (Camp. 336) voor 44.000 fr. Nr. 16 nog eens de reeds hoger vermelde Caracciolus Sermones de laudibus sanctorum, Antwerpen, Gerard Leeu (Camp. 397) voor 47.000 fr. Nr. 35 een druk van Gerardus de Lisa de Flandria : Haedus Pet. De amoris generibus sive anterotica Treviso 1492 voor 32.000 fr. en nr. 59 van dezelfde drukker: Platina Barth. De honesta voluptate et valetudine, Cividale 1480, voor 97.250 fr. Nr. 36 nog eens de hoger vermelde Ockam G. (Camp. 914) voor 61.000 fr. Nr. 65 Seneca Proverbia, Deventer, Rich. Paffraet 1495 (Camp. 1521) voor 40.000 fr. Nr. 68 Theobaldus De naturis duo decim anmalium, Deventer, Rich. Pafraet ab 1488, (Camp, 1648) voor 62.400 fr. Nr. 71, Vernaker Joh. Quodlibetum; Tractatulus de indulgentiis, drukker van de Freeska Landriucht, (Camp. 1726) voor 80.000 fr. en nr. 142 de Spiegel der Schrijfkonste van Jan vanden Velde, Rotterdam 1605 voor 100.000 fr. Catalogus 263 nr. 31, Philelphus Epistolarum liber, Deventer Rich. Pafraet ab 1488, (Camp. 1413) voor 60.000 fr.
[32] Thomas Scheler in zijn catalogus : Voyages dans les cinq parties du Monde, Paris 1971, biedt onder nr. 60 een Theatrum Orbis Terrarum van Ortelius, Ex Officina Plantiniana, 1592 voor 250.000 fr. aan.
[33] W. Salloch, Ossining, New York biedt in zijn catalogus 283, 1971, nr. 25 voor de prijs van 30.000 fr. een Grapheus aan : Spectaculorum in susceptione Philippi ... 1549, Antwerpen, 1550.

Go Top
Archives et bibliothèques de Belgique - Archief- en bibliotheekwezen in België, dl. XLIII (1972), nr. 1-2 pp. 460-472: nrs [34]-[65]

KRONIEK DER DRUKKUNST IN DE NEDERLANDEN TOT 1600
door J. MACHIELS


[34] Mr. H. Bos, jarenlang directeur van de Vrije Universiteit Amsterdam en overleden op 3 september 1970, heeft zijn belangrijke bibliotheek overgemaakt aan deze instelling. Dit kleine boekje (1) brengt na een korte biografie van Bos een voorlopig overzicht van deze belangrijke schenking. De bibliotheek van Bos is opgebouwd vanuit het gezichtspunt van het nederlands gereformeerde protestantisme (p. 53) en bevat zeer vele 16de-eeuwse drukken. Twee boekjes eruit worden wegens hun belang en zeldzamnheid in fotogravure hier opnieuw afgedrukt. Het zijn : Een corte undersouckinge des gheloofs, ouer de ghene, die haer tot de Duytsche Ghemeynte, die te London is, begheven willen. Anno 1555 waarvan Marten Mikron (Micronius) uit Gent een van de opstellers was (eerste editie 1553) en Corte belijdinghe des gheloofs, der gheenre die ouer al in Nederlant ende bijsonder in deze Stadt N. de waerachtige leere des Euangeliums aenhanghen. Anno 1556. De stad N. is Antwerpen en het werk was gedrukt te Emden (Lelie onder de doornen) in 1556. Van dit hoekje verschenen 4 edities, allen in 1556. Het exemplaar is afkomstig uit de bibliotheek van J. F. vande Velde de bekende Leuvense bibliothecaris.
(1) J. STELLINGWERFF, De Mr. H Bos - Bibliotheek van de Vrije Universiteit. Amsterdam 1971.
[35] Philip Gaskell (2) brengt ons een fotografisch overzicht van de thans nog bestaande drukpersen gebouwd vóór ±1800 (het grootste gedeelte dateert uit de XVIIIde eeuw). In het totaal een 75 tal, gerangschikt per land : vooraan in aantal komt de USA met 22, verder Engeland met 15 en België met een 8-tal (7 in het Plantijn Museum te Antwerpen en één uit een private collectie). Van elke pers geeft hij ons een foto met een korte notititie.
(2) A Census of Wooden Presses, in Journal of the Printing Historical Society 1970, nr. 6, p. 1-32.
[36] Het prachtig uitgegeven werk (3) ter ere van Scholderer bevat diverse bijdragen die onze kroniek aanbelangen. Vooraf de Bibliography of his writings (p. 15-34) over een periode van 1900 tot 1969. Verder het artikel van Gedeon Borsa (4) vermeldt de in Antwerpen uitgegeven edities van Honterus. In een uitstekend artikel (5) onderzoeken L. en W. Hellinga nog eens de editie van Anthonius de Haneron, Tractatus de coloribus verborum, gedrukt in het type Ketelaer en De Leempt (P. Comestor-editie, Utrecht, 1473). De Haneron-editie (Camp. 262) vermeldt op het einde : Finitum per manus vuilhelmi hees anno XXV en een groot deel van de moeilijkheid bestaat er in hoe dit colophon te verstaan. Ontdekt door Ebert in 1823 en door hem om typologische redenen aan Ketelaer en De Leempt toegeschreven, werd deze zienswijze door Holtrop in zijn catalogus van 1856 bevestigd. Later onderzoek, en niettegenstaande het advies van een technicus - de drukker A. D. Schinkel -bracht hem er toe zijn oorspronkelijke visie te wijzigen en in zijn HMT schreef hij die druk toe aan de pers van W. Hees die het drukmateriaal van Ketelaer en De Leempt in 1475 zou hebben overgenomen. Meer nog, hij rangschikte hem (zie ook BMC en HPT) onder de niet gelocaliseerde drukkers. W. Hees echter zou helemaal geen drukker geweest zijn - en inderdaad dit colophon doet vreemd aan voor een gedrukt werk (maar hoe hebben Ebert, Holtrop ... dit niet aangevoeld ?) - maar een Decanus Traiectensis, een humanist uit het barbaarse noorden, een bibliophiel, die het brain vormde van de Utrechtse pers, die de selectie deed van de te drukken werken, de kwaliteit hoog hield, maar wonderbaar genoeg onverschillig was voor het eindresultaat. Hij zou heel eenvoudig voor hemzelf dit tractaat van Haneron hebben afgeschreven, zijn naam op het einde vermeld hebben en dit zou zo maar door de zetter overgenomen zijn. Dit alles is mogelijk, klinkt zelfs zeer mooi, wat te, maar we weten nog altijd niet wie de drukker van de Haneron is, tenzij misschien Ketelaer en De Leempt.
Brilliant is eveneens het artikel van Allan Stevenson (6). Het is zonder twijfel dat papier en watermerk een rol kunnen spelen bij de datering van een incunabel, maar is dit ook zo voor wat de plaats betreft waar deze gedrukt werd? Is de Boccaccio, Geneologiae deorum [± 1473] te Keulen of te Leuven gedrukt ? Alle incunabelcatalogi schrijven deze editie toe aan de drukker van de Flores Sancti Augustini te Keulen (= Johan Veldeneer ?). De typen van deze Boccaccio zijn nauw verwant met deze van de Belial (algemeen aanvaard als eerste boek (1474) te Leuven door Veldeneer gedrukt). Hellinga heeft zich zelfs afgevraagd - en terecht - of men niet de Boccaccio naar Leuven of de Belial naar Keulen moest overbrengen. Stevenson onderzocht de watermerken van de Boccaccio en stelde vast dat het afkomstig is uit de streek van Bar-le-Duc en omgeving. Daar papier meestal vervoerd werd langs de waterwegen ligt het voor de hand dat in dit geval de waar over de Maas naar de Nederlanden kwam en dan verder per kar verspreid werd. Het papier in Keulen gebruikt kwam daarentegen langs een andere weg en had een andere herkomst. Conclusie: De Boccaccio is in Leuven door Veldeneer in 1473 (na juli) gedrukt (7). Vraag : Kon geen papier uit dezelfde streek, langs de Maas over Luik naar Keulen gebracht worden ? Vindt men geen Keulse incunabels gedrukt op papier van Bar-le-Duc ? De kostprijs en de kwaliteit van het papier spelen toch ook een rol. Pas dan kan men voldoende zekerheid hebben. (13) Essays in Honour of Victor Scholderer, edited by Dennis E. Rhodes, Karl Pressler, Mainz 1970.
(4) Gedeon BORSA, Die Ausgaben der"Cosmographia von Johannes Honter", p. 90-105.
(5) Lotte and Wytze HELLINGA, Wilhelmus Hees, Printer or Bibliophile? p. 182-195.
(6) The First Book Printed at Louvain, p. 402-406.
(7) Veldeneer immatriculeerde aan de Leuvense universiteit op 30 juli 1473. Zijn eerste drukwerk was de Belial van 1474. Het drukken van de Boccaccio vult dus goed de periode.
[37] Hellinga vraagt zich af (8) : Wat was het voor een onderneming in Utrecht waar een aantal van de werken van Thomas a Kempis van de pers kwamen ? en weten wij iets van de omstandigheden waaronder of waardoor die teksten daar op de pers kwamen ? (p. 128). Reeds Holtrop had zich afgevraagd in 1867 hoe het mogelijk is geweest, dat omstreeks 1470-73 te Utrecht zovele klassieke werken en editiones principes gedrukt zijn? Eerst het financieel aspect : het drukkersbedrijf in Utrecht produceerde in een paar jaar een 34-tal uitgaven, steeds in één en hetzelfde type gedrukt, en op grond van de Comestor-editie die een impressum heeft, allen min of meer toegeschreven aan Ketelaer en De Leempt. Dit moet het werk geweest zijn van een vroeg-kapitalistische onderneming die tot doel had snel goed verkoopbare waren te produceren (p. 131). Voor wat de intellectuele kant betreft : Wie koos de te drukken werken, wie verschafte de copij ? Hiervoor was een master mind nodig en deze kan niemand anders dan Wilhelm Hees geweest zijn, de decanus traiectensis (9). Het is in dit atelier, dat in 1474 de werken van Thomas a Kempis van de pers kwamen. Het is in het licht van deze gegevens dat Hellinga het drukken, de structuur van de gedrukte werken, de kopij en de relatie kopij-druk toelicht en klaarheid probeert te brengen in het verwarde Thomas a Kempis-probleem.
(8) Thomas a Kempis voor het eerst in druk, in Bijdragen over Thomas a Kempis en de moderne devotie, verschenen als Extranummer 4 van A.B.B., 1971, p. 123-145. Het betreft hier de eerste editie van de Opera, Utrecht, N. Ketelaer en G. de Leempt 1474. De eerste editie van de Imitatio verscheen bij G. Zainer te Augsburg, vóór 5 juni 1473.
(9) Zie hoger het artikel uit Scholderer.
[38] Quaerendo, 1971, nr 3., omvat volgende bijdrage : het tweede deel van het artikel van S. Corsten (10). In 1473 vestigden zich de eerste drukkers in de Nederlanden. Het beletsel dat hun tot nog toe tegenhield - zorgen voor de papierbevoorrading - verdween en bovendien rust en vrede werden nu in de Nederlanden gehandhaafd. Verder onderzoekt Corsten welke drukkers over Keulen in de Nederlanden kwamen en wat zij van daar meebrachten - vooral de chronologie van Veldeneer's drukken ondergaat enkele wijzigingen t.o.v. Hellinga .
(10) Köln und die Ausbreitung der Buchdruckerkunst in den Niederlanden, p. 179-190.
[39] Schouteet probeert aan de hand van archivalia de data uit Brito's loopbaan wat juister te bepalen (11). Uit zijn onderzoekingen blijkt dat Brito zou gestorven zijn rond 1484. De zes bekende drukwerken van zijn hand spreken dit niet tegen; de enige moeilijkheid zou kunnen oprijzen door een, bij Campbell (nr. 1373), misschien ten onrechte toegeschreven druk uit 1488 die spijtig genoeg zoek is; maar deze onbekende druk zou evengoed aan een andere Brugse drukker toegeschreven kunnen worden, volgens Schouteet. Ook blijkt dat zijn loopbaan zou kunnen vervroegd worden tot 1475/1476, daar een zekere Jan Bortoen (= J. Brito ?) voor de broederschap van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge dan papieren beeldekens zou gedrukt hebben.
(11) A. SCHOUTEET, Begin en einde van Jan Brito's drukkersbedrijvigheid te Brugge, in Handelingen ... van de Société d'Emulation te Brugge, 1971, t. CVIII, p. 26-38.
[40] E. Cockx-Indestege publiceert een korte mededeling over twee anatomische planodrukken die zich zouden inspireren op de Tabulae Sex van Vesalius (12). In april 1538 publiceerde Vesalius bij B. Vitalis te Venetië zijn Tabulae Sex, zes losse bladen van anatomie met beweegbare onderdelen. Deze werden onmiddellijk door verschillende drukkers heruitgegeven in min of meer dezelfde vomn. Allen zouden teruggaan naar hetzelfde type. Het besproken exemplaar hier, afkomstig uit de vroeger stadsbibliotheek te Bergen, heeft een Franse verklarende tekst en vermeldt in de cartouche : Imprime en Anvers sur la Lombardeveste par Sylvestre de Paris tailleur des Formes, zonder datum. Cockx-Indestege situeert het tussen 1540-1660. Het voornaamste probleem bestaat erin de verwantschap na te gaan, niet alleen van de tekening, (een vóór Vesalius Italiaans prototype,) maar vooral van de tekst met de Vesaliuseditie.
(12) Twee anatomische planodrukken met beweegbare onderdelen, uitgegeven bij Silvester van Parijs te Antwerpen ca. 1540-1550, in Scientiarum Historia, 1971, nr. 2-3, p. 92-102.
[41] Het werk van Günther Bers (13) beantwoordt maar ten dele aan de titel. Na een kort biografisch overzicht volgt op p. 11 - 14 de vermelding van de door Cruser uitgegeven werken (Hippocrates, Galenus en Plutarchus). De auteur vermeldt alleen maar, zeer kort, de eerste editie van elke uitgave en enkele bibliotheken waar zich een exemplaar bevindt. De rest van het boek vormen de inleidingen van Cruser tot die diverse edities. Waarom die beperkte bibliografie opnieuw doen verschijnen in een reeks die reeds uitstekende voorgangers had?
(13) G. BERS, Die Schriften des Niederländischen Humanisten Dr. Hermann Cruser, De Graaf, Nieuwkoop 1971, 38 p. in de reeks Bibliographies of Dutch Humanists III. Het is een nadruk van de in 1969 in Keulen verschenen editie.
[42] Het werk van F. Claes (14) is vooral een bronnenstudie van deze drie woordenboeken om een beter inzicht te krijgen in de l6de-eeuwse lexicografie en dus voor filologen bestemd; men vindt er nochtans tal van interessante gegevens in over de 16de-eeuwse drukken. In een inleidend deel wordt een overzicht gegeven van de diverse voordien verschenen woordenboeken (de latijnse, vertaal- en systematische) en van het werk van Plantijn geholpen door zijn 4 medewerkers waaronder Kilianus de voornaamste was. De drie volgende delen onderzoeken respectievelijk de drie woordenboeken en hun bronnen. Vermelden wij hier slechts een begin van aanvullingen op de bibliografie p. 359sq. Gemmula vocabulorum ... Antwerpen, Mathias van der Goes, 21 mei 1490 (Gent. Res.170). Curia pallacium Deventer, J. de Breda (c. 1500, wordt betwijfeld, in Gent. Res.1044) en de interessante editie van Hendrik de Lettersnijder (c. 1501/1505) in Gent, Res. 1043 (zie Kruitwagen, Gulden Passer I, p. 20-24). Vocabularius copiosus. Leuven, Joh. de Westfalia, [1477-1483], Gent, Res.20. Dit exemplaar bevindt zich ook in de bibliotheek van Streuvels. Murmelius, hier begrijpen wij de keus niet, bv. Pappa puerorum, de editie van 1514 wordt niet vermeld, wel die van 1515, en dan volgen nog een drietal latere, maar diverse ontbreken (zie N.K.) De Collectanea van Cingularius, editie Hillen 1544 in Gent, Res.461 ... Wij vinden het wat pedant deze opsomming verder te zetten, maar wij geloven dat zijn bibliografie duidelijker zou zijn moesten van eenzelfde werk de diverse edities chronologisch gerangschikt worden. Zo is bv. het overzicht van Calepinus zeer moeilijk en Claes schijnt ook het artikel van Labarre niet te kennen (15).
(14) F. CLAES, De bronnen van drie woordenboeken uit de drukkerij van Plantin : Het Dictionarium Tetraglotton (1562), de Thesaurus Theutonicae linguae (1573), en Kiliaans eerste Dictionarium Teutonico-Latinum (1574), Brussel 1970.
(15) A. LABARRE, Le Dictionarium de Calepino de 1609, in Gutenberg-Jahrbuch, 1967, p. 160-164.
[43] Jean Muller (16) geeft ons een overzicht van de l6de-eeuwse drukkers uit Frankrijk ; hij beschouwt het grondgebied Frankrijk zoals wij het nu kennen zodat"Noord-Frankrijk" uit de 16de-eeuw er ook in voorkomt. Per stad, alfabetisch gerangschikt, vindt men een lijst, chronologisch gerangschikt, per drukker. Voor elke drukker vindt men de data van de periode waarin zij werkten, gevolgd door enkele bibliografische verwijzingen. Op het einde is een alfabetische lijst van alle drukkers.
