Kroniek


1973-1974

 
     
     
VWB
Overzicht
  Kroniek 1 (1973)
Kroniek 2 (1974)
Archives et bibliothèques de Belgique - Archief- en bibliotheekwezen in België, dl. XLIV (1973), nr. 3-4 pp. 624-768: nrs. 1-111.
KRONIEK DER DRUKKUNST
TOT 1600
door J. MACHIELS


1. - Vestigen wij de aandacht op de bibliografie die regelmatig verschijnt in het Bulletin du Bibliophile, Parijs. Deze bibliografie excerpeert een reeks tijdschriften en is gewijd aan: het papier, het schrift, het boek, handschriften en autografen, de typografie, de boekhandel, de bibliografie van auteurs, de illustratie, de boekband, de bibliotheken en de bibliophilie. Zij is van de hand van F. CHAPON, A. LABARRE en J. SUFFEL.
2. - Een overzicht van de voornaamste aanwinsten van de Koninklijke Bibliotheek tijdens het dienstjaar 1971 verscheen in nov. 1972 (1). Op bladzijde 40 vernemen wij dat 31 werken uit de 16de eeuw in onze gewesten gedrukt, waarvan tien tussen 1501 en 1540, werden verworven. Van deze 10 werken wordt auteur, titel, datum, drukker en adres vermeld en eventuele referenties naar NK. De zeldzaamheid van deze edities wordt aangeduid, rekening houdend met de vermelding in Kronenberg, wat echter gezien de onvolledigheid van dit werk met de nodige reserve moet beoordeeld worden. Een belangrijk tekort is gelegen in het feit dat noch de herkomst noch de prijs van de boeken opgegeven wordt. De eerste 8 zijn door NK opgenomen, nr. 9 en 10 zijn haar onbekend; het zijn resp. : A. Mancinellus, Versilogus diligenter a J. Marmellio verae lectioni restitutus, Antwerpen, J. Crinitus 1540 en de Progymnasmata grammatices van Paludanus, Antwerpen, J. Grapheus, 1534 (zie onze Kroniek, 1972, p. 468). Tenslotte werden ook enkele zeldzame Luikse drukken en. 16de eeuwse muziekdrukken verworven.
(1) Koninklijke Bibliotheek Albert I Voorname Aanwinsten Dienstjaar 1971, Brussel, 1972.
3. - Ik herinner mij nog goed toen ik destijds wat meer over bibliografie en boekdrukkunst wenste te weten te komen en ik vruchteloos in het Nederlandse, Franse en Duitse taalgebied had rondgesnuisterd en er ofwel vage algemeenheden ofwel te geleerde boeken had ontdekt ik verheugd was toen ik het boek van R. B. MCKERROW, Introduction to Bibliography vond. Dit was en is nog een goede inleiding maar vermits het werk van 1927 dateert, vond Philip Gaskell het nodig in dezelfde zin een nieuw boek te maken (2). Wij denken dat de auteur daarin geslaagd is om ons een waardige opvolger van McKerrow's klassieker te bezorgen. Wat meer is, ook nu nog bezitten de bovenvermelde talen geen werk dat er naast kan geplaatst worden, behalve de beknopter maar op bepaalde punten zelfs degelijker cursus aan de Parijse bibliotheekschool van de hand van J. Veyrin-Forrer. Het ware dus een nuttige onderneming om dit boek, mits aanpassing, in het Nederlands te vertalen. Dit werk heeft immers alle verdiensten van een goede inleiding : het is helder, beknopt, behandelt alleen de essentiële punten en geeft voorbeelden, vaktermen en literatuur, spijtig genoeg, op het Angelsaksische publiek gericht.
Bekijken we even het werk van dichterbij. Het eerste deel behandelt de periode 1500-1800; immers na enkele decennia experimentatie wordt het met de hand gedrukte boek gedurende 300 jaar op dezelfde manier gemaakt.
Nadien, en dit vormt het tweede deel, komen de machines die de gebruikte methodes wijzigen. In het eerste deel schetst de auteur achtereenvolgens de basisbegrippen en de essentiële technieken die tussenkomen bij het totstandkomen van een gedrukte tekst. Hoe ontstaat een letter, welke soorten typen bestaan er (gothiek, romein... grieks, met een illustratie erbij), hoe ziet een letterkast eruit... Vervolgens komt de kopij, het uitgangspunt van de zetter (de auteur verwijst hier naar W. Gs. HELLINGA, Copy and print in the Netherlands, 1962 (dit boek is ook in het Nederlands verschenen). Op blz. 51 en 52 behandelt de auteur de signaturen of de letters onderaan de bladzijden nodig om deze in de juiste volgorde te plaatsen. Hier is Gaskell wel wat te beknopt geweest en de praktijk leerde ons dat dit in feite heel wat moeilijker is. Er bestaan zovele afwijkingen en verschillen - ja hij vermeldt niet eens op welk ogenblik juist ze gezet worden - dat een beginneling hier wel niet veel wijzer uit zal worden. Uitvoeriger behandelt de auteur het papier en de watermerken.
Terecht vestigt hij de aandacht op de desbetreffende artikels van Goussier in de Encyclopédie ou Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers en van Desmarest in de Encyclopédie méthodique : arts et métiers mécaniques, beiden uit de 18de eeuw. Bij de studie van het watermerk - zie hier vooral A. Stevenson - moet niet alleen rekening gehouden worden met de vorm van het merk maar ook met haar positie en bevestigingspunten (dots) op de draden. De beta-radiografie, gesteund op de dikte van het papier, brengt hier een uitstekende hulp. Vervolgens behandelt de auteur de crux van vele bibliografen: het formaat en de impositie. Het formaat bij oude boeken heeft niets te zien met de grootte van het boek maar is louter gebaseerd op het plooien van het vel en de positie van de kettinglijnen en de watermerken. Alles blijft relatief eenvoudig zolang we niet te doen hebben met impositie op halve vellen. Volgens Gaskell zouden de vellen pas doorgesneden worden nadat zij bedrukt geworden zijn, wij geloven echter dat dit ook vooraf kon gebeuren. Hij is ook van mening dat bij in-4° en in-8°, bij impositie op volledig of half vel, niet met zekerheid kan gezegd worden welke methode gebruikt werd.
Wij zijn het niet volledig eens. Het gebruik van de signaturen kan hier immers licht brengen; bijvoorbeeld bij in-4°, of het eerste en het tweede of het eerste en het derde folio een signatuur hebben of niet. Op blz. 85 en volgende vindt men enkele praktische tabellen om het formaat te bepalen maar wij geloven dat deze van Ch. Mortet beter en duidelijker zijn (Ch. et V. Mortet, Le format des livres, in Revue des bibliothèques, 1893, t. III, p. 305-325 en Recherches historiques sur le format des livres, ibidem 1924, t. XX-XI, p. 341-370)
Vervolgens behandelt de auteur de houten pers. De technische woorden en uitdrukkingen zijn zeer nuttig om een Engels boek over dit onderwerp juist te begrijpen (bv. het drukkershandboek van Moxon), maar voor een Nederlandstalige kan men hierover beter een paar goede artikels lezen uit T.B.B en Het Boek. Een kort hoofdstuk wordt verder gewijd aan het inbinden, aan de illustratie en aan de oplage. Het einde van het eerste deel bestaat uit een interessant hoofdstuk gewijd aan de Engelse boekhandel tot 1800. Het tweede deel (p. 189-310) behandelt de boekdrukkunst tussen 1800-1950 : The Machine-Press Period. De auteur toont ons onder meer aan hoe bepaalde technieken voortleven of getransformeerd worden (bv. impositie), waarom het identificeren van typen zo moeilijk geworden is door het voortdurend copiëren, enz... het mechanisch zetten en de boekhandel in deze periode. Het laatste deel brengt ons tot wat de auteur noemt de kern van de zaak : Textual bibliography, or the use of an understanding of books as material objects in the production and distribution of accurate texts (p. 311). Bibliografie is immers niet alleen de studie van het boek als materieel object, maar zoals Greg zelf beweerde, ze moet determine a text in its most accurate form (p. 1). Dit deel is heel wat verschuldigd aan het werk van F. T. Bowers, Principles of bibliographical description van 1949 zonder in de overdreven subtiliteiten van deze auteur te vallen. Na het onderscheid gemaakt te hebben tussen edition, impression, issue and state gaat de auteur over naar de eigenlijke accurate bibliografische beschrijving. Er is een hele weg tussen een diplomatische beschrijving en de short-title catalogue en alles hangt af van de bedoeling van de bibliografie. Het is niet altijd gemakkelijk de juiste maat te vinden en bij vergaande vereenvoudiging gebeurt het dikwijls dat juist die gegevens die deze editie van een andere onderscheiden verwaarloosd worden. Dit stelt men pas vast als we beide variantedities naast elkaar kunnen leggen wat zelden het geval is.
De auteur vermeldt dan in het kort welke elementen, en onder welke vorm moeten opgenomen worden. Dit alles wordt geïllustreerd aan de hand van Engelse boeken uit de 17de eeuw. Talrijke collationeringsformules worden opgegeven als voorbeeld en diverse moeilijkheden opgelost. Het gevaar bestaat wel dat de formule zo ingewikkeld wordt dat zonder het boek bij zich te hebben de collationering onbegrijpelijk wordt (zie bv. talrijke gevallen in Bowers). Vervolgens worden de tekstvarianten besproken tussen de diverse variantedities van eenzelfde tekst. Het boek eindigt tenslotte met een reeks appendices, A note on Elizabethan handwriting; Four specimen of bibliographical descriptions, The transmission of the text: two examples en een beknopte bibliografie hoofdzakelijk Engels gericht. Vermelden wij tenslotte nog een uitvoerige index van 24 p. die van dit boek een zeer nuttig werkinstrument maakt.
(2) Philip GASKELL, A New Introduction to Bibliography, Oxford, Clarendon Press, Oxford University Press, 1972, 6 pond.
4. - Uit het Symposium on Printing (3) is voor onze kroniek van belang: Peter WATERS, Problems of Restoring Old Books (p. 27-34). De auteur, zelf boekbinder, was hoofd van de Britse groep te Florence werkzaam na de overstroming van de Arno in 1966. In dit artikel, dat niet in technische details treedt, schetst de auteur in grote lijnen de voornaamste factoren die het papier aantasten en dit niet alleen van het oude maar ook van het hedendaagse boek waarvan het grootste gedeelte, ten gevolge van het slechte papier en de moderne technieken van inbinden, een korte levensduur toegemeten wordt. R C. ALSTON in Old Books and their Reproduction (p. 35-47) behandelt de technische mogelijkheden van de hedendaagse facsimile's en de moeilijkheden die zich stellen bij de keus van de te reproduceren boeken. Bij belangrijke literaire werken met variantedities is deze keus delicaat en onze kennis van de proof-correcting vóór de negentiende eeuw uiterst gering. Het is aan de hand van enkele Engelse literaire teksten dat deze problemen geschetst worden. Het jammer genoeg te korte artikel van John DREYFUS, de typografische raadgever van de Cambridge University Press en de Monotype Corporation, The Design of Type Faces (p. 49-50, pl. IX-XVI), brengt ons aan de hand van enkele uitstekende illustraties een schets van de leesbaarheid en de vorm van typen. In een goed gedocumenteerde en geïllustreerde bijdrage, gesteund op het klassieke boek van T. F. Carter en op materiaal uit haar persoonlijke collectie, brengt I. MANTON in Chinese Prints and Printing (p. 52-77) een geschiedkundig overzicht van het papier, drukken (techniek en letters), inbinden, prenten en kleuren in China.
(3) Symposium on Printing, edited bij R. REED, (Leeds Philosophical and Literary Society), 1971. Bevat bovendien nog: M. KERBY, Caxton to Computers (p. 1-7); R. WISBEY The Computer and Literary Studies (p.9-26); D.J.G. HOLROYDE, Television and Communication (p. 79-82); D.J. URQUHART, Storage and Retrieval of Information (p. 83-89).
5. - De studie van de drukkunst en de diverse problemen die daarmee in verband staan wordt thans meer en meer bestudeerd in het licht van andere maatschappelijke verschijnselen; een goed bibliografisch overzicht hieromtrent vindt men bij Louis TRENARD (4). Het artikel beperkt zich niet tot de drukkunst vóór 1600, integendeel zich beperken tot één periode heeft tot gevolg dat talrijke relaties en nevenverschijnselen ontgaan of niet begrepen worden.
(4) L. TRENARD, Du nouveau sur... l'histoire et la civilisation du livre, in L'information historique, 1972, nr. 2, p. 81-92.
6. - Het speciaal eindejaarsnummer van Grafisch Nieuws (1972-1973) is volledig gewijd aan De geschiedenis van de typografie in België met klemtoon op D. Martens. De tekst van de hand van Fernand Cuvelier is vlot geschreven en aangenaam om lezen. Het overwegend vulgariserend belang, de talrijke onjuistheden, het gebrek aan nuancering en het vermengen van hypothesen en min of meer juiste gegevens doen deze geschiedenis veel van haar waarde verliezen. Wanneer de auteur dan op blz. 44 van Brito schrijft dat deze niet bijzonder schitterend was en op blz.48 het eerste Gentse boek van A. de Keysere een werk met filosofische inhoud noemt dat nog altijd aktueel is : Verhandeling over vrede en huwelijk, dan kunnen wij slechts vaststellen dat Cuvelier nooit een druk van Brito gezien, noch het boek van de Keysere in handen gehad heeft.
7. - De bedoeling van M. AUDIN (5), de conservator van het interessante museum van de drukkunst te Lyon, is geweest een synthese te schrijven van de geschiedenis van de drukkunst. Deze synthese, zonder geleerde voetnota's en saaie discussies, wil alleen maar verschaffen : tout ce que l'honnète homme devrait en savoir (p. x). Maurice Audin, zelf drukker van zijn boek, zoon van de beroemde Marius Audin, was, zoals H.-J. Martin in de inleiding schetst, daarvoor de geschikte persoon. Wij moeten dus in dit boek geen nieuwe vondsten zoeken maar wel de visie en de nieuwe ordening van het klassiek materiaal. Uit de tekst blijkt dat de auteur heel wat gelezen heeft, niet onwetend bleef over tal van geleerde bijdragen, wat eenzijdig Frans georiënteerd is en, wat normaal is, de moeilijkheden soms wat erg vereenvoudigd heeft. Het boek is echter zeer aangenaam om lezen, mooi gedrukt, en geïllustreerd en we denken dat het voor de leek een interessant uitgangspunt zal vormen. Na een inleidend hoofdstuk gewijd aan het schrift en de schrijfvormen, behandelt het eerste deel de periode tot aan het einde van de 16de eeuw (p. 30-158); inderdaad na 1600 begint een nieuw tijdvak. Achtereenvolgens beschrijft Audin - zoals in de tentoonstellingscatalogus van Parijs aan het boek gewijd - les supports graphiques, het papier en de bereiding, de houtsnede en de diverse methodes (houtblok-metaalgravures) het boek en de evolutie ervan tot aan de uitvinding van de drukkunst. Vanaf p. 83 behandelt hij de uitvinding en wij vinden dit hoofdstuk nogal zwak. Het absoluut bij elkaar willen brengen met het oog op een synthese, de diverse elementen - blokboek, metaalgravure en typografie - willen combineren in een evolutie, dit voldoet misschien aan de eisen van een klare visie, maar wij geloven dat de realiteit hier veel complexer is en tevens dat onze kennis van deze periode minder diepgaand is dan de auteur vermoedt. Enkele opmerkingen : wat is precies fig. 37 en 38? wat is de relatie tussen blokdruk en metaaldruk? de betekenis van Coster (p. 86) is niet zo duidelijk, noch de overgang van Holland naar Gutenberg (p. 89); heeft Gutenberg wel de métallographie par blocs moulés (7) gebruikt? (p. 89). Audin maakt veel veronderstellingen, maar het blijkt niet steeds uit de tekst dat dit slechts veronderstellingen zijn en hier had hij toch ook het boekje van Jacques Guignard, Gutenberg et son œvre, Paris 1963, kunnen vermelden dat heel wat genuanceerder is (dit boek komt zelfs achteraan in de bibliografie niet voor). Het is, menen wij, een eerste vereiste duidelijk het onderscheid proberen te maken, tussen wat ons gegeven is als materiaal en de diverse veronderstellingen die in de loop der tijden daaruit getrokken werden. Het volgende hoofdstuk, waar hij de werkplaats en het typografisch beschrijft - daar is de auteur veel beter in thuis - is uitstekend. Na een overzicht van de verspreiding van de drukkunst in Duitsland, Italië en Frankrijk volgt een interessant stuk over de bladschikking, de drukkers-humanisten en het geïllustreerde boek. Het tweede deel, Les temps intermédiaires p. 159-232 behandelt de 17de en de 18de eeuw. De auteur, aan de hand van de werken van L. Febvre en H.-J. Martin, schetst de evolutie van boek en de boekhandel, censuur en privilegie en het ontstaan van de eerste periodieken; dit alles toegelicht met goed gekozen illustraties. Maar de evolutie in deze periode is ook gekenmerkt door een nieuwe esthetische opvatting over het boek : het formaat, de uiterlijke vorm, de kleuren, de typen, de illustratie. Een nieuwe techniek in de papierbereiding, van afzonderlijke vellen naar lopende rol (brevet van 1799, Louis Robert), samen met talrijke verbeteringen aan de drukpers (invoering van de cylinder) bereiden het machinisme van de 19de eeuw voor waarover het derde deel handelt (p. 233-302). Achtereenvolgens schetst de auteur de diverse etappes van de nieuwe technische uitvindingen (rotatiepers, graveerprocédés en het opkomen van de fotografie). Twee hoofdstukken behandelen de ontwikkeling van de dagbladen en het ontstaan van de publiciteit. Het volgende deel, misschien het origineelste van het ganse boek, draagt de titel : La démesure contemporaine (p. 330-387). Ten koste van de mechanisatie heeft het gedrukte boek veel van zijn schoonheid verloren, bestaat deze nog wel en waarin ligt ze, welke zijn de toekomstmogelijkheden? Volgt een overzicht van de evolutie van de zetmachine, de drukpersen (hoog- en diepdruk), de invloed van de publiciteit op de drukkunst (affiche, reclame, dagblad en magazine). Het laatste hoofdstuk, Regards vers l'avenir behandelt de fotografische zetmachines en de nieuwste rotatiepersen, de taken van de hedendaagse drukker en het einde van de wereld van Gutenberg. Volgen tenslotte een nuttige woordenlijst van de drukkerstaal (p. 413-446), een korte bibliografie, hoofdzakelijk franstalig gericht, een index, een lijst van de 199 illustraties en de inhoudstafel.
(5) Maurice AUDIN, Histoire de l'imprimerie. Radioscopie d'une ère de Gutenberg à l'informatique, préface de Henri-Jean Martin. Parijs, Editions A. & J. Picard, 1972, x-482 p., ill., 70 FF.
8. - De teksten van het tweede internationaal congres van de restauratoren (6), in het Duits met een Franse samenvatting, met een rijke bibliografie, brengen tal van nuttige gegevens en inlichtingen over : zuiveren en herstellen van oud papier, papierbereiding, restauratie, lederbewaring en inbandtechniek veronderstellen zij van de lezer een minimum van scheikundige kennis.
(6) 2. Internationaler Graphischer Restauratorentag... von 6. bis 8. Sept. 1971 in Wien, Herausgegeben von Otto WÄCHTER, (Biblos-Schriften, herausgegeben von J. Stummvoll, Bd. 69), Wien 1972, 269 p., ill.
9. - Ferry van Clugny, bisschop van Doornik, die op 14 mei 1482 naar Rome vertrok, had een deel van zijn bibliotheek meegenomen. Zijn plots overlijden aldaar 7 okt. 1483 had tot gevolg dat zijn boekenbezit opgenomen werd in de pas opgerichte bibliotheek van het Vaticaan (15 juni 1475). J. RUYSSCHAERT (7) geeft de desbetreffende bladzijde uit het inschrijvingsregister van 26 nov. 1483 weer en vermeldt de drukken en de manuscripten met wat commentaar. Zes boeken bevinden zich nu nog in het Vaticaan (2 uit Nürnberg, 2 uit Straatsburg, 1 uit Mainz en 1 uit Rome). Twee zijn niet meer daar (1 uit Straatsburg en 1 uit Nürnberg); de overige 8 zijn min of meer te identificeren.
(7) José Ruysschaert, La bibliothèque du Cardinal de Tournai Ferry de Clugny à la Vaticane, in Horae Tornacenses (1171-1971), Doornik, 1971, p. 131-141.
10. - J. DE BROUWER (8) publiceert de 17de eeuwse inventarissen van de bibliotheek van pastoor van Meerbeke (140 werken), Impe (130 werken) en van Nederbrakel (100 werken). De titels worden medegedeeld zoals zij voorkomen in de drie lijsten door de testamentaire uitvoerders opgemaakt. In voetnoot volgen enkele summiere gegevens over de auteur en gebeurlijk over het werk. Aan dit laatste had wat meer aandacht kunnen besteed worden bv. met behulp van Adams, en wanneer de auteur bij een bepaalde titel een bepaalde editie vermeldt, vragen wij ons af waarom het deze is en niet evengoed een andere.
(8) J. DE BROUWER, De bibliotheek van een landelijk pastoor, ca 1650, in Ons geestelijk erf, 1972, t. XLVI, p. 200-233.
11. - Het artikel van L. GILISSEN (9), hoewel bijna uitsluitend gewijd aan het perkament en het handschrift, is toch interessant voor de drukkunst. Het plooien van de vellen papier en de impositie stellen identieke problemen, maar de samenstelling van de katernen bij de gedrukte werken lijkt mij ingewikkelder. Nopens de vraag of de copiïsten of de drukkers met de impositie begonnen zijn moet men toch eerst nagaan of impositie bij handschrift en druk wel dezelfde werkzaamheid is en hetzelfde betekent. Wij begrijpen de auteur verder niet goed wanneer hij het nut van de impositie in de drukkunst in de beginperiode betwijfelt, car les premières presses étaient de dimensions réduites, et de ce fait, on doit se demander si les premiers incunables (très souvent de grand format) n'ont pas été exécutés sur des doubles feuillets définitivement coupés au départ (p. 26).
(9) Leon GILISSEN, La composition des cahiers. Le pliage du parchemin et l'imposition, in Scriptorium, 1972, t. XXVI, p. 3-33.