(16) Dictionnaire abrégé des imprimeurs - éditeurs français du seizième siècle. Bibliotheca Bibliographica Aureliana XXX, Baden-Baden, 1970.
[44] In 1966 verscheen van de hand van A. Kolb een uitstekende bibliografie; thans verschijnt, bij dezelfde uitgever Harrassowitz, daarop een supplement eveneens van Kolb (17). Dit supplement heeft dezelfde kwaliteiten als het eerste werk; ook hier wordt het beginsel ausnahmlos auf Autopsie en beschreibende Annotation aanvaard. Dit heeft tot gevolg dat slechts het werkelijk nuttige is opgenomen en door een kortje commentaar wordt de inhoud eventueel weergegeven. Een ruimere aanwending vindt thans het beginsel - dat wij reeds herhaaldelijk beklemtoonden - ook de veilings- en antiquariaatscatalogi te benuttigen. Het systematisch onderzoek daarvan brengt regelmatig onbekende drukken aan het licht : Bibliographen kommen ohne das Sammeln und Auswerten dieser Kataloge nicht aus (p. XII). Spijtig genoeg bezitten wij nog geen dergelijke bibliografie voor de drukkunst uit de 16de eeuw bij ons ; wij hebben dit dringend nodig en deze zal zeker volgens dezelfde beginselen moeten opgesteld worden.
(17) Bibliographie des Französischen Buches im 16. Jahrhundert, Wiesbaden 1966, Neuerscheinungen 1965-1970 und Nachträge aus früheren Jahren, 1971.
[45] De tweede voorstudie van Benjamin de Troeyer is gewijd aan Libertus de Broeckem (episcopus Bericensis) (18). Van Libertus verschenen : twee Latijnse edities van het Speculum peccatorum en een Nederlandse vertaling Spiegel der zondaren (Polain 2492, 2493 en 2494). Verder De Crucibus bij Ad. Van Berghen, 23 juli 1501 (N K. 1368). Ter aanvulling vermelden wij hier een editie door Adams gesignaleerd : Vslegung vn betütnis der Crutz ..., in-4°, a-b6, [Straatsburg ?, c. 1503] waarover de Troeyer ons licht kan brengen. Zijn derde werk opgenomen in de Minorica elucidativa zal door De Troeyer later onderzocht worden.
(18) Bio-Bibliografie van de Minderbroeders in de Nederlanden voor het jaar 1500. Voorstudies (Nieuwe reeks) II. Libertus de Broeckem, in Franciscana 1971, t. XXVI, p. 3-28.
[46] In 1971 verscheen ook het tweede deel van de nieuwe Erasmusuitgave (19). Het eerste werk daarin is de De pueris statim ac liberaliter instituendis uitgegeven door J. Cl. Margolin. Ons interesseren hier vooral de diverse edities van dit werk. Margolin onderscheidt de edities vóór 1540, (datum van de eerste Opera omnia te Bazel) en de daarop volgende. In de eerste categorie kent Margolin 9 edities. Vanderhaeghen kent er meerdere, waarvan er een, nr. 8 uit zijn lijst, die door Margolin geschrapt werd omdat zij is : sans doute confondue avec un autre texte maar zonder te zeggen welke tekst. Vanderhaeghen is echter niet zo onvolledig als Margolin wel denkt. Wij hebben deze editie, die in Gent aanwezig is (Acc. 168 (2)), onderzocht en zij bevat wel precies de De pueris. Dit boek : D. Erasmi Roterodami libelli aliquot selecti ... In fine : Friburgi Brisgoiae. Excudebat Ioannes Faber Emmeus Iuliacen. An. MDXXXVI bevat ff. a2-f1 de tekst. In de serie verschenen na 1540, wordt ook de editie S. Apiarius, Bern 1556, geschrapt, want dit zou een editie van de De ratione studi zijn. Dit werk bevindt zich te Gent en omvat diverse tractaten over de opvoeding; wij kunnen wegens het onvolledig karakter van ons exemplaar niet nagaan of de De pueris er in voorkomt, maar dit is na te gaan. Vanderhaeghen vermeldt twee exemplaren (Luzern en Carcassonne.) Het tweede werk is de De ratione studie eveneens uitgegeven door Margolin. Uitvoerig worden de edities van Robert de Keyser (1511-1512), (op dit duistere probleem hopen wij zelf later eens terug te komen) en van Schürer 1512 besproken; de latere edities worden slechts oppervlakkig behandeld. Het volgende werk, een van de meeste gedrukte teksten van Erasmus, is de De conscribendis epistolis. Ook hier wordt in afwachting van een betere Erasmusbibliografie vlug over de diverse edities heengegaan. Vermelden wij slechts dat sedert het werk van Treptow (20) wij nu 6 exemplaren (in plaats van 2 bij Margolin) van de editie Siberch kennen. De laatste tekst in dit deel opgenomen is de Dialogus Ciceronianus uitgegeven door de onlangs overleden P. Mesnard. De eerste editie is deze van Froben, maart 1528. De tweede editie is eveneens deze van Froben maart 1529. Maar waarom laat Mesnard de editie van Gryphius 1528 onvermeld ? Is deze slechts een kopie van de eerste ? Of heeft Mesnard ze niet gekend ? Zij wordt nochtans vermeld bij Vanderhaeghen en bij Baudrier VIII, p. 47 en bevat de tekst van de Ciceronianus (ff. i8-s2) (exemplaar Gent, Acc. 12.475) .
(19) Opera omnia D. Erasmi. Ordinis primi tomus secundus, Amsterdam, 1971. (20) O. TREPTOW, John Siberch, Cambridge Un. Press 1970, heeft Margolin nog niet kunnen consulteren.
[47] De literatuur over Marcus Gheeraerts de Oudere is niet zeer uitgebreid en behalve enkele kleinere studies of artikels die slechts een bepaald aspect behandelen bezitton wij nog geen werk dat de ganse persoonlijkheid en het oeuvre onderzoekt. Het boek van Hodnett probeert dit te doen (21). Een eerste deel p. 7-21 onderzoekt de loopbaan. De data van zijn leven zijn onzeker en niet zelden wordt de vader met de zoon, die dezelfde naam droeg verward. Geboren in Brugge rond 1520-1521, huwde hij er op 3 juni 1558; maar waar verbleef hij voordien ? Waar kreeg hij zijn opleiding ? Hier houdt de auteur zich aan de hypothese - reeds door Schouteet vooropgesteld (22) - dat hij in Antwerpen zijn opleiding genoot of misschien in het buitenland. Vanaf 1568 is hij in London waar reeds talrijke landgenoten, eveneens om godsdienstige redenen, hem waren voorgegaan. Volgens Hodnett verblijft hij er tot in 1577. In 1577 vindt men in de St. Lucas gilde te Antwerpen een"Mercus Geeraert Schilder" ingeschreven, maar is dit de Oudere ? Of de zoon ? Of een derde ? Daar waar Schouteet en Hollstein, met gegronde redenen volgens ons, denken dat het de zoon is, gelooft Hodnett met de Oudere te doen te hebben. Zijn argumenten zijn niet doorslaggevend en zelfs de inschriften in het Album amicorum bewijzen maar dat Gheeraerts zou gereisd hebben. Vanaf 1586 tot aan zijn dood (datum onbekend, vóór 1604) verblijft hij terug in London. Het tweede hoofdstuk, p. 22-24 behandelt Marcus als schilder en het derde hoofdstuk p. 26-29 onderzoekt zijn afzonderlijk verschenen etsen. Gheeraerts is op de eersto plaats bekend om zijn etsen : zijn prachtig plan van Brugge en zijn boekillustraties. Hij zou deze niet alleen getekend maar ook zelf gegraveerd hebben. De vier afzonderlijke etsen, reeds door Hollstein vermeld, worden bij Hodnett uitvoerig behandeld. De commentaar op het plan van Brugge is echter te beknopt en hier moet men zeker teruggaan naar het boekje van Schouteet en het artikel van De Smet door Hodnett geciteerd. Het volgende hoofdstuk, p. 30-54, en het meest uitgebreide, behandelt Gheeraerts als boekillustrator. Hij was namelijk een van de eerste kunstenaars die etsen graveerden voor drukwerken; vandaar het belang om wat beter zijn stijl, techniek en ondergane invloed te onderzoeken. Waarin onderscheidt hij zich bv. van een Goltzius ? Hier blijft schrijver jammer genoeg bij algemeenheden zoals bv. de bewering dat de nieuwe graveertechniek (t.o.v. houtblok) een groter"expressiveness" (p. 30) zou hebben, wat sterk te betwijfelen valt. Zijn voornaamste werk is : De warachtighe fabulen der dieren, in de Nederlandse vertaling van Ed. de Dene, Brugge, Pieter de Clerck, 26 augustus 1567, om, én ten coste vanden voorn. Marcus Gheeraerts. Het werk is in-quarto (en niet in-octavo). Het omvat 107 gravuren (108 met de titelgravure). Hollstein vermeldt een tweede editie zonder datum met 107 platen; bestaat deze of is dit een vergissing van Hollstein ? Hodnett brengt over dit probleem, dat toch voor bibliografen niet zonder belang is, geen klaarheid, spreekt er niet eens over. Wat ons hier verder interesseert is het eventueel model waarnaar Gheeraerts gewerkt zou hebben, of waar hij zijn inspiratie vandaan haalde; behalve Gesners'rhinoceros, die terug gaat op Dürer, wordt dit niet nagegaan. Küster die de diverse Aesopus-edities onderzocht heeft (23) komt tot het volgende oordeel : Etwa die Hälfte der Radierungen fuszt auf den Holzschnitten der Lyoneser Ausgabe von 1556 (Jean de Tournes) bzw. auf denen der Pariser Ausgabe von 1561 (H. de Marnef). Daneben kehren einige Kompositionen der alten Ulmer Vorbilder wieder ... (p. 275). Zo Hodnett het werk van Küster omwille van de datum niet heeft kunnen inzien, zo had hij zeker het artikel van zelfde auteur moeten kennen. Dit verscheen in Raggi, 1969, vol 9. nr. 4 onder de titel"Bemerkungen zum emblematischen Fabelbuch"."De warachtige Fabulen der dieren" von 1567. Küster onderzoekt er aan de hand van ikonografisch materiaal de voorlopers van Gheeraerts' gravuren. Hij oppert verder de gedachte - eveneens door Hodnett niet onderzocht dat het werk "als verhüllt calvinistisches Erbauungsbuch in den Jahren des Kampfes gegen geistige Unterdrückung" (p. 120), zou verschenen zijn, wat plausibel is gezien de achtergrond van Gheeraerts' leven. Dit brengt ons tot de verhouding : Gheeraerts-Rederijkers-Dene, om nog niet te spreken over P. de Clerck, de drukker en zijn relatie tot Gheeraerts. Ook de"Orphic Man" interpretatie van de titelpagina door Hodnett (p. 32) lijkt ons te ver gezocht en moet eerder in deze richting te vinden zijn. Verder, de editie van 1567 is een zeldzaam werk, en het ware toch niet zonder belang na te gaan waar de exemplaren zich bevinden. Ook het verband tussen de tekst en de illustratie moest onderzocht worden. In 1578/79 verscheen de tweede editie, een Franse versie, te Antwerpen hij P. Galle waarin de 107 gravuren worden overgenomen met toevoeging van 18 nieuwe, eveneens door Gheeraerts. Het tweede belangrijk werd door Gheeraerts geïllustreerd met 20 etsen, is de dubbele editie van het werk van Jan van der Noot, Het theatre / Le Théatre, London J. Day 1568. Door zijn onderzoek bevestigt Hodnett de toeschrijving aan Gheeraerts. De auteur is ook van oordeel dat de tekeningen voor de houtsneden uit volgende twee werken van de hand van Gheeraerts zouden zijn : Stephen Bateman A Christall Glasse, John Day 1569 en Raphaell Holinshed Chronicles of England ..., H. Bynneman 1577. Deze mening berust op stylistische grond. Dit is wel het origineelste gedeelte uit het werk van Hodnett, en bij gebrek aan materiaal hier in Gent kunnen wij wel deze visie aanvaarden. In een volgend hoofdstuk behandelt de auteur de tekeningen die Gheeraerts gemaakt heeft voor etsen die door anderen werden uitgevoerd; zijn samenwerking met Ph. Galle komt hier op de eerste plaats. Dit is een degelijk overzicht en een goede aanvulling op Hollstein. Het laatste hoofdstuk behandelt de tekeningen van Gheeraerts. Verder bezit het boek een chronologie van zijn leven, een overzicht van het werk, een index en een 60 tal illustraties die door hun goede keus een overzicht geven van het oeuvre van de kunstenaar. Onderlijnen wij de typografische kwaliteiten en de smaakvolle uitvoering van dit boek dat een belangrijke aanwinst is voor de kennis van Gheeraerts.
(21) HODNETT, Edward, Marcus Gheeraerts The Elder of Bruges, London, and Antwerp, Utrecht, Haentjens Dekker & Gumbert 1971, 101 p. en 60 reproducties, 63 gulden.
(22) Voor de Brugse periode is zijn boekje verschenen in 1941 nog steeds uitstekend.
(23) KUSTER Ch. L., Illustrierte Aesop-Ausgahen des 15. und 16. Jahrhunderts, Hamburg 1970. Ook het artikel valt L. SCHELER, La persistance du motif dans l'illustration des fables d'Esoge du seizième et dix-septième siècle verschenen in Studia Bibliographica in honorem Herman de la Fontaine Verwey, Amsterdam, 1966, p. 350-355 is de auteur ontgaan.
[48] De katalogus nr. 284 van Erasmus, Amsterdam (september 1871) vermeldt volgende werken : een editie van Richard Pafraet, Deventer 1502, nl. de quattuor novissima toegeschreven aan Gerard van Vliederhoven voor 650 gulden (N K. 1604), en een Lactantius uit Antwerpen, 1539, Johannes Crinitus voor Joh. Gymnicus (N.K. 1292) voor 480 gulden.
[49] Bij L. Rosenthal te Hilversum werd voor de som van 3.600 gulden door de Gentse Universiteitsbibliotheek een zeldzame editie aangekocht van de naar Treviso uitgeweken Gentse drukker Gerardus de Lisa de Flandria : Vincentius Ferrer De fine mundi 9 maart 1475 (BMC 884 a, niet in Van der Meersch).
[50] B. De Graaf, uit Nieuwkoop biedt in zijn lijst nr. 93 (november 1971) volgende werken aan. Twee edities van John Fisher, samengebonden voor 850 gulden : het betreft de Assertionis Lutheranae confutatio ... Antwerpen, J. Steels 1537 (N K. 940) en de Sacri sacerdotii defensio contra Lutherum ... Antwerpen. J. Steels 1537 (N K. 942); verder de Omnia ... latina opera van Thomas More Leuven, J. Bogard 1566 voor 2.800 gulden.
[51] Van Gendt, Amsterdam, veilde op 25 october 1971 een exemplaar van het Passionael van Jacobus de Voragine gedrukt te Antwerpen bij Henr. Eckert van Homberch 1505. Dit mooie boek met zijn talrijke houtsneden (N K. 1193) was in slechte toestand; het werd toegeslagen voor 4.200 gulden + 16% (Exemplaar uit de J. Six collectie). Tevens werd een onbekende N.K. geveild nl. Paludanus Arn. Progymnasmata grammatices. Item etymologia de syntaxis. Ex officina Ioan. Graphei 1532. Dit exemplaar werd tenslotte door onze buitengewoon koopkrachtige Albertina aangekocht voor 1050 gulden (+16%, + commissie).
[52] Bij Meijer Elte in Den Haag waren in october 1971 volgende edities te bekomen : De tweede Franse editie van Guicciardini Description de tous les Pays-Bas Plantijn 1582, volledig en in zeer goede staat voor 2.500 gulden. Grapheus Cornelis De Seer wonderlijcke incompst vanden Prince Philips inde stadt van Antwerpen. Anno 1549, gedrukt te Antwerpen door G. van Diest voor P. Coecke 1550, in zeer goede staat voor 1.500 gulden. De Expositio hymnorum van Chr. Snellaert Delft 1496 (Camp. 722) is zeer goede staat, modern perkamenten band, voor 3.250 gulden. Willem van Gouda, Expositio misteriorum misse (door N. K. 3138 als c. 1503 gedateerd), G. Bac, Antwerpen, (Polain 1793) voor 3.100 gulden, in goede staat, moderne band. Een zeer mooie Griekse editie van Mart. de Keyser, november 1528 (N K. 1117) Horae in laudem beatissimae Virginis ... voor 2.500 gulden. Dit laatste exemplaar werd door de Gentse Universiteitsbibliotheek aangekocht. Het is afkomstig uit de bibliotheek U. Proost die op 7 november 1967 bij Beyers geveild werd (nr. 1387).
[53] De catalogus van M. Nijhoff in den Haag (nr. 826, dec. 1971) biedt volgende werken aan : nr. 3 De Amadis de Gaule in de Franse vertaling van Nicolas de Herberay, Antwerpen, G. Silvius 1573-77, 15 dln. met talrijke houtsneden voor 4.8OO gulden; nr. 11 Hesiodus Liber georgicorum, opera et dies, Deventer, Rich. Pafraet 22 oct. 1502 (N.K. 1066) voor 1.150 gulden; nr. 17 Gemmula vocabulorum, Deventer, J. de Breda, 30 maart 1498, voor 3.800 gulden (het is het exemplaar van J. Nève, vermeld in Polain 1568). Dit is een niet onbelangrijk Latijn-Nederlands woordenboekje en gerubriceerd. Tenslotte nr.931, Plinius Secundus C. Epistolae familiares ..., Leuven, D. Martens, 1516 voor 3.600 gulden (N. K. 1740). Dit exemplaar afkomstig uit de Kloss-Library bevat bovendien annotaties van de hand van Melanchthon.
[54] Bij Beijers te Utrecht werd op 7 december 1971 het tweede deel van de Library of the Mennonite Ohurch of Amsterdam geveild. Deze bibliotheek bevat uit de aard der zaak talrijke zeldzame drukken van Nederlandse afkomst ; wij hebben, vruchteloos, geprobeerd op deze veiling enkele boeken voor Gent te kopen maar ons beperkt krediet liet dit niet toe. Het eerste boek dat geveild werd was de eerste Griekse editie van het Nieuwe Testament door Erasmus uitgegeven. Novum Instrumentum omne, diligenter ab Erasmo Roterodamo recognitum ... (grieks en latijn) Bazel, Joh. Froben 1516, met mooie houtborduren van Urs. Graf. Dit werk is uiterst zeldzaam (24) en bereikte, niettegenstaande de gebrekkige toestand (zeer kort afgesneden, slecht papier en latere band) de som van 18.500 gulden (zonder kosten). Verder noteren wij : Het Nieuw Testament, Antwerpen, Jan van Ghelen 1528 (N.K. 394), enig bekend exemplaar, met talrijke houtsneden versierd, band 1564, voor 2.300 gulden. Epistole evangeliaque toto anno, ... Antwerpen, M. Hillen 1531 (N. K. 4228, enig exemplaar) voor 1.800 gulden. Een exemplaar van de Vorsterman Bijbel 1533-1534 (N.K. 405) waarvan de kaart ontbrak voor 1.100 gulden. Den Bibel in duyts ... Embden, S. Mierdman & J. Gheylliaert 1556, de oudste Bijbel van de Nederlands Gereformeerde Kerk, voor 2.300 gulden. Het Nieuwe Testament, Emden, L. der Kinderen 1563 voor 1.900 gulden. Souter Liedekens Antwerpen, S. Cock 1540, (N K. 1918) voor 1.000 gulden. Van Maarten Mikron uit Gent afkomstig : Een claer bewijs van het recht gebruyck des Nachtmaels Christi ... London, 1552 samen met zijn De cleyne catechismus, oft kinderleere, der Duytscher ghemeynte, die te Londen is. Londen, H. vanden Berghe 1552; enig bekend exemplaar voor 4.500 gulden. Een editie Vander navolghinghen Christi, Leiden, Jan Seversz, 7 mei 1519 (N K. 2014) voor 600 gulden. Beza Th. Bekentenisse des Christelicken gheloofs, eerste Nederlandse vertaling door J. Junius, Franckfort 1561 voor 1.350 gulden.
(24) Gent bezit hiervan - vermoedelijk enig in België - een perfekt exemplaar. Op 26 october 1971 werd ook een beschadigd exemplaar (nr. 278) geveild bij Sotheby voor 1.400 pond.
[55] Menno Hertzberger, katalogus nr. 267 (dec. 1971) biedt volgende werken aan : nr. 26, Crans van dusent rosen, Leiden, Peter Jansz. (c. 1535), (NK0639) voor 1.950 gulden; nr. 33 de eerste Nederlandse vertaling van Fuchs' Herbarius, Bazel, M. Isingrin, (1545), met gekleurde houtsneden, voor 12.200 gulden; nr. 34 de eerste Franse editie van Guicciardini, Description de tout le Pays-Bas, Antwerpen, G. Silvius 1567 (één ill. ont.) voor 1.850 gulden; nr. 52, Valverda J. de Vivae imagines partium corporis humani, Antwerpen, Chr. Plantijn 1572, (met de ill. uit Vesalius' Fabrica) voor 2.5OO gulden.
[56] De katalogus 131, november 1971, van H. P. Kraus, New York, vermeldt onder de talrijke uitzonderlijke werken twee Caxton edities : nr. 19 Le Fevre, Raoul The Recuyell of the Histories of Troy, door W. Caxton uit het Frans vertaald en gedrukt te Brugge c. 1473- 1474 en nr. 20 Le Fevre, Raoul Le recueil des histoires de Troyes, Brugge vóór september 1476. Beide exemplaren, afkomstig uit de J. Pierpont Morgan Library, zijn onvolledig (prijs niet medegedeeld, zie echter de catalogus van Sotheby van 8 juni 1971). Verder nr. 27 de Dialogus creaturarum van Maino de Maineri, gedrukt te Gouda door Gerard Leeu, 3 juni 1480 (Comp. 560) en bekend om de mooie houtsneden (17de-eeuwse band).
[57] De katalogus nr. 205 (october 1971) van Lathrop C. Harper te New York vermeldt : nr. 10 de eerste Spaanse vertaling van Apianus Petrus, Libro de la Cosmographia ... Antwerpen, G. Bontius 1548 (Peeters-Fontainas 61) voor 435 dollar. Een mooie en zeldzame eerste editie van Clichtoveus J., Antilutherus, Parijs, S. de Colines 1524 voor 650 dollar (B.B.C. 444) en nr. 86 het eerste en tweede boek van Goltzius Hubert, C. Iulius Caesar siue Historiae ... Brugge, H. Goltzius 1563-1574 voor 1.350 dollar (B.B.G. 385-387). Maar het belangrijkste stuk - tenminste voor onze gewesten is nr. 143. Het is de Ordonnantie ende Edict des Keysers Kaerle die V. ... gevolgd door Die catalogen oft inuentarisen vanden quaden verboden boecken ... Leuven, S. Sassen 1550 in -4°, 24ff. Deze beide werken samen vormen de tweede index van de verboden boeken in het Nederlands gepubliceerd (prijs 1.250 dollar). Het boekje draagt het ex-libris van Chr. Sepp die aan dit werk een studie gewijd heeft in zijn Verboden lectuur van 1889.
[58] Op 22 maart 1971 werd bij Sotheby een Vesalius geveild waaraan enkele ff. ontbraken voor 1.000 pond. Het betreft de : De humani corporis fabrica, Bazel J. Oporinus, juni 1543. Haar veilingscatalogus nr. 29, van 8 juni, die enkele dubbels uit de Pierpont Morgan Library aanbood vermeldde onder nr. 9 : Jacobus de Cessolis, The game and the play of the chess, vertaald door Caxton. Brugge, W. Caxton, na maart 1474/1475 (Campl. 418a, G.W. 6532). Dit werk, waaraan een 4tal ff. ontbraken werd voor 44.000 pond geveild en voor een kleine 6.000.000 door onze K.B. aangekocht. Verder bij Sotheby : 7 juni, nr. 79, Ambrosius Passio diue Agnetis Virginis, Deventer, Al. Pafraet, feb. 1515 (N.K. 113) voor 210 pond. Op 19 juli, nr 169, Boethius, De consolatione, Deventer, J. de Breda, 5 aug. 1497 (Camp. 318) voor 55 pond. (x 20ff. ontb.).
[59] De katalogus nr. 147 (october 1971) van E. P. Goldschmidt te London vermeldt volgende werken : drie Griekse edities door R. Rescius te Leuven voor Barth. Gravius van Basilius de Grote : nr. 17 Homilia ad iuvenes ... 27 april 1532 (N.K. 251, voor 125 dollar). nr. 18 Sermones duo de ieiunio ... 10 maart 1533 (N K. 252, voor 116 dollar); nr. 19, Homilia de invidia ... 8 mei 1532 (N K. 249, voor 115 dollar) en verder nr. 154 de Catalogus omnium antistitum Tungarorum, ... Antwerpen, W. Vorsterman (c. l530) van Joh. Plancentius, voor 185 dollar (N K. 1726).
[60] De katalogus 132 (november 1971) van Deighton, Bell & Co. Cambridge biedt volgende drukken aan. Nr. 26, Jacobus, Comes Purliliarum, De generosa educatione liberorum, Treviso, 11 september 1492 voor 450 pond. De drukker is Gerardus de Lisa de Flandria. Nr. 45, een Engelse tekst in Antwerpen gedrukt door J. Laet in 1565 voor 476 pond : Beda, The History of the Church of Englande in de vertaling van Thomas Stapleton. Nr. 82 de tweede folio-editie van Vesalius A. De humani corporis libri septem. Bazel, I. Oporinus 1555 voor 1.500 pond.
[61] De katalogus nr. 1 (dec. 1971) van J. Norman, San Francisco, biedt onder nr. 380 en 381 twee Vesalius' edities aan : De humani corporis fabrica, Bazel, J. Oporinus, 1543, in zeer goede staat voor 15.000 dollar en het zogenaamd Consilium voor Ingrassia, Venetie, A. Patesio 1568 voor 1.850 dollar.
[62] Bernard M. Rosenthal te San Francisco biedt in zijn katalogus 23 (november 1971) twee interessante edities aan. Nr. 21 Capella, Galeazzo De rebus nuper in Italia gestis libri octo, 1521-1530, door hem toegeschreven aan Martinus de Keyser, Antwerpen, 1533, (N. K. 518) voor 235 dollar. Hij vergist zich vermoedelijk en het betreft hier N K. 519 Antwerpen, Joh. Grapheus (?) 1533. Nr. 38 Esbatement moral des animaux Antwerpen, G. Smits voor Ph. Galle (c. 1578) voor 1.400 dollar, met 125 illustraties van Marcus Gheeraerts. De tekst is de Franse vertaling van Dene's De warachtighe fabelen der dieren.
[63] De katalogus nr. 64 van Lardanchet (Parijs 1971) vermeldt : nr. 8 Apianus P., Cosmographia, Antwerpen, G. Bontius 1550 voor 3.600 fr. fr., en nr. 24 Bonaventura Sermones de tempore, Zwolle 1479 voor 15.500 fr. fr. (gerubriceerd exemplaar, in zeer goede staat, band uit de 18de eeuw). Volgens Lardanchet zou het G.K.W 4810 zijn, maar het opgegeven colophon stemt noch overeen met de beschrijving uit de G.K.W. 4810, noch met de variant G.K.W. 4811. Hellinga rangschikt deze beide edities onder : Drukker van de anonieme edities in type I (Johannes de Vollenhoe).
[64] De katalogus 11 (oct. 1971) van Trésor de livres et graphiques, Frankfurt am Main, bood onder nr. 504 een onbekende editie van Erasmus aan voor 260 mark. Het betreft de Colloquiorum familiarum opus, Antwerpen, ex officina Ioan. Grapei 1542. Het boek werd door de Gentse Universiteitsbibliotheek aangekocht.
[65] Bij Karl und Faber te München werd op 10 november 1971, (nr. 180), volgend werk geveild waarvan de prijs ons nog niet werd medegedeeld. Petrarca. Rerum memorandum libri IV. Leuven, Loeffs de Driel, ca. 1485 (Polain 3065); de katerne a komt uit de editie 1487.

Go Top
Archives et bibliothèques de Belgique - Archief- en bibliotheekwezen in België, dl. XLIII (1972), nr. 3-4 pp. 770-796: nrs [66]-[109]
KRONIEK DER DRUKKUNST
IN DE NEDERLANDEN TOT 1600

Door J. MACHIELS

[66] Ter gelegenheid van het jaar van het boek had de Bibliothèque Nationale te Parijs een merkwaardige tentoonstelling ingericht (1). Wegens het algemeen belang van deze tentoonstelling wensen wij hier een bondig overzicht ervan te geven. De inleidende zaal toont ons de Divers supports du livre, en tevens enkele voorbeelden van de drukkunst in het Verre-Oosten; vergeten wij niet dat men in China met losse typen drukte vanaf het begin van de 11de eeuw (nr. 42 is een dgl. gedrukte tekst, afkomstig uit Korea uit de 14de eeuw). De volgende afdeling Genese et métamorphoses du livre occidental vormt het voornaamste deel. Het met de hand geschreven boek, het perkament, het papier (bereiding en watermerk) vormt de inleiding tot het gedrukte boek. Nr. 109 is Gutenberg's Bijbel (42 r) en speciaal het exemplaar met een nota van de rubricator en binder H. Cremer waarin hij ons meedeelt dat zijn werk beëindigd was op 24 augustus 1456. Vervolgens wordt ons de uitbreiding geschetst, of beter de geweldige vlucht, die de drukkunst nam na ±1465, eerst in Europa en nadien in de andere werelddelen. Na de evolutie van het boek volgt de geschiedenis van het schrift, de schriftsoorten, de navolging ervan door de typen en hun langzame losmaking ervan in de loop van de 16de eeuw. La présentation du livre, die het geschreven en gedrukte boek bij elkaar brengt en geen kunstmatige lijn trekt tussen beide gebieden, schetst ons de evolutie van de uiterlijke vorm (titel, colophon, tekstindeling ...). Vervolgens komt de illustratie (manuscript en gedrukte boek), de xylografie, de gravure en haar evolutie tot op heden, terwijl de afdeling Reliure ons enkele zeldzaamheden toont. De volgende afdeling is gewijd aan de Production et diffusion. Wie of welke instelling"produceerde" het met de hand geschreven boek en voor wie? Hoe zette de drukker zijn producten af? Hoe was zijn beroep ingericht, zijn voorrechten, zijn bescherming. De laatste grote afdeling Le livre et son public brengt onder deze rubriek nogal uiteenlopende onderwerpen, terwijl het slot van de tentoonstelling gewijd is aan het bibliophile boek : een keus van exemplaren opgedragen aan of in het bezit geweest van belangrijke personen. (1) Le livre, Parijs, Bibliothèque Nationale, 1972. Deze catalogus werd samengesteld door een ganse groep medewerkers uit de bibliotheek.
[67] In een uitgebreid artikel voorzien van een bibliografie probeert Pollak (2) de prestatie na te gaan van de houten handpers. Om te weten hoe groot de productie per pers was onderzoekt hij vooreerst hoe de pers werkte. De drukgang bij houten persen (de one- of two-pull pers). In het eerste geval (the one-pull press) wordt, bv. bij een folio-formaat met 4 bladzijden tekst per vel, elke pagina één voor één na elkaar gedrukt (1, 2, 3, 4) en voor elke pagina wordt de drukvorm veranderd. In het tweede geval, met zelfde formaat, wordt één drukvorm van twee pagina's klaargemaakt (1 en 4, 2 en 3), moet ook 4 maal geduwd worden, maar men hoeft de drukvorm slechts tweemaal te veranderen, dus snellere arbeid. Gutenberg (en dit tot ongeveer 1470-1480) drukte volgens het eerste geval. Let wel op dat in beide gevallen de pers bij elke drukgang (dalen van de degel) slechts één foliobladzijde (of 2 quarto of 4 octavo bladzijden) kan drukken. Rekening houdend met de efficientie, de vlijt van de drukker, de kwaliteit van het geleverde werk (zonder de evolutie en de verbeteringen van de houten pers uit het oog te verliezen) moet men tot zeer veranderlijke resultaten gekomen zijn. We cannot evaluate the performance of the wooden handpress p. 231. De oude bronnen, waarvan de tekst moeilijk te begrijpen valt, afgewogen hebbend, en na enkele berekeningen komt hij tot een resultaat van ±200 sides (= 1 foliopagina of 2 quarto's) per uur en per pers. Bij Plantijn, in de tweede helft van de zestiende eeuw, komt men tot 2.500 sides per press per working day (p. 248), dus ongeveer 300 sides per uur.
(2) M. POLLAK, The Performance of the Wooden Printing Press, in The Library Quarterly, 1972, dl. XLII, nr. 2, p. 218-264.
[68] Van T. Besterman's A World Bibliography of Bibliographies verscheen in 1971, naast de editie in de bekende vorm, een editie in meerdere octavo delen gegroepeerd per onderwerp. Twee delen hiervan zijn gewijd aan de drukkunst (3) ; naar de inleiding vermeldt zou de uitgever het materiaal van de vierde editie (1965- 1966) herwerkt hebben per onderwerp. Dit algemeen bekende werk dat goede diensten bewijst als vertrekpunt vooral voor de bibliografie van de drukkersplaatsen zal, niettegenstaande zijn lacunes, onder deze nieuwe vorm betere dienst bewijzen.
(3) The Besterman World Bibliographies. Printing Book Collecting and Illustrated Books. A Bibliography of Bibliographies, by T. BESTERMAN, Totowa 1971.
[69] Vermelden wij hier een reeks herdrukken uitgegeven door het Augustijns Historisch Instituut te Heverlee-Leuven. Nr. 1 bestaat uit een iconographie van de heilige Augustinus, 28 koper gravuren van de hand van Schelte van Bolswert naar tekeningen van de Antwerpse Augustijner Eugenius Wamelius, verschenen te Antwerpen in 1624 (4). Het tweede nummer omvat 60 kaarten van 42 provincies en 12 Augustijner congregaties uit de ganse wereld. Deze kaarten werden getekend en gegraveerd door de Franse Augustijner Augustin Lubin en verscheen te Parijs bij P. Baudoin in 1659 (5). Het derde werk, een verzameling gravuren uitgevoerd door A. Lubin, A. Flamen en I. Silvestre verscheen te Parijs in 1659. Het omvat afbeeldingen van het klooster S. Agostino te Rome en 21 andere Augustijnerkloosters uit Frankrijk (6). In dezelfde reeks worden ook nog aangekondigd de twee werken van A. Höggmair die de kloosters zal omvatten die in het gebied van de Germaanse assistentie van de Orde gelegen zijn en deze te Rome.