12. - L. INDESTEGE (10) signaleert een band van Joris de Gavere, een blindpaneelstempel met 6 musicerende engelen, onlangs door de K.B. verworven.
(10) Luc INDESTEGE, A Gavere Binding, in The Book Collector, 1973, nr. 1, p. 71.
13. - De belangrijkste veiling van boekbanden uit onze eeuw zal ongetwijfeld deze van de collectie Raphaël Esmerian zijn (11). De werken die de Nederlanden aanbelangen - tenminste rechtstreeks - zijn de volgende 81, Kalendarium. Evangelia 4. Psalmi paenit. 7. Psalmi qui habitat. Orationes variae, Antwerpen, Ch. Plantinus, 1570, in-64 (33 x 21 mm), band van de 16de eeuw, 8500 F. 101, Psalmorum liber, Prophetae, Antverpiae, apud haeredes Arnoldi de Bircmanni, 1569, 2 din., reliures de l'époqne à la fanfare mosaiquées en maroquin, 6800 F. 118, Euripides, Tragoediae... Antwerpen, Ch. Plantin, 1571, 16de eeuwse band in velijn met de wapens van J. A. de Thou, vóór zijn huwelijk, 10.500 F. 126, Vives, De concordia et discordia in humano genere... Ant., M. Hillen, (1529) in een prachtige band met de vermelding To Maiolii et amicorum, 40.000 F.
(11) Bibliothèque Raphaël Esmerian. Première partie. Manuscrits à peintures. Livres des XV et XVIe siècle avant-propos de M. Jacques Guignard, Parijs 1972.
14. - Het boek van de hand van H. M. NIXON (12) bevat daarentegen enkele werken die speciaal de aandacht vragen. Deze catalogus beschrijft 66 boekbanden uit die bibliotheek, hoofdzakelijk van Franse en Italiaanse herkomst, en die belangrijk zijn voor de band en de bezitter voor wie deze boeken ingebonden waren. Het grootste gedeelte ervan werd door de bibliotheek vóór 1913 door Pierpont Morgan zelf verworven, een vierde ervan na 1949. Van elk boek wordt een beschrijving gegeven van de band, een afbeelding en een bespreking van de bezitter. De noticies van Howard Nixon zijn uitstekend en dit komt vooral tot uiting bij de bespreking van deze banden waarvan de bezitter en de inbinder tot discussie aanleiding geven. Nr. 32 is een Parijse band voor Peter Ernst, hertog van Mansfeld, die in 1545 door Karel V hertog van Luxemburg werd gemaakt. Nixon geeft de lijst van 18 boeken afkomstig uit diens bibliotheek. Nr. 33 is eveneens een Franse band voor Philips III, sire van Croy, tweede hertog van Aarschot. Onder de diverse bekende banden van de Croy-familie onderscheiden deze van Philips III zich door zijn spreuk J'y parviendrai. Belangrijker is nr. 35, een band door de Cupido's boog binder, voor Marc Laurin, (Lauryn of Lauwerijn), heer van Watervliet te Brugge. Het boek, twee Aldus edities van 1520-21, in roodbruin marokijn gebonden, vermeldt op het bovenste deksel M. Laurini et Amicorum. De geschiedenis van M. Laurinus en zijn bibliotheek werd reeds herhaaldelijk behandeld (13), en daar waar E. P. Goldschmidt 21 Laurinus banden vermeldde is dit aantal nu aangegroeid tot over de dertig. Nixon geeft de aanvullingen en bespreekt de diverse stijlen waarin deze gebonden waren; deze in rood marokijn, minder verfijnd dan de Parijse banden, zijn volgens hem vermoedelijk Brugs werk. Nr. 63 is een Nederlandse band gemaakt voor Charles de Ligne. Het boek, een Keulse editie van Maffei van 1593, heeft op de band het wapen van de prins van Arenberg, een ex-libris of vignet van S. Pietro in Monte Blandinio en van Borluut de Noortdonck. Deze kalfslederen band met goudversiering is vermoedelijk van Brusselse herkomst maar bij gebrek aan voldoende gegevens niet nader te bepalen : the Belgians have shown a singular reticence in publishing any information about their gold-tooled bindings (p. 245).
(12) Howard M. NIXON, Sixteenth-Century Gold-tooled Bookbindings in the Pierpont Morgan Library, New York, The Pierpont Morgan Library, 1971, XV-264 p., ill.
(13) Zie Herman DE LA FONTEYNE VERWEY, The first private press in the Low Countries. Marcus Laurinus and the Officina Goltziana, in Quaerendo, 1972, t. II, p. 294-310.
15. - De bibliografie van J. M. IBARS (14) omvat achtereenvolgens de algemene catalogi en deze per land. Vooral belangrijk voor Spanje en Portugal is het minder goed uitgewerkt voor de andere landen. Deze bibliografie is nuttig maar dient met de nodige voorzichtigheid en kritiek gelezen te worden daar de auteur vele bibliografische gegevens zelf niet heeft ingezien.
(14) Josefina MATEU IBARS, Contribución a la bibliografiá de incunables, in Biblioteconomía, 1971, t. XXVIII, nr. 73-74, p. 142-194.
16. - BÜHLER (15) vraagt zich, voor de laatste maal beweert hij, nog eens af wat de waarde (efficacy) is van de watermerken voor de datering van incunabelen. De sceptische houding van Bühler kunnen wij, na de gebeurtenissen met het Missale speciale, bij hem goed begrijpen. Methodologisch is zijn probleemstelling van belang maar het is niet omdat de hypothesen van het watermerkonderzoek - zoals bv. ook van het typologisch onderzoek - zwak zijn en afwijkingen kennen dat wij dit onderzoek niet kunnen doen. Zijn kritiek doet wat denken aan deze die vroeger tegen Haebler gemaakt werd. Het watermerkonderzoek berust volgens hem op vijf hypothesen; elke hypothese wordt kritisch onderzocht en afgewogen met behulp van talrijke afwijkende voorbeelden - maar wat is de frequentie van deze afwijkende voorbeelden? De hypothesen zijn de volgende (p. 2-3) : 1. a mould for making paper had a limited life-ranging from a minimum of four months to a maximum span of four years. 2. the mould was used continuously - there were no extensive gaps of time in its use. 3. all the paper produced by a mould was used up in two or three years - it was not used by a printer over a long span of years. 4. the paper was used by the printer in the same order in which it came from the mould. 5. stocks of paper were not accumulated - it was to expensive and this required fast turnover.
(15) Curt F. BÜHLER, Last Words on Watermarks, in The Papers of the Bibliographical Society of America, 1973, t. 67, p. 1-16.
17. - Het eerste deel van een nieuwe reeks gewijd aan het boekwezen (16) bestaat uit een aantal bijdragen over het Gutenbergprobleem (17). Achtereenvolgens hebben wij de volgende bijdragen. H. WIDMANN, Gutenbergs Wirken -Versuch eines Umblicks (p. 1-47). Deze uiterst gedocumenteerde studie - zo gedetailleerd dat men de draad soms verliest - brengt een overzicht van de ganse Gutenbergproblematiek door de diverse en soms tegengestelde opinies tegenover elkaar te plaatsen. Dat Gutenberg de uitvinder van het drukken met losse typen is wordt thans algemeen aanvaard, de periode van twijfel is voorbij en aan deze homerische discussie is een einde gekomen. Maar wanneer de uitvinding gebeurde, hoe dit gebeurde, welke boeken Gutenberg precies gedrukt heeft, zijn andere vragen en hierover bestaat alles behalve overeenkomst. Ja, men vraagt zich af - daar geen enkele druk de naam Gutenberg als drukker vermeldt - of hieromtrent overeenkomst te bereiken valt. Deze onenigheid tenminste blijkt duidelijk uit Widmann's overzicht. Hij schetst de mogelijkheden nopens onze kennis van Gutenberg's jeugd in Mainz, over zijn verblijf in Straatsburg tot 1444 en wat hij daar gedaan kon hebben, over de duistere periode 1444-1448 en waar hij geweest kon zijn. Terug in Mainz in 1448, is de periode tot aan het proces van 1455 al even duister. In verband met de Missale speciale wordt de aandacht gevestigd op de grenzen van het typenonderzoek; nl. dat uit de toestand van de typen bij een bepaalde druk niet kan uitgemaakt worden ob es sich um eine frühe Verstichsform oder um eine wenig gelungene Spätform handle (p.16). Gutenberg heeft naar alle waarschijnlijkheid de 42 R Bijbel gedrukt; maar wat is zijn tussenkomst bij de talrijke andere kleine"populaire drukken"? Heeft hij meegeholpen - en waarin precies - aan het Psalterium Moguntinum van Fust en Schöffer van 1457? Tenslotte, het Catholicon van 1460 (1469?) en de 36 R Bijbel, ook hieromtrent blijkt uit de discussie hoe moeilijk het is daarover klaarheid te bekomen. Conclusie : im Typengusz [kan men] den Kern des Gedankens der Erfindung sehen (p. 44). Daarna volgen : Hans LÜLFING, Schreibkultur vor Gutenberg (p. 48-67). Heinz F. FRIEDERICHS, Gutenberg's Herkunft. Eine genealogisch-soziologische Studie (p. 68-78). Belangrijker is het artikel van Alfred SWIERK, Johannes Gutenberg als Erfinder in Zeugnissen seiner Zeit (p. 79-90). Het is niet de eerste maal dat men in een studie over Gutenberg getuigenissen van tijdgenoten geciteerd vindt, maar zoals de auteur terecht opmerkt, meestal onvolledig of onjuist vertaald. Daarom wil Swierk een overzicht geven van alle bronnen tot 1508 in hun oorspronkelijke vorm. Van de twintig weergegeven bronnen zijn er drie handschriften, de rest komt uit drukwerken. Vanzelfsprekend is de anonieme kroniek van de stad Keulen van 1499 met de tekst over de Hollandse Donaten opgenomen. Vermelden wij nog dat alle bronnen de naam Gutenberg vermelden en de eerste bron van 4 october 1458 dateert. De volgende bijdrage bevat de belangrijkste tekst over Gutenberg's leven en werk; deze tekst wordt hier door F. Geldner in de oorspronkelijke oud-Duitse vorm met een moderne Duitse vertaling weergegeven : Das Helmaspergersche Notariatsinstrument in seiner Bedeutung für die Geschichte des ältesten Mainzer Buchdrucks (p. 91-121). Tevens brengt Geldner een overzicht van de interpretaties van deze duistere tekst.
In Gutenbergs Schritt in die Techniek (p. 122-147) probeert F. A. SCHMIDT-KÜNSEMÜLLER in een langdradig betoog de originaliteit en de betekenis van Gutenberg's uitvinding te situeren en te onderzoeken.
F. GELDNER's tweede bijdrage Die ersten typographischen Drucke (p. 148-184) lijkt ons zonder twijfel de belangrijkste van het ganse boek te zijn. Het is duidelijk dat het voornaamste probleem van de Gutenbergstudie is: precies te weten wanneer Gutenberg voor de eerste maal met behulp van losse, afzonderlijk gegoten letters mechanisch teksten vermeerderd heeft (p. 155). Was hij daarin reeds geslaagd nog vóór zijn vertrek uit Straatsburg in 1444 zoals uit bepaalde bronnen en interpretaties blijkt? maar geen enkel fragment is ons uit de periode bewaard gebleven. Was het tussen 1444-1448 en wat betekent de Hollandse Vurbyldung? Een feit is zeker, uit de Mainzer periode beschikken wij over drukken en Geldner probeert nog eens een chronologie op te stellen van deze oudste gedrukte teksten (de B 36 groep). Het probleem is dubbel: welke volgorde en wat is van Gutenberg. Persoonlijk geloven wij - en dit op grond van de uiteenlopende interpretaties en zonder ooit de stukken gezien te hebben (behalve enkele achter glas) - dat het onmogelijk is deze problemen op te lossen. Dat de B 36 groep, bijna in haar totaliteit, aan Gutenberg kan toegeschreven worden, wij denken dat G. Painter dit voldoende duidelijk heeft aangetoond. Wat echter de volgorde betreft van de niet gedateerde B 36 (DK type) fragmenten, niettegenstaande de scherpzinnigheid van Geldner en het voorzichtig afwegen van de andere interpretaties, kan ook zijn oplossing niet als definitief gelden.
S. CORSTEN, Das Missale speciale (p. 185-199). Bijna 100 jaar geleden ontdekt, eens als de oudste gedrukte tekst beschouwd, op een ophefmakende wijze door de Pierpont Morgan Library aangekocht, thans, na Stevenson's onderzoekingen, definitief (?) na 1470 geplaatst.
H. ROSENFELD, Buchschmuck als typographisches Problem bei Gutenberg (p. 200-210); Pow-Key SOGN, Printing in China (p. 211-213); Early Korean Printing (p. 217-231). Lotte und Wytze HELLINGA, Die Coster-Frage (p. 232-242). Overzicht van ontstaan en evolutie van het Coster-probleem. Nadruk wordt gelegd op de methode waarmee Bradshaw het probleem behandelde: gegevens uit de drukfragmenten zijn niet met externe, niet-bibliografische gegevens te vermengen (p. 239). Aan het einde van de bijdrage vindt men Bradshaw's Analysis of Haarlem Books van 1868 (niet uitgegeven fragment van zijn Notebook XV).
A. SWIERK, Was bedeutet " ars artificialiter scribendi "? (p. 243-250). Deze uitdrukking, die thans voor de drukkunst gebruikt wordt, is volgens de auteur ein fester Begriff aus der Terminologie der Berufschreiber des späten Mittelalters (p. 244).
H. WIDMANN, Gutenberg im Urteil der Nachwelt (p. 251-272); E. GECK en A. SWIERK, Bibliographie der seit 1940 erschienenen Literatur zu Gutenbergs Leben und Werk (p. 273-290). De indeling is systematisch : leven en werk, de uitvinding, de afzonderlijke drukken en Gutenberg's mededingers. Tenslotte bevat het werk nog een uitvoerig register.
(16) Bibliothek des Buchwesens, herausgegeben von Hans WIDMANN.
(17) Der gegenwärtige Stand der Gutenberg-Forschung, herausgegeben von Hans WIDMANN, Stuttgart. A. Hiersemann, 1972, geb. 98 DM (in de reeks 86 DM).
18. - In 1971 verscheen ook het tiende deel van de incunabelcatalogus van het British Museum (18). Het werk is opgevat zoals de vorige delen. Na een uitstekende algemene inleiding van de hand van George D. Painter volgt de inleiding tot de diverse persen van Leslie A. Sheppard en George D. Painter. De beschrijving van de boeken is van de hand van L. A. Sheppard, D. A. Clarke, V. Scholderer en D. E. Rhodes. Op het einde vindt men de gebruikelijke reproducties van de typen. Te Zaragoza vinden wij de drukker Matheus Flander (p. I) maar te Sevilla hebben wij geen spoor kunnen ontdekken van onze Dirk Martens; nieuwe bevestigende gegevens werden blijkbaar niet gevonden.
(18) Catalogue of books printed in the XVth century now in the British Museum, Part X: Spain. Portugal. London, 1971.
19. - Aan de hand van inlichtingen uit de correspondentie en een Notebook van H. Bradshaw, uit een brief van Campbell, uit een artikel verschenen in het Sluisch Weekblad, en uit een artikel van J. H. van Dale uit Sluis, de ontdekker van het fragment, geven de auteurs (19) ons de tekst en de vermoedelijke beschrijving van het Pronostication pour les années 1477 et 1478 van Jean Laet de Borchloen. Deze editie door Colard Mansion, in type 1 A te Brugge gedrukt rond 1476 (-1477) was slechts bekend door een tweebladig fragment in 1855 te Sluis ontdekt (CA 1444). Dit fragment, een van de oudste drukken van Mansion, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog vernield.
(19) Lotte and Wytze HELLINGA, A Prognostication printed by Colard Mansion (Ca 1444), in Gutenberg-Jahrbuch, 1972, p. 79-85.
20. - Hoewel geweten dat het niet volledig in orde is met 1473 als aanvangsdatum van D. Martens te Aalst, en daar men dit jaar de 500ste verjaardag gaat vieren, had HELLINGA beter wat kunnen wachten om de aandacht op deze onzekerheid te vestigen (20). Can it be shown by bibliographical research that his press was already operating in 1473? (p. 70). Hellinga probeert, aan de hand van de watermerkstudie, de zes edities met Aalst in het kolofon een bepaalde chronologie toe te wijzen. De studie van het watermerk alleen is ongetwijfeld daartoe niet voldoende, ook de druktechniek en andere elementen moeten onderzocht worden; maar de resultaten van het watermerkonderzoek kunnen bepaalde hypothesen bevestigen. De onderzochte edities zijn zeldzaam, twee-drie exemplaren; vraag : hoeveel exemplaren van elke editie werden onderzocht, welke watermerken werden precies gevonden en komen dezelfde ook voor in andere exemplaren van de editie? (bv. de Tabulare, Ca 1633, waarvan drie exemplaren geen watermerk hebben). Het exemplaar van de Tabulare uit Cambridge, met de geel-rood rubricering, komt naar onze mening uit één band Martens-drukken waarvan een stuk in Gent is, en heeft ook de typische puncturen. Misschien valt in die richting iets te zoeken. Geruststellend schrijft tenslotte Hellinga : There is no reason as yet, however, to banish Thierry Martens from Alost 1473... (p. 72).
(20) Wytze HELLINGA, Impressum. Alosti. Jn Flandria. 1473-1973, in Quaerendo, 1973, t. III, nr. 1, p.70-72.
21. - P. GERLACH (21) signaleert een exemplaar van Thomas a Kempis' Soliloquium animae [Utrecht, N. Ketelaer en G. de Leempt, 1474] (Ca 1567) in het Capucijnenklooster te 's-Hertogenbosch. Het boek zou afkomstig zijn uit de bibliotheek der Cisterciënsers van Mariëndonk te Elshout.
(21) P. GERLACH, Thomas a Kempis. Een verzamelband uit het Cisterciënserklooster Mariëndonck te Elshout, in Met gansen Trou, 1972, t. XXII, p.20-24.
A NAME = "22">22. - Een onbekend fragment uit de Gentse Universiteitsbibliotheek was aanleiding voor ons om een kort artikel
(22) te wijden aan de Nederlandse prototypografie en een beschrijving te geven van het fragment.
(22) J. MACHIELS, Onbekend Doctrinale - Fragment in het Speculumtype, in De Brug, 1973, nr. 1, p. 38-44.
23. - In het artikel van W. LOURDAUX (23) wordt beknopt de rol geschetst van de Broeders van het Gemene Leven in de opkomende drukkunst. Hij neemt min of meer de vaststellingen over waartoe K. A. STRAND in 1962 gekomen was. Deze beweerde dat juist in die middens waar de Broeders zich inlieten met de studerende jeugd, de drukkunst een eerste opbloei heeft gekend (p. 407). Wij denken dat en de statistische gegevens en de interpretatie daarvan moeten herzien worden.
(23) W. LOURDAUX, De Broeders van het Gemene Leven, in Bijdragen, Tijdschrift voor Filosofie en Theologie, 1972, p. 372-416.
23bis. - Aan de hand van een exemplaar uit de Marienbibliotheek te Halle/Saal probeert G. LANGER
(24) datum en drukker te bepalen van Polain 3802 (K C 1676 a). De drukker kan Richard Pafraet te Deventer zijn en de druk valt hoogstwaarschijnlijk na 10 april 1497.
(24) G. LANGER, Von einem niederländischen Frühdruck und dessen Datierung, in Quaerendo, 1972, t.II, p. 290-293.
24. - Als derde voorstudie van de eerlang te verschijnen Bibliographia Franciscana Neerlandica (XVe eeuw) brengt B. DE TROEYER (25) ons een overzicht van het leven en werk van Dirk van Munster. In de voorlopige lijst van de edities worden achtereenvolgens behandeld : De Kerstenspiegel; Die doernen Crone; Vander Minnen Ihesu ende Marien; Corte oefennige vander Passien ons Heeren; Dat Testament eynes waren Cristen; Die seven Getzide; Een liedeken van Devocien : och edel ziele mercke; Een sonderlinghe lesse oni in alle duechten toe te nemen? Bij de definitieve verschijning van het werk zullen wij de edities en hun toeschrijving aan bepaalde drukkers bespreken.
(25) B. DE TROEYER, Bio-Bibliografie van de Minderbroeders in de Nederlanden voor het jaar 1500. Voorstudies (Nieuwe Reeks). III: Dirk van Munster in Franciscana, 1971, t. XXVI, p. 109-173.
25. - Het artikel van T. BOSQUET (26) onderzoekt de inhoud van de Historie van den heiligen patriarch Joseph (Ca. 970) die te Gouda bij de Collaciebroeders verschenen is (Hellinga, na 20 april 1496). Het is de enige bekende editie van dit werk in de Nederlanden en wordt toegeschreven aan Philippe van Meron (van Gouda). Dit eerste leven van de heilige Joseph in de Nederlandse literatuur is van belang voor de studie van de middeleeuwse vroomheid en het artikel is ook uitsluitend in deze zin opgevat.
(26) T. BOSQUET, Philippe van Meron, O.F.M., et "L'Histoire" de Saint-Joseph, in Saint-Joseph durant les quinze premiers siècle de l'Eglise, Rome, 1971, p. 497-528.