(4) Iconographia Magni Patria Augustini, Hipponensis episcopi et Ecclesiae Doctoris excellentissimi, 750 Fr.
(5) Orbis Augustinianus sive conventuum Ordinis Eremitarum Sancti Augustini chorographica et topographica descriptio, 750 Fr.
(6) Topographia Augustiniana sive prospectus conventuum Ordinis Eremitarum Sancti Augustini. Veues et perspectives de plusieurs couvents des PP. Augustins, 400 Fr.
[70] In vergelijking met de editie van 1965 is de uitgave van 1972 van Gerlo's bibliografie van het humanisme een belangrijke verbetering (7). Uitgaand van de eenheid van Noord en Zuid in deze periode worden nu ook de humanisten uit het Noorden erbij opgenomen ; ook de datum werd opgeschoven tot het midden van de 17de eeuw. Het werk werd afgesloten eind 1969. Een eerste deel : Introduction bibliographique à l'histoire générale des Anciens Pays-Bas (p. 13-107) omvat de retrospectieve en algemene bibliografie, de algemene werken, de periodieken, de reeksen, de bronnen, de monografieën, de biografieën, en de hulpwetenschappen, dit alles steeds chronologisch gerangschikt. Een tweede deel l'Humanisme aux Anciens Pays-Bas (p. 108-117) behandelt het meer specifieke humanisme in de Nederlanden. Het derde deel Les domaines spéciaux (p. 118-232) omvat diverse rubrieken zoals de drukkunst, het onderwijs, de godsdienst, het recht, de wetenschappen ... Het hoofdstuk gewijd aan de drukkunst (p. 118-129) is voor ons hier het interessantste en met het oog op een nieuwe editie volgen hier enkele opmerkingen. Wij vinden het vooraf spijtig geen hoofdstuk te vinden gewijd aan de bibliotheken ; het privaat boekenbezit uit deze periode is een belangrijke bron en een bibliografie over dit onderwerp in onze gewesten is noodzakelijk. Tot welke kategorie van gebruikers richt deze bibliografie over de drukkunst zich nu ? Zeker niet tot specialisten, dit blijkt onmiddellijk ; dus moeten hier alleen vermeld worden de basiswerken en de ernstige inleidingen maar dit dan volledig die voor niet-ingewijden het nuttigst zijn. De eerste rubriek : Généralités (p. 118-120). Er wordt slechts één tijdschrift vermeld, nr. 1564, dat vervolgd geworden is door Het Boek (nr. 53 hoger vermeld) ; waarom niet Le Bibliophile Belge opnemen dat veel waardevol materiaal bevat ? Nr. 1559 is aan te vullen met Ledeboer's Boekdrukkers. Nr. 1561 is een reeks die beter vooraan zou vermeld worden onder de rubriek Séries, hier heeft dit weinig betekenis en zegt niets over de inhoud die uiteenlopend is. Nr. 1562 kon hier onvermeld blijven. Nr. 1563 Bom G. D. is bijkomstig alhoewel nuttig. De nummers 1566, 1573, en 1576, waarom daar niet bij vermelden : Catalogus der Tentoonstelling van de Ontwikkeling der Boekdrukkunst in Nederland, Haarlem 1923 dat een goede aanvulling is? Over de merken wordt Juchhoff R. vermeld (nr. 1571), waarom niet Van Havre en Silvestre of het deel uit de B.B.? Zeker moest vermeld worden : R.F. APERS, De huidige stand van de studie der geschiedenis van de boekdrukkunst in België, verschenen in de Handelingen van het Eerste Wet. Vlaams Congres voor Boek- en Bibliotheekwezen 1930, p. 13- 44. dat een voor deze tijd goed bibliografisch overzicht gaf. Nr. 1577 is hetzelfde werk als nr. 1578 maar in het Engels. Wanneer Rouzet A., nr. 1579 vermeld wordt, waarom dan niet de aanvulling van De Graaf B. en M. E. : De Noord-Nederlandse bibliografie 1541-1600 verschenen in Het Boek (1961-62) p. 174-196? Naast nr. 1580, 1583, 1594 waarom niet : De Incunabelen en de Nederlandsche Uitgaven tot 1540 in de Bibliotheek der Universiteit van Amsterdam, door C. P. BURGER, 1919 en 1923, 2 dln.? Vervolgens de incunabelen : nr. 1586 vermelden impliceert vermelding van tal van andere werken, dus beter schrappen en liever nr. 1585 aanvullen met de nodige supplementen. De rubriek Impressions des XVIe et XVIIe siecles (p. 121). Naast nr. 1591 moet zeker vermeld worden : Le livre, l'estampe, l'édition en Brabant du XVe au XIXe siècle, Gembloers, 1935. Nr. 1592 is hier beter te schrappen en nr. 1593 wordt verder nog eens vermeld (nr. 1664) waar het beter past. De rubriek 4 : Études Biographiques (p. 121-123) gewijd aan de drukkers is zeer willekeurig van samenstelling. Hoe gebeurde de keus? Het artikel van Apers hoger vermeld is hierover veel beter. Nr. 1601 en waarom niet het werk van Proctor Jan van Doesborgh van 1894? Waarom niets over De Keyser, over Hillen? Nr. 1612 waarom niet het supplement van 1866?. Nr. 1616 is 1956 i.p.v. 1957 en waarom niet het artikel van Nuyts? Waarom niet het boekje van E. Polain over Vorsterman, noch de studie over Van Waesberghe van Ledeboer? Dit hoofdstuk is zwak en moet zeker herwerkt worden. De volgende rubriek Études locales (p. 123-126) is gewijd aan bepaalde drukkersplaatsen ; ook hier is de keus onevenwichtig. Voor 's-Hertogenbosch : E. TEN BRINK, Bossche Drukken 1541-1629 in Varia Historica Brabantica 1966 en 1969. Nr. 1644, 7 vol. nader te specifieren. Nr. 1656 p. 1-174 wordt p. 1-17 en p. 106-107. Vianen : zie de artikels van De La Fontaine Verwey. De volgende rubriek is gewijd aan Études thématiques (p. 126-129). Waarom niets over de Bijbel-edities, over schoolboeken, over de almanakken ... ? De werken van Scheurleer over de Souterliedekens en de Liedboeken, van De Troeyer over de Franciscana ... werden niet eens vermeld. Over de verboden boeken wordt Sepp niet vermeld behalve bij nr. 2120 sq. waarnaar zou moeten verwezen worden. Bij de Illustration (p. 128) : waarom niet het werk van Hind over de Woodcuts, waarom niet Schretlen? Nr. 1682 waarom niet zijn Nederlandsche Houtsneden 1500-1550 van 1933-1939?. Over de boekbanden is nr. 1696 zeker onvoldoende. Een korte commentaar bij elk nummer over de bruikbaarheid zou zeer nuttig zijn en veel nutteloos zoeken vermijden bij de gebruikers. Men houdt zich ook strict aan de Nederlanden, maar kan men de drukkunst alhier begrijpen los van de omliggende landen? Keulen bv. is voor ons even belangrijk als Leuven en een korte orientatie over Duitsland, Italië en Frankrijk zou zeer nuttig zijn. Wij hebben de indruk dat in vergelijking met de andere delen van het boek de drukkunst wat verwaarloosd werd : men vermeldt wel de catalogus van het B. M. (nr. 1588, er is een herdruk met aanvullingen van 1967), maar zonder de aandacht te vestigen op de knappe inleidende synthese van Painter waarmee ieder moet mee beginnen die zich op het gebied van de Nederlandse incunabelkunde waagt, noch op de artikels van Kruitwagen. Deel 4 Répertoire bibliographique des humanistes et poètes neo-latins (p. 233-491) vormt het voornaamste deel en is ongetwijfeld het nuttigst. Alfabetisch, met de nodige verwijzingen, wordt van elke humanist de data vermeld met referenties naar de voornaamste woordenboeken en biografieën ; na elke humanist volgt de voornaamste bibliografie over hem verschenen. Het werk wordt afgesloten met een uitgebreide alfabetische index (p. 493-543). In één classement worden en moderne en historische personen, anonieme boektitels, steden en plaatsnamen vermeld.
(7) A. GERLO en H. D. L. VERVLIET, Bibliographie de l'Humanisme des Anciens Pays-Bas avec un répertoire bibliographique des humanistes et poètes néo-latins, (Instrumenta Humanistica, III), 640 Fr. Brussel, Presses Universitaires de Bruxelles, 1972.
[71] Na een onderbreking van 30 jaar verschijnt thans opnieuw de eerste aflevering van band 8 van de Gesamtkatalog (8). De vroegere leiding door de Preuszischen Staatsbibliothek wordt thans overgenomen door de Deutsche Staatsbibliothek (DDR), het werk staat onder de leiding van Dr. H. Roloff. In een korte inleiding worden de moeilijkheden voor het heropnemen van het werk geschetst. Deze eerste aflevering van het nieuwe begin omvat slechts enkele hoofdstukken van algemeen belang voor het gebruik van de GW. In de eerste plaats de belangrijke beschrijvingsregels, een herwerking van de in band 3 (1928) verschenen tekst : Anleitung zur ausführlichen Beschreibung der Wiegendrucke für den Gesamtkatalog. Het is spijtig dat voor een dgl. internationaal werk deze regels slechts in het Duits afgedrukt worden daar waar zij in de 1928 editie in 4 talen te vinden waren. De tekst is echter in grote lijnen onveranderd gebleven ; bij 1.2.1 wordt het literarischen Gattungsbegriff ingevoerd daar waar vroeger het eerste woord in aanmerking kwam; bijzondere zorg zal besteed worden aan de Exemplarnachweise. Volgen verder een lijst van Allgemeine Abkürzungen en Abkürzungen für angeführte Quellen, deze laatste is een cumulatieve bibliografie uit de vorige delen aangevuld met nieuwe nummers. Deze lijst van ongeveer 25 bl. bibliografie is wel het nuttigste deel van deze aflevering. De rest van de aflevering omvat de Abkürzungen für Wiegendrucksammlungen d.w.z. de sigels van de diverse bibliotheken. Aflevering 2 zal dan een herdruk met aanvullingen worden van de eerste aflevering van Band 8 in 1940 verschenen.
(8) Gesamtkatalog der Wiegendrucke herausgegeben von der Deutschen Staatsbibliothek zu Berlin, Band VIII, Lieferung 1, Stuttgart, A. Hiersemann; Berlin en New York 1972, 36 DM.
[72] Hoe staat het met de studie van de Nederlandse Prototypografie? - term die thans gebruikt wordt om de meer populaire uitdrukking Costeriana- of Costerfragmenten te vervangen. De N P. heeft tot doel een bibliografische en typografische analyse te bezorgen van de verschillende groepen van edities van wat men de vroegste voortbrengselen van de Nederlandse drukkunst kan noemen. Daar deze fragmenten wetenschappelijk niet langer met L. J. Coster en Haarlem te verbinden zijn heeft deze nieuwe term de voorkeur. De prototypografie bestudeert dus een reeks edities, gedrukt met losse metalen letters, en waarvan men de lettertypen kan indelen in een vijftal groepen. De drukplaats of -plaatsen en de data zijn onbekend, ongeveer 1466/1467-1471, dus een tweetal jaren voor de eerste gedateerde edities uit de Nederlanden. Naast het Speculum Humanae Salvationis, en enkele korte humanistische teksten wordt de voornaamste groep van overgebleven fragmenten gevormd door schoolteksten : Alexander de Villa Dei's Doctrinale, Donatus en Cato. Daar waar het aantal overgebleven edities en fragmenten van de eerste twee groepen niet aangegroeid is, zijn de fragmenten van de laatste groep sterk toegenomen. De GW. heeft gelukkig de lijst van de toen bekende fragmenten gepubliceerd (Doctrinale in 1925 (I), 44 fragmenten ; Cato in 1934 (VI) 3 fragmenten ; Donatus in 1938 (VII), 83 fragmenten). Het opzet (9) van L. Hellinga is nu een aanvulling te geven van de fragmenten van de Doctrinale, de Cato en de Donatus. Zoals in de GW zijn ook hier de fragmenten gegroepeerd per tekst en daarin per type ; de inhoud wordt eveneens aangeduid zoals bij de GW. ; verder worden eveneens bibliografische referenties opgegeven. Van het Doctrinale : 11 nieuwe fragmenten in type 1 ; 14 in type 5 ; van de Cato 1 in type 1 ; van de Donatus een 17-tal nieuwe fragmenten voor de 5 typen. Wij hebben het geluk gehad een fragment te ontdekken in een boekband uit de Universiteitsbibliotheek. Het is een stuk uit het Doctrinale op velijn gedrukt, (1 vel, 2 verenigde folio's, 4 p. tekst.), 32 regels, type I. Inhoud : Reichling 638-701 ; 830-893 (Gent, Univ. Bibl. Res. 1819).
(9) Lotte HELLINGA, Further fragments of Dutch Prototypography. A List of findings since 1938, in Quaerendo, 1972, dl. II, nr. 3, p. 181-199.
[73] Waar en wanneer werd Campbell 1104 (Leo I, Sermones) gedrukt ? Deze editie, samen met een zestal andere, vertoont een zeker aantal gelijke kenmerken (o.a. type, kapitalen). Scholderer (10), die dit probleem reeds onderzocht had, was getroffen geweest door het feit dat een groot deel van deze zeldzaam overgebleven exemplaren zich in het oostelijk deel van Duitsland en de daaraan palende gebieden bevonden. Bleef echter de verwantschap met een type uit onze gewesten of uit Duitsland en hij was daarom geneigd de drukkersplaats in Duitsland te localiseren. Hellinga in hun P. T. localiseren de so-called Netherlandish text-type ... in the East of Europe, beyond the Elbe (p. 8) Szandorowoska (11) probeert op haar beurt een antwoord te vinden. Over meer materiaal beschikkend (7 edities in Poolse bibliotheken) en na vergelijking met de andere exemplaren (54-tal bewaard), is zij van oordeel dat de plaats van druk in Polen, in Chelmno, te localiseren valt. Zij brengt dit in verband met de opening van een school aldaar, in 1472 en de uitnodiging van a number of Dutch teachers from the Brethren of the Common Life from Zwolle (p. 167). Deze Broeders openden de drukkerij met meegebracht materiaal : vóórdat zij dus drukten in Zwolle (1478-79)? ? Papier en drukmateriaal komen uit het Westen, ongetwijfeld, en bij gebrek aan archiefmateriaal blijft dit alles een hypothese gesteund op een vage type vergelijking en het feit van de concentratie van de edities in dit gebied.
(10) V. SCHOLDERER, The Printer of Leo I Sermones, in The Papers of the Bibliographical Society of America, 1960, dl. LIV, p. 111-113.
(11) E. SZANDOROWSKA, A Dutch printing-office in fifteenth-century Poland, in Quaerendo, 1972, dl. II, nr. 3, p. 162-172.
[74] De inhoud van het handboek van G. Sosa (12) beantwoordt meer aan de ondertitel dan aan het begrip manual. Een handboek over incunabelkunde leidt in en leidt op tot dit vak en wij denken hier bv. aan het handboek van Häbler dat Sosa niet eens vermeldt. De auteur wenst veel te veel te geven, is te uitgebreid in de tijd, en de student zou beter de instructies uit de GW. deel III lezen en enkele incunabels beschrijven : dan zich te vertrouwen op Sosa. Hoofdstuk I behandelt het papier, geschiedenis en techniek ; het citeert het uitstekend woordenboek van E. J. Labarre - maar zonder het veel gebruikt te hebben geloven wij - en zou toch wel A. Stevenson's betekenis voor de papierstudie moeten aangeduid hebben. Volgen enkele opmerkingen over de xylografie, de eeuwige gemeenplaatsen over Gutenberg en de uitvinding en dan komt de hoofdschotel, p. 55-188 : een geschiedenis in vogelvlucht van de drukkunst in Duitsland, Italië, Frankrijk ... Per stad wordt een samenvatting gegeven van de voornaamste drukken. Op p. 135-144 komen ook de Nederlanden aan de beurt, uiterst elementair, met meerdere onjuistheden en zonder het werk van Hellinga te vermelden. Hoofdstuk X en XI over de drukkunst in Spanje en Portugal, is dank zij de Bibliografia van Häbler uitvoeriger behandeld. Hoofdstuk XII brengt enkele noties bij over de typen - zijn indeling is niet houdbaar - en over het drukken. Hoofdstuk XIII behandelt dan eigenlijk het onderwerp van de incunabelkunde zoals wij dit kennen uit Häbler. Dit hoofdstuk mist echter aangepaste voorbeelden en bibliografie die de beginneling zou moeten orienteren. Een hoofdstuk over illustratie gevolgd door een lijst van eerste edities eindigt het boek. Volgen nog enkele aanhangsels : een over de geschiedenis van de drukkunst vanaf de 16de tot de 18de eeuw, met de nadruk op Spanje, een over de drukkunst in Amerika en de gebruikelijke indices.
(12) Guillermo B. SOSA, Manual de Incunables, (Historia de la imprenta hasta el siglo XVIII), Buenos Aires, Ediciones Historia del Libro, Ayacucho 1867, 1972.
[75] Föhl (13) bezorgt ons een overzicht (in short-title catalogue vorm) van de werken van Thomas a Kempis, met uitzondering van de Imitatio, verschenen voor 1500. Zij kon daartoe gebruik maken van de manuscriptfiches van de GW.
(13) Hildegard FÖHL, Wiegendrucke des Thomas von Kempen, in Heimatbuch 1972 der Kreises Kempen-Krefeld, p. 218-220.
[76] Flodr (14) toont ons aan dat met zijn 570 incunabeledities, Aristoteles, na de Bijbel, wel het meest gedrukt geworden is. Het voornaamste kenmerk van deze Aristotelesedities is wel dat het commentatorenedities zijn, d.w.z. - niet zoals bij een Cicero - dat de tekst zelf op de achtergrond komt ten koste van de tekst van de commentator. De auteur geeft ons een overzicht van de productie van elk land en daarin de chronologische evolutie. Italië, met Venetië, komt vooraan met 257 edities; volgen Duitsland met 162 (vooral Keulen), Frankrijk 99, Spanje 20, België 17 en Nederland 4. Het overzicht voor België en Nederland is juist en dit is vooral te danken aan het feit dat Flodr de GW. heeft kunnen benuttigen. Interessant is vooral zijn overzicht van alle drukkers met hun diverse Aristotelesedities, zodanig dat wij een goed inzicht krijgen welke teksten van Aristoteles meest gelezen werden.
(14) Flodr MIROSLAV, Aristotelische Wiegendrucke, in Sbornik Praci Filosoficke Fakulty Brnenske University, 1970, C 17, p. 53-88.
[77] De smaakvol uitgegeven catalogus van de hand van Ugo Baroncelli (15), die het fonds van de Biblioteca Queriniana in Brescia beschrijft, is een belangrijke aanwinst voor de incunabelstudie. Deze bibliotheek omvat immers talrijke onbekende en zeer zeldzame edities, vooral van Italiaanse herkomst, spijtig genoeg geen enkele incunabel uit onze gewesten. In een inleidend hoofdstuk wordt het fonds en de vorming ervan, evenals het belang van Venetië - het grootste gedeelte zijn immers Venetiaanse incunabelen - besproken. Vervolgens komt de eigenlijke catalogus; in alfabetische volgorde volgt een short-titel beschrijving van de 1008 incunabelen met de nodige referenties en de herkomst ervan. De uitgebreide indices omvatten : deze van de drukkers en plaatsen van druk, van de uitgevers, de chronologische lijst van jaar van uitgave en de concordatietabel naar Hain, GW. en de Indice generale degli incunabuli delle biblioteche d'Italia. De bibliotheek omvat diverse drukken van de Gentse uitgeweken drukker Gerardus de Flandria; 464 : Hermes Trismegistus 1471 ; 745 : Phalaris 1471 ; 755 : Pius II Epistola 1475; 709 : Perottus 1476 ; 598 : Mahomet II Epistolae door Baroncelli c. 1477 gedateerd; allen uit Treviso. Uit zijn Cividale periode hebben wij nog : 767, Platina 1480.
(15) Ugo BARONCELLI, Gli incunabuli della Biblioteca Queriniana di Brescia (Catalogo), Brescia, Ateneo di Brescia, 1970, stamp. 1971, in-8°, 516 p., ill.
[78] De catalogus door Dotto (16) samengesteld bestaat uit een korte titelopgave van de 988 incunabelen aanwezig in de Biblioteca Nazionale van Palermo. Na elke editie volgen de Hain, de GW., en de B M C referenties ; het ex-libris wordt ook vermeld. Achteraan vindt men een index van autori, traduttori, commentatori e curatori ; een drukkers- en een plaatsrepertorium ; een chronologische lijst van de drukjaren en een lijst van de provenienze. Zoals te verwachten zijn de incunabelen uit ons gebied niet vertegenwoordigd ; slechts nr. 139 Beets, (Camp. 260), Leuven, E. vander Heerstraten, 1486 - en een druk van Gerardus de Lisa uit zijn Cividale periode : B. Platina, De honesta voluptate (1480) zijn aan te stippen. Slechts twee edities zijn volgens Dotto onbekend ; één ervan is zeker een vergissing nr. 544, de Lapide editie van Th. Kees, Parijs, 13 juni 1500, die als 2 juni 1511 dient gelezen te worden, wat reeds in 1901 door Claudin in zijn Histoire de l'imprimerie ... II, p. 234 werd opgemerkt.
(16) Anna Maria DOTTO, Catalogo degli incunabuli della Biblioteca Nazionale di Palermo, Palermo, 1971.
[79] Het opzet van pater Mees, de drukwerken in de Rijksarchieven aanwezig opsporen, is zeer nuttig. In een eerste aflevering (17) worden ons een viertal incunabelen bekend gemaakt waarvan de laatste, een aflaatbrief door A. De Keysere, c. 1487 te Gent gedrukt, wel de voornaamste vondst is. De overige 3 drukken komen reeds voor bij Polain. Deze aflaatbrief, afkomstig uit het Rijksarchief te Gent (de Preudhomme 78) was een tot op heden onbeschreven druk. De initiaal, biechteling voorstellend, vindt men ook op een andere aflaatbrief in 1487 gedrukt en die in 1951 te München bij Weinmüller geveild werd (eigenaar thans onbekend, maar reproductie in Katalog 47). Bij de bespreking van het gebruikte typemateriaal had pater Mees beter gedaan met te verwijzen naar andere drukken van De Keyser.
(17) L. MEES, Oude drukken in Belgische Rijksarchieven, in Archief- en Bibliotheekwezen in België, 1972, dl. XLIII, nr. 1-2, p. 20-26.
[80] Op grond van fotografisch materiaal bewaard in de Deutsche Staatsbibliothek te Berlijn brengt dezelfde auteur (18) ons een beschrijving van het werk Brugmans regel van de Franciscaan Jan Brugman. Op grond van het typografisch materiaal schrijft hij de editie toe aan Jan Evertzoon.
(18) L. MEES, Brugmans regel : The rediscovery of an early printed edition, in Quaerendo, 1972, dl. II, nr. 3. p. 227-233.
[81] Zo pas verscheen de prachtige catalogus die onze aandacht wil vestigen op de rijke bezittingen van de Poolse bibliotheken (19). Deze catalogus, omvat 5768 nummers (= 19.207 exemplaren), (Polain heeft ongeveer 4000 nummers), waarvan 31 onbekende edities, 190 edities voor het eerst juist, en nieuw beschreven, 2 xylografen, en 88 edities uit de overgangsperiode, (eind 15de en begin 16de eeuw). De exemplaren zijn verspreid over 108 publieke bibliotheken (zowel officiële als religieuze) en enkele private collecties. Het rijkste fonds is te vinden in de Bibliotheca Iagellonica (3322 exemplaren uit de 15de eeuw) te Cracow, fonds dat ons reeds bekend was uit de catalogus van 1969. Daarop volgt de Bibliotheca Universitatis Wratislaviensis met 3194 exemplaren. In de inleiding wordt ons ook een overzicht gegeven van de enorme schade door de Tweede Wereldoorlog opgelopen en van de libri rarissimi (o.a. de 42 r. Bijbel van Gutenberg en, wat vanzelfsprekend is, de zeldzaamste Poolse drukken). Tevens wordt ook aangeduid uit welke officina de incunabelen afkomstig zijn : Duitsland en Italië komen natuurlijk vooraan maar de Nederlandse edities zijn ook talrijk. Tenslotte volgt nog de Elenchus Bibliothecarum. Het eigenlijke werk omvat in alfabetische volgorde een short-title lijst van de 5768 edities. De onbekende edities daarentegen en de 190 boven vermeld worden nauwkeurig beschreven met typevermelding. Na de titel en de data volgen de gebruikelijke referenties, en voor de Nederlandse edities een verwijzing naar de index in Hellinga's P. T., deel II, p. 463 waarvan de data werden overgenomen. Op het einde van deel II heeft men : een lijst van 88 postincunabelen ; de Conspectus incunabulorum topo-typographico ordine digestis per land, per stad, en chronologisch ; een Index alphabeticus typographorum, librariorum, fautorum et urbium en diverse concordantietabellen (naar GW, naar Hain, ...). Als slot volgen 33 platen uitgelezen voor hun zeldzaamheid. Wij beschikken dus met deze catalogus over een uitstekend werkapparaat. Bekijken we even van dichtbij de Nederlandse edities. Nederland : 9 bekende edities uit Delft. Deventer : Jacobus de Breda, nr. 3148 een onbekende editie van de Verba deponentialia (89 G), en nr. 4713, Dominus quae pars reeds vermeld in de catalogus van B. Kocowski van 1962 ; de rest van de 38 edities zijn bekend. Rich. Pafraet is vertegenwoordigd met 61 edities, waarvan nr. 3141 Composita verborum, cum commento Ioannis Synthen, nog vóór 1500 kan gesitueerd worden, en nr. 3156 Verba deponentialia na 1500. Uit Gouda, van de Collaciebroeders, 1494, nr. 5016 (= MKCI 1531 a) en 6 edities van Leeu, allen bekend. 7 edities van Petrus van Os te Zwolle waarvan nr. 4557 onbekend is : Rudimenta grammaticae ad pueros, c. 1493/97 (afbeelding pl. XXXI). België : van Martens te Aalst, 3 bekende edities ; 3 edities van Govaert Bac te Antwerpen waarvan er een, nr. 2106 Evangelia et Epistolae van [14]94 aan hem toegeschreven wordt maar nader onderzoek zal vergen (afbeelding pl. XI). 5 bekende edities van Matthias van der Goes, 4 van G. Leeu, 1 van Cl. Leeu, en 1 van Martens. De Fratres Vitae Commnunis uit Brussel zijn vertegenwoordigd met 6 edities, allen bekend, en De Keysere uit Gent met zijn Rhetorica divina. Leuven : alle edities zijn bekend : 3 van A. van der Heerstraten, 1 van R. Loeffs, 20 van Johannes de Westfalia, en een van J. Veldener. Het is wel spijtig dat in de referenties van de Nederlandse edities het Campbell-nummer zeer dikwijls vergeten werd. Te vermelden valt dat van de edities uit de Nederlanden een zeer groot deel geconcentreerd is in twee bibliotheken : De Biblioteka Gdanska Polskiej Akademii Nauk in Gdansk en de Biblioteka Seminarium Duchownego te Pelplin. De inleiding geeft ons hieromtrent geen nadere verklaring.
(19) Bibliotheca Nationalis Polona. Incunabula quae in bibliothecis Poloniae asservantur, Moderante Alodia KAWECKA-GRYCZOWA, composuerunt Maria BOHONOS et Elisa SZANDOROWOSKA, Wratislaviae - Varsaviae - Cracoviae, Ex officina Instituti Ossoliniani, 1970, 2 banden in-folio, ill., 1210 p.
[82] De catalogus van de National Library of Scotland (20) gelijkt wat opzet en uitvoering betreft zeer veel op de Short-title Catalogues van het British Museum, maar deze laatsten zijn vanzelfsprekend veel uitgebreider. Na een korte inleiding volgt in één alfabetisch klassement de beschrijving van alle werken in deze beide bibliotheken aanwezig. Elke notitie omvat de auteurs. naam of een gekozen rubriek voor de anoniemen ; de titel, meestal verkort ; de naam van de uitgever of de vertaler van de tekst; de naam van de drukker en de plaats van uitgave in de vorm waarin zij in het boek gevonden worden; de datum ; het formaat en het plaatsnummer. Voor zeer vele werken die verschenen zijn zonder drukkersnaam en plaats wordt tussen rechte haakjes een oplossing voorgesteld ; de druk wordt aan een bepaalde drukker toegeschreven en een datum wordt voorgesteld, soms met een vraagteken. Dit is wel een nadeel verbonden aan een dgl. methode van werken omdat zij de gebruiker niet inlicht waarom een bepaald werk aan een bepaalde drukker wordt toegeschreven of een bepaalde datum vooropgesteld wordt. Na deze lijst volgt een zeer belangrijke index van drukkers en uitgevers. Het klassement is alfabetisch per stad, daarin alfabetisch per drukker of uitgever en na elke drukker volgen chronologisch, per jaar, zijn drukken. Van deze drukken wordt in de index de auteur herhaald en in vele gevallen (waarom niet overal ?) een zeer korte titelopgave. Vergelijkt men de practische bruikbaarheid van de index met deze van Adams, dan verkiezen wij toch Adams ; hier worden alle drukkers zonder onderscheid van stad alfabetisch geklasseerd en voor een index van meer dan 100 bladzijden gaat het opzoeken dan veel vlugger. De laatste index is deze van de drukkers en uitgevers met de stad waarin zij werkten. De verzameling van de National Library is zeer heterogeen ; men vindt drukken van zowat alle belangrijke drukkersplaatsen uit die periode ; Parijs, Lyon, Bazel en Venetië zijn natuurlijk best vertegenwoordigd, maar ook de drukken uit de Nederlanden zijn talrijk. Verder, naast de klassieke auteurs en de Bijbel vallen de reformatorische drukken op ; Luther, Melanchton, Osiander, Calvin ... Daar de catalogus ook de drukken opneemt van de Faculty of Advocates komen er uitgebreide rubrieken in voor van juristische proefschriften. Deze proefschriften worden, het gebruik van de 19de eeuw volgend, niet op auteursnaam maar per universiteit geklasseerd (vb. Altdorf, Bazel, Heidelberg, Helmstadt, Ingolstadt, Jena, Leipzig, Marburg, Rostock, Straatsburg, Tubingen, Wittenberg). Hier vraagt men zich toch af of het niet beter was deze proefschriften op de auteursnaam te klasseren. Het werk is zeer mooi uitgegeven, aangenaam gedrukt en overzichtelijker dan Adams; maar daarentegen wordt van de boeken slechts het formaat vermeld, noch paginering noch signaturen worden opgegeven. Het niet vermelden van het aantal bladzijden lijkt ons een tekort en voor de zeldzame werken of deze waar verwarring mogelijk is met een andere editie lijkt ons een collationering noodzakelijk. Een dergelijke catalogus moet ook als werkinstrument kunnen gebruikt worden door andere bibliografen - is dit niet zo bij Adams ? - en het ontbreken van de signaturen is hiervoor een onmisbaar tekort (dit is geen luxe noch loutere bibliografische eruditie). Keren wij even terug naar het eigenlijk werk ; de auteurs- en anoniemen lijst. Daar waar het boek de auteur vermeldt is de keus van de vedette relatief gemakkelijk ; bij anonieme werken wordt het moeilijker. In zeer vele gevallen zijn deze gekend en opgelost maar toch stelt men vast dat zij als anoniem beschreven worden en na de titel wordt tussen rechte haakjes de auteur aangeduid ; ware het niet duidelijker ze ook onder deze opgeloste, auteur te klasseren ? De werkelijke anoniemen worden op het eerste substantief, of per stad, of per land of in grote rubrieken ondergebracht. Hier beginnen de moeilijkheden ; eenieder die lang gewerkt heeft met de Short- title catalogues van het British Museum is bekend met de verwarring die daarin heerst en de grote moeilijkheden om een anoniem werk terug te vinden. Ook hier komt die - in mindere mate terug. Enkele voorbeelden : Henri II en III vindt men onder France, maar ook onder Henry II en III. Karel V vindt men onder Charles V, onder Germany, en onder de Netherlands. Philips II onder de Netherlands en onder Spain. Men heeft een rubriek Holland-Staten maar ook eenzelfde rubriek onder Netherlands. De rubriek Liturgies omvat ook een Catechismus of Kinderpredig uit Brandenburg en zoekt men onder Justinianus dan vindt men niets, zelfs geen verwijzing, hiervoor moet men onder Rome zoeken waar men het Corpus, de Digesta ... aantreft. Men vindt daar ook de pauzen maar toch is het goed eens onder de pausnaam te kijken. Dit zijn slechts enkele moeilijkheden die bij de anonieme rubrieken oprijzen. Bekijken we even de drukken uit de Nederlanden. Van G. Bac wordt vermeld : Secreta mulierum et virorum, c. 1496-1500, welke editie is dit juist? De GW. vermeldt onder nr. 744 en volgende, en ook NK 2264 en volgende, diverse drukken, maar welke is het hier? Op blz. 218 wordt een onvolledig exemplaar vermeld van het Breviarum Sarum (NK 3761). Bestaat er van dit werk een volledig exemplaar ? Dit boek is gedrukt door Christoffel van Ruremund te Antwerpen (1525-1526) voor F. Byrckman te Londen. Deze laatste wordt ook vermeld in de index bij de Antwerpse drukkers & uitgevers, wij geloven echter niet dat deze in Antwerpen werkte. Op blz. 48 wordt onder de Bible, Psalms een editie van de Souterliedekens van S. Cock te Antwerpen 1540 vermeld. Ook hier vraagt men zich af welke editie juist, vermits NK er een tiental signaleert van 1540. De Antwerpse drukker A. Collaert is vertegenwoordigd met een editie van Jan van der Straet Beatae Mariae spectaculum iconibus delineatum. Van A. Goinus wordt een door NK onbekende Erasmuseditie vermeld : De ciuilitate morum puerilium libellus 1539. Een belangrijke aanvulling voor de B.B. is: Tomus tertius grammatices van Despauterius, Antwerpen, Johannes Hillen van Hoochstraten 1542. Een aanvulling op NK lijkt mij ook : L. Vallae elegantiarum adeps door Accursius, Antwerpen, Martinus de Keyser 1535 en de twee edities van G. Montanus, de Columbanus en de Foucherius beide van 1539. De Franse vertaling van Avila y Zuniga Commentaire de la guerre d'Allemaigne, Antwerpen, 1550, voor N. Torcy wordt aan de drukker [J. de Laet ?] toegeschreven : waarom ? zelfde type als de Nederlandse vertaling? De Bianchi editie p. 44 (onvolledig) [Antwerpen? 1514] is wel het Rekenboek van Jan Ympyn van 1543 (zie Cat. De comptabiliteit door de eeuwen heen, Brussel, 1970, nr. 14). Een werk van J. Knox An admonition ... (p. 202), N. Dorcastor : Wittonburge 1554 wordt [Antwerpen ?] toegeschreven : waarom ? voor dgl. interpretaties zou een korte uitleg zeer wenselijk zijn. Brugge : De National Library is de gelukkige bezitter van het enig bekende exemplaar van de Theodulus (KC 1651 a) van de drukker J. Brito, wat reeds voldoende is voor een reis naar Edinburgh. Uit Gent zijn een 10-tal drukken aanwezig waarvan 5 Houckaerts ; twee ervan zijn gedrukt door Badius te Parijs voor Crombrugghe te Gent. Voor de andere steden uit Zuid & Noord Nederland zouden wij dezelfde commentaar kunnen maken maar wij geloven dat dit hier voldoende is om het belang aan te tonen van deze catalogus voor de drukkunst in de Nederlanden tot 1600. Het samenbrengen van al de gegevens uit dgl. catalogi zal ons langzamerhand een min of meer volledig beeld geven van de Nederlandse drukken. Vermelden wij tenslotte nog een exemplaar (p. 56) van een blokboek uit de Nederlanden Biblia Pauperum, c. 1470?