26. - Het mooi en smaakvol uitgegeven werk van L. PESCASIO (27) bestaat uit drie delen, respectievelijk p. 10-106 gewijd aan de drukkers vóór 1500; aan de 16de eeuwse drukkers en p. 262-300 gewijd aan de 17de eeuwse drukkers. Volgen daarna nog de indice onomastico, topografico en de lijst van de illustraties. Aan Pietro Adamo de'Micheli, een Mantuaan, komt de eer toe de drukkunst in 1472 in zijn vaderstad ingevoerd te hebben. Hijzelf was slechts uitgever en voor het drukken deed hij beroep op twee Duitsers Georgius en Paulus de Butsbach, uit de streek van Mainz. Drie boeken kwamen in 1472 van de pers : de Aretio en de Boccaccio, beiden gedateerd en een niet gedateerde Blondus. Daar waar V. Scholderer in de BMC deel VII op typografische grond een bepaalde volgorde van deze drie drukken voorstelt wordt deze door Pescasio gewijzigd, wat zijn recht is, maar echter zonder Scholderer's argumenten te bespreken. Wanneer Pescasio op p. 19 de Boccaccio als prima opera betitelt vragen wij ons terecht af waarom dit boek als eerste druk geclasseerd wordt. Dit is trouwens de zwakke zijde van het ganse boek - de typologie. Men kan niet over de drukkunst schrijven wanneer men niet tevens de typologie en de manier van drukken onderzoekt, waardoor een bepaald drukker zich van een andere onderscheidt. Over dit alles geen spoor bij Pescasio. Het volstaat niet langer uitvoerig over deze Pietro te schrijven (wie hij was, welke zijn relaties waren en dgl. meer), en wat zijn typen betreft, zich te beperken tot de reproductie van een blad uit de Boccaccio met de vermelding dat dit boek zeldzaam is. Niets leert hij ons over de typen, de initialen, terwijl daarentegen de beknopte tekst uit de BMC hiervoor veel nuttiger is. Zelfs de prachtige romein (106 R) blijft onvermeld, terwijl V. Scholderer (p. xiv) hier wijst op een mogelijke relatie tussen Butzbach en Gerardus de Lisa de Flandria te Treviso, from whom the distinctive roman fount immediately derives. Op dezelfde wijze worden de andere drukkers uit de 15de eeuw behandeld. De gebroeders Butzbach samen, en vanaf 1473 tot 1481, Paulus alleen. Maar ook hier dezelfde tekortkomingen, en hadden wij de BMC, p. 930 niet, wij zouden niet eens weten over hoeveel typen Paulus de Butzbach beschikte. Het gotisch type van J. Schallus waarover de BMC p.xvi schrijft, dat het opvalt door its affinities with the material of Mentelin at Strasburg wordt door Pescasio nauwelijks vermeld (p. 58). De laatste 15de eeuwse drukker te Mantua is Vincentius Bertochus waarvan het aantal bekende drukken thans vier bedraagt (BMC p. 934 kent er slechts twee). Mantius is ook bekend om zijn Hebreeuwse drukken; vanaf 1476 tot 1480 drukte Avraham ben Selomoh Conat er 6 boeken. Dit hoofdstuk is echter te beknopt behandeld en de auteur kan moeilijk de uitstekende bijdrage gekend hebben, verschenen in Studia Rosenthaliana, 1971, nr. 1, p. 138 sq, van de hand van A. K. Offenberg die de pers van Conat tussen 1474-1477 situeert.
Volgt tenslotte een lijst van de 42 bekende incunabelen, met korte beschrijving, enkele referenties en tevens met de vermelding van de grote bibliotheken waar een exemplaar aanwezig is. Het volgende deel behandelt de 16de eeuwse drukkers. Wij tellen er een 14-tal met samen ongeveer 300 edities. De meeste zijn kleine drukkers. Enkelen, de Ruffinelli's en de Hebreeuwse pers van de Sabbioneta's, zijn belangrijker (30 tot 50 edities); allen worden in de schaduw gesteld door de Ossana's (Francesco, vanaf 1578 tot 1607 met 174 edities) en zijn opvolgers in de 17de eeuw. Het grootste aantal van de drukken van Francesco Ossana, de Tasso drukker, zijn in het Italiaans en munten niet uit door kwaliteit. Ook bij de behandeling van de 16de eeuwse drukken stellen wij dezelfde tekortkomingen vast. Niet voldoende komt tot uiting het onderscheid tussen de diverse drukpersen, waarin zij zich van elkander onderscheiden en waaruit hun typografisch materiaal bestaat. Nuttig is wel de lijst van de edities en de bibliografische nota's.
(27) Luigi PESCASIO, L'Arte della stampa a Mantova nei secoli XV-XVI-XVII, Mantoua, Editoriale Padua, 1972, in-folio, 322 p., ill., 35 dollar.
27. - Het bibliografisch werk van G. TONELLI (28) wil op de eerste plaats een hulpmiddel zijn voor de geschiedenis van de lexicografie en de ideas. Bij de beoordeling van deze bibliografie van woordenboeken - waarin de 16de eeuwse ruim vertegenwoordigd zijn - moeten wij dus met zijn opzet rekening houden. Zijn werk bestaat uit drie lijsten. De eerste lijst omvat in alfabetische volgorde - met een beknopte bibliografische aanduiding - een reeks woordenboeken verschenen vóór 1800. De keus gebeurde op grond van een zeker aantal criteria waarvan wij persoonlijk de gegrondheid betwijfelen maar die hier met bibliografie of drukkunst niets te maken hebben (vb. alleen alfabetische en geen systematische, alleen onderwerpen - en geen naamwoordenboeken noch taalwoordenboeken waar het linguïstisch aspect domineert). Met andere woorden, de auteur neemt alleen die woordenboeken op die hij van belang acht voor de history of ideas en het is dus gemakkelijk te begrijpen dat deze zeer vage criteria een min of meer willekeurige selectie opleveren. Het heeft dus weinig zin zijn reeks aan te vullen met enkele 16de eeuwse woordenboeken uit onze gewesten die naar onze mening toch in aanmerking kunnen komen. Van de vermelde woordenboeken worden, naast de eerste, ook latere edities opgegeven, maar dit is niet steeds volledig. Na elk woordenboek volgen de namen van enkele grote Europese bibliotheken waar een exemplaar voorhanden is; noch België noch Nederland komen hieronder voor. De tweede lijst omvat een reeks woordenboeken die niet aan de criteria van deze uit lijst 1 beantwoorden, maar die door de auteur onderzocht werden. De derde lijst omvat een reeks woordenboeken die, alhoewel vermeld in bibliografieën, niet te localiseren zijn en dus een basis vormen voor verder onderzoek. Tenslotte volgt een index van auteurs; de bibliografie over woordenboeken die Tonelli vermeldt is uiterst beknopt. Het werk kan een zekere betekenis hebben voor het doel van de auteur, maar voor de bibliografie van de 16de eeuwse woordenboeken brengt het weinig nieuws bij.
(28) G. TONELLI, A short-title list of subject dictionaries of the sixteenth, seventeenth and eighteenth centuries as aids to the history of ideas, London, University of London, The Warburg Institute, 1971. 72 p., 1 pond.
28. - In 1967 verscheen het werk van L. Balsamo en A. Tinto (29) gewijd aan de Italiaanse cursief (corsiva cancellaresca, cursivo, italiek) waarin de oorsprong en de evolutie werd nagegaan van de Aldino en de Vicentino. Het boek van A. TINTO (30), dat thans verschenen is, kan als een vervolg daarop beschouwd worden omdat het de cursieven van transalpijnse oorsprong wil onderzoeken, die in Italië ingevoerd werden. Men ziet onmiddellijk het belang in van een dgl. studie voor onze gewesten. Beschikken wij inderdaad, dank zij het boek van Vervliet over een goed repertorium van de typen in de Nederlanden in de 16de eeuw, toch beperkt zich dit werk tot deze typen aldaar vervaardigd - de native type-production - en laat de ingevoerde buiten beschouwing. Welnu de leveranciers die aan Italië typen leverden zijn ook dezelfde - grosso modo - die aan de Nederlanden leverden.
De auteur heeft, voor wat de methode betreft, ruimschoots gebruik gemaakt van het werk van Vervliet; wie met dit laatste vertrouwd is, zal dus bij Tinto weinig nieuws daarover vinden. Het eerste hoofdstuk, Il commercio dei caratteri, brengt een overzicht van de evolutie die plaats grijpt bij de overgang van de 15de naar de 16de eeuw. Waren in de 15de eeuw nog vele drukkers zelf lettersnijders (Haebler) - bijgevolg grote diversiteit in de typen -, weldra stelt men vast dat meerdere drukkers dezelfde typen gebruiken en deze dus bij eenzelfde lettersnijder hadden aangekocht (in de laatste decade van de 15de eeuw loopt de individualiteit van de typen op haar einde p. 16). De lettersnijders waren - in het begin van de 16de eeuw - tevens de grote drukkerijen; de scheiding komt pas later. Het is duidelijk dat, eens het beginsel van de individualiteit van de typen - verdwenen is, de methode van Haebler voor de identificatie van drukken niet langer meer kan aangewend worden. Norton, en nadien Vervliet, hebben geprobeerd met een nieuwe hypothese: the peculiar ownership of combinations of typefaces (Vervliet, p. 13; Tinto, p. 24). De ondervinding leerde ons dat deze methode minder succesrijk is dan de Haeblerse voor de incunabelen. Hoeveel niet geïdentificeerde NK-edities werden op deze manier al opgelost? Er zit toch iets goeds in en bepaalde resultaten werden reeds bereikt maar het blijft onvoldoende. Het tweede hoofdstuk L'Espansione del corsivo brengt weinig nieuws; de boeken van Johnson en van Carter zullen hier nog lange tijd als model dienen. Achtereenvolgens schetst Tinto de expansie van de Aldo-Griffo en de Vicentino cursief. Het derde en het vierde hoofdstuk, respectievelijk gewijd aan de Duitse en de Franse cursief, vormen de kern van het werk. Het probleem stelt zich als volgt : een reeks cursieven, geïnspireerd op Italiaanse modellen maar buiten Italië herontworpen, werden in Italië (en ook in de Nederlanden) ingevoerd. Hun herkomst valt te localiseren in Keulen en Bazel. Wie is de ontwerper? Het probleem, in 1939 reeds door A. F. Johnson onderzocht, wordt door Tinto uitvoerig met behulp van illustraties behandeld. De auteur gaat als volgt tewerk. Vanaf 1533 verschijnt te Bologna een cursief, nog niet in Italië bekend, die wij ook in 1543 te Antwerpen zien verschijnen, en die voor de eerste maal in 1525 te Keulen bij Cervicornus voorkomt. Hij legt de specifieke karaktertrekken van deze cursief vast, onderzoekt waar ze gebruikt wordt en wanneer eerst. Weet men van een bepaald type niet wie de lettersnijder is, dan geeft men daaraan de naam van de eerste drukker die ze gebruikte of de stad waar ze eerst voorkomt, hier dus cursief van Keulen 100. Zo onderzoekt hij in dit hoofdstuk 7 cursieven waarvan deze van Froben van 1520 (80 mm) zeker wel de voornaamste en meest verspreide geweest is. Een overzicht van tientallen boeken waarin dit type voorkomt bewijst voldoende de enorme expansie ervan en Vervliet (p. 292) geeft trouwens de drukkers uit de Nederlanden op die er gebruik van maakten. Wij kunnen hier niet in detail de diverse Bazelse typen overlopen maar wij geloven dat het karakteriseren en individualiseren van deze cursieven ons een uitstekend hulpmiddel aan de hand doet voor identificatie. Het illustratiemateriaal is niet zo goed uitgewerkt als bij Vervliet en het ware duidelijker geweest indien Tinto hier de methode van deze laatste gevolgd had : op de linkerbladzijde de beschrijving van het type en op de rechterbladzijde een alfabetreconstructie met illustratie. Een nuttig werkapparaat vereist een zekere systematiek. Het vierde hoofdstuk, gewijd aan de Franse cursieven, behandelt uitvoerig het werk van de grootste 16de eeuwse lettersnijder Robert Granjon : 10 cursieven worden hier onderzocht, geïnspireerd op het ultimo tipo dell'Arrighi stampatore van 1526/1527 (p. 65). Het is begrijpelijk dat deze onderzoekingen van Tinto uitvoerig gebruik maken van de studie van A. F. Johnson, The Italic of Robert Granjon, verschenen in The Library van 1941. Tenslotte behandelt de auteur nog kort de veel verspreide cursief van P. Haultin. Na de 30 illustraties volgt een uitvoerige bibliografie en een lijst van alle geciteerde edities in cursief gedrukt. Dank zij het werk van Vervliet en van Tinto - om slechts de voornaamste te noemen beschikken wij nu over een paar werkapparaten om de herkomst van bepaalde typen na te gaan. Kunnen wij daarmee ook drukwerken zonder vermelding van drukker identificeren? Zo ver zijn wij nog niet. Wij hebben een tiental pamfletten gekozen die verschenen zijn zonder naam van drukker, in de 16de eeuw, vermoedelijk in de Nederlanden gedrukt, in cursief. Het opsporen van de herkomst van de gebruikte cursief - behalve één geval - was vrij eenvoudig. Het grootste aantal was in Tavernier's italiek van 1550 (96 mm, Vervliet I T 4) en Froben's italiek van 1520 (80 mm). De afmetingen van 20 regels varieerden wat maar het waren ongetwijfeld deze typen. Verder kwamen wij spijtig genoeg niet. In de meeste gevallen was er geen typecombinatie - slechts één italiek met ten hoogste een romein in de titel en enkele houtsnede-initialen. Wat wij nodig hebben is een repertorium van de typecombinaties door de diverse drukkers gebruikt, maar dit veronderstelt een overzicht van een zo groot mogelijk aantal van hun drukwerken, m.a.w. een NK en een Nijhoff tot 1600.
(29) Luigi BALSAMO en Alberto TINTO, Origini del corsivo nella tipografia italiana del cinquecento.
(30) A. TINTO, Il corsivo nella tipografia del cinquecento. Dai caratteri italiani ai modelli germanici e francesi, Milano, Edizioni Polifilo, 1972, 162 p. 30 tavole 26.000 lire. Beide werken maken deel uit van de reeks Documenti sulle arti del libro (resp. deel VI en deel VIII). Vermelden wij enkele andere delen uit deze reeks die onze rubriek aanbelangen: II: Campionari di caratteri nella tipografia del settecento, uitgegeven door J VEYRIN-FORRER. IV: A. BASANOFF, Itinerario della carta dall' Oriente all' Occidente e sua diffusione in Europa. V.E. CASAMASSIMA, Trattati di scrittura del cinquecento italiano. VII: F. BARBERI, Il frontespizio nel libro italiano del quattrocento e del cinquecento. De uitgever Polifilo kan terecht fier zijn over de kwaliteit en de smaakvolle uitgave van deze werken.
29. - Deze prachtige bibliografie van de Hongaarse drukken is van aard om vele westerse landen jaloers te maken (31). Na een Hongaarse en Latijnse inleiding volgt een Engelse versie waaruit wij volgende gegevens halen. Het werk neemt alle drukken op vóór 1601 in Hongarije verschenen en in om het even welke taal en alle drukken vóór die datum buiten Hongarije verschenen, volledig of gedeeltelijk in het Hongaars. De edities worden chronologisch per jaar gerangschikt en de niet gedateerde bij benadering; per jaar worden de publicaties alfabetisch op naam van de drukkersplaats gerangschikt. Van elk boek wordt een uitvoerige beschrijving gegeven, bibliografische referenties, een analyse van de inhoud, latere edities van dezelfde tekst en een exemplarenaanduiding. De analyse van de inhoud die zeer uitvoerig is geschiedt spijtig genoeg in het Hongaars. Alle beschreven exemplaren werden gezien (of fotografisch); zo dit onmogelijk was en men uiting van tweedehandsreferenties werd dit vermeld. Men geeft geen diplomatische beschrijving van de titel vermits achteraan een verkleinde fotocopie van de 869 beschreven edities wordt bijgevoegd. Vermeld worden : auteur, titel, vertaler of uitgever, plaats, datum, drukker, collatie, versieringen. Het aanduiden van de blanco folio's met signatuurindices (bv. de vierde folio van katern a, die uit 4 folio's bestaat is blanco : A3+1) werkt naar onze mening verwarrend. Vermits zeer vele drukken zeldzaam zijn is een exemplaaraanduiding geen luxe; steeds wordt ook het al of niet volledig zijn van het exemplaar vermeld. De bruikbaarheid van dit boek wordt nog verhoogd door de talrijke zeer gedetailleerde en goed samengestelde indices : Index chronologicus officinarum; Index alphabeticus locorum ubi typographiae viguerunt cum indice typographorum; Index nominorum; Index titulorum; Index cantionum poematumque Hungaricorum; Index rerum; Index bibliothecarum. De kaart, op blz. 754, met de drukkersplaatsen is eveneens zeer nuttig. Het eerste boek in Budae verschenen, circa 1472, wordt reeds achteraan bij de betwistbare drukken geplaatst. Het betreft het werk van Galeotti, Liber de homine, s.l., s.n., s.d. Proctor (The printing of Greek... 1900, p. 46) voelde er veel voor het in Budepest te plaatsen, maar later werd het door de BMC, VI, p. 813, naar Bologna verwezen. Is het daarmee afgehandeld? Een zestal werken verschenen tot 1480 en nr. 7 plaatst ons direkt naar 1527. Wij kunnen hier slechts enkele edities citeren van belang voor onze gewesten.
Van Erasmus hebben wij de volgende edities : nr. 43, Epitome adagiorim. Corona of Kronstadt, J. Honter, 1541, (Bibliotheca Erasmiana, Adagia, p. 397) 5 exemplaren vermeld. Van de humanist drukker J. Honterus worden te Corona tussen 1539-1548 een 35-tal edities beschreven. Nr. 138, Novum Testamentum Graecae ac Latinae iuxta postremaro D. Erasmi Rot. translationem Corona, V. Wagner, 1557. Nr. 655, Dicta Graeciae sapientum, interprete Erasmo Roterodamo... Debrecen, J. Csáktornyai, 1591. Nr. 656. Erasmus Civilitas morum Erasmi in succinctas quaestiones digesta ac locupletata per Reinhardum Hadamarium. Az erkolcznek tiztesseges... Debrecen, J. Csáktornyai, 1591. Nr. 663, zelfde werk maar verschenen te Claudiopoli (Kolozsár), in officina Helthana, 1591. Nr. 839, Dicta Graeciae sapientium interprete Erasmo Roterdamo... Cibinium (Szeben), J. Fabricius, [1598]. Nog eens het hoger vermelde nummer 656 maar nu bij J. Fabricius, 1598 = nr. 840. Naast deze edities wordt Erasmus nog herhaaldelijk vermeld in de inhoudsanalyses maar onze onkunde van het Hongaars laat ons niet toe de juiste rol van Erasmus te bepalen. Van J. Murmellius wordt onder nr. 14 het Lexicon... cum Germanica et Hungarica interpretatione, Cracouiae, Vietor, H., 1533 vermeld. Nr. 466, Fr. Titelman, Compendium dialecticae ad libros logicorum Aristotelis, Claudiopoli 1580 relicta Casparis Helti (2 exemplaren bekend, De Troeyer onbekend). Nr. 471, [P. Canisius, Parvus catechismus, Tyrnaviae 1578-1583 typ. Telegdi] Nr. 860. P. Canisius, Catechismus in de vertaling van Vásárhelyi Gerlgey, Claudiopoli, 1599, [typ. Heltai]. Nr. 504, Arithmetica, az az az szamvetesnec tudomania, mely forditatot Gemma Frisius... Debrecen, R. Hoffhalter, 1582 en nr. 665 Magyar arithmetica... az Frisiusnac, Colosvarat, [typ. Heltai], 1591. Nr. 536, Clusius, Stirpium nomenclator Pannonicus, Németùjvár, (Giessingen), J. Manlius, 1583 en nr. 538 het Supplementum op Clusius van Ch. Plantijn, Antwerpen 1583. Zo kan de lezer zich toch een klein idee vormen van de rijkdom van het werk en bij het doorbladeren van de 900 titelbladreproducties bekomt men een indrukwekkend overzicht van de drukkunst in dit land en in deze taal.
(31) Res Litteraria Hungariae Vetus Operum Impressorum 1473-1600. Régi Magyarországi Nyomtatványok 1473-1600, Cura commisionis Academicae pro studiis in historia libri opere G. BORSA, Fr. HERVAY, B. HOLL, St. KÄFER, A. KELECSÉNYI, Aedibus Academicis Budapestini 1971, 928 p., 630 Ft.
30. - De katalogus van G. BORSA en I. KÄFER (32) omvat volgende delen. Een short-title katalogus van 1306 werken, alfabetisch gerangschikt, vóór 1800 gedrukt. De beschrijving vermeldt ook de namen van de inleiders, de uitgevers, de vertalers en dgl. met de naam van de bibliotheek waar het exemplaar voorhanden is. Onder de 16de eeuwse drukken vinden wij twee vertalingen van Erasmus' De immensa misericordia Dei waarvan de ene te Praag verscheen bij Kaspar Prostëjovsky in 1558 (nr. 268) en de andere in 1564 s.n., (nr. 269). Verder een index van werken die tot dan toe onbekend waren of waarvan geen enkel exemplaar gelocaliseerd kon worden. Vervolgens een uitgebreide chronologische index waaruit volgende gegevens : 3 incunabelen (een Bijbel van 1488, een van 1489 en J. de Voragine's Passionaal van 1495), verder 120 16de eeuwse edities. Daarna volgt een index locorum typographicorum waaruit blijkt dat verschillende boeken in deze talen ook in andere landen gedrukt werden. Een uitgebreide typografische index, alfabetisch en chronologisch gerangschikt, maakt van deze katalogus een nuttig werkinstrument voor de studie van de Europese drukkunst. Tenslotte vinden wij nog een index van de bezitters en de herkomsten en, wat ons wat vreemd toeschijnt maar ongetwijfeld nuttig is, een Index Signaturarum Bibliothicae.
(32) Gedeon BORSA, István KÄFER, Catalogus librorum veterum usque ad annum 1800 in lingua Bohemica et Slovaca impressorum quae in Bibliotheca Nationali Hungariae de Franciso Széchényi nominata asservantur, Matica Slovenská Bibliotheca Naitonalis Martin, Budapest, 1970, 406 p.