(20) A Short-Title Catalogue of Foreign Books printed up to 1600. Books printed or published outside the British Isles now in the National Library of Scotland and the Library of the Faculty of Advocates, Edinburgh, Edinburgh, 1970, in-8°, 545 p., 17£.
[83] Het werk van A. Labarre (21) ligt in dezelfde lijn als het vroeger verschenen uitstekend werk van R. Doucet (22), met dien verstande dat het voorhanden en onderzochte materiaal te Amiens veel uitgebreider is. Het inleidende hoofdstuk schetst ons een algemeen overzicht van Amiens in de 16de eeuw. Amiens bezit ongeveer 8000 inventarissen na overlijden opgemaakt uit de 16de eeuw. De oudste dateert van 1503, verder een 25-tal tot 1516, en vanaf 1517 een continue reeks tot 1622. Volgt daarna, een kort overzicht van de boekdrukkunst en de boekhandel in Amiens. Daar men in Amiens praktisch niet drukte kwamen de boeken van de dichtstbijgelegen drukkerscentra : Parijs, Rouen en Antwerpen. Het tweede hoofdstuk is gewijd aan de bezitters. Uit de periode 1503 tot 1576 worden 4.442 inventarissen onderzocht, waarvan er slechts 887 boeken vermelden. Deze 887 inventarissen vormen de basis van Labarre's onderzoek. Na de lijst van de bezitters volgt een analyse van hun beroepsactiviteiten en tot welke klasse zij behoren. Het derde hoofdstuk is voor ons het interessantste. Deze periode - de overgang van manuscript naar gedrukt boek - toont ons les proportions et la rapidité avec lesquelles les livres imprimés se sont substitués aux manuscrits (p. 145) ; alhoewel voor de 16de eeuw dit onderscheid manuscript-druk helemaal niet hetzelfde belang had als voor onze tijd. De grootste moeilijkheid ligt wel in de identificatie van de werken zelf. Wij zijn thans gewoon aan een bibliografie of een catalogus in alfabetische volgorde van auteursnamen, maar dit verschijnsel is zeer recent ; zijn niet de grote catalogi uit de vorige eeuw (vb. Lammens, Van de Velde, Mac-Carthy Reagh, Meermann, en talrijke andere) naar titels gerangschikt ? naar formaat ? of naar een voor ons eigenaardige klassement ? Zoveel te meer hebben de schatters van de inventarissen, die dicteerden bij de schatting en schreven zoals zij hoorden, andere criteria gebruikt. De waarde, het object, de uiterlijke vorm primeerde ; de auteur was bijzaak. Dit alles maakt het identificeren uiterst lastig omdat wij nu weinig of geen repertoria op titels meer hebben; voor de incunabels gaat dit nog wat, maar voor de 16de eeuw ... Labarre deelt de werken in onder vijf grote categorieën, het is de indeling die wij nog bij Brunet en in de oude fondsen van talrijke bibliotheken (vb. Gent) terug vinden. Vooraan komt de theologie : op de 3050 werken in Labarre zijn 1531 van religieuse inhoud en 764 vallen onder de rubriek livres d'heures. Dit laatste is wel een typisch Frans verschijnsel ; bij ons is deze rubriek veel geringer. Zonder in discussie over bepaalde interpretaties te vallen - wat, gezien de vaagheid in de aanduidig, mogelijk is - bewonderen wij de spitsvondigheid en de bevoegdheid van de auteur bij het interpreteren van de vermelde boeken. Gewoonlijk geeft hij ons de datum van de eerste editie van het betreffende werk, wanneer diverse edities mogelijk zijn of bij een gering aantal editiemogelijkheden twee of drie data. De gedrukte werken uit onze gebieden zijn uiterst gering : wij vinden er Plantijn, Steelsius, Martens en een paar edities uit Leuven. Een belangrijk hoofdstuk, les éclairages genoemd, onderzoekt een zestal inventarissen waarin zowat de belangrijkste boeken geconcentreerd zijn uit die 3050 (de bibliotheek van een procureur, een geestelijke, een advokaat (met 240 boeken), een doctor in de geneeskunde, een theoloog en een handelaar). Gezien de steeds terugkerende zelfde moeilijkheden om werken te identificeren waarvan alleen een titel - dikwijls nog onvolledig of duister - opgegeven zijn, brengt de auteur ons als slot van zijn boek een uitstekende hulp : een bibliografie van 502 nummers. Deze verzamelde documentatie vormt een belangrijk werkapparaat bij het identificeren van boeken ; zij beperkt zich niet tot middeleeuwse bibliotheken maar is vooral gewijd aan de periode 1450-1610 en omvat alle landen die toen in de boekenwereld een rol speelden. Deze bibliografie is bovendien van commentaar voorzien, belang en bruikbaarheid ervan worden vermeld, en of de uitgegeven catalogus al of niet geannoteerd is. Tenslotte volgt nog een index van de bezitters en van de auteurs in de inventarissen gevonden.
(21) Albert LABARRE, Le livre dans la vie amiénoise du seizième siècle. L'enseignement des inventaires après décès 1503-1576, Parijs-Leuven 1971.
(22) Roger DOUCET, Les bibliothèques parisiennes du XVIe siècle. Parijs, 1956.
[84] Carlos G. Norena (23) brengt ons op p. 300-308 een overzicht van de edities van de voornaamste werken van Vives vanaf 1520 tot 1650 en een chronologische lijst van Vives' werken. Alhoewel deze lijst - die men geen bibliografie kan noemen - haar nut kan hebben, is ze erg onvolledig en het volstaat even de voornaamste bibliografieën en catalogi van 16de eeuwse boeken open te slaan om zich daarvan te overtuigen.
(23) Juan Luis Vives, Den Haag, 1970.
[85] In een goed artikel (24) geeft Van Hoorn ons een overzicht van het werk van de twee Zierikzeese artsen Lemnius. Uitvoerig wordt het boek De miraculis occultis naturae behandeld (met samenvatting en inhoudstafel in het nederlands vertaald). In een derde bijlage vindt men een overzicht van de werken van Levinus Lemnius en de diverse edities die daarvan verschenen ; zonder een uitvoerige beschrijving te geven van de edities is deze bibliografie zeer nuttig.
Zie ook nr. 151
(24) C. M. VAN HOORN, Levinus Lemnius en Willem Lemnius. Twee zestiende-eeuwse medici, in Archief. Mededelingen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1971, p. 37-86.
[86] Het artikel van Simons (25) omvat een biografie van Martin Donk van Kempen (Duncanus), een bibliografisch overzicht van zijn werken met de diverse edities en een korte bibliografie over Donk. De bibliografie van zijn werken lijkt mij, tot op heden, volledig (het zeldzame werkje vermeld in Het Boek, 1923, p. 127-130 wordt vermeld). Het artikel van Hensen in het Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel 3, kan toegevoegd worden.
(25) Hans SIMONS, Martin Donk van Kempen, in Heimatbuch 1972 des Kreises Kempen-Krefeld p. 231-236.
[87] In De Gulden Passer van 1965 gaf Touwaide ons een beschrijving van de oorspronkelijke Italiaanse editie van Guicciardini bij Silvius te Antwerpen in 1567 verschenen. Thans (26) geeft hij ons een beschrijving van de Première et deuxième éditions de la traduction française Silvius, Anvers 1567 et 1568, en van de Édition en Italien Christophe Plantin, Anvers, 1581, in Folio.
(26) R. H. TOUWAIDE, Les éditions Belges de la description des Pays-Bas par Guicciardini. Analyse iconographique et typographique, in De Gulden Passer, 1970, dl. XLVIII, p. 40-83, (verschenen januari 1972).
[88] Het is de bedoeling van Landwehr (27) een aanvulling en verbetering te brengen op het nuttige boekje van Roeder (28). Na een lijst van de steden waar de ceremonieën hebben plaats gehad volgt in chronologische volgorde de bibliografie. Zij omvat een 290-tal nummers waarvan een zestigtal uit de 16de eeuw. Volgen daarna een lijst van de kunstenaars en van de drukkers, uitgevers en boekverkopers. Elk nummer omvat een min of meer volledige beschrijving en enkele bibliotheek- en bibliografische referenties. Het luxueuse werk had beter wat meer aandacht aan de notities besteed, dan aan de uitgebreide illustratie die niet eens de afmetingen van het origineel vermeldt. Wij hebben alleen de 16de-eeuwse edities nagegaan en brengen daarop enkele aanvullingen : nr. 4 in Gent (Meul. 26). Nr. 11, in-8°, in Gent (Meul. 27) (volgens Cat. Meulman zou de auteur Corn. Valerius zijn, waarom niet nagegaan?). Nr. 19, de Gentse Universiteitsbibliotheek bezit hiervan een editie. Gedruckt zu Leipzig, durch Valentin Babst, 1549, in-4°, 8 ff. n. g., A-B4 (Meul. 58 (1)). Nr. 20 in Gent (Gent 107). Nr. 21 in Gent (Gent 106). Nr. 22 zonder localisatio van enig exemplaar. Nr. 23 in Gent (Res. 1190). Nr. 25 in Gent (Hist. 3498 (1) en Res. 1191 en Meul. 63). Nr. 24 in Gent (Res. 1190 (1)). Nr. 28, de collationering is zeer onvoldoende, in Gent (Res. 1510 (5)). Nr. 29, waarom worden de Duitse en de Italiaanse versies niet beschreven? Nr. 31 is Peeters-Fontainas 1110. Nr. 32 in Gent (Res. 1394). Nr. 34 in Gent (Gent 484 (1)) . Vander Haeghen (B. G. 533 en 534) onderscheidt zelfs twee variantedities waarvan geen spoor bij Landwehr. Nr. 35 in Gent (Meul. 331). Nr. 36 in Gent (Bl. 5420 en Meul. 334). Nr. 38 in Gent (Res. 1373). Nr. 39 in Gent (Ti. 245). Nr. 44 in Gent (Gent. 660). Nr. 46 in Gent (Gent 661 (2)). Nr. 49 in Gent, (Ti. 301). Nr. 50 in Gent (Hist. 3266). Nr. 51 in Gent (Acc. Meul. 1594 (1)). Nr. 55 en Nr. 56 in Gent (Bl. 2032 (1) en Bl. 2032 (1 bis)).
(27) John LANDWEHR, Splendid ceremonies State Entries and Royal Funerals in the Low Countries, 1515-1791. A Bibliography, Nieuwkoop, De Graaf, 1971.
(28) Irmengard von ROEDER-BAUMBACH, Versieringen bij Blijde Inkomsten, Antwerpen, 1943.
[89] Eind 1566 probeerde Augustijn van Hasselt te Vianen een drukkerij op te richten. Hij werd daarbij gesteund en van materiaal voorzien door zijn vroegere baas Christ. Plantijn. Deze drukkerij aldaar kan slechts korte tijd gefunctionneerd hebben en was spoedig verplicht de wijk te nemen naar Wesel. Vraag : Heeft Plantijn zich gecompromiteerd door deze sluikpers ? Heeft hij daar gedrukt of doen drukken door A. van Hasselt ? Wat werd daar gedrukt ? Herman de la Fontaine-Verwey, die ons reeds meerdere bijdragen bezorgde over Vianen, probeert ook thans hier klaarheid te brengen (29). Hij is van oordeel dat de Déclaration sommaire du faict de ceux de la ville de Valencienne 1566 (zonder plaats noch drukker), en dit op grond van une comparaison minutieuse des caractères et d'autres éléments typographiques zou gedrukt geweest zijn te Vianen door die sluikpers. Dit veronderstelt, menen wij, dat men over drukken zou beschikken waarvan men zeker weet dat ze te Vianen gedrukt werden en deze zouden dan als vergelijkingsmateriaal dienst doen. In een brief van 2 augustus 1567, (Corresp. I, nr. 74) gericht aan H. Niclaes, beklaagt Plantijn zich er over niets meer gehoord te hebben van A. van Hasselt aan wie hij geld en drukgereedschap verschaft heeft, en ... dont je n'ay onques retiré qu'environ 40 fl. de quelque partie des Apoc. et Rec. Fontaine-Verwey veronderstelt nu : 1° Apoc en Rec werden dus te Vianen gedrukt ; 2° Apoc. is te lezen als Apol. en duidt de fameuse Apologie van Marnix aan ; 3° Rec. is de afkorting van Recueil des choses advenues en Anvers ... en l'an 1566. Vergelijkt men nu de Déclaration van december 1566 met de Apoc. en de Rec. dan stelt men vast (= La Fontaine-Verwey) dat zij van dezelfde pers gekomen zijn. Gezien de zeldzaamheid van deze drie panlfletten hadden wij toch graag wat meer vernomen over deze typografische vergelijking om eventueel nog andere drukken uit Vianen te kunnen situeren. Deze Déclaration schrijft de auteur toe aan Guy de Brès evenals de Remonstrance et supplication de ceux de l'Église réformée de la ville de Valencenes ... le 14 jour de décembre 1566. Ook dit laatste boekje moet te Vianen gedrukt zijn. En Plantijn nu? Zijn vooruitzichten waren niet uitgekomen en hij doet al wat mogelijk is om zijn tussenkomst te verdoezelen (zie over dit laatste : Voet L., The Golden Compasses, p. 50-55).
(29) Herman de la FONTAINE-VERWEY, Le siège de Valenciennes et l'imprimerie clandestine de Plantin à Vianen en 1566-1567, in Revue française d'histoire du livre, Bordeaux, 1971, n.s., dl. 1, p. 9-25.
[90] Het kort artikel van Gilmont (30) is een goede aanvulling op het boek van J. N. Bakhuizen van den Brink De Nederlandsche Belijdenisgeschriften van 1940 waar vanaf p. 11 de toen bekende edities van de Confessio belgica werden onderzocht. Naast de editie A en B van 1561 waarvan de auteur twee nieuwe exemplaren ontdekt heeft te München, ontdekte hij eveneens twee nieuwe edities van 1562 (München en Parijs). Van elke editie bezorgt de auteur een reproductie van de titelpagina en een goede beschrijving.
(30) Jean-François GILMONT, Premières éditions françaises de la Confessio belgica (1561-1562), in Quaerendo, 1972, dl. II, nr. 3, p. 173-181.
[91] Het artikel van Braekman (31) is gewijd aan een viertal eenbladdrukken uit de Gentse Universiteitsbibliotheek. Alleen het eerste behoort tot de 16de eeuw en werd reeds door Vanderhaeghen (B. G. nr. 10876) behandeld ; nieuwe gegevens daaromtrent komen er niet bij. Bij elk blad is een korte commentaar over de inhoud toegevoegd.
(31) W. L. BRAEKMAN, Early Flemish broadside ballads in the University Library in Ghent, in Quaerendo, 1972, dl. II, p. 109-121.
[92] Het werk van Eugénie Droz (32) doet ons spontaan denken aan het boekje van Kronenberg Verboden boeken en opstandige drukkers in de Hervormingstijd van 1948 : men vindt er dezelfde kwaliteiten, dezelfde passie om door te dringen in die duistere praktijken van de vervolgde drukkers. Beiden gebruiken dezelfde methode om de drukwerken te identificeren en het is vooral met het oog op deze methode dat wij uit het werk van juf. Droz heel wat kunnen halen voor onze 16de-eeuwse drukkunst. Juffrouw Droz had ons vroeger reeds enkele belangrijke artikels hierover gebracht, denken wij slechts aan haar Fausses adresses typographiques verschenen in Bibliothèque d'Humanisme et Renaissance, 23, dat handelt over enkele zogenaamde Antwerpse drukkers en haar twee artikels verschenen in Het Boek, 37, Sur quelques traductions françaises d'écrits de David Joris, Rotterdam, D. Mullem vers 1580 en Ch. Plantin, Imprimeur de Guy de Brès, 1555. Haar Chemins de l'hérésie is een verzameling van teksten en documenten van min of meer uiteenlopende aard, en om een overzicht van het ganse werk te hebben vermelden wij alle hoofdstukken. Haar voornaamste opzet kunnen wij als volgt omschrijven : de verspreiding van het protestantisme na te gaan en een lijst aan te leggen van de verboden drukkers en van hun drukwerken. Dit laatste is wel het belangrijkste ; in de inleiding, over deze verboden drukken sprekend, zegt zij als volgt : pour les reconnaître, pour en identifier et localiser les typographes, il est nécessaire d'étudier les papiers et les caractères, en particulier les lettres majuscules et ornées, avec une grande précision (p. VI). Ook deze taak stelt zich voor onze gewesten ; zeer talrijke drukken en tot ver in de 16de eeuw zijn bij ons nog te identificeren, maar wij missen nog zelfs een overzicht van de bekende drukwerken, hun typen en drukkermerken, vooraleer deze taak alhier op wetenschappelijke wijze te kunnen aanpakken. Uit het werk van E. Droz komt ook nog eens duidelijk te voorschijn dat typen in Antwerpen gebruikt ook bij drukkers in het buitenland gevonden worden. De eerste afdeling (p. 1-88) met als titel Quatre manières de se confesser is gewijd aan het sacrament van de biecht, puisque ce sacrement servait de test. Inderdaad de evolutie van de biechtboekjes, van de handleidingen om een goede biecht te spreken geven een goed beeld van de aftakeling van de Roomse biecht onder de invloed van de protestantse geschriften. Vanaf 1518 tot 1521 (Von der Beicht dateert van september 1521) begint Luther de katholieke biecht aan te vallen, daarin gevolgd door Oecolampadius met zijn Paradoxon van april 1521. De eerste reactie die hierop onderzocht wordt is deze van Erasmus; vanaf maart 1524 verschijnen diverse drukken van zijn Exomologesis sive modus confitendi (Froben, Hillen) dat een antwoord is op de aanval van Luther en Oecolampadius. Enkele weken nadien op 26 april, verschijnt eveneens bij Froben - niet met zijn gewoon merk - de eerste Franse vertaling door Cl. Chansonnette Manière de se confesser. Dit is een zeldzaam werk, maar beweren dat Vander Haeghen n'en souffle mot (p. 9) is overdreven (zie B. E. p. 104). Hierna volgt de tekst van de vertaling van Chansonnette. In 1542 verschijnt hiervan een tweede editie, een copie, bij Dolet in Lyon met een nieuwe inleiding tot de lezer van E. Dolet. De volgende schakel in de evolutie is de Summaire & briefve declaration van G. Farel (begin 1525) waarvan juff. Droz ons een reproductie, van hoofdstuk 29 tot en met 31 geeft. Vervolgens volgt de tekst van de Breve instruction pour soy confesser en vérité, zonder auteur, verschenen tussen 1526 en 1529 bij Dubois te Parijs. De vierde en laatste schakel is de opvatting van Calvin zoals deze te vinden is in zijn Institution 1541. Van de talrijke biechtboekjes in de Nederlanden gedrukt zijn er ons niet zoveel overgebleven ; NK 404 (s. d.) en 2071 (c. 1515), beiden zonder auteur, zijn hiervan twee voorbeelden. Een zeldzaam Gents exemplaar, uit de collectie Snellaert, Res. 1247. (B.B.B 300), propagandeert ongetwijfeld de reformatorische gedachten : Een deuote biechte oft belijdinghe der sonden tot Godt, zonder auteur, s. d., s. l., s. n. Door Vander Haeghen toegeschreven aan M. Crom c. 1543 moet dit zeker opnieuw onderzocht worden en naar de typen en naar inhoud. Een vergelijking met de teksten die Droz ons hier afdrukt kan misschien wat licht brengen in deze anonieme editie. Het volgende hoofdstuk Jean Calvin à Bâle (déc. 1534 à fin mars 1536) (p. 89-129) onderzoekt de medewerking van Calvijn aan de eerste Franse protestantse Bijbelvertaling van Neuchâtel 1535. Het hoofdstuk Calvin et les Nicodémites (p. 131-171) gaat over het verblijf van Calvijn te Ferrare (maart-april 1536) en bespreekt de diverse geschriften van Calvijn gericht tegen diegene die een dubbelzinnige houding aannemen op godsdienstig gebied. De auteur onderzoekt de edities en de vertalmgen waaronder ook de Nederlandse - van het Petit traicte van 1543 en de Excuse van 1544. In Musculus, Poullain et les temporiseurs (p. 173-271) onderzoekt de auteur het in dialoogvorm geschreven werk van W. Musculus, de Proscaerus (= proskairos, temporarius, qui s'accommode du temps et le sert plus que Dieu). Valerandus Pollanus Flandrus, te Leuven geïmmatriculeerd in 1531, en in 1549 verplicht uit te wijken naar Londen, zou daar met de hulp van de Gentenaar Jan Utenhove dit werk in het Frans vertaald hebben. Het is eveneens bij een drukker van Antwerpse afkomst, Steven Mierdman dat in 1540 te Londen Le Temporiseur verscheen. De Franse tekst van dit zeldzame boekje wordt hier afgedrukt, eveneens de Consaulz et adviz die het werk voorafgaan. Onderzocht worden verder de Engelse versies van 1555, van de drukker Jan Gheillaert, die eveneens tal van valse adressen gebruikte. Van het zeer rijke maar ingewikkeld volgende deel Le Curé Landry et les frères Langelier (p. 273-394) wensen we toch, gezien het belang van de talrijke besproken edities uit onze gewesten een overzicht te geven. In het kader van haar onderzoek naar het zich inplanten en verspreiden van de reformatie te Parijs, stelt E. Droz, aan de hand van talrijke nieuwe gegevens, de betekenis in het licht van F. Landry, een beroemd predicant, die herhaaldelijk slachtoffer was van vervolgingen. Landry verspreidde ook zijn gedachten met geschriften en de auteur probeert na te gaan welke boekhandelaars hem hierin geholpen hebben ; dit is de aanleiding om de publicaties na te gaan van de gebroeders Langelier in de periode 1539-1545. Zijzelf waren geen drukkers maar alleen boekhandelaars-uitgevers die beroep deden op talrijke drukkerijen. De onderzochte publicaties zijn : 1. Een A B C boekje van 1539-40 (niet teruggevonden, herdruk 1542) dat onder voorwendsel het alfabet aan te leren, tal van"ketterse" gedachten verspreidde. 2. Een boekje met de titel Pour la vie d'honneur et de vertu (1540) dat in herdruk La fontaine de tous biens (1542) wordt. Dit werk is niets anders dan de Vita honesta sive virtutis van H. Schotten waarvan de oorspronkelijk Latijnse editie verscheen bij de Keyser in Antwerpen in 153O (NK 3867). 3. La Fontaine de vie dat eveneens van de Keyser afkomstig is (Fons vitae, sept. 1533, NK 945, Plantijnmuseum en Gent Res. 938 (1)). Herhaaldelijk herdrukt in het Nederlands Fonteyne des levens (bij de edities vermeld door Droz p. 298 voegen wij deze van tZangers Herman toe, Steenwijck 1580, Res. 816 (5) Gent). Van dit laatste publiceerde Langelier in 1540 een Franse vertaling (exemplaar onbekend), en een tweede editie in 1542 die vanaf f. h4 onder de titel Instruction het hogervermelde A B C boekje van Landry bevat (reproductie van die tekst p. 309 sq.). Vermelden wij nog dat Plantijn in 1564 de editie van Langelier copieerde. 4. De Vergier spirituel (1542) : ook deze tekst komt uit Antwerpen (NK 485, 487, 489). 5. La vie de notre Seigneur Jesus Christ ... 1543. (zie NK 490). 6. Le livre de vraye et parfaicte oraison (1544 en 1545). Tenslotte behandelt de auteur nog het leven en de publicaties van Charles Langelier. Het laatste hoofdstuk van deel I, Bèze, apôtre de la non-vengeance (p. 396-429) brengt, benevens de tekst, een studie van het door juf. Droz aan Bèze toegeschreven werk Traieté de la justice de Dieu 1562. Het eerste hoofdstuk van deel II, Deux écrits français d'Henri Corneille Agrippa (p. 1-27) omvat naast een reproductie van een deel van een kalender (1523) met voorspellingen van Agrippa, nuttige gegevens over het leven van deze schrijver. Nadruk wordt gelegd op de omstandigheden waarin zijn De sacramento matrimonio declamatio (1526) ontstaan is; van dit werk heeft Agrippa zelf een Franse vertaling gemaakt die wegens haar zeldzaamheid hier weer afgedrukt wordt. Wygant Köln, éditeur d'Osiander (p. 29-54) is gewijd aan het werk van deze drukker die zich in 1519 te Genève vestigde. Op grond van onderzoekingen van het typografisch materiaal en de houtsnedeborduren bezorgt juf. Droz ons een lijst van zijn zeer zeldzame drukken. Uitvoerig wordt uitgewijd over de inhoud en de druk van een brochure van Osiander in 1542 bij deze drukker verschenen. Het grootste deel van Antoine Pinet, traducteur de Bucer (p. 55- 146) omvat de reproductie van de Exposition de l'histoire des dix lepreux (1539, s. n.), gedrukt in het typografisch materiaal van Jean Gérard (Genève). Deze commentaar op een passus van Lucas is van de hand van Luther, in het Latijn bewerkt door Bucer en vertaald door Pinet. In het hoofdstuk Les manuels de Christophe Fabri (p. 147-228) wordt Fabri's Catéchisme c'est à dire Familière instruction (Genève, J. Crespin, 1551), voorafgegaan door een onuitgegeven manuscript-versie van 1539, gepubliceerd. Deze tekst van de 1551-editie werd pas in 1970 ontdekt. In Propagande italienne (1551-1565) (p. 229-293) worden enkele Lutherse en calvinistische propaganda-publicaties in Italië nagegaan. Paul IV et les Juifs d'Avignon (p. 295-310) onderzoekt de bulle van 14 juli 1555 betrekking hebbend op het statuut van de joden. René de Baïf, réfugié pour la foi (p. 311-324) gaat diens verblijf na in Genève tussen 1562-1563. In het hoofdstuk Castellioniana (p. 325-432) vraagt juf. Droz zich af wie de vertaler is van het door Castellion in 1554 gepubliceerde werk De haereticis an sint persequendi. Haar conclusie is dat Jacques Gète de vertaler en bewerker is en, niettegenstaande op het titelblad van de Traicté des hérétiques 1554 staat, dit werk niet vóór 1556/1557 het licht zag. Evenmin is het vermelde Rouen juist, de drukker is Michel Chastillon, de broer van de auteur, te Lyon. In dit hoofdstuk onderzoekt de auteur ook de betrekkingen tussen Castellion en David Joris in de periode 1550-1554. Castellion, die toen bij Oporinus als corrector werkzaam was, stelt, in een brief aan Joris, voor om diens Seer schoone aenwijsingen ... van die verborghen Wijsheydt Godes van 1550 in het Frans te vertalen, wat dan ook gebeurd is. Interessant is verder de hypothese van de auteur - naar aanleiding van de Christelykce Waerschouwinghe - dat Georgius Kleinberg dezelfde persoon zou zijn als David Joris. Het laatste hoofdstuk van deel II Le calendrier genevois agent de la propagande (p. 433-456) bestudeert de rol van de kalender als propagandamiddel. Het gaat hier natuurlijk over deze kalenders die gezuiverd zijn van alle katholieke kenmerken, een nieuwe soort almanak, dont il (= de drukker Conrad Badius) a oté les superfluités. Samen met een bibliografische beschrijving bezorgt de auteur ons een lijst van een 14-tal kalenders ieder van een commentaar voorzien. Niet zonder belang vermelden wij hier een exemplaar uit de Gentse Universiteitsbibliotheek (Bl. 8366 (1)) van een vertaalde Kalendier historiel samengebonden met het Nieuwe Testament dat voorafgaat (Emden 1567) en gevolgd wordt door de Psalmen in het Nederlands naar de Franse versie van Clement Marot en Th. de Beze. Het werk vermeldt noch drukker, noch plaats. noch datum (kalender 1565-1606), is ook gezuiverd van de heiligen en aangepast voor de Nederlanden. Vermelden wij tenslotte nog dat beide boekdelen voorzien zijn van een uitstekende index van de eigennamen. Hiermee hopen wij tenminste toch een oppervlakkig overzicht geboden te hebben van dit rijke maar complexe werk. Kritiek op dergelijke detailstudies uitbrengen kan men alleen maar wanneer men jarenlang met dezelfde problematiek bezig geweest is ; maar de methode van werken en het opzet moeten voor de studie van de Nederlandse anonieme drukken als voorbeeld gekozen worden. Hoewel wij persoonlijk de voorkeur geven aan detailstudies die op preciese gegevens berusten en goed inzien dat het voor een synthese op dit gebied nog te vroeg is, geloven wij echter dat een kort hoofdstuk - een schets van een synthese - hier erg nuttig zou zijn. Een soort kader waarin de voornaamste problemen van de hérésie geschetst worden, zodat de lezer een bepaalde orientatie heeft en door de bomen het bos niet uit het oog verliest. Ook voor wat de bibliografie betreft kan hetzelfde gezegd worden en wij hopen dat Juf. Droz in de toekomst ons een dergelijk werk bezorgt, zij is daarvoor de geschiktste persoon.
(32) E. DROZ,Chemins de l'hérésie. Textes et documents, Genève, Slatkine Reprints, 1970-1971, 2 banden.
[93] Het werk Écoles et livres d'école en Hainaut du XVIe au XIXe siècle uitgegeven door de Universiteit van Mons in 1971 omvat een paar artikels die onze rubriek aanbelangen. Cl. Dufranc en M. T. Isaac in Un helléniste hollandais à Tournai. Jacques Ceratinus et son dictionnaire (1524) p. 121-155 brengen naast een biografie van Ceratinus een overzicht van zijn werken. Ceratinus is vooral bekend voor zijn Dictionarius graecus van 1524 geïnspireerd op het werk van de Italiaan J. Creston. Aan de hand van enkele steekproeven wordt deze inspiratie aangetoond. Vraag : Quid de andere Griekse woordenboeken? R. Hoven onderzoekt in La grammaire latine de Pierre Procureur (Procurator) p. 159-179 vooral de inhoud en de methodiek van deze zeldzame grammatica. Hij brengt ook een voorlopige lijst van de bekende en vermoedelijke edities van dit handboek vanaf 1591 tot ca. 1710.
[94] De tentoonstelling van 1960 had ons reeds aangetoond hoe talrijk de zeldzame drukken waren in de collectie van de hertogen van Arenberg, collectie, die dank zij de nieuwe eigenaar Lessing J. Rosenwald, in de Library of Congress haar definitieve bestemming vond. Het Antwerps kookboek van 1560 is een van deze unica en gezien de inhoud en de taal was het dus wel de moeite waard deze tekst opnieuw uit te geven (33). Mevrouw Cockx heeft zich nu niet vergenoegd met de tekst van 1560 gewoon te laten fotograferen en er een algemene inleiding op te schrijven - zoals heden te dage met de duizenden fotografische herdrukken het geval is maar heeft ons een uitgebreide studie gebracht en een geannoteerde uitgave van de tekst. De uitgeefster vermeldt ons dat het boekje, vooraleer het in de collectie Arenberg belandde, het eigendom was van C. P. Serrure ; zijn catalogus van 1872-73 maakt daar geen gewag van en het is ons reeds herhaaldelijk opgevallen dat belangrijke werken uit de verzameling van Serrure, zonder in diens catalogus vermeld te worden, van eigenaar veranderden. Zou Serrure die zelf van de hand gedaan hebben? Het kookboek nu is een klein werkje, in-4°, van 56 ff., gedrukt in de werkplaats van de weduwe Hendrik Peetersen van Middelburch : Gheprint Thantwerpen inde Cammerstrate inden Mol. 1560. Over deze werkplaats en drukker stapt de auteur wat te vlug heen. De titelpagina heeft een houtsnede die een kok in zijn keuken voorstelt. Deze houtsnede, kopie en varianten, werd vóór 1560 herhaaldelijk gebruikt en de auteur gaat op p. 14-26 de oorsprong ervan na. Een eerste maal komt zij voor in een Duits kookboek door Ch. Egenolff te Straatsburg in 1530 gedrukt. Van dezelfde pers kent zij tot 1546 in het geheel 7 edities. Een tweede groep vormen de edities van H. Steiner te Augsburg (van 1530-tot 1542 zes edities). Verder citeert zij nog de editie P. Ulhart te Augsburg 1579 en twee edities van Feyerabend te Franckfort am Mayn (1581, 1587). Let wel het betreft hier alleen maar de houtsnede (zelfde, kopie of met varianten) niet de tekst van de diverse edities. Ter aanvulling vermelden wij hier dat de Catalogus nr. 500 van J. Baer onder nr. 1386 de editie Ulhart 1579 opgeeft met een reproductie van de houtsnede die in de gelaatsuitdrukking van de kok een variant aanduidt, en in dezelfde catalogus onder nr. 1395 een herdruk van Rumpolts kookboek van 1604 (Franckfort) vermeldt met, dezelfde houtsnede (dus geen kopie door J. Amman zoals in de 1587 editie). Langs welke weg deze Duitse houtsnede, naar een tekening van Hans Weiditz, te Antwerpen geraakte is niet bekend of werd zij misschien te Antwerpen gesneden naar de Egenolff of naar de Steiner editie ? In 1599 verscheen tenslotte een heruitgave van dit kookboekje, gewijzigd en met een andere houtsnede, bij Bruin Harmensz. Schinckel te Delft. Over de auteur van het kookboekje, Gheeraert Vorselman, zijn de gegevens schaars : hij is doctor in de geneeskunde, auteur van een kookboek en afkomstig uit Groot-Zundert. Deze arts heeft zelf een reeks recepten opgesteld en er een aantal ontleend aan voorgangers : Zijn hoofdbekommernis moet wel geweest zijn een goed kookboek ... te bezorgen, veeleer dan een dieettraktaat (p. 34). Het interessantse deel van het werk van Mevrouw Cockx is ongetwijfeld wel het nagaan van de bronnen geweest (p. 48 sq. en tabellen). Zij heeft de tekst van Vorselmans kookboek, hoofdstuk voor hoofdstuk, vergeleken met Thomas van der Noots boecxken van cokeryen (c. 1514), met het beroemde kookboek van Platina, met Taïllevents Viandier en met nog een paar andere minder belangrijke werken. Uit de overzichtstabel (p. 72-94) blijkt duidelijk waar en in hoever Vorselman zijn voorgangnrs volgde en waar hij origieeel was. Maar het voornaamste van deze nieuwe uitgave ligt vooral op lexicografisch gebied. Vorselmans boek omvat een hele reeks woorden die noch in Verwijs en Verdam, noch in de idiotica van onze taal, noch in de WNT voorkomen ; op p. 54-64 probeert de uitgeefster de oorsprong van deze woorden na te gaan en te verklaren. Tenslotte volgt dan de uitgave van de tekst met opgeloste afkortingen en gemoderniseerde interpunctie. De tekst zelf is voorzien van talrijke voetnoten, verklarend bij moeilijke woorden (wat hier noodzakelijk is gezien de receptentaal) en vergelijkend met de bronnen. Een uitgebreid glossarium zal aan de philoloog en de lezer vele diensten bewijzen en een Franse, Engelse en Duitse samenvatting het werk van Vorselman met recht in het buitenland bekendheid doen verwerven. Vermelden wij nog de uitgebreide bibliografie die echter door een systematische en chronologische opstelling beter tot zijn recht zou gekomen zijn en de uiterst smaakvolle presentatie van dit boek.