31. - De katalogus van de reserve van de Universiteitsbibliotheek te Coimbra (33) omvat, alfabetisch per auteur gerangschikt, een korte titelopgave met de verwijzing naar H, GW, Pel. van de 175 incunabelen in deze bibliotheek aanwezig. De beschrijving vermeldt ook de signaturen - maar niet in alle gevallen - en de herkomst. Stippen wij hier aan : 92, P. Haedus, Anterotica, Tarvisii, Gerardus de Lisa de Flandria, 1492 (BMC VI, 885b); 111, Ca 1265; 117, Ca 1279 en 118, Ca 1285. Het tweede deel, genummerd van 176 tot 2645, omvat de andere boeken uit de reserve en bevat een zeer groot aantal edities vóór 1600. Hierna volgen enkele opmerkingen over drukkers uit onze gewesten. Antwerpen 420 is NK 250; 421 is NK 252; 955 Erasmus, La lengua, Ant., M. Nucio, 1550; verder talrijke Spaanse edities uit Antwerpen; 1649, A. Montesino, Epistolas y evangelios, Iuan Steelsio, (1588?) is vermoedelijk Peeters-Fontainas 815 (1550?) maar bij gebrek aan signaturen niet verifieerbaar; 1689, Nicolas, Gaspar, Pratica d'arismetica, Envers, Erederos de A. Byrkman, 1573, niet in Peeters-Fontainas; 2157 en 2158, Joannes de Sacro Bosco, Libellus di anni ratione... Ant., J. Richardus, 1547 en Ant.; M. Nutius, (1547?), waarom deze laatste datum?; 2362 is NK 2037. Leuven : 698, N. Clenard, Tabula in grammaticen Hebraeam, , Louanii, s.e., 1529, onvoldoende beschreven, is vermoedelijk van D. Martens, NK 2676; 868 is NK 649; 962 is NK 24; 1145-is NK 678; 1289 bij NK niet beschreven is NK 0672; 1290 idem is NK 0671; 1321 is NK 2628; 1459 niet bij NK : Lucianus, Charon siue contemplantes. Eiusdem alii diversi dialogi, Lovanii, R. Rescius, 1535, 32 ff; 1461 is NK 1390; 1462 is NK 3428; 1463 is NK 1398; 1672 is NK 696; 1918, Plutarchus, De tranquillitate et securitate animi, s.d., is vermoedelijk NK 3753 van (c. 1531?) maar het ontbreken van signaturen laat geen duidelijke identificatie toe; 1919 is NK 1742; 2624 is NK 2173; 2237, Seneca, De quattuor uirtutibus cardinalibus, s.l., s.n., s.d., 18 ff., geen signaturen, kan NK 1829 of 1894 zijn; 2311, Statuta synodalia diocesis Tornacensis, s.l., s.n., s.d., 34 ff., (synode van 1520) welke editie? Bovendien vinden wij hier een 47-tal drukken van P. Craesbeeck, de Antwerpse drukker, die, na zijn opleiding bij Plantijn, in 1597 te Lissabon begint te drukken tot in 1631. Zijn eerste druk is 1282, Index librorum prohibitorum. Na deze beschrijvingen volgen een reeks indices : de Hain en GW concordanties, de auteurs, anoniemenregister, chronologische lijst van alle drukken, drukkersregister (plaats en drukkers), bezitters en illustraties (een 35-tal titelpagina's).
(33) Catálogo dos Reservados da Bibliotheca Geral da Universidade de Coimbra, Coimbra, Por ordem a Universidade, 1970, xvi-785 p.
32. - Dank zij de BMC en het werk van Fava en Bresciano zijn wij goed ingelicht over de drukkunst in Napels tot rond 1500; voor de 16de eeuw, en vooral voor de eerste 25 jaar, is het veel moeilijker om zich daarover een idee te kunnen vormen. Het materiaal hiervoor ligt verspreid in talrijke bibliografieën en catalogi en de zeldzaam overgebleven drukken zijn bijna uitsluitend geconcentreerd in Italië en enkele grote bibliotheken. Het degelijke werk van P. MANZI(34) is dus hiervoor een nuttige aanvulling. Het boek bestaat uit 4 afzonderlijke delen, respectievelijk aan elk van die vier drukkers gewijd. Elk deel omvat een korte biografische inleiding, een overzicht van de drukken in chronologische volgorde, de indices op dit deel en talrijke illustraties uit de drukwerken. Een vijfde deel bestaat uit een bibliografie (p. 267-287) die zeer breed opgevat is en zich niet beperkt tot de specifieke drukken uit Napels; men vindt er onder meer talrijke boeken over geschiedenis, literatuur, monografieën over bepaalde auteurs, talrijke catalogi van bibliotheken en antiquariaten... Vooraf een algemene methodologische opmerking : Manzi geeft van elk boek een diplomatische beschrijving met overvloedige details maar vindt het daarentegen overbodig steeds de signaturen en de katernenindeling op te geven. Kunnen wij onze NK voorstellen zonder dit noodzakelijk hulpmiddel ter identificatie? of stelt dit misschien voor zijn drukken geen probleem? Hij vermeldt wel het formaat en de drukspiegel (?) - aan de formaatopgave twijfel ik soms of deze juist is - en het aantal ff. Volgen daarna een korte biografische notitie over de auteur en de namen van de bibliotheken die een exemplaar bezitten, meestal uitsluitend Italiaanse bibliotheken, en dikwijls Parijs en Londen. De bibliografische referenties na elk boek zijn zeer uitgebreid, ja te veel naar onze opvatting; de meeste brengen niets bij. Wat zin heeft het bij een uitvoerige beschrijving nog te verwijzen naar tweedehandsbibliografieën die minder vermelden dan wat Manzi ons opgeeft. Dit doet het wetenschappelijke karaker van het werk niet stijgen, integendeel. Zo bv. nr. 2, de Arcadia van Sannazaro : de auteur verwijst naar Bolongaro-Crevenna, III, b, 56; bij nazicht stellen wij vast dat de referentie in deel III, b, p. 56 nr. 4904 op een andere editie slaat, een herdruk van deze onder nr. 2 vermeld. Bovendien, deze herdruk wordt bij Manzi niet eens beschreven maar kort vermeld als zijnde een herdruk met errata (p. 31); eigenaardige werkwijze. Idem bij nr. 6, de catalogus Bolongaro-Crevenna brengt niets bij. Dergelijke referenties hebben maar zin wanneer de herkomst van een bepaald exemplaar wordt nagegaan. Bij de Arcadia worden bovendien nog vermeld : De la Vallière, Graesse, Niceron, Panzer, ... waarom? Hoger vestigden wij de aandacht op het ontbreken van de signaturen. In feite is dit niet helemaal juist : voor bepaalde werken - voor welke? - worden toch signaturen en lettertype opgegeven. De eerste behandelde drukker is Sigismondus Mayer en zijn erfgenamen (1503-1526). Mayer is geen onbekende, want in 1493/4 werkte hij met J. Besicken in Rome (BMC, IV, p. 139) en verdwijnt daarna, om in 1503 in Napels opnieuw op te duiken. Hij werkte er tot 1517, met een toppunt in 1512, en drukte de mooiste boeken - volgens Manzi - in Napels verschenen. Zonder illustraties munten ze uit door hun intrinsieke schoonheid (p. 23). Uit het officina van S. Mayer worden 64 edities beschreven; talrijke daarvan hebben geen enkele vermelding nopens de drukker of de datum van druk en worden door Manzi aan S. Mayer toegeschreven op grond van de typen; wij kunnen dit natuurlijk niet nagaan maar geloven dat voor bepaalde toeschrijvingen de naar voren gebrachte argumenten soms wel wat zwak zijn. De tweede drukker is Giovanni Antonio de Caneto (1504-1535) uit Pavia afkomstig, met 27 drukken. Vervolgens komt Antonio de Frizis (1517-1526) uit Corinaldo en, afgezien van enkele pogingen van Mayer, is hij de eerste die vanaf 1526 op grote schaal Griekse typen gebruikte : e forse fu il primo che adoperò i caratteri greci veramente pregevoli (p. 174-175). Deze late datum verwondert ons wat voor Napels. De griekse letters zijn niet van het type Aldo ma dritti, più nitidi, più chiari perché di corpo più grande... (p. 175) met een afbeelding op tav. XX; 31 drukken beschreven. De laatste behandelde drukker Giovanni Pasquet de Sallo (1517-1526), vermoedelijk van Franse herkomst. Met deze drukker, waarvan 18 edities bekend zijn, si chiude il primo, più splendido periodo della stampa napoletana del Cinquecento (p. 238).
(34) Pietro MANZI, La tipografia napoletana nel' 500. Annali di Sigismondo Mayr - Giovanni A. de Caneto - Antonio de Frizis - Giovanni Pasquet de Sallo (1503-1535), (Bibliotheca di Bibliografia Italiana, LXII). Firenze, Leo S. Olschki, 1971, 290 p., 10.000 lire.
33. - In onze kroniek van 1972 (p. 793) hebben wij de aandacht gevestigd op het eerste deel van LABARRE's werk gewijd aan de drukkers uit Noord-Frankrijk; thans is het tweede en laatste deel verschenen : Douai (35). Zonder de oprichting van de universiteit in 1563 zou Douai nooit dit belang bereikt hebben dat wij nu weerspiegeld vinden in haar drukkers. Dank zij de onderzoekingen van G. Lepreux en H. R. Duthillœul konden wij ons reeds een eerste idee vormen over de diverse drukkers aldaar werkzaam, maar de beschrijvingen van deze laatste zijn echter wat te beknopt, niet nauwkeurig genoeg en diverse vermelde edities kunnen niet gelocaliseerd worden. Labarre daarentegen behandelt chronologisch de diverse drukkers en boekhandelaars, tot en met 1600 werkzaam in Douai. Van elke drukker volgt, eveneens chronologisch, de lijst van zijn drukken. Twee soorten beschrijvingen : uitvoerige, diplomatische van de titelbladzijde, bibliografisch adres, formaat, en bladzijden van deze boeken die Labarre zelf gezien heeft. Dat hij heel wat bibliotheken afreisde blijkt duidelijk uit de exemplaarlocalisaties : bibliotheek met plaatsnummer. In de eerste plaats deze uit Noord-Frankrijk en de B.N. te Parijs; verder talrijke Belgische Bibliotheken : Gent (met zeer vele unieke vermeldingen), Brussel, Kortrijk, Doornik... diverse kloosterbibliotheken, en tenslotte enkele Nederlandse en Engelse. Daarnaast komen de boeken die hij zelf niet gezien heeft maar uit andere bibliografieën haalt : deze worden beknopt overgenomen met bronvermelding. Na elke beschrijving volgen nog : de bibliografische referenties; de naam van de auteur van de inleidende brief; de opdrachtgever en de persoon aan wie het werk is opgedragen; de vertaler e.d.m.; nuttige gegevens die spijtig genoeg, door de nog niet gepubliceerde indices, weinig bruikbaar zijn.
De eerste drukker te Douai is Jacques Boscard, 1563-1580? Lepreux beweert dat hij voordien drukker was te Leuven, maar Rouzet vermeldt hem niet. 31 drukken worden beschreven waarvan een vijftal uit Duthillœul overgenomen. Van Boscard kennen wij ook een tweetal nederlandstalige edities. Na zijn dood drukt zijn weduwe verder (1581-1595?), 23 edities waarvan een viertal twijfelgevallen. In 1596-1610 volgt de zoon Ch. Boscard haar op met 16 drukken waarvan een vijftal twijfelgevallen. Louis de Winde (1564-1576 met zijn weduwe) uit Antwerpen (volgens Lepreux), eveneens aangetrokken door de universiteit, wordt zijn voornaamste concurrent met een 36-tal drukken.
Maar de voornaamste drukker te Douai is Jean Bogard. Deze drukte te Leuven van 1562 tot 1573, in de Gulden Bijbel, en begint onder dezelfde benaming te Douai in 1574 (- 1627). Tot 1600 signaleert Labarre 308 drukken van hem waarvan een vijftigtal twijfelgevallen (valse opgave, onzekere vermeldingen uit andere bibliografieën niet door Labarre teruggevonden). Het is van deze drukker dat de auteur vele unieke exemplaren uit de Gentse verzameling vermeldt. Balthasare Bellere, zoon van de Antwerpse drukker J. Bellerus, drukt te Douai vanaf 1593(-1634). Tot 1600 kent men 73 drukken waarvan een 14-tal twijfelgevallen. P. Auroy, 1595-1630 met één druk sluit de rij af van de drukkers te Douai. Labarre vermeldt ook nog een tiental boekhandelaars (of drukkers?) te Douai, elk met een of twee boeken. Op het einde volgen nog een 36-tal edities zonder naam van drukker en te Douai gedrukt waarvan slechts een zestal door de auteur konden gelocaliseerd worden. Welke soort boeken werden nu te Douai gedrukt? Meerdere hebben betrekking op de universiteit, gelegenheidsschriften; zeer vele religieuse en theologische werken in het Latijn en in het Frans; weinig klassieke auteurs behalve Aristoteles en enkele kerkvaders. Zeer talrijk, vooral bij J. Bogard, zijn de overheidspublicaties : ordonnantiën, plakkaten in het Nederlands van Philips II, statuten, wetten, brieven. Weinig verboden boeken, maar talrijke werken van Jezuïten wat voor Douai begrijpelijk is. De opmerkingen die wij kunnen maken zijn gering. De gegevens uit de Gentse bibliotheek zijn meestal zeer juist en het plaatsnummer is correkt. Bepaalde exemplaren worden niet vermeld, bv. p. 7, nr. 4 is Med. 156; de transcriptie van de Nederlandse teksten is zeer goed; p.61, nr. 135, het vermelde exemplaar Ju. 10735 heeft als datum 1583, ... enkele kleinigheden. In het geheel een uitstekend werkapparaat voor de studie van de drukkunst in de Nederlanden in de zestiende eeuw.
Zie ook nr. 569
(35) A. LABARRE, Répertoire bibliographique des livres imprimés en France au seizième siècle. 11e livraison. 53: Douai, Baden-Baden, V. Koerner, 1972, 140 p., 60 DM. Het werk is nummer XLIV van de Bibliotheca Bibliographica Aureliana.
34. - Het derde deel van de nieuwe Erasmus-editie brengt ons de Colloquia. Over de waarde van deze nieuwe uitgave zullen anderen beter kunnen oordelen. Wij vragen ons alleen af of de inleiding iets nieuws brengt inzake bibliografie of editie. Van de Colloquia bestaat er eigenlijk geen editio princeps en vanaf het verschijnen van het kleine boekje in 1518 tot aan het grote volume in 1533 heeft Erasmus aanvullingen bijgebracht. Deze evolutie vermindering en vermeerdering - komt goed tot uiting in deze nieuwe editie van de editie Basel, J. Froben, nov. 1518 en de editie Leuven, D. Martens, maart 1519, wordt de volledige tekst gegeven gevolgd door de aanvullingen van de tweede Martens-editie. Maart 1529 brengt ons bij Froben, de eerste door de auteur erkende editie. Hiervan wordt de tekst volledig gepubliceerd en van nu af aan tot de editie van maart 1535 worden slechts de aanvullingen en de verbeteringen gegeven. De relatie tussen de diverse edities en de evolutie ervan berust nog hoofdzakelijk op de gegevens uit de Bibliotheca Erasmiana; het is verheugend vast te stellen dat dit werk van 1903 nog steeds zijn waarde blijft behouden. Wat ons echter nog altijd ontbreekt is het onderzoek van de talrijke edities - de zogezegde tweederangsedities, deze die niet in de nieuwe uitgave besproken worden als zijnde herdrukken - en welke hun preciese onderlinge afhankelijkheid is. Naast een goede inleiding die ons de geschiedenis schetst van het ontstaan en de betekenis aanduidt van de Colloquia wordt dan de 15 opeenvolgende nieuwe edities steeds een reproductie van het titelblad gegeven, wat een zeer nuttige aanvulling is op de B.E.
(36) Opera omnia D. Erasmi Roterdami. Ordinis primi tomus tertius. Colloquia, ed. L.-E. HALKIN, F. BIERLAIRE, R. HOVEN, Amsterdam 1972.
35. - Onder de talrijke manifestaties die ter gelegenheid van het Erasmusjaar in 1969 plaatsgrepen, is deze te Tours wel één van de voornaamste geweest. Dit bewijzen duidelijk de acten van Le douzième stage internationial d'études humanistes die daar van 3 tot 25 juli plaatshadden en die in november 1972 verschenen (37). Dit lijvige werk in twee delen omvat een vijftigtal artikels van een internationale groep medewerkers waaronder wij tal van Erasmusspecialisten aantreffen. Meerdere bijdragen belichten nieuwe aspecten van Erasmus, andere resumeren een uitvoerige studie elders verschenen; het is hier onmogelijk - en trouwens wie zou daar bekwaam toe zijn - om deze 50 bijdragen critisch te onderzoeken. Zelfs het opgeven van alle titels met een korte samenvatting is een tijdslopend werk en brengt niet veel bij. Enkele bepaalde problemen die onze kroniek aanbelangen wensen wij wat nader toe ie lichten. Ons interesseren hier vooral : Erasmus en zijn drukkers, de diverse Erasmusedities en de chronologie ervan - vergeten wij niet dat na de Bijbel, Erasmus en Luther de meest gedrukte auteurs waren uit de zestiende eeuw. Het is opvallend dat, vergeleken met de Erasmusplechtigheden van 1936, behalve de tentoonstellingscatalogi, de meeste bijdragen van 1969 zeer weinig nieuws brengen over de Erasmusedities. Niet dat hier alles opgelost is, verre van daar, dat stellen de uitgevers van de nieuwe Opera omnia maar al te goed vast, maar het is alsof de belangstelling - en met reden misschien - voor dit aspect van Erasmus wat verminderd is. Na een inleidende bijdrage van M. BATAILLON Vers une définition de l'érasmisme (p. 21-34) behandelt L. HALKIN, in het spoor van Pierre de Nolhac en Renaudet, nog eens Erasme en Italie (p. 37-53). Nieuwe gegevens komen er niet bij - en zelfs het probleem van het auteurschap van de Iulius exclusus wordt opengelaten - maar Halkin stelt de bekende feiten in een ander licht en op zijn typische manier boeit hij ons alsof hij nieuwe gegevens brengt. Het gaat over het verblijf van Erasmus in Italië en niet over Erasme et l'Italie. Het probleem van de Italiaanse Erasmusedities heeft ons altijd geboeid; waarom zijn er bij het overlopen van de Bibliotheca Erasmiana zo weinig Italiaanse edities en waarom zijn deze zo zeldzaam? Erasme, l'imprimerie báloise et la France van P. G. BIETENHOLZ (p. 55-78) is een beknopte versie van zijn in 1971 verschenen boek. Na Paris au temps d'Erasme (p. 79-86) van M. REULOS krijgen wij een nieuwe en uitstekende bijdrage van J. HADOT, Erasme à Tournehem et à Courtebonne (p. 87. 96). Het is de periode waarin het Enchiridon militis christiani geschreven werd, één van Erasmus' belangrijkste werken en waarvan wij nu een uitstekende vertaling van de hand van A. J. Festugière hebben (Parijs, J. Vrin, 1971) met een gedetailleerde inhoudsanalyse (38). Het artikel van A. GERLO is gewijd aan Erasme et les Pays-Bas (p. 97-111). Uitvoerig wordt de relatie en de invloed van Erasmus op C. Agrippa onderzocht door P. ZAMBELLI : Corneille Agrippa, Erasme et la théologie humaniste (p. 113-159). Na Erasme en Angleterre van M. POLLET (p. 161-174), Erasme en Roumanie van C. CRISAN (p. 175-185) en L'esprit d'Erasme en Hongrie van T. KARDOS (p. 187-214) komt de bijdrage van P. PETITMENGIN Comment étudier l'activité d'Erasme éditeur de textes antiques? (p. 217-222). Dit korte artikel - voorstudie tot een uitgebreider werk - onderzoekt een weinig bestudeerd aspect van Erasmus. Vervolgens komen enkele artikels over het pacifisme van Erasmus, een analyse van het werk van Polydor Vergil, De inventoribus rei christianae, door A. STEGMANN (p. 313-322), en een artikel van J. C. MARGOLIN, Guy Patin, lecteur d'Erasme (p. 323-358). Het artikel van M.-M. de la GARANDERIE, gewijd aan een van de belangrijkste hellenisten uit de 16de eeuw, Un érasmien français : Germain de Brie (Brixius), (p. 359-379) en het uitgebreid artikel van E. V. TELLI, Dolet et Erasme (p. 407-439) zijn ongetwijfeld de beste en oorspronkelijkste van dit eerste deel; welke is inderdaad de betekenis geweest van Erasmus' Ciceronianus voor zijn tijdgenoten? Was het alleen maar een probleem van vorm? Volgen enkele bijdragen over Erasmus en Rabelais, Erasmus en Montaigne en een tweetal artikels van H. BRABANT, Epidémies et médecins au temps d'Erasme (p. 515-537) en Erasme, ses maladies et ses médecins (p. 539-568). De bijdragen uit het tweede deel werden door Margolin samengebracht onder de rubriek Le christianisme d'Erasme : sources, modalités, controverses, influences. Welke is de houding geweest van Erasmus ten opzichte van Cicero en hoe kan men zijn enthousiasme voor die auteur verklaren? Dit probeert C. BÉNÉ na te gaan in Erasme et Cicéron (p. 571-579). Aan de hand van de uitlatingen van Erasmus over Thomas van Aquino onderzoekt J. P. MASSAUT in Erasme et Saint Thomas (p. 581-611) de houding van Erasmus tegenover deze scholastieker. De volgende bijdragen zijn gewijd aan het Enchiridion; R. MARCEL in L'Enchiridion militis christiani (p. 613-646) onderzoekt het ontstaan, de inhoud en het succes van dit boek in de 16de eeuw. Deze bestseller, voor het eerst verschenen in 1503, werd meer dan 50 maal herdrukt en vertaald in 8 talen nog vóór 1600. De studie van de edities en de vertalingen beschouwt de auteur als un problème de bibliophilie qui nous apprendrait fort peu de choses (p. 630) maar bij het overlopen van de diverse uitgaven volgt hij toch Vander Haeghen. Interessant zijn de beschouwingen gewijd aan de Franse vertaling en aan de figuur van de vertaler Louis de Berquin (p. 634 sq). J. BOISSET onderzoekt achtereenvolgens Le christianisme d'Erasme dans l'Enchiridion (p. 647-656) van 1503 en dans la Diatribe sur le libre arbitre van 1524 (p. 657-666). Erasmus' exegese onderzoekt G. CHANTRAINE in Erasme, lecteur des psaumes (p. 691-712). Bludau had in 1902 een belangrijke studie gewijd aan de tekstcritiek van Erasmus en deze toen zeer streng beoordeeld; thans wordt dit door J. HADOT opnieuw onderzocht in La critique textuelle dans l'édition du Nouveau Testament d'Erasme (p. 749-760). In deze originele bijdrage wordt de methode van Erasmus en zijn werk (de uitgave van het N.T.) in een gunstiger daglicht gesteld. Vermelden wij verder nog twee belangrijke bijdragen van A. GODIN : Jean Vitrier et le "Cénacle" de Saint-Omer en Erasme et le modèle origénien de la prédication (p. 781-820) en de slotbijdrage van M. BATAILLON Actualité d'Erasme (p. 877-889). Ter gelegenheid van deze Erasmusdagen te Tours had aldaar een tentoonstelling plaats : Quelques Erasmiana à la Bibliothèque Municipale de Tours (p. 891-924) bestaat uit de catalogus van deze tentoonstelling. De lijst omvat een 81-tal titels in een 8-tal rubrieken onderverdeeld. De beschrijvingen zijn beknopt met de nodige referenties; onbekende edities lijken mij er niet in voor te komen en de diverse herkomsten worden uitvoerig vermeld. Vermelden wij tenslotte de uitgebreide Index des noms de lieux et des personnes (p. 925-964) en de zeer nuttige Index des œuvres d'Erasme die zowel zijn eigen werken als zijn uitgaven omvat.
(37) Colloquia Erasmiana Turonensia, Parijs, J. Vrin, 1972, 2 delen, 974 p., 210 Franse frank. Het werk verschijnt in de reeks De Pétrarque à Descartes die door P. Mesnard was opgericht. P. Mesnard, de bezieler van deze Erasmusdagen overleed plots op 12 maart 1972.
(38) Zie ook: A. GODIN in Moreana, 1972, nr. 34, p. 83-95.
36. - In onze kroniek van 1972 (p. 777) hebben wij het artikel van Flodr Miroslav over de Aristotelische Wiegendrucke vermeld; het boek van CRANZ (39) heeft de bedoeling daar een voortzetting op te maken. Het voornaamste deel van zijn boek bestaat uit de lijst VI, verschenen in 1965, van de Index Aureliensis. Deze Index is in onze kroniek nog niet besproken geworden omdat ze begon te verschijnen in 1962 : de B.A. heeft de ambitie een overzicht te bezorgen van de volledige 16de eeuwse boekenproduktie. Dit reuzenopzet (reeds ± 20.000 titels) heeft diverse kritiek bekomen : onvolledigheid, gebaseerd op bibliografieën, onjuiste vermeldingen, enz... Het werk van Cranz is echter een nuttig werk. Na een korte inleiding waarin de evolutie van de Aristoteles-edities geschetst wordt, en waar aan de hand van de vertalingen het ritme van de opeenvolgende edities, het succes van Aristoteles in de 16de eeuw aangetoond wordt, volgt de eigenlijke bibliografie. Tot ± 1520 worden de Aristoteles-edities nog gedomineerd door de middeleeuwse traditie (Scholastieken en Averroes). Tussen 1520 en 1530 verminderen de Aristoteles-edities gevoelig, de middeleeuwse vertalingen en commentaren verdwijnen en maken stilaan plaats voor een nieuwe opvatting : de humanistische. Bepaalde 15de eeuwse vertalingen blijven hun waarde behouden en worden herdrukt : deze van Th. Caza, L. Brunus, J. Argyropylus, H. Barbarus; uit de 16de eeuw vermelden wij deze van F. Vatablus, P. Alcyonius, J. Perionus en de degelijke commentaar-vertalingen met tekst van de Coïmbra-Jezuïeten. Het voornaamste deel van het boek omvat, chronologische gerangschikt, de Aristotelesedities en de vertalingen (1500-1600). Vermeld wordt van elk werk de titel, de vertaler, plaats van drukken, drukker, jaartal, formaat en bladzijden (niet altijd). Verder het Index-nummer en enkele bibliotheken waar een exemplaar aanwezig is met het plaatsnummer. De meeste van deze gegevens zijn afkomstig uit catalogi (Parijs, British Museum) of uit bibliografieën (Baudrier, Renouard, NK). De edities uit onze gewesten laten veel te wensen over en alhoewel NK vermeld wordt, is ze toch niet systematisch nagegaan. Voor de periode na 1540 zijn de gegevens nog zwakker en dit is te begrijpen zolang wij niet over een degelijke bibliografie over deze periode beschikken. Het is, voor onszelf, onmogelijk juiste gegevens over de Aristoteles-edities uit de periode 1540-1600 te bekomen. Na de chronologische lijst volgt een uitgebreide systematische index van al de werken van Aristoteles en deze index is wel het nuttigste deel van het boek. Na de volledige werken volgen de keus, de excerpten, de fragmenten en de afzonderlijke werken (echte en pseudo) in alfabetische volgorde. Hiervan komen eerst de Griekse edities, dan de vertalingen geklasseerd op naam van de vertaler en per taal en tenslotte de commentaren en de paraphrasen. Tenslotte hebben wij nog een index van de vertalers, commentatoren en uitgevers, en een index van die auteurs waarvan de werken met deze van Aristoteles samen werden uitgegeven.
(39) Edward F. CRANZ, A Bibliography of Aristotle Editions 1501-1600 with an introduction and indexes, (=Bibliotheca Bibliographica Aureliana, XXXVIII), Baden-Baden, Verlag Valentin Koerner, 1971, xii-187 p., 48 DM.
37. - G. MOREAU (40) geeft een catalogus uit van de boeken die bij de Doornikse boekhandelaars, op bevel van Alva, gegrepen werden op 26 maart 1569. Hij herleidt de verzameling tot 138 titels die, na aftrek van de dubbels, 78 werken geven. Het grootste aantal zijn Bijbeledities (N.T. en Psalmen) gevolgd door de werken van Calvin en Viret : Calvin restait le seul maitre à penser de l'Eglise réformée de Tournai (p. 196). Daar de lijst geen datum van druk vermeldt en niet alle titels duidelijk zijn weergegeven, probeert Moreau de werken te identificeren; bij meerdere mogelijke edities van eenzelfde boek geeft hij deze op die het dichtst bij 1569 ligt. Bij de werken van de reformatorische schrijvers is de identificatie relatief gemakkelijk, voor de anderen veel delicater. Voor de kalenders vermeld onder nr. 1, 8, 57, 67 - en ook voor het A.b.c. (nr. 31) - zie men E. Droz, Chemins de l'Hérésie en haar artikel daarin opgenomen : Le calendrier Genevois agent de la propagande; ze kent meerdere edities die in aanmerking kunnen komen. Voor nr. 55 zijn wij sceptisch en voor nr. 80 kent men ook een editie van Bonnefoy (zie E. M. BRAEKMAN et J. F. GILMONT, Les écrits de Guy de Brès, nr. 10, verschenen in Société d'Histoire du Protestantisme Belge, 1971, p. 265-275). Nr. 84 betwijfelen wij maar vinden niets beter.
(40) G. MOUREAU, Catalogue des livres brûlés à Tournai par ordre du duc d'Albe (16 juin 1569), in Horae Tornacenses 1171-1971, Doornik, 1971, p. 194-213.
38. - Het calvinisme, dat zich rond 1540 in onze gebieden begon te verspreiden en sterke uitbreiding nam na 1550, heeft dit voor een groot deel te danken aan mensen die hun leven waagden om de verboden boeken onder de bevolking te brengen. Gérard MOREAU, die in zijn werk van 1962 (41) de verspreiding in Doornik reeds onderzocht had, brengt ons thans een artikel gewijd aan één van deze colporteurs, Jacques Vrommon. Na een korte biografie waarin de lotgevallen van Vrommon verhaald worden, publiceert hij de catalogus van de boeken en de brieven die deze colporteur bij zich had op het ogenblik van zijn aanhouding (november-december 1563) (42). J. Vrommon colporteerde slechts in het franstalig gedeelte van de Zuidelijke Nederlanden en afgezien van een paar Latijnse boeken zijn alle in het Frans. Welke boeken hij bij zich had bij de aanhouding, wordt door geen enkel document vermeld, maar de catalogus was op zichzelf reeds voldoende om hem te laten onderhoren door de inquisiteur P. Titelmans. Deze catalogus is een belangrijke bron van inlichtingen voor de calvinistische propaganda en voor de geestelijke en intellectuele gerichtheid van de calvinistische gemeenten. De zestigtal werken vermeld, worden door Moreau in ongeveer 3 gelijke groepen verdeeld. De eerste groep omvat de Bijbelteksten en de werken die de lectuur van de Bijbel vergemakkelijken. Deze boeken werden het talrijkst door Frommon verkocht. De tweede groep omvat de teksten van de grote reformatoren (Calvin, Viret, Beza). De derde groep, minder homogeen, omvat naast teksten van Bucer, Farel, G. De Bray, Sleidanus, ... veel gevraagde boekjes zoals bv. Le bouclier de la foy en Consolation pour les malades. Luther komt er niet in voor. De boeken in de catalogus, min of meer duidelijk omschreven, de datum van 1563 gekend, het feit dat ze bijna alle te Genève en te Lyon gedrukt werden en wij van deze drukkersplaatsen goede bibliografieën hebben, dit alles liet aan Moreau toe om ze bijna allemaal te identificeren. Het is wel opvallend dat er geen werken in voorkomen van de pers van A. Clémence te Rouen of beter van dezelfde drukker die de Confession gedrukt heeft en waarmee Vrommon in betrekking stond. Na de catalogus volgen twee brieven van Vrommon over de boekhandel en de te bestellen boeken (J. Vrommon bezocht ook de beroemde handelsfoor te Frankfurt) en de tekst van het afgenomen verhoor.
(41) G. MOREAU, Histoire du Protestantisme à Tournai jusqu'à la veille de la Révolution des Pays Bas, Parijs, 1962.
(42) G. MOREAU, Un colporteur calviniste en 1563, in Bulletin de la Société de l'Histoire du Protestantisme Français, 1972, t. CXVIII, p. 1-31. Bij het onderzoek naar de drukker en de plaats van drukken van de Confession de foi des Pays-Bas 1561 (p. 4 sq) schrijft Moreau deze toe aan Abel Clémence, te Rouen, wat ook reeds bevestigd was door Gilmont in Quaerendo, 1972, II, p. 176 ( zie onze kroniek). P. Aquillon in zijn Répertoire bibliographique des livres imprimés en France au seizième siècle. 8° Livraison, 130 Rouen (1re partie), p.55-56, Abel Clémence (Bibliotheca Bibliographica Aureliana, IXL, Baden-Baden, 1971) doet Clémence slechts drukken van 1564-1567 en vermeldt dus de Confession niet. Het identificeren van deze ongetwijfeld Franse druk is ingewikkeld en het laatste woord hierover is nog niet gezegd.
39. - Alhoewel er altijd uitwijkelingen van het vaste land in Engeland werkzaam geweest zijn, is het toch pas vanaf 1567, met de aankomst van Alva, dat het grootste aantal Vlamingen naar ginder moest uitwijken. C. CLAIR brengt ons een overzicht (43) van de vluchtelingdrukkers uit Frankrijk en de Nederlanden en hoe zij zich in Engeland organiseerden. Te Norwich vinden wij Anthony de Solen (Solempne, Solemne) uit Brabant, die er in 1567 een drukkerij opgericht had en er onder meer Cornelis van Delft (?) gedrukt heeft. De meeste boeken van deze pers zijn Nederlandstalig daar hij ze voor de vluchtelingen drukte. Een ander belangrijk drukker was Steven Mierdman uit Hoge Mierde in Noord-Brabant, die eerst bij M. Crom werkzaam was en diens zaak voortzette, en in 1550 in Londen reeds een privilegie tot drukken bekwam. Om godsdienstige redenen echter vond hij het veiliger in 1554 naar Emden uit te wijken. Verder vinden wij te Londen nog Nicolaes vanden Berghe (vanaf 1519), bekend onder de naam Nicholas Hill of Montanus, die onder meer M. Mikron, Johannes a Lasco en J. Utenhove gedrukt heeft.
(43) Colin CLAIR, Refugee Printers and Publishers in Britain during the Tudor Period, in Proceedings of the Huguenot Society of London, 1972, t. XXII, nr. 2, p. 115-126.
40. - Het artikel van PALLISER en SELWYN (44) omvat, behalve de inleiding gewijd aan de boekhandel te York, de uitgave van een onlangs ontdekte inventaris van de Yorkse stationer Neville Mores van 1538. De Yorkse boekhandel was toen in handen van immigranten (Nederlanders, Fransen en Duitsers) en de inventarislijst omvat onder meer : een paar kleine boekjes in het Nederlands (niet identificeerbaar) en misschien de Rhetorica divina van De Keysere (nr. 36). De gegevens zijn echter onvoldoende om een preciese editie aan te duiden.
(40) D.M. PALLISER en D.G. SELWYN, The stock of a York stationer, 1538, in The Library, 1972, t. XXVII, p. 207-219.
41. -. Het mooi geïllustreerde en technisch goed uitgevoerde boekje van S. CORDIER (45) situeert het leven van Plantijn te Antwerpen in zijn tijd. Gesteund op de degelijke werken van Voet en La Fontaine Verwey vormt het een uitstekende inleiding voor het Franstalige publiek.
(45) Stéphane CORDIER, Christophe Plantin, architypographe du roy, Andenne-Parijs, 1972.
42. - Naar aanleiding van de herdenking van de vierhonderdste verjaardag van Plantins Polyglot-Bijbel (1572-1972) werd door het Museum Plantin-Moretus een kleine Bijbeltentoonstelling gehouden. De conservator (46) schreef hieromtrent een kort artikel over de totstandkoming van deze Bijbel; de tekst wordt gevolgd door de catalogus van de tentoonstelling. Deze laatste omvat : de Polyglot-Bijbel (brieven, privilegie, stempels en matrijzen), andere Bijbeluitgaven uit de officina Plantiniana, Antwerpse en niet-Antwerpse Bijbeldrukken, Bijbelprenten uit de 16de eeuw.
(46) L. VOET, De Polyglot-Bijbel: de geschiedenis van een reuzeonderneming, in Antwerpen, 1972, t. XVIII, nr. 2, p. 74-85.
43. - Door een nader onderzoek van enkele Plantin edities waarin gravuren voorkomen van de gebroeders Wierix komt M. MAUQUOY-HENDRICKX (47) tot preciesere resultaten en juister onderscheid in het werk van deze drie graveurs.
(47) M. MAUQUOY-HENDRICKX, Observations sur les illustrations de quelques ouvrages édités par Plantin, in Le livre et l'estampe, 1971, t. XVII, nr. 65-66, p. 63-79.
44. - Het vijfde deel van het Nationaal Biografisch Woordenboek (1972), bevat volgende notices van drukkers die vóór 1600 werkzaam waren. Cornelis van Bomberghen, door W. BRULEZ (kolom 114-117); Daniël van Bomberghen, door W. BRULEZ (kolom 117-118); Jan Brito, door A. SCHOUTEET (kolom 145-149); Frans Fraet, door L. ROOSE (kolom 343-346); Christoffel Plantijn, door L. VOET (kolom 689-696); Gilles van den Rade, door A. SCHOUTEET (kolom 709-717).
45. - A. SCHOUTEET (48) geeft enkele documenten uit betreffende de drukker G. Weyts (overleden circa 1584) waarvan tot op heden geen enkele druk bekend is.
(48) A. SCHOUTTEET, Documenten betreffende Brugse drukkers: Gregorius Weyts. in Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis ... Société d'Emulation te Brugge, Brugge, 1972, t. CIX, p. 237-249.
46. A. SCHOUTEET (49) schreef een bibliografisch overzicht van boeken en artikels gewijd aan de drukkunst te Brugge vanaf de aanvang tot op heden. Hij vermeldt kort met beknopte commentaar - en niet steeds critisch - de diverse werken; de bibliografie is min of meer goed gekozen. Voor het werk van A. Visart de Bocarmé van 1928 zie de bespreking van Kronenberg in Het Boek. Voor het werk van W. Nijhoff (MAT) en van M. E. Kronenberg had hij toch wat meer het belang moeten aanduiden. De druk van H. vanden Dale verscheen in 1503 (NK 3448) en bevat meer dan " een kopergravure " (p. 247); het artikel van M. E. Kronenberg (50) vermeldt hij niet. Over Goltzius zie ook (51).
(49) A. SCHOUTTEET, Typografie, in Panorama van Brugse Geschiedschrijving sedert Duclos (1910), Brugge, 1972, p. 241-262.
(50) M.E. KRONENBERG, Metaalgravures in een druk van Heynricus de Valle te Brugge (a° 1503), in Het Boek, 1940-42, t. XXV, p. 1-8, ill.
(51) Herman DE LA FONTAINE VERWEY, The first private press in the Low Countries. M. Laurinus and the Officina Goltziana, in Quaerendo, 1972, t. II. p. 294-310.
47. - F. CLAES wil (52) een zo volledig mogelijke lijst opmaken van alle Nederlandse woordenlijsten en woordenboeken gedrukt vóór 1600 (p. 130). Zijn lijst geeft alleen eigenlijke woordenlijsten of woordenboeken en twee- of meertalige gesprekboekjes en schoolboeken die een Nederlandse vertaling geven en onmiddellijk bestemd waren om een vreemde taal aan te leren (p. 135). De lijst is chronologisch gerangschikt. Na auteur, titel, bibliografisch adres en signaturen volgen : a. de bestaande bibliografische referenties (vb. Ca., Hellinga, GW, NK, BB, BBT), b. de bewaarplaats met heel dikwijls het bibliotheeknummer wat een uitstekende inlichting is, c. uitleg over de aard van het werk, de herdrukken of nieuwe bewerkingen. De boeken die de auteur zelf gezien heeft worden met een * aangeduid. Wij hebben hier een uitstekend werk en van de 355 nummers zullen er niet veel wegvallen (o.a. door dubbel gebruik). De auteur heeft heel wat bibliografieën onderzocht en vermeldt zelfs bij nr. 259, een editie van Verepaeus waarvan geen enkel exemplaar bekend is, uit de Collectio omnium librorum qui in nundinis Francofurtensibus.... extiterunt van 1592 (vermoedelijk uit Nauwelaerts referentie). De Short-Title Catalogue van de National Library of Scotland van 1970 had hij ook wel kunnen vermelden. De boeken waarin slechts enkele bladzijden van vertaallijsten in voorkomen worden ook opgenomen. Wij deden enkele steekproeven en bij de nageziene boeken vonden wij slechts uiterst geringe onjuistheden. Bij de incunabelen (het eerste vermelde boek is een Keulse druk van 1477) volgt de auteur meestal de datering van de HPT. Nr. 7, HPT heeft 1477-1483, wordt bij Claes 1481-1483, waarom? De niet vermelde Regulae grammaticales van N. Perottus, Leuven, H. de Nassau en R. Loeffs de Driel, Ca 1381 hebben diverse bladzijden vertaalwoordenlijsten. Nr. 32, HPT vermeldt 1492, 16 nov. -dit betekent niet 16 nov. 1492. Nr. 46 is ca. 1501-1505. Nr. 86 is onbekend voor NK. Nr. 220 is wel gelijk aan nr. 221. het Gentse exemplaar heeft ook de inl. ged. aug. 1570. Nr. 246 heeft als sign. : A4 B-Z8 Aa-li8. Nr. 286 = B.G. 694 en s.d. waarom ca. 1584? Nr. 287, er is een editie Lyon, apud B. Honoratum 1585 (Nat. Lib of Scotland). Enkele kleinigheden dus die niets wegnemen van de kwaliteit van deze uiterst nuttige lijst. Aan het einde volgt nog een uitgevers- en drukkersregister en een lijst van alle vermelde auteurs en opgenomen werken.
Zie ook nr. 868
(52) F. CLAES, Lijst van Nederlandse woordenlijsten en woordenboeken gedrukt tot 1600, in De Gulden Passer, 1971, t. 49, p. 130-229 (verschenen in mei 1973).
48. - In een uitvoerig artikel onderzoekt H. DE LA FONTAINE VERWEY (53) de relatie tussen Goltzius en Laurinus en de betekenis van deze laatste als maecenas. Dank zij de financiële tussenkomst van Laurinus kon Goltzius in 1563 te Brugge een drukkerij openen, de Officina Goltziana, en er zijn eerste boek de C. Julius Caesar drukken. Alle boeken uit dit officina vallen op door hun schoonheid en het knap vakmanschap. Volgens Herman de la Fontaine Verwey hebben wij hier not a commercial enterprise, but what we would call a private press (p. 301); daar zou Goltzius samen met enkele enthusiastic lovers of letters (Nansius, Mekerchus en Revardus) een drukkersvereniging in leven houden. De bloeiperiode is 1564-65. In 1564 hebben wij 2 werken van Revardus (de Gentse exemplaren hebben de volgende opdracht : Dn. Gulielmo Pantino medico doctiss. Auctor d.d.) en in 1565 nog een werk van Revardus, een werk van Otho, de Moschos, een Erasmus, de Meetkerke, de Lampsonius en de Horatius. In 1566 de Fasti en daarna is het gedaan. Welke was de oorzaak van dit plotse einde vermits het werk van Leopardus, de Miscellanea, door Goltzius in 1566 begonnen, door Plantin voltooid werd? Zijn de godsdienstige moeilijkheden uit deze dagen en het drukken van een verdacht boek, de Lindius, hier de oorzaak van? Met de Lindius-editie is natuurlijk de editie van de Historie van Broeder Cornelis verbonden, en daar waar de auteur meent dat Goltzius de Lindius' brieven drukte is hij echter van oordeel dat hij onmogelijk de drukker kan geweest zijn van Cornelis. Hij gelooft zelfs - en wij zijn hier ook van overtuigd - dat deze niet te Brugge maar in het buitenland, in Engeland, gedrukt werd. Onze kennis van de buitenlandse drukkersplaatsen is echter nog te gering om hier een definitief oordeel te kunnen vellen. De rest van het artikel behandelt de verdere lotgevallen van Goltzius en Laurinus.
(53) Herman DE LA FONTAINE VERWEY, The first private press in the Low Countries. Marcus Laurinus and the Officina Goltziana, in Quaerendo, 1972 t. II, p. 294-310.
49. - Na een uiterst bondig overzicht van de voorlopers, in het Nederlands, van Dodonaeus' Cruijdeboeck (1554) - waarvan de voornaamste Jan Veldener's Den Herbarius in dietsche van 1484 is - wijdt L. J. VANDEWIELE (54) wat langer uit over het belang en de inhoud van de Nederlandse vertaling van Bartholomeus Anglicus' bekendste werk, Van de eigenscappen der dingen, die bij Jacob Bellaert te Haarlem in 1485 verscheen.
(54) L. J. VANDEWIELE, Some notes about the dutch incunabulum " Van de eygenschappen der dingen" (1485) of Bartolomeus Engelsman, in Essays in Biohistory and other Contributions, presented to Frans Verdoorn, Utrecht, 1970, p. 389-393.
50. - G. DE BRUYCKER (55) brengt een kort overzicht van de ABC boeken.
(55) G. DE BRUYCKER, Uit de school vroeger en nu. Iets over ABC-boeken, haneboeken en hanepoten, in Oostvlaamse Zanten, 1973, t. XLVIII, p. 2-23.
51. - Het artikel van VALENTIN (56) brengt op het einde een bibliografie van de edities van Brechtus met exemplaarvermelding. Daar hij zelf geen beschrijving geeft had hij toch de referentie naar De Troeyer kunnen vermelden, die hij aanvult met de editie van J. Gennepaeus te Keulen van de Euripus (1555).
(56) J. M. VALENTIN, L'Euripus (1549) de Livinus Brechtus, in Humanistica Lovaniensia, 1972, t. XXI. p. 81-188.
52. - TOUWAIDE (57) zet zijn beschrijving van de Guicciardini-edities verder. In deel IV behandelt hij de Franse editie van Ch. Plantin, Antwerpen 1582, en in deel V de Italiaanse editie van 1588, eveneens van Plantin.
(57) R. H. TOUWAIDE, Les éditions belges de la Description des Pays-Bas par Lodovico Guicciardini. Analyse iconographique et typographique, in De Gulden Passer, 1971 t. 49, p. 29-62.
53. - Naar aanleiding van de herdenking te Nieuwpoort in 1972 van de vijfhonderdste verjaardag van de geboorte van J. Clichtoveus, en het verschijnen van het kleine boekje van K. Berquin over deze figuur, brengt A. VIAENE (58) een korte notitie over Clichtoveus en enkele uittreksels uit de Nederlandse vertaling van zijn sermoenen, verschenen te Antwerpen in 1554. Naast Antwerpen en Amsterdam, geciteerd door Viaene, bezit ook Gent een exemplaar (Gent. Univ. Theol. 4161) van deze zeldzame editie.
(58) A. VIAENE, Judocus Clichtove van Nieuwpoort 1472-1543, in Biekorf, 1972, t. 73, p. 343-347.
54. - G. LANGER (59) behandelt een tot nog toe schijnbaar onbekende editie van de De arte oratoria door J. van Breda in 1506 gedrukt en waaraan de auteur, Lucretius Bononiensis, onbekend is of een schuilnaam kan zijn.
(59) Gottfried LANGER, Von dem Tractatus de arte oratoria des Lucretius Bononiensis, in Quaerendo, 1973, t. III, nr. 1, p. 32-38.
55. - Vervliet (60) probeert een nadere datering te geven aan de niet-gedateerde Nederlandstalige Tyl Eulenspiegel-editie die te Antwerpen bij Hillen verscheen (NK 2088, c. 1519). Het type waarin het boek gedrukt werd, brengt, wegens het veelvuldig voorkomen ervan, geen oplossing, maar op f. K 4 komen 6 regels voor in een romein die niet bij Hillen te vinden is vóór 1525; bijgevolg zal het boek wel niet vóór die datum gedrukt geweest zijn. Zoals de auteur zelf opmerkt moeten vooraf alle andere edities van Hillen nagezien worden.
(60) Hendrik D. L. VERVLIET, The earliest Dutch edition of Till Eulenspiegel. A problem of dating, in Quaerendo, 1973, t. III, nr. 1, p. 20-22.
56. - P. J. Begheyn (61) beschrijft een editie van deze meditatie die niet werd vermeld in de bibliografie van Ampe over dit boekje verschenen in De Gulden Passer van 1963. Uit het colophon blijkt het een editie te zijn van Symon Jansz te Delft van wie een 28-tal drukken bekend zijn. Het exemplaar bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam (nummer 976 E 2).
(61) P. J. BEGHEYN, Een onbekende Delftse druk uit 1542 van " Een soete meditacie, hoe die verloren siel vanden sone Gods ghevonden is ", in Ons geestelijk erf, 1972, t. XLVI, p. 262-265.
57. - Het korte biografische artikel van ELAUT (62) vermeldt ook de werken van Ronsse met hun diverse edities; deze worden onvoldoende gepreciseerd om een verificatie toe te laten.
(62) L. ELAUT, Boudewijn Ronsse (Balduinus Ronssaeus) : ... in Tijdschrift voor Geschiedenis, 1972, t. 85, p. 410-417.
58. - Van de 5 pamfletten die BRAEKMAN (63) vermeldt ter aanvulling van STC zijn er twee vóór 1600 gedrukt. The miserie of Antwerp, 1585, s.l., s.n. waarvan de heruitgave te vinden is in Studia Germanica Gandensia, 1972, en The Aunswere of the Lords the Estates generall.... London, John Wolfe, [1594], beide exemplaren in de K.B. te Den Haag.
(63) Willy L. BRAEKMAN, Pamphlets in Dutch Public Libraries, not listed in the Short-Title Catalogue, in Quaerendo, 1972, t. II, p. 273-277.
59. - De initialen die in de drukwerken van Vesalius voorkomen werden reeds herhaaldelijk bestudeerd. H. H. LOETZKE (64), na de resultaten van zijn voorgangers onderzocht te hebben, wil nu aan de hand van nieuwe metingen de grote (72 x 76 mm) en de middelgrote (34 x 39 mm) initialen uit de beide Fabrica-edities (1543 en 1555) opnieuw vergelijken. Van beide soorten initialen geeft hij ons de reproductie en een vergelijkingstabel. De eerste en de tweede editie bezitten, afgezien van de V die alleen in de 1555-editie voorkomt, dezelfde 4 grote initialen (I, O, Q, T). De 35 middelgrote initialen, alhoewel ze een zekere verwantschap in de voorstelling vertonen, zijn in beide edities verschillend. In de eerste editie telt hij 193 initialen (7 grote en 186 middelgrote); in de tweede editie 192 (9 (twee nieuwe V's) en 183). Het artikel heeft ook een uitgebreide bibliografie over het behandelde onderwerp.
(64) H.-H. LOETZKE, Die groszen und mittelgroszen Initialen in Vesals Hauptwerk. Synopsis ihrer Abbildungen und ihres Vorkommens in der ersten und zweiten Auflage, in Anatomischer Anzeiger, 1970. t. 126, p. 480-499.
60. - Het werk van G. BERTHOUD (65) behandelt de diverse edities van Le Livre des marchans. Een Nederlandstalige editie - verscheen in 1567, zonder vermelding van drukker : Het boeck vande Roomsche cooplieden, ... Anno 1567. De inhoud van dit verdachte boekje wordt ontleed op blz. 146-149 (en blz. 296) waar de druk wordt toegeschreven aan Gilles Coppens van Diest te Antwerpen. De argumenten daarvoor zijn niet volledig overtuigend.
(65) G. BERTHOUD, Antoine Marcourt, Réformateur et Pamphlétaire du Livre des Marchans aux Placards de 1534, Genève, Droz, 1973.
61. - Het artikel van BOCKSTAELE (66) bevat ook een overzicht van de 16de eeuwse drukken (meerdere uit de Nederlanden) aan de visierroede gewijd.
(66) P. BOCKSTAELE, De visierroede. Bibliografische bijdrage tot de geschiedenis van een oud meetinstrument, in Handelingen valt het XLIe congres van de Federatie van de Kringen van Oudheidkunde en Geschiedenis van België, Mechelen 1970, t. II, Mechelen, 1971, p. 526-537.
62. - DE GROOTE (67) heeft 109 uitgaven kunnen optekenen van in de Nederlanden gedrukte werken over rekenen en boekhouden waarvan 68 te Antwerpen. Na een onderzoek over de drukkers van deze werken, hoofdzakelijk Plantin en G. Coppens van Diest, en over de taal, volgen enkele beschouwingen over de inhoud van deze leerboeken. Wij betreuren ten zeerste dat na deze degelijke inleiding geen bibliografisch overzicht volgt van die 109 edities.
(67) Henry L. V. DE GROOTE, De zestiende-eenwse Nederlandse drukken over boekhouden en handelsrekenen hoofdzakelijk in betrekking met Antwerpen, in De Gulden Passer, 1971, t. 49, p. 6-27 (verschenen in mei 1973).
63. - De bibliografie van CROUZEL (68) vermeldt ook de edities van de werken van Origenes - of betrekking hebbend op hem - verschenen vóór 1600.
(63) H. CROUZEL, Bibliographie critique d'Origène, (Instrumenta Patristica, VIII), Den Haag, 1971.
64. - Het artikel van ARNDT (69), op basis van zijn uitzonderlijke verzameling, geeft een nuttig overzicht van de voornaamste kookboeken tot in de 19de eeuw verschenen. De auteur citeert de belangrijkste edities, duidt de betekenis, de originaliteit en de zeldzaamheid ervan aan, dit alles geïllustreerd met enkele titelproducties.
(69) Julius ARNDT, Ein Spaziergang durch meine Kochbuchsammlung in Imprimatur, 1972, t. VII (verschenen in 1973), p. 19-44.
65. - W. GREBE onderzoekt leven en werk van de zeer weinig bekende Keulse drukker Johann Landen (70) die aldaar vanaf 1496 tot 1510 ongeveer 66 boeken drukte. Na een typografisch overzicht volgt de chronologische lijst van zijn edities met exemplaarlocalisatie.
(70) Werner GREBE, Der Kölner Früdrucker Johann Landen und die Druckwerke seiner Offizin, in Jahrbuch des Kölnischen Geschichtsvereins, 1973, t. XLIV, p. 37-52.
66. - Vermelden wij hier ook de bijdrage van VERVLIET over het gedrukte boek in de 15de en 16de eeuw (71).
(71) H.D. VERVLIET, Het gedrukte boek van de 15de en 16de eeuw, in Liber librorum 5000 jaar boekkunst, Brussel, 1973, p. 397-427.
67. - Het is de bedoeling van de nieuwe Renouard (zie onze kroniek 1971, p. 663) een overzicht te geven van de zestiende eeuwse drukkunst te Parijs en dit alfabetisch per drukker. Uit de aard der zaak vordert dit werk zeer traag (letter B in 1959) en daarom wil dit nieuwe opzet (72) een chronologisch overzicht geven over dezelfde periode in short-title vorm. De uitgevers hopen de nieuwe reeks vlugger te doen verschijnen en deze zou tevens de basis vormen van de nieuwe Renouard. Geschat worden 10 delen, elk over een periode van 10 jaar. Alle boeken gedrukt of verkocht in Parijs worden vermeld met exemplaarlocalisatie. De basis vormen de tabellen 1501-166 (in hds.) van Renouard zelf. Per jaar worden de auteurs en de anoniemen alfabetisch gerangschikt. Vermeld worden: nummer, auteur of titel, begin van elke titel, namen van uitgever, vertaler..., namen van drukker of uitgever, juiste datum, formaat, exemplaren. Voor 1501 worden 94 edities vermeld, voor 1502 130 en het aantal stijgt jaarlijks tot 219 in 1510. Totaal ongeveer 1650 edities. Na deze tienjarenlijst volgt een auteur- en anoniemenindex en een drukkers- en boekhandelaarsregister. Behalve de nota's van Renouard onderzocht de auteur meerdere bibliografieën (p. 39-42), bekwam hulp van talrijke bibliotheken (lijst p. 22-38) en maakte gebruik van enkele veilings-, bibliotheeks- en antiquariaatscatalogi. Deze 1650 edities geven dus een goed overzicht over de grootte van de boekenproduktie alhoewel wij geloven dat nog talrijke edities onvermeld bleven. Enkele opmerkingen. Het is in de eerste plaats spijtig dat niet met 1500 begonnen is, omdat voor dit jaar de incunabelcatalogi onvoldoende zijn en deze overgangsperiode talrijke moeilijkheden stelt. Een tweede probleem : de datering van de niet-gedateerde boeken. Eenieder die de drukken uit deze periode bestudeert is op de hoogte van de talrijke boeken s.d. De auteur probeert aan de hand van interne en externe gegevens alle werken te dateren. Uitvoerig maakt zij gebruik van het typografisch materiaal, het adres en het merk van de drukker-uitgever. Vooral de vorm en de toestand van het merk speelt hier een grote rol. Inderdaad, voorzichtig gebruikt, bij verschillende exemplaren nagegaan, kan dit een uitstekend middel vormen. Maar men moet echter oppassen; de ondervinding leerde ons dat men hier soms voor verrassingen komt te staan en een versleten merk niet altijd op een latere editie wijst (zie bv. het artikel van E. SCHULZ, Holzstockbeschädigungen und Datierungsfragen in Beiträge zur Forschung. Studien aus dem Antiquariat J. Rosenthal, 1930, t. III, p. 36-39 die reeds op het herstel van beschadigde merken wees). Puisque l'ouvrage a aussi pour but de contribuer à enrichir cet inventaire de la production parisienne (p. 15) nous nous permettons d'ajouter - sans avoir vérifié complètement notre fonds gantois - quelques additions. 1501, 29 (Jur. 15); 40 (Theol. 3479), la dernière f. manque. Michael de Hungaria, Sermones pro J. Petit (marque 883), 1501, 22 dec. (Theol. 3426). Ximenez, F., Pastorale, marque J. Moerart 783, Venundatur... a Jacobo Moerarat... s.d. (Acc. 5785). Les louenges a nostre seigneur... pour A. Verard... selon Brunet ca. 1502 (Res. 371). 1502, 20 (Res. 341 (1)); 98 (Gent. 11229). 1503, 47 (Acc. 5785 (1)); 79 (Theol. 3502); 80 (Res. 787); 85 (Acc. 5785 (2)); 100 (Jur. 2860). 1504, 32 (Res. 1534). 1505, 26 (Theol. 3391 (1)); 53, (Jur. 1255); 67 (Hist. 6662); 111, l'exemplaire de la vente Sunderland se trouve à Gand, (Gent. 9147); pourquoi 1505? puisque Renouard, Badius II, p. 502-503, a 1508 n.s. 116, se compose de deux parties : winter- en somerstuck (NK 1194); 133 (Her. 1804); Heures, A la louenge de dieu... a lusaige de Romme... par Gillet Hardouyn pour Germain Hardouyn, almanach 1505-1525, (Res. 701, sur velin), Boh. 740. 1506, 19 notre exemplaire (Theol. 3192 (3)) a la marque de R. de Gourmont 379, n'a pas la marque de J. Petit mais : venales habentur sub collegio triqueti per Johannem gourmont; 42 (Jur. 1254); 70 (Phil. 719). 1507, 57 (Jur. 1428); 66 (Res. 788 (4)); 121 (Theol. 3426 (2)); 138 (Theol. 3511); 139 (Theol. 1046); 173 (Jur. 2875); Guido de Monte Rocherii, Manipulus curatorum per A. Bonnemere impensis J. Parvi et G. de Marnef, 4 sept. 1507. (Res. 655 (1)). Des fragments que possèdent la bibliothèque de Gand et la B.N. de Paris, et dont l'impression peut se situer vers 1507 : La grande prenosticacion de Louuai de maistre Jaspart laet de lan mil cinq cens et huyt. A la fin l'almanach pour 1508 et la marque de J. Moerart (Ren. Marques 783). 1508, 18 (Acc. 8655); 71 (Phil. 657); 77 (Res. 876); 87 (Mat. 104 (a)). 1509, 39 (Gent. 14.033); 68 (Cl. 1012 (2)), marque 881; 165 (Theol. 3184); 176 (Theol. 1170); 184 (Theol. 3391); 192 (Res. 1729); Officium beate marie virginis ad usum romanum. Marque 310, in vico jude, 1509, 13 dec., expensis... G. eustace (Theol. 3688). 1510, 86 (Gent. 11.798 (1)); 117 (Res. 828); 157 (Acc. 9101); 178 (Bl. 3256); 208 (Acc. 8660); Liber fugitiuus a magistro Nepote de monte albano editus. In fine : impressum parisius anno domini milesimo quintengesimo. X. (Res. 1444 (1)). S.d. Alphabetum sacerdotum, Marque 915 de G. Philippe (Res. 655).
(72) Inventaire chronologique des éditions parisiennes du xvie siècle par B. MOREAU d'après les manuscrits de Philippe RENOUARD, I: 1501-1510, Parijs, Imprimerie Municipale, 1972, 424 p.
68. - Voor wie regelmatig onze veilingskroniek las is het duidelijk geworden dat de eerste editie in het Grieks van het Nieuwe Testament door Erasmus in 1516 te Basel bij Froben uitgegeven, niet alleen een duur maar ook een zeldzaam werk is. D'Argences te Parijs (cat. 91, dec. 1972, nr. 606) schijnt daar niet van op de hoogte te zijn; hij biedt een exemplaar aan voor 500 Franse frank, weliswaar ontbreken enkele bladzijden (o.a. titel) en is het exemplaar wat slordig; gelukkige koper.
69. - Argus, Baarn (Nederland), list 17, (maart 1973). 5, A. de Ulloa, Die historie ende het leven van... Kaerle de vijfde... Ant., Wed. ende erfghen. van J. Steelsius, 1570, 500 gulden.
70. - J. L. Beyers, Utrecht, Veiling van 314 april 1973. 196, Ambrosius, Commentarii in omnes Pauli epistolas, Ant., J. Grapheus voor J. Steels, 1540, (NK 109). 251, Titelman, F., Tractatus de expositione mysteriorum missae, Ant., W. Vorsterman, 1528, (NK 2044). 1506, Petrus de Alliaco, De imagine mundi.... Leuven, J. van Westphalen, c. 1483 (Ca. 143), 16de.eeuwse band, 9200 gulden. 1514, Ortelius, A, Theatrum orbis terrarum, 1598, (Koeman, Ort. 31), 17.500 gulden.
71. - Bow Windows bookshop, Sussex, Cat. 55 (nov. 1972). 117, R. Dodoens, Stirpium historiae pemptades sex, Antwerpen, Ch. Plantijn, 1583 (B.B.D 117), 750 pond (volledig en in 16de eeuws kalfsleder).
72. - Fr. Chamonal, Parijs, (oct. 1972) 5, Aristoteles, Probleumata, Antwerpen, S. Cock, 1534 (niet in NK), samengebonden met Cocles, Bart., Physiognomiae e chiromantiae Compendium, Straatsburg, J. Albertus, 1536, 1500 Franse frank. 69, J. Grévin, Deux livres des venins, ... Antwerpen, Ch. Plantijn, 1567-1568, 3000 Franse frank. 95, Lobel, Matthias de, Plantarum seu stirpium Icones, Antwerpen, Ch. Plantijn, 1581, in een 16de eeuwse blindgestempelde zwijnslederen band van de hand van de Straatburgse binder, P. Hoffott, 7.500 Franse frank. 141 A. Vesalius, De humani corporis fabrica, libri septem, Venetië, F. Senense en J. Criegher, 1568 (Cushing, VI, A 4.) 9.000 Franse frank. Idem, Cat. maart 1973. 4141, Apianus, P., Cosmographie... traduits en langue française, Ant., J. Vithage, 1581, 1500 Franse frank.
73. - J. Colliard, Lyon, (okt. 1972) 1, A. Ortelius, Theatrum orbis terrarum, Antwerpen, A. Radeus, 1575 (Koeman, Ort. 13). Dit " bon exemplaire" in 18de eeuwse band kost 20.000 Franse frank.
74. - Dawsons of Pall Mall, Londen, cat. 235 (april 1973). 169, Ortelius, A., Theatrum orbis terrarum, Ant., 1573, 2.400 pond. 317. Guicciardini, L, . Description de toutes les Pais-Bas, Ant. Ch. Plantijn, 1582, 250 pond. Idem, Cat. 238 (mei 1973). 30, Dodoens, R., Stirpium historiae.... Ant., Ch. Plantin, 1583, (B.B. D 117), 750 pond. 62, L'Obel, M. de, Plantarum seu stirpium icones Ant., Ch. Plantin, 1581, (B.B. L 120), 475 pond.
75. - Deighton Bell, Cambridge, Cat. 142, (mei 1973). 388, Beda, The History of the Church of Englande ... translated bij Thomas Stapleton. Antwerp., John Laet, at the signe of the Rape, 1565, 475 pond.
76. - De belangrijke kataloog Reformationsdrucke (dec. 1972) van Edelmann Nürnberg bevat naast een reeks Erasmiana : 473, Vesthemer (Westheimer), B, Phrases seu modi loquendi divinae scripturae, Ant., J. Steelsius, 1536, (NK 4056), 280 DM.
77. - F. Edwards, Londen, Cat. 972, (maart 1973). 10, Cordiale quatuor novissimorum, Deventer, R. Pafraet, 16 dec. 1494, (Ca 1308), 160 pond.
78. - Forum, Utrecht, Cat. 32 (nov. 1972), 1, Rolewinck, W., Fasciculus temporum, Utrecht, J. Veldener, 14 feb. 1480, (313 ff. van de 338), Ca 1479, 4250 gulden. 15, Macropedius, G., Rebelles, 's-Hertogenbosch, Ger. van der Hatart, 1539, (NK 1451), 950 gulden. 18, Quattuor novissima, Deventer, R. Pafraet, 1502, (NK 1604), 950 gulden (Op veiling Beyers 1971, nr. 149 voor 250 gulden). 19, Souterliedekens, Utrecht, S. de Roy, 1598 (Scheurleer, 29), 1250 gulden (uit zelfde veiling?).
79. - Garisenda, Bologna, Cat. 2, juni 1973. 180, Vesalius, A., De humani corporis fabrica libri septem, Bazel, J. Oporinus, 1555, 3.800.000 lire.
80. - Op woensdag 28 oct. 1972 werden bij Van Gendt te Amsterdam volgende werken geveild. Nr. 1483, een onvolledig exemplaar van het eerste deel van de eerste Nederlandstalige gedrukte Bijbel, Delft, Jacob Jacobszoon van der Meer en M. Yemantszoon van Middelburch, 10 januari 1477 (Ca. 290), geschat op 5000-6000 gulden. Er was geen enkel bod en het exemplaar bleef onverkocht. 1501, Bernardinus de Rechaneto, Aflaatbrief voor de confrerie van de h. Franciscus en de h. Antonius van Padua te Parijs, door Hellinga toegeschreven aan de Drukker van Godeuaert van Boloen (= Collatiebroeders?) [1489] (Ca 262b, GW 3875), op velijn gedrukt en aangekocht door de K.B. te Den Haag voor 1000 gulden. 1506, Libellus de modo confitendi et penitendi, Antwerpen, G. Leeu, 1485 (Ca. 1129) werd toegeslagen voor 1900 gulden.
81. - Gilhofer en Ranschburg, Luzern, Cat. 57, (juni 1973). 22 Cicero, Officia in de vertaling van Coornhert, Haarlem, J. van Zuren, 1561 (Laceuille-Van de Kerk 3), 2.700 Zwitz. F. 31, Erasmus, Epistolae, Bazel, J. Froben, 1515 eerste editie van de brieven, 3500 Zwitz. F. 191, Peucer, C., Les devins ..., Ant., H. Connix, 1584, 2300 Zwitz. F.
82. - E. P. Goldschmidt Co., Londen, Cat. 149, (feb. 1973). 90, Laudivio Vezzanense, Epistolae... Ant., J. Grapheus voor J. Steels, mei 1533, (NK 1454), 195 dollar. 92, T. Livius, Roemsche historie... vertaald door J. Gymnick, Ant., J. Grapheus, 1541, met hts., 650 dollar. 113, Philips II, Edictum en Index librorum prohibitorum, Ant., Ch. Plantin, 1570, 315 dollar.
83. - F. Gothier, Luik, catalogus 207, november 1972. 231, Juvenalis, Tres satyrae, s.l., s.n., s.d. " aux armes de Bois le Duc " volgens de (5000 F.). Deze editie die onmiddellijk onze nieuwsgierigheid stelden opwekte, bestelden wij en bij nader onderzoek bleek het een onbekende editie te zijn van L. Hayen te 's-Hertogenbosch. Ter aanvulling van NK : Houtsnedeborduur, kinderspelen, niet in MAT: TRES // SATYRAE IV // uenali's, Septima, Octaua, // Decimatertia, omni // spurcitia vacuae //...// Deum time, mandata eius obserua.// 16 ff., A-D4, F.D4r : Merk van L. Hayen (MAT, I, 2) wat de editie situeert tussen 1521-1523. F.D4 v. blanco.
84. - P. Gothier, Luik, maart 1973. 41, drie zeldzame edities van Walt. Morbérius te Luik : Morgan Phillippes, A Treatise concerning the Defence of the Honour of thePrincesse, Marie Queene of Scotland, ... 1571 - A Treatise touching the Right Title, and interest of the mightie and Noble Prizcesse Marie, ... 1571. A Treatise wherin is declared that the Regiment of Women is conformable to the lawe of God and Nature, 1571, 25.000 Fr. 43, Berchorius, P., Liber Bibliae moralis, Deventer, R. Paffraet, 1477 (Ca 286; GW 3864), twee bl. ff en 2 ff. uit cat. E ontbreken, moderne band, 75.000 fr. 76, Placentius, Joh., Catalogus omnium antistitum Tungarorum... Ant., W. Vorsterman, (ca 1530), NK 1726, 6.500 Fr. Idem, April 1973. 263, Damhoudere, J. de, La pratique et enchiridion des causes criminelles... Leuven, E. Wauters en J. Bathen, 1555, (B.B. D 85) 40.000 fr.
85. - De Graaf, Nieuwkoop, Nederland, Catalogus 25(6), nov. 1972) 446, Johannes Campensis, Enchiridion psalmorum, Antwerpen, J. Grapheus voor J. Steels, april 1537, (NK 3256), 345 gulden. Idem, (maart 1973). 59 tractaten van D. Joris in het Nederlands, samengebonden in twee banden voor 14.000 gulden. Evenals het grootste gedeelte van D. Joris (1501/2-1556) werken zijn ook deze tractaten verschenen zonder datum noch plaats noch drukker. Zij worden door De Graaf aan Dierick Mullem te Vianen ca. 1584/1585 toegeschreven op grond van het typografisch materiaal. De werken van D. Joris -vooral de kleinere teksten - zijn zeer zeldzaam; de rijkste collecties hiervan bevinden zich in Hamburg en te Gent (Universiteitsbibliotheek).
86. - Bij Hartung en Karl te München werden op 15-16 nov. 1972 volgende geveild : nr. 52 a, Boethius, De consolatione philosophiae, Deventer, J. de Breda, 1491 (Ca 313) en Ortelius, A., Theatrum orbis terrarum, Ant. A. Coppenius, 1571 (Koeman, Ort. 2) waarvan 2ff. ontbreken (prijs niet medegedeeld).
87. - E. Hauswedell, Hamburg, veiling van 7 en 8 dec. 1972. Nr. 720, Berzosa, J., De prosodiis liber, Leuven, R. Rescius, 1544. Nr. 749 tot en met 768 een reeks Erasmusdrukken.
88. - Uit de katalogus nr. 269 (september 1972) van Menno Hertzberger te Baarn stippen wij volgende werken aan : 4, Agrippa ab Nettesheym, H., C., De incertitudine et vanitate scientiarum declamatio, Antwerpen, 1534, (Parijs, Joh. Petrus), (NK 2253) 895 gulden. 69, de Index expurgatorius van Philips II, Antwerpen, Ch. Plantijn, 1571, 4ff. ont., 750 gulden; een zeldzame editie van Joh. Murmellius uit Roermond, 92, In artis componendorum versuum rudimenta, Parijs, S. Colin, 1543, 750 gulden; en een editie van Vives, niet in B.B., Les dialogues. Traduits... en français pour l'exercice des deux langues par B. Jamin, Paris, G. Buon, 1576, 600 gulden. Idem, Cat. 270, (jan. 1973). 10, De eerste en enige Nederlandse vertaling van de Peregrinationes van B. von Breydenbach, Die heylighe bavarden over dat meer totten heylighen grave te Jeruzalem, Mainz, Erh. Reuwich van Utrecht, 1488 (Davies VII) 27.000 gulden. 13, Carraciolus, R., Sermones de laudibus sanctorum, Antwerpen, G. Leeu, 1490 (Ca 397), 3450 gulden. 23, Henricus de Zoemeren, Epitome prime partis dyalogi G. Ockam que intitulatur de hereticis, Leuven, Joh. de Westfalia (Ca 914), 4500 gulden. 29, Johannes de Sancto Laurentio, Postillae Evangeliorum, Brussel, Broeders van het Gemene Leven, 1480, (Ca 1041), 7000 gulden. 60, Guicciardini, L., Description de tout Ie Pais Bas, Antwerpen, G. Silvius, 1567 (eerste Franstalige editie), 1800 gulden. 66, L'Obel, M. de, Icones stirpium, Antwerpen, off. Plantiniana, 1591, 3500 gulden. Idem, List nr. 387, Erasmus Roterodamus, (maart 1973). Bevat meerdere interessante Erasmusedities waarvan wij slechts enkele aanstippen. 5, Familiarum colloquiorum formulae, Vienna, Joh. Singrenius, juli 1522, 1500 gulden. 13, Exomologesis.... s.l., s.n., s.d., 300 gulden, wat onze nieuwsgierigheid opwekt. Idem nr. 16, De libero arbitrio, Mich. de Eguia, s.d. (?). 19, De praeparatione ad mortem, Ant., M. de Keyser voor G. Dumaeus, 1534, (NK 850), samengebonden met de Epistolae aliquot... van zelfde drukker, (NK 2966), 825 gulden. 20, De pueris statim ac liberaliter instituendis... Ant., M. Hillen van Hoochstraten, 1529, (NK 856), 1200 gulden. Idem, cat. 272 met suppl. (mei 1973). XVIII, Philelphus, Fr., Epistolarum liber, Deventer, R. Paffraet, ab 1488 (Ca 1413), 4500 gulden. XIX, Pius II, Epistolae, Leuven, J. de Westfalia, 1483 (Ca 23), 8500 gulden, 188, Servilius, Joh., Lexicon Graecolatinum, Ant., J. Steelsius, 1540, (NK 1900), 880 gulden. 212, Titelmann, Fr., Compendium dialecticae ad libros log. Arist., Parijs, Mich. Roigny, 1576, niet bij de Troeyer, 260 gulden. 60, Despauterius, J., Syntaxis en Annotationes in Syntaxim, beide werken onbekend aan Renouard en B.B., en gedrukt te Parijs door J. Bade voor hemzelf, respectievelijk 1 dec. en 15 oct., samen voor 850 gulden. Deze editie, de tweede, was onbekend totdat in de verkoop Tudo Wilkinson te Parijs van dec. 1969 een exemplaar opdook dat onmiddellijk door de Bibliothèque Nationale gekocht werd. (Renouard, Ph., Imprimeurs... 1969, nr. 159bis en nr. 160bis). Dit tweede bekende exemplaar werd door de Gentse Universiteitsbibliotheek aangekocht; onze dank aan M. Hertzberger.
89. - Hünersforf, R. von, Londen, Cat. 2, juni 1973. 34, Pontanus, Petrus, Grammatice artis prima pars, Parijs, N. Savetier voor A. Gerault, feb. 1528 (niet in B.B.), 285 dollar. 91, Damhoudere, J. de, Praxis rerum civilum... Ant., J. Bellerus, 1567, (B.B. D52), 550 dollar. 96, Grevin, J., De venenis libri duo, Ant., Ch. Plantin, 1571, 385 dollar. 98, Dodoens, R., Purgantium aliarumque eo facientum, ... libri IIII, Ant., Ch. Plantin, 1574, (B.B. D115), 350 dollar. 116, Ortelius, A., Il teatro del mondo..., Brescia, Comp. Bresciana, 1598, 550 dollar.
90. - P. James, Parijs, Cat. 219, (nov. 1972). 37 Dodoens, R., Frumentorum Legumium ... historia, Antwerpen, Ch. Plantin, 1566, B.B.D111, 2500 Franse frank. 40, Erasmus, Moriae enconium, Straatsburg, M. Schurer, augustus 1511, 11.500 Franse frank. 101, Tapper, R., Explications articulorum venerandae facultatis sacrae theologiae generalis studii Lovaniensis circa dogmata ecclesiastica... deel I, Antwerpen, J. Bellerus, 1555; deel II, Leuven, M. Verhasselt, 1250 Franse frank. Idem, cat. 221 (mei 1973). 893, Biblia sacra hebraice, chaldaice, graece et latine, Ant. Ch. Plantin, 1569-1573, 8 vol.; deze Polyglotten Bijbel, waarvan de exemplaren talrijke verschillen vertonen, wordt hier uitstekend beschreven, 14.500 Fr. 980, Massaeus, Ch., Chronicorum 11. XX, Ant., J. Crinitus, 1540, (NK 1500), 425 Fr.
91. - F. Knuf, Amsterdam, cat. 109, (mei 1973), 46, Torrentius, H.Dictionarium poeticum, Ant., Hillen M., 1534, (NK 4175), 800 gulden. 407, Du Plessis-Mornay, Ph., De veritate religiones Christianae liber, Lugd. Bat., ex off. Plantiniana, F. Raph. 1587, 1050 gulden. 408, Verstegen, R., Theatrum crudelitatum ..., Ant., A. Huberti, 1592, 1475 gulden.
92. - Lardanchet, Parijs, Cat. 66, (Mei 73), 4, Apianus, P., Cosmographia, Ant., G. Bontius, 1550, (Ortroy 38 of 39), 3600 Fr. 28, Bonaventura, Sermones de tempore, (GW 4810), Zwolle 1479, 15.500 Fr. (zie onze kroniek 1972, p. 471). 44, Chansons françaises du xvie siècle. Chansons à quatre parties..., Imprimées en Anvers, par Tylman Susato, 1543-1558, 12 dln., 16.500 Fr. 106, Goltzius, H., C. Julius Caesar..., Brugge, H. Goltzius, I, 1563 (B.B. G385), II, 1574, (B.B. G387), samengebonden, 5411 Fr.
93. - Lathrop C. Harper, New-York, Cat. 209 (nov. 1972). 14, J. Bale, Illustrium Maioris Britanniae Scriptorum ... summarium [Wesel, Dierck van der Straten] voor John Overton te Ipswich, 1548, 850 dollar. 53, 3 zeldzame edities van Erasmus, samengebonden, voor 450 dollar: De octo orationis partium constuctione libellus, Brevissima maximeque compendiaria conficiendarum epistolarum formula, beiden van P. Gomors te Parijs, 1525 en De duplici copia verborum ac rerum... van A. Bonnemère voor J. Petit te Parijs, 1523, 75, Graduale Romanum, Antwerpen, J. Moretus, 1599 (ff. 441-456 ont), 2.850 dollar. 106, Lemnius, L., Occulta naturae miracula, Antwerpen, Aeg. Coppenius voor S. Simon, 1559, (8 ff. van index ontbreken) in Spesband, 75 dollar. Idem, Cat. 210, (jan. 1973). 1. A. Amstelredamus, Parasceve ad Sacrosanctam Synaxin, Piae precationes... per C. Crocum, 13 houtsneden, Keulen, P. Quentell, 1532, 16de eeuwse blindgestempelde zwijnlederen band, 800 dollar. 156, Nicolay, Nicolas de, Les navigations... en la Turquie, Ant., W, Sylvius, 1576, 1250 dollar. 192, Sambucus, J., Emblemata, Antwerpen, Ch. Plantin, 1564, 650 dollar. 203, Taisnier, J., De annuli sphaerici fabrica et usu libri tres geometrici, Antwerpen, J. Richard, 1560, 385 dollar. Idem, Cat. 211 (mei 1973). 282, Vesalius, A., De humani corporis fabrica libri septem, Venetië, F., Franceschi en J. Criegher, 1568, B.B. V 84, 2750 dollar.
94. - Maggs Bros, Londen, cat. 952, (juni 1973). 2, 100 van de 174 ff. van de Herbarius latinus, [Leuven, J. Veldener, ca. 14851, Ca 917, 210 pond.
95. - Meijer Elte, Den Haag, Cat. 40, (april 1973). 369, Reygersberch, J., Dye Cronijcke van Zeelandt, Ant., Wed. van H. Peetersen, 1551, (volledig), 2950 gulden. 407, Philips van Oostenrijk, Dit is die Kuere vanden Lande van Zeelandt, Ant., Jan van Ghelen, 1554, (exemplaar van de hertog van Arenberg, 1250 gulden. Willem van Gouda, Expositio misteriorum misse, Ant., G. Bac, (ca. 1503), (NK 3138), 2900 gulden.
96. - Op de veiling van 4 nov. 1972 werden bij Moorthamers te Brussel volgende boeken geveild. 50, Guicciardini, L., Description de tout le Pais-Bas autrement dict la Germanie Inférieure, Antwerpen, G. Silvius, 1567, eerste Franse uitgave voor 32.000 Fr. 124, Ortelius, A., Theatrum orbis terrarum, Antwerpen, Ch. Plantijn, 1579, gekleurd exemplaar, kaart nr. 16 ontbreekt, mooi exemplaar, (Koeman 15 A) voor 220.000 Fr. 125, idem maar met Nederlandse tekst, Antwerpen, Plantijnschen Winckel, 1598, (3 kaarten ontbreken, maar met 18 kaarten uit latere edities, Koeman, Ort. 31) voor 120.000 Fr. 150, Vergilius Polydorus, Angliae Historiae libri vigintisex, Gent, Cornelius Manilius, 1556-1557, Bibl. Gantoise 124, voor 4500 Fr. Idem, veiling van maart 1973 (prijzen niet meegedeeld). 116, Goltzius, H., Thesaurus rei antiquariae huberrimus, Ant., ex off. Ch. Plantini, 1579. 123, Guicciardini, L., Description... Ant., G. Sylvius, 1558. 166, Lucretius, De rerum natura, Venetië, Aldus, 1515, band en ex-libris van Granvelle. 219, Antidotarius anime, Nürnberg, F. Peypus, 1520, getekende band van Jehan Norvi(n)s.
97. - K. Meuschel, Bonn, Kat. 12, (nov. 1972). 42, Erasmus, La civilite puerile. Distribuee par petits chapitres et sommaires. A Lyon, par Thibauld Payan, 1558, in 16°, 64 ff., 1400 mark. Deze uiterst zeldzame editie, door geen enkele bibliografie vermeld, werd door de Gentse Universiteitsbibliotheek aangekocht.
98. - Notebaart, Amsterdam, Cat. 128, (mei 1973). 40, Gemma Frisius, De principiis astronomiae et cosmographiae, Antwerpen, J. Steelsius, 1553, 900 gulden. Cat. 127 (juli (1973). 73, David Joris, vier werken samengebonden, s.l., s.n., , 1553-1556: Verklaringhe der scheppenissen ... Alle vaten ... van Godes Gheest ... Een heerlijck und christlijck ghespreck ... (Van der Linde 61, 111, 59, 216), 2500 gulden.
99. - M. Nyhoff, Den Haag, Cat. 836, jan. 1973. 4, Apian, P. en Frison, G., Cosmographie... Anvers, A. Coninx, 1584, (Ortroy 62), 2000 gulden.
100.- D. Parikian, Oxford, Cat. 21, (nov. 1972). 54, Erasmus, Hyperaspistes, Bazel, J. Froben, 1526, 145 pond. 123, Servilius, Joh., Lexicon graecolatinum, Antwerpen, J. Steelsius, 1540 (NK 1900), 52 pond.
101. - B. Quaritch, Londen, Cat. 920, (begin 1973). 13, B. Anglicus, Boeck vanden proprieteyten der dinghen, Haarlem, J. Bellaert, 24 dec. 1485, Ca 258, (ontbreken de bl. ff., de f. met merk, 3 ff. tekst waarvan één met hts.), gekleurde hts, 900 pond.
102. - Godebert M. Reiss, Mainz, Auktion 4, 4-7 oct. 1972. 2032, Berosus, Antiquitatum libri V, Antwerpen, J. Graphaeus voor J. Steelsius, 1545, 100 DM. 2079, Erasmus, De pueris statim ac liberaliter instituendis, Antwerpen, M. Hillen, 1529, 576 DM. 2110, Honter, J., Rudimentorum cosmographicorum libri III cum tabellis geographicis, Antwerpen, J. Richard, 1560, 900 DM. Idem, Auktion 5, 4-7 april 1973. 1425, Plato, Minos, Leuven, R. Rescius voor B. Gravius, 1531, NK 1730.
103. - B. M. Israel, Amsterdam, Cat. 90, (november 1972). 33, Alexis de Piedmont, Les secrets de reverend, contenans excellens remedes contre plusieurs maladies, Antwerpen, Ch. Plantijn, 1557, 3250 gulden. 376, Clusius, C., Rariorum plantarum historia, Antwerpen, J. Moretus, 1601, 2250 gulden. 474, Dodonaeus, R., Medicinalium observationem exemplarara, Leiden, Ch. Plantijn, 1585, 575 gulden. 771, Guillemeau, J., Tracktaet van alle de ghebreken der ogen, Dordrecht, A. Caen, 1597, 950 gulden.
104. - J.F.T. Rodgers, Londen, Cat. 3, (april 1973). 35, Petrus Blesensis, Epistolae ad regem Angliae Henricum II..., Brussel, Broeders van het Gemene Leven, ca. 1480, (Ca 1403), 850 pond. Het exemplaar vermeldt: Rubricatus fuit liber iste in monasterio hasnoniense cujus est per quendam priorem ejusdem monasterii. Anno domini 1486. Orate pro eo. (19de eeuwse band uit de bibliotheek van W. Hutchinson).
105. - L. Rosenthal, Hilversum, Cat. 219, (novembert 1972). 10, Franciscus de Mayronis, Sermonum de tempore volumen primem. Brussel, Broeders van het Gemene Leven, 1481/1484, (Ca 1215, Polain 1516), in een 15de eeuwse band uit de werkplaats van Jörg Schapf te Augsburg (blindgestempeld kalfsleder op houten berden), 5400 gulden. 52, Het Nieuwe Testament, Antwerpen, Jan van Ghelen, 1528, (NK 394 enig bekend exemplaar), met talrijke houtsneden en in een kalfslederen band van 1564 voor 4600 gulden (dit is hetzelfde exemplaar als vermeld in onze kroniek van 1972, p. 496, en dat afkomstig was uit de Mennonitenkerk te Amsterdam geveild bij Beyers op 7 dec. 1971). 53, Biesius, N., De natura lib. V en De arte dicendi lib.II, beiden te Antwerpen bij Ph. Nuyts, 1573, 450 gulden. 71, Gemma Frisius, De radio astronomico et geometrico liber, Antwerpen, A. Diesthenius voor G. Bontius en P. Phalesius, 1545, 2200 gulden. 95, Missale Romanum, Antwerpen, Ch. Plantijn, 1575, 1200 gulden. Idem, Cat. 220, maart 1973. 1, Aegidius van Assisi, Sententiae aureae... Ant., M. de Keyser, 1534, (NK 2237), 360 gulden.

105bis. - De katalogus nr. 6 van Schäfer te Zürich (oct. 1972) biedt een zeer mooi exemplaar in perkamentenband aan van Grapheus, Cornelius, Le Triumphe d'Anvers, Antwerpen, Gillis van Diest voor Peter Coecke, 1550, 5.300 Zwitserse frank (nr. 182), en onder nr. 222 de Arithmeticae practicae methodus facilis van Gemma Frisius, Wittenberg, G. Rhau, 1544, voor 850 Zwitserse frank.
106. - Bij Sotheby werden volgende boeken geveild. 14 nov. 1972 : de uiterst zeldzame Epitome van Vesalius, de eerste niet geïllustreerde editie, volledig met de laatste f. De humani corporis fabrica librorum epitome, Parijs, A. Wechel, 1560, (B.B. V 88 en Cushing VI. B-4). 7 november 1972 : 443 Datus, Augustinus, Elegantiolae, Deventer, R. Paffraet, 14 oct. 1489 (Ca 530 a) voor 140 pond. 624, Th. More, Omnia opera, Leuven, P. Zangrius, 1556 voor 150 pond. Naast een belangrijke verzameling Erasmiana (nr. 31l- 319) de tweede en de derde editie van het Novum Testamentum door Erasmus : 649, Froben, maart 1519 en 650, Froben 1522. 755, Prudentius, Opera, Antwerpen, J. Steelsius, 1540, (NK 1769), voor 18 pond.
107. - Van de drukker Johan van R(ur)emunde, uit zijn Keulse periode, biedt H. Schuman uit Zürich (kat. 488, oct. 1972) voor 1.400 Zwitserse frank volgend boek aan : Cl. Ptolemaeus, Libri VIII de geographia, in de vertaling van Noviomagus, Keulen, 1540.
108. - Stenderhoff, Münster, Kat. 266, (jan. 1973). 67, Beda Ven., Ecclesiasticae historiae gentis Anglorum..., Ant., J. Gravius, 1550, 560 mark. 95, Breviarium consuetudinem ad Canonicorum regularium instituti divi patris Augustini... congregationis Windesimensis, Ant., H. Eckert de Homberch, 24 sept. 1519, (NK 499), zeer mooi en fris exemplaar voor 3600 mark. 121, Cluyt, Dirk, Van de Bijen... Leiden, Claesz van Dorp, 1597, 850 mark. 224, Ludolfus van Saksen, (Dit es) dleven ons (liefs) heeren (Jhesu Christi), Ant., H. Eckert van Homberch, 1510, (11 ff. ont., vervangen in handschrift), (NK 1357, 3391), 3800 mark. 293, Surius, Laurentius, Commentarius brevis rerum in orbe gestarum... Leuven, J. Bogardus, 1567, 280 mark.
109. - Stuttgart, 12. Stuttgarter Antiquariatsmesse, 1973. Bl. 62, Dodoens, R., Florum et coronarium adoratarumque nonnullarum herbarum historiae, Antwerpen, ex off. Ch. Plantini, 1568, 1400 mark. Bl. 71, Ortellius, A en J. Vivianus, Itineraritem per nonnullas Galliae Belgicae partes, ad G. Mercatorem cosmographum, Ant., Ch. Plantin, 1584, 800 mark.
110. - Uit de talrijke werken door Tenner (Heidelberg), octoberveiling van 1972, aangeboden, komen er slechts een tweetal voor onze rubriek in aanmerking: nr. 149, Galle, Ph., Imagines L. doctorum virorum ...Antwerpen, Galle, Ph., 1587 en nr. 1760, de eerste Duitse vertaling van J. de Damhoudere, Praxis rerum criminalium, (B.B. D51) van 1565.
111. - Tulkens, Brussel, april 1973. Pius II, Epistolae familiares, Leuven, Johannes van Westphalen, 1483, Ca 23, (ex libris Bibl. Tongerloo), 50.000 Fr.

Go Top
Archives et bibliothèques de Belgique - Archief- en bibliotheekwezen in België, dl. XLV (1974), nr. 3-4 pp. 683-719: nrs. 112-181.
KRONIEK DER DRUKKUNST TOT 1600
door J. MACHIELS


112. - Het is niet de bedoeling van onze kroniek om alle bijdragen te vermelden uit het Gutenberg-Jahrbuch 1973 - daarvoor beschikken wij thans over bibliografieën - wij vestigen slechts de aandacht op enkele. E. GECK in Buchdruck des 15. Jahrhunderts, Literaturbericht 1970-1972, p. 149-156, brengt een overzicht van de voornaamste inkunabelkatalogen, facsmilés, ... verschenen in deze periode. M. POLLAK in Incunable printing with the form inverted: an untenable theory, p. 168-183, weerlegt de opvatting van Audin dat de eerste drukkers drukten met de drukvorm omgekeerd, met het letterbeeld naar onder op het papier. F. C. Avis, England's use of Antwerp Printers 1500-1540, p. 234-240. D. J. SHAW, Badius's octavo editions of the classics, p. 276-281. A. KOLB, Noch einmal Begegnungen mit allen Büchern in neuen Antiquariatskatalogen. Zur Geschichte des französischen Buches im 16 Jahrhundert, p. 282-285, wij proberen in onze kroniek, rubriek veilingen, hetzelfde te doen. R. HOVEN, L'utilisation internationale des livres scolaires aux xvi° et xvii° siècles, p. 298-300. Uit de jaargang 1974. PRIMOZ SIMONITI, Ein weiteres Costerianum, p. 47-51, beschrijft, samen met een fotografische reproductie, een nieuw ontdekt fragment van een Donatus-editie (Nederlandse prototypografie, type I). R. HIRSCH, Francesco Petrarca's Griseldis in early printed editions, ca. 1469-1520, p. 57-65 behandelt achtereenvolgens de Latijnse, Duitse, Franse en Nederlandse edities van dit werk. Voor de Nederlanden: Ca. 1386, Ca. 1387, Ca. 1387 (I).
113. - De bibliografie van A. BASANOFF (1) omvat een inleiding, een systematische tabel met een repertorium, een lijst van de nageziene tijdschriften, een twaalftal bl. bibliografie vóór 1965 verschenen en dan tenslotte het voornaamste deel de bibliografie in 1965 en in 1966 verschenen. Deze laatste is gescheiden d.w.z. elk jaar wordt als een geheel behandeld. De artikels en de boeken worden alfabetisch per auteursnaam gerangschikt. De eerste vraag die men zich stelt is precies te weten wat de bibliografie opneemt: alleen franstalige artikels en boeken of alleen dat wat in Frankrijk verschenen is? Uit de inleiding blijkt, dat het deze publicaties zijn die in Frankrijk en een deel van Zwitserland verschenen zijn; maar waarom dan Peeters-Fontainas en Hubay opnemen? (omwille van de bespreking?). Behalve het weinig precies zijn in de omlijning van het onderwerp is de rest van het boek uitstekend. Een systematiek die bij de eerste kennismaking wat vreemd aandoet maar zeer goed uitgewerkt is; uitvoerige gegevens over de verkoops- (vente) en tentoonstellingscatalogi die in de meeste bibliografieën niet te vinden zijn; juiste en volledige referenties. Spijtig dat de bibliografie zo lang op zich liet wachten en misschien zal het tweede deel wellicht nooit verschijnen.
(1) A. BASANOFF, Bibliographie française du livre, 1 : 1965-1966, Parijs, Minnard 1971.
114. - Van het eerste deel van de ABHB (2), dat wij in september 1973 ontvingen kunnen wij zeggen dat het een uitstekende bibliografie is. Een dergelijke wetenschappelijke uitgever, een uitgebreide groep van specialisten voor de diverse landen, een verzorgde uitgave met weinig drukfouten, een weinig te duur, kan dit alles blijven duren of zal het nog verbeteren?
In de inleiding wordt door D. L. VERVLIET, de uitgever, het opzet en doel uiteengezet. Wat is minder internationaal dan lettertype, drukkunst, boekband, bibliotheken.... dus een internationale bibliografie is voor de hand liggend. Dit eerste deel omvat alle publicaties (boeken en tijdschriftartikels) in 1970 verschenen. Het telt 2.500 entries (waarvan wegens de systematiek ongeveer een vijfde twee- tot driemaal voorkomen) en wordt op 80 % van de wereldproductie geschat. De herdrukken van oudere werken in 1970 verschenen, met vermelding van datum van eerste uitgave (niet altijd echter), worden ook opgenomen. Wat neemt de ABHB inhoudelijk op? This bibliography aims at recording all books and articles of scholarly value which relate to the history of the printed book, to the history of the arts, crafts, techniques and equipment, and of the economic, social and cultural environment, involved in its production, distribution, conservation, and description (p. ix). Het is dus essentieel gericht op het gedrukte boek, i.a.w. vanaf 1450 te beginnen. Studies on manuscripts, papermaking, bookbinding, etc., prior to that date are not reported. Men vindt deze in andere bibliografieën. Dit is juist, maar men kan dit zo maar niet scheiden en de studies over papier en boektechniek vóór 1450 hadden wij toch graag er bij gezien. De opzet is echter al zo uitgebreid dat dit het gevaar voor verdrinking nog zou doen vergroten. De indeling van de stof berust in grote trekken op de classificatie uit de Bibliography in Britain en heeft de volgende indeling (p. x)
A. General works. B. Paper, inks, printing materials. C. Calligraphy, type design, typefounding. D. Layout, composing, printing, presses. E. Illustration. F. Bookbindiiig. G. Book trade, publishing. H. Bibliophily, book-collecting .J. Institutions, libraries, librarianship, scholarship. K. Legal, economic, and social aspects. L. Newspaper, jourlialism. M. Secondary subjects (mainly in order of D. C.).
In elke rubriek heeft men eerst, alfabetisch gerangschikt, de algemene werken; daarna de algemene werken die op een bepaalde eeuw betrekking hebben. Volgen daarna deze werken die op een bepaald land betrekking hebben weer onderverdeeld in algemene en per eeuw. Theoretisch een zeer duidelijke en handige indeling die echter practisch niet gemakkelijk door te voeren valt en aanleiding geeft tot dubbele opname. Zo bv. het werk van Greswell, W.P., Annals of Parisian typography. Men vindt het in de rubriek D. Printing onder Frankrijk xvde eeuw, nr. 253; idem xvide eeuw nr. 270 en onder Engeland xvde eeuw nr. 392 en xvide eeuw 397. Men vraagt zich terecht af of deze herdruk van 1818 dit verdient. Wij geloven dat bij het opstellen van een dergelijke bibliografie eenvoudiger moet gewerkt worden zoniet vraagt dit te veel tijd en te veel geld. Interessanter daarentegen is het in vetjes drukken, bij de rubrieken per eeuw onderverdeeld, van plaatsen en personen (auteurs en drukkers) die nadien in de index opgenomen worden. De titels in het russisch of in een niet gemakkelijk toegankelijke taal worden gevolgd door een korte vertaling. Ook bij zeer vage titels wordt soms een woordje verklaring gegeven. Nuttig is ook het opnemen van boekbesprekingen na het betreffende werk of zelfs van besprekingen in 1970 verschenen en die betrekking hebben op vroeger verschenen werken. De minst geslaagde rubriek is M die ongeveer 50 bladzijden omvat. Hier zijn de grenzen minder duidelijk en staat men voor talrijke eigenaardigheden. Het grootste deel van de gegevens in M vindt men reeds onder de rubrieken A tot L en voor de andere gegevens kijkt men beter in gespecialiseerde bibliografieën over het betreffende onderwerp.
Na de inleiding volgt een indrukwekkende lijst van onderzochte tijdschriften die ons echter wat sceptisch maakt. Er worden bv. een vijftal tijdschriften over economie vermeld, maar waarom deze vijf, men kan er evengoed 10 opnemen. De Economic Journal is een belangrijk tijdschrift maar er zijn andere, even belangrijke, die niet opgenomen worden. Waarom precies dit? Ik vermoed dat dezelfde vraag voor diverse andere tijdschriften kan gesteld worden. Men neemt de Biekorf op, maar waarom niet Handelingen van het Genootschap Société d'Emulation te Brugge. Waarom niet de Humanistica Lovaniensia met de belangrijke studie van P. Thoen Aesopus Dorpii van 1970... Dit zijn echter bij een dergelijk werk slechts kleinigheden. De eerste index omvat alle auteurs en anoniemen. De tweede de geografische- en eigennamen die in vetjes in de tekst gedrukt waren. De referenties zijn juist, wij vonden geen verkeerde nummers. Conclusie: zeer nuttig werk en het enige op dit gebied. Het is iets dat al diegenen die zich met de studie van het boek bezighouden reeds lang misten. Wij hopen ten zeerste - maar hebben een kleine vrees gezien de uitgebreidheid van het opzet en de onmisbare hulp van talrijke mensen die medewerken - dat de onderneming in leven blijft. Wij vragen ons zelf af of wij onze kroniek nu niet moeten stopzetten in het licht van deze betere bibliografie.
(2) ABHB. Annual Bibliography of the History of the Printed Book and Libraries, Volume 1: Publications of 1970, Edited by HENDRIK D. L. VERVLIET. Den Haag, M. Nijhoff, 1973, xi-225 p., 75 gulden.
115. - In november 1973 ontvingen wij deel 2 van de ABHB (3); dit deel omvat de publicaties van 1971 en aanvullingen op 1970. De bibliografie nam uitbreiding, want Denemarken, Noorwegen en Roemenië kwamen bij maar spijtig genoeg viel Italië reeds weg. Het ligt voor de hand, dat deze nieuwe landen het ontbreken van Italië niet compenseren en wij hopen dat dit spoedig weer in orde komt. Dat de U.S.A. nog steeds ontbreekt is ook te betreuren-, zo er geen Amerikaanse medewerkers te vinden zijn dan moet het toch mogelijk zijn aan de hand van de U.S.A. bibliografie gedeeltelijk hieraan tegemoet te komen. Het werk is opgevat zoals deel I en heeft dezelfde kwaliteiten van nauwkeurigheid en min of meer volledigheid. Dit deel omvat 2.600 entries voor 1971 en een weinig uit 1970, een groot deel hiervan zijn door de systematische indeling dubbel of komen zelfs driemaal voor. Dit is op zichzelf geen bezwaar en het voorkomen in diverse rubrieken van eenzelfde titel verhoogt de informatorische waarde van de bibliografie, maar men mag niet overdrijven zoniet vindt men, vertrekkend van de index, voor eenzelfde auteur steeds dezelfde publicatie terug. Wanneer men echter begint te ontdubbelen in éénzelfde rubriek, al of niet noodzakelijk voor het opnemen in de index II, vraagt men zich af of dit niet kan vereenvoudigd worden door slechts in één notitie de diverse trefwoorden in vetjes te drukken. Voorbeelden: 87 en 89; 256 en 257; 255 en 258; 271 en 276; 355 en 356; 358 en 360; Door het feit dat Italië niet meegewerkt heeft voor 1971 ontbreken de gegevens over de incunabelcatalogi van U. Baroncelli van de Bibl. Queriniana te Brescia en deze van A. M. Dotto te Palermo. Erger is natuurlijk dat Labarre's bibliografie van Amiens, Arras, Béthune.... Bibl. Bibl. Aureliana XL ontbreekt en de vijfde aflevering van deel III van Kronenberg's Bibliografie die in 1971 verscheen niet vermeld wordt. Is 586 een herdruk en uit welk jaar? Enkele kleinigheden die nauwelijks opvallen in dit zeer nuttig werkinstrument. Wij zijn de uitgever dankbaar om de anders zeer verspreide en moeilijk toegankelijke bibliografie in een handig deel bij elkaar te brengen. Bijvoorbeeld de rubriek H, Bibliophily, Bookcollecting met de zeer uitvoerige notities over de veilingscatalogi van privaatbibliotheken behoort tot het beste deel van dit werk, te meer daar het uiterst moeilijk is om daarover min of meer volledige gegevens te bekomen.
(3) ABHB, Annual Bibliography of the History of the Printed Books and Libraries, volume II, Publications of 1971 and additions from the preceding year, edited by HENDRIK D. L., VERVLIET, Den Haag, M. Nijhoff, 1973, x-245 p., 90 gulden.
116. - In november 1973 had te Beveren-Waas een kleine tentoonstelling plaats naar aanleiding van de herdenking van het overlijden van Jan Frans Van de Velde. Ter dier gelegenheid verscheen ook een kleine tentoonstellingscatalogus (4), hoofdzakelijk biografisch georiënteerd, opgesteld door J. ROEGIERS. We vermelden dit hier omdat Van de Velde, zoals Van Hulthem, een van de rijkste verzameling boeken bezat die na zijn dood verspreid werd en waarvan thans een groot aantal in Belgische bibliotheken aanwezig is. Schr. vermeldt (p. 29) dat Van de Velde zelf hiervan een katalogus opgesteld had (waar is die?). Spijtig genoeg wordt niet uitgewijd over de vorming van deze rijke bibliotheek (5), maar aan de hand van de inschriften door Van de Velde zelf op de boeken aangebracht (zijn naam, datum en plaats) kunnen wij hem volgen doorheen zijn reizen in Duitsland en hem bewonderen om de fijne keus die hij had bij het vormen van zijn zeldzame verzameling. Ongeveer een duizendtal werken uit die collectie, waaronder zeer zeldzame reformatorische (vele in het Duits) drukken, bevinden zich in de Gentse Universiteitsbibliotheek.
(4) Herdenking en tentoonstelling Jan Frans Van de Velde (1743-1823), Beveren-Waas 1973, 80 p. Uitgegeven door de Heemkundige Kring " Het Land Van Beveren ".
(5) Catalogue des livres, rares er précieux, au nombre de 14435 lots, de la bibliothèque de feu Mr. Jean-François Vande Velde... rédigé d'après le catalogue manuscrit du défunt par P. F. De Goesin-Verhaeghe, Gent, 1831-1832, 2 dln met een supplement Globes et Mappemondes.
117. - In 1964 verscheen de derde census van incunabelen in Amerikaanse bibliotheken (6) en in 1972 (ontvangen nov. 1973) verscheen hierop het supplement (7). Daar waar de census van 1964 12.599 titels met 47.188 exemplaren bevatte komen er in dit supplement 397 titels met 3.959 exemplaren bij. Dit geeft als totaal 12.939 titels, met 51.147 exemplaren in Noord-Amerikaanse bibliotheken. Er bevinden zich dus daar ietwat meer dan een derde van alle edities vóór 1500 verschenen. Het grootste aantal is in openbare of instituutsbibliotheken en het zijn ook deze instellingen die systematisch alle incunabelen opkopen zodat binnen een beperkt aantal jaren deze wel van de markt zullen verdwenen zijn. Als voornaamste kopers en collecties signaleren wij: Yale University, Lilly Library, Southern Methodist University, University of Illinois, en natuurlijk de Library of Congres die, dank zij de gift van Lessing J. Rosenwald, thans 5.626 exemplaren bezit.
De aanvullingen van dit supplement zijn van volgende aard. Eerst en vooral de 397 nieuwe titels die tussen de nummers van de derde census ingeschakeld worden met vermelding van GW, Hain, Proctor, BMC, de Indice generale van de Italiaanse bibliotheken, Pell., Oates, Ca, Polain en met de exemplaarlocalisatie. Vervolgens verbeteringen van de vroegere nummers wat betreft auteurschap, titel, datum, drukker en dgl. meer, aanvullende referenties en verbeteringen van vroegere vermeldingen en tenslotte opgave van de eigendomsveranderingen. Daar voor de verbeteringen en aanvullingen alleen het nummer opgegeven wordt zonder herhaling van auteur en titel van het boek veronderstelt het gebruik van het supplement het bij de hand hebben van de derde census. Op het einde van het boek vindt men een index van drukker, en uitgevers (alleen van het supplement) en de concordanties van de census. aanvullingen met GW, Hain, Proctor, Indice generale en BMC deel X. Van de 397 nieuwe titels is een niet onbelangrijk aantal uit onze gewesten en bijna alle zijn ons bekend: G. Bac 1; J. de Breda 4; Canonici te Schoonhoven 3; Caxton 1; collaciebroeders 2; H. Eckert van Homberch 2; F.V.C. 2; M. van der Goes 6; A. van der Heerstraeten 2; H. Janszoon 1; N. Ketelaer 3; G. de Leempt 4; G. Leeu 3; A. van Liesvelt 1; D. Martens 1; J. Jacobsz van der Meer 2; Nachtegael Otgier 1; P. van Os 3; J. van Westfalen 1; R. Pafraet 9; Mensa philosophica 2; prototypografie 3; Snellaert 1; tC 1; Veldener 2; P. Werrecoren 1. Vermelden wij slechts: 1-78 a, Informatio pulchra [Ant., G. Bac, about 1495] zonder enige referentie; J-3a en 3b, J. Jacobi, Regimen contra pestilentiam, [Antw. Mathias van der Goes, about 1486], varianten? en de T-5a, de Tabulare van D. Martens, Aalst 28 oct. 1474, Polain 3651.
(6) Van deze editie, gedeeltelijk door brand vernield, verscheen in 1973 bij Kraus een fotografische herdruk met correcties en annotaties in handschrift door F. R. Goff. Een herdruk van zijn handexemplaar waarin hij, behalve deze correcties, de exemplaren, met prijs en verkopersnaam, vermeldde die op de markt kwamen.
(7) Incunabula in American Libraries. A supplement to the third census of fifteenth-century books recorded in North American collections (1964), Compiled and edited by Frederick Richmond GOFF, New York, The Bibliographical Society of America, 1972, xii-104 p., 10 dollar.
118. - Het artikel van P. AMELUNG (8) bestaat uit een reeks uitvoerige besprekingen gewijd aan een achttal boeken over incunabelen sedert 1968 verschenen: het zijn de werken van Geldner, Hubay, Hellwig, Benzing. Vekene en Stolz. Naast kritische detailopmerkingen geeft hij ook talrijke methodologisch nuttige beschouwingen.
(8) P. AMELUNG, Neuere deutschsprachige Literatur zur Inkunabelkunde. Ein Sammelbesprechung, in Zeitschrift für Bibliothekswesen und Bibliographie, 1973, dl. 20, p. 210-244.
119. - Een van de vereisten van de toekomstige nieuwe Campbell zal ongetwijfeld het localiseren, zoniet van alle, dan toch van de zeldzame edities, zijn. Het voorbereidend werk voor deze census bestaat dus in het opzoeken van alle incunabelen in de Nederlanden gedrukt in een bepaalde bibliotheek aanwezig. Kennen wij de inhoud van een zeker aantal rijke bibliotheken (vb. BMC, Cambridge) dank zij hun uitstekende catalogi, dan was het echter geen eenvoudige zaak om in de Bibliothèque Nationale te Parijs een bepaalde incunabel op te sporen. Thans, dank zij het repertorium van G. ELLIOTT-LOOSE (9), kunnen wij dit onmiddellijk weten. Uitgaand van een manuscriptconcordans van W. Viennot tussen de Ca nummers en de signaturen van de B.N. heeft de auteur een catalogus opgesteld van de incunabelen in de Nederlanden gedrukt en in de B.N. aanwezig. In alfabetische volgorde, met beknopte titelopgave, met referenties naar de voornaamste incunabelrepertoria en steeds naar het werk van de Hellinga's, met herkomstvermelding, bezorgt zij ons een overzicht van 554 incunabelen. Op het einde volgt een index per stad en per drukker, een index van de drukkers en de herkomsten, en een concordantie tussen het Ca nummer en het catalogusnummer. In de inleiding schetst de auteur een overzicht van de rijkdom en de unica in de B.N. aanwezig. Voor het dateren en het identificeren van de drukken zonder datum en kolofon houdt de auteur zich aan de gegevens uit de P.T. Een vraag nog: bezit de B.N. nog andere incunabelen uit de Nederlanden die nog niet geïdentificeerd werden? Dit vermoeden wij.
(9) G. ELLIOTT-LOOSE, Répertoire des incunables. Incunables des Anciens Pays-Bas, Parijs, Bibliothèque Nationale, 1973, xvi-141 p.
120. - In februari 1974 ontvingen wij de tweede aflevering van de GW (10). Deze omvat het vervolg van de in de eerste aflevering begonnen lijst van afkortingen van de wiegendrukverzamelingen (p. *81-*100) en de vertaling in het Engels, het Frans, het Italiaans en het Russisch van de uitvoerige regels voor de beschrijving van de incunabelen waarvan de Duitse tekst in de eerste aflevering reeds was verschenen (p. *101-*124). Deze versies zijn zeer nuttig want de terminologie van ons vak en de vertalingen zijn dikwijls uiteenlopend en de