(33) Eenen nyeuwen coock boeck. Kookboek samengesteld door Gheeraert Vorselman en gedrukt te Antwerpen in 1560, uitgegeven en van commentaar voorzien door Elly COCKX-INDESTEGE. Wiesbaden, Guido Pressler, 1971, (gebonden 198 DM).
[95] In de loop van 1972 ontvingen wij de laatste aflevering die M. E. Kronenberg nog tijdens haar leven heeft kunnen klaarmaken (34). Zoals zij in de inleiding zegt haalde ze veel profijt uit De Troeyer en Adams en bekwam ze talrijke inlichtingen en reproducties van diverse bibliothecarissen. Het supplement omvat de nummers 4501-4532 (waaronder 3 Luther- en 4 Melanchthon edities). Het werk omvat ook correcties op vorige delen en de normale registers. Regelmatig duiken nog onbekende edities op en wij vragen ons af aan wie wij deze nu moeten toesturen ; wie solliciteerde ons steeds zo vriendelijk als zij en bedankte ons steeds zo hartelijk voor een nieuwe vondst ? Het verwondert ons wat dat de uitgevers, daar niets over zeggen. Wij vermelden hier alvast de volgende twee aanvullingen.
[GRIEKS] ... I S O C R A / T I S AD D E M O / nicum oratio pa/rçnetica./ Eiusdem ad Nicoclem de / regno oratio. / Eiusdem Nicocles./ L O V A N I I / Ex officina Rutgeri Rescij, / Mense Ian. / 1535 / F. Fsv : L O V A N I I Ex officina Rutgeri Rescij, / Mense Ian. 1535. / in-8°, 48 ff., n. g., A - F8. Gent, Universiteitsbibliotheek, BL. 5722 (1).
P. O V I D I I / N A S O N I S DE P O N=/TO L I B R I Q V A / T V O R. Merk Tempus. ~ A N T V E R P I A E, A P V D M I C H A E =/ llem Hillenium, in Rapo. Anno. / M.D.XXXVI. F. Gsv : A N T V E R P I A E A P V D M I C H A E =/ llem Hillenium in Rapo, An. M.D.XXXVI. / in-8°, 56 ff., n. g., A - G8. Gent, Universiteitsbibliotheek Cl. 1447 (1).
(34) NIJHOFF-KRONENBERG, Nederlansche Bibliographie van 1500 tot 1540. Derde deel (Vijfde stuk), door M. E. KRONENBERG, 's-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1971, XV-30 p.
[96] Het werk van A. Labarre (35) is een belangrijke aanwinst voor de drukkunst uit de 16de eeuw in onze gewesten. Onze kennis van de drukkersactiviteiten in Noord-Frankrijk berustte voordien op bibliografie verschenen vóór 1900 en alhoewel nuttig toch erg onvolledig in de beschrijving van de diverse edities. De Belgica Typographica neemt - ten onrechte naar onze mening - de drukken uit het huidige Noord-Frankrijk niet op, zodat deze aflevering van Labarre een aanvulling vormt op de B.T.; met dien verstande echter dat het werk van onze collega uit Parijs, wat kwaliteit en nauwgezetheid betreft, uitstekend is. Het werk verschijnt in een reeks die de bedoeling heeft alle Franse steden te behandelen. De indeling van de diverse afleveringen hangt min of meer af van de toevallige medewerkers. Voor Noord-Frankrijk zijn minstens twee afleveringen voorzien; de ene die hier besproken wordt en een ander, gewijd aan de voornaamste drukkersplaats Douai, die weldra zal volgen. Van elke stad worden chronologisoh en de drukkers en de boekhandelaars vermeld, in dit laatste geval met opgave van bekende of vermoedelijke drukker. Voor elke drukker worden zijn edities chronologisch gerangschikt. Van elke editie wordt een diplomatische beschrijving gegeven; deze edities waarvan Labarre geen exemplaar vond maar die wel vermeld waren in de oudere bibliografieën worden eveneens opgenomen met vermelding van de bron. Behalve formaat en aantal bladzijden (geen signaturen) worden vermeld : de naam van de inleidende briefschrijver, de persoon aan wie het boek is opgedragen, de vertaler, enz. Nadien volgt de aanduiding van bibliotheken die een exemplaar bezitten en een of meer bibliografische referenties. De indices zullen vermoedelijk nadien volgen. Bij meerdere boekhandelaars stellen wij vast dat zij werken verkochten in Antwerpen gedrukt (Grapheus, Plantin, Nutius, Trognaesius), in Brugge (De Croock), in Gent (J. Lambert), en zelfs in Bergen (Ch. Michel), maar zolang wij niet over min of meer volledige gegevens beschikken - niet alleen over de productie in Noord-Frankrijk, maar vooral in de Zuidelijke Nederlanden - is het onvoorzichtig zich aan statistische beschouwingen over te geven, en de handelsrelaties te bespreken. Behalve de B.N te Parijs, het B.M. te Londen en Adams heeft Labarre vooral de bibliotheken uit Noord-Frankrijk onderzocht ; steeds wordt het boeknummer (cote) aangeduid. Ook diverse Belgische bibliotheken werden onderzocht, vooral Brussel en Gent ; voor deze laatste bibliotheek volgen hier enkele aanvullingen. Arras, Jean II Bourgeois nr. 2 : Jur. 10.719 ; Gilles Bauduyn nr. 27 : Hist. 4714 ; Guillaume de la Rivière nr. 15 : Th. 3344 ; nr. 42 : Jur. 10180 (1) ; nr. 76 : Th. 3115 ; Robert I Maudhuy nr. 18 : Meul. 894 ; Jean III Bourgeois nr. 2 : Hist. 6807. Lille, Michel Willant nr. 2 . Res. 1041. Valenciennes, A. Membru nr. 1 : Gent 6961 ; nr. 2 Gent 6962 (welke drukker ?). Een zeldzame Gentse editie van de drukker Joost Lambrecht (1544, B.G. 72) vermeldt op het einde : On troeuve cestz livrets a vêdre a Lille, a la maison de Maistre Pierre Haschart; deze boekhandelaar komt niet voor bij Labarre.
(35) A. LABARRE, Répertoire bibliographique des livres imprimés en France au seizième siècle. 9e Livraison. 5. Amiens, 10. Arras, 21. Béthune, 29. Calais, 30. Cambrai, 66. Hesdin, 74. Lille, 158. Valenciennes, (= Bibliotheca Bibliographica Aureliana XL), Baden-Baden, Lib. V. Koerner, 1971, 60 DM.
[97] Tijdens de laatste Stuttgarter Antiquariatsmesse (3-6 feb. 72), werd door Domizlaff uit München volgende Nederlandse incunabel voor 3.600 D.M. aangeboden : Ludolphus de Saxonia, Dat boeck van den leven ons liefs heeren ihesu cristi, Antwerpen, Claes Leeu, 20 november 1488. (Camp. 1183). Dit boek is terecht bekend om zijn zeer talrijke houtsneden die in dit exempaar zeer delikaat gekleurd waren. De Bayerische Staatsbibliothek was ons echter voor bij de aankoop.

[98] Goldschmidt uit Londen biedt in zijn catalogus 148 (mei 1972) volgende werken aan : nr. 11 Barlandus, H. Iocorum veterum ac recentium libri tres. Antwerpen, H. van Hoochstraten, april 1529 (NK 230) voor 275 dollar ; nr. 127, Servilius, J. Pace belloque rerum olim gestarum libri tres, Antwerpen, A. Goinus, 1541, in 16de eeuwse Antwerpse band, voor 485 dollar.
[99] De catalogus nr. 5 (mei 1972) van Schäfer te Zurich vermeldt onder nr. 97 twee werken van Joost de Damhouder samengebonden in een blindgestempelde 16de-eeuwse zwijnslederen band voor 2.200 Zwitserse frank. De Praxis rerum criminalium van 1570, en het Enchiridion parium 1568, beiden van J. Bellerus te Antwerpen.
[100] De catalogus nr. 20 van Parikian te Oxford (juni 1972) biedt volgende werken aan : nr. 78 Damhoudere J. de, Praxis rerum ciuilium 1569 en Enchiridion parium van 1568 beiden te Antwerpen gedrukt bij J. Bellerus voor 185 pond (samengebonden in perkamenten band) ; nr. 92 Erasmus, Ecclesiastes, Antwerpen, M. de Keyser, 1535 (NK 2922) voor 67,50 pond (dit laatste door onze bibliotheek aangekocht).
[101] De lijst XLI (april 1972) van Martin Breslauer te Londen vermeldt onder nr. 120 A een editie van Basel 1540 in een zeer goed bewaarde band van Willem Vorsterman (Antwerpen vóór 1543) voor 300 pond. (De Isabella van Portugal blindstempel. Goldschmidt pl. LXVI). Martin Breslauer (1871 - 1940), die in 1898 een antiquariaat oprichtte te Berlijn, behoorde tot een van de voornaamste antiquariaatboekhandelaars uit zijn tijd. Het volstaat zijn catalogi te overlopen om zich rekenschap te geven van zijn bekwaamheid en preciesheid in het beschrijven van de talrijke uitzonderlijke edities die hij op de markt bracht. In 1939 na een onderbreking van 4 jaar vinden wij hem in Londen (cat. 52) ; in 1948 naar aanleiding van de 50ste verjaardag van zijn firma verschijnt cat. 66 met een honderdtal belangrijke werken. Thans, juni 1972, verschijnt ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de geboorte van de stichter cat. 102 van de hand van de waardige opvolger B. H. Breslauer te Londen. Onder de talrijke boeken zijn er diverse die voor ons gebied van belang zijn. Nr. 16 Petrus de Alliacus, Imago mundi ... Leuven, Johannes de Westfalia, c. 1483 (Campbell 143, Polain 134) in een 15de-eeuwse Vlaamse kalfslederen blindgestempelde band voor de prijs van 5.000 pond. Van de ongeveer 200 edities van Joh. de Westfalia is dit een van de zeldzame. Nr. 27, Mauburnus, Joh. Rosetum exercitiorum spiritualium et sacrarum meditationum, Zwolle, Pieter van Os, 1494 (BMC IX, 88; Campbell-Kronenberg 1224) voor 650 pond. Nr. 36, Nouum Testamentum, de eerste Griekse editie van het N.T. door Erasmus bij Froben in 1516 uitgegeven ; exemplaren in zeer goede staat zijn, zoals wij reeds vroeger aanstipten, uiterst zeldzaam. In een 19de-eeuwse marokijnband van de hand van J. Rodwell (prijs : 3.500 pond). De eerste en uiterst zeldzame geïllustreerde editie van Erasmus : Precatio Dominica, Froben, October 1523 voor 500 pond (nr. 44).
[102] De catalogus nr. 77 (juli 1972) van Charles W. Traylen te Guildford (Engeland) biedt volgende werken aan : Platina B., De honesta voluptate et valetudine, Cividale, Gerardus de Lisa, 1480 (1. f. bl. ontbreekt, voor 900 pond), dit exemplaar vermeldt als ex-libris het merk van Paulus Manutius ; nr. 27, (Arnold Richard), Chronicle or Customs of London, [Antwerpen, Adr. van Berghen?, c. 1502/1503], NK 142 (f. 114 en begin- en eindblanco f. ontbreken) voor 785 pond ; nr. 42 Vesalius, An. De humana corporis fabrica libri septem, Bazel, J. Oporinus, de tweede folio editie van 1555, voor 1.500 pond.
[103] Bij Sotheby werden op de veiling van 19/20 juni 1972 volgende werken verkocht : nr. 57, Augustinus, Innighe alleensprake der sielen tot God ... Antwerpen, S. Cock, s.d., c. 1520-1530, niet in NK? (voor Notebaert, 90 pond) ; nr. 436, Livius, De Roemsche historie ... eerstmael in onser nederlantscher spraken ghedruckt, Antwerpen, J. Grapheus voor J. Gymnicus, 1541 (voor Goldschmidt, 100 pond) ; nr. 668, Verstegen, Richard, Theatrum crudelitatum haereticorum nostri temporis, Antwerpen, A. Hubert 1588, (voor Valette, 240 pond). Op de veiling van 24/25 juli werden verkocht : nr. 114, de Engelse vertaling van Dodoens : A niewe herball ... Antwerpen, J. vander Loe voor G. Dewes te Londen 1578. (B.B.D 110). Deze eerste zeldzame Engelse editie, waarvan f. y5 ontbrak en tevens enkele ff. uit de index beschadigd waren, werd verkocht voor slechts 75 pond. Nr. 218, de Cordiale van R. Pafraet, Deventer, 16 december 1494 (Ca. 1308), marokijn, voor 110 pond.
[104] Op 12 februari 1972 werd door L. Moorthamers op zijn openbare veiling de Trium priorum / posteriorum trium / de stirpium historia, Antwerpen, Jean van der Loe 1553/1554 van Dodonaeus aangeboden (B.B.D 105). Dit werk in twee delen, een soort pocket-editie van zijn groot Cruyde Boeck, met dezelfde houtsneden, werd toegeslagen voor 61.000 fr.
[105] De catalogus van L. Rosenthal te Hilversum nr. 218, mei 1972, biedt enkele vermeldenswaardige Nederlandse edities aan : nr. 3, Ambrosius, De his qui mysteriis initiantur, Antwerpen, J. Steels, 1534, (NK 112) voor 380 gulden ; nr. 19, Biblia latina, Antwerpen, M. de Keyser, 1534 (NK 349) voor 750 gulden ; nr. 20, Nouum Testamentum, Antwerpen, G. Montanus, 1538 (NK 354) voor 1.000 gulden ; nr. 25 Nouum Testamentum latino- germanum, Antwerpen, M. Crom, 1539 (NK 358) voor 600 gulden; nr. 89, Rosemondt, G. Confessionale, Antwerpen, Hillen, 1518 (NK 1819) voor 400 gulden.
[106] De catalogus nr. 25 (B), maart 1972, van De Graaf, Nieuwkoop, vermeldt onder nr. 90 vermoedelijk de enig bekende editie van het werk van Batttus Bartholomaeus van Aalst, Vander Kerstelijcker huyshoudinghe ... Antwerpen, Jan van der Loe, 1557 voor 2.300 gulden. Deze oorspronkelijke Nederlandse editie van dit pedagogisch werk hebben ook wij in geen enkele bibliografie kunnen terugvinden. Zijn catalogus nr. 25 (D-E), april 1972, vermeldt onder nr. 256 een zeldzame druk van Andries Verschout te Leiden (prijs 2.700 gulden). Het betreft een psalmenvertaling van Dathenus gevolgd door de catechismus.
[107] De catalogus 831 van M. Nijhoff (april 1972) biedt onder nr. 40 een Nederlandse incunabel aan voor 6.500 gulden : Een suverlick boexken van onser liever vrouwen croen, Deventer, Rich. Pafraet, 1492 (17de-eeuwse band) (Campbell 330). Onder nr. 41 een editie van W. Vorsterman, Antwerpen, 1530, voor 575 gulden : Titelman, F., Tractatus de expositione mysteriorum missae (NK 2045).
[108] De catalogus nr. 268 (april 1972) van Menno Hertzberger gewijd aan Italiaanse incunabula bevat twee drukken van Gerardus de Lisa de Flandria : Haedus P. De amoris generibus siue anterotica. Treviso 1492 voor 2350 gulden en Platina B. De honesta voluptate et valetudine, Cividale, 1480, voor 7.200 gulden.
[109] In een lijst Sciences genoemd, zomer 1972, biedt Menno Hertzberger onder nr. 25 een onbekende editie aan van de Die warachtighe const der geometryen, Antwerpen, J. Roelants, 1547 voor 1.800 gulden. Welk verband bestaat er tussen deze editie en NK 600?

Go Top
     
     
Over deze site   Home page: www.boekgeschiedenis.be
Ontwikkeling © Johan Hanselaer
Laatste aanpassing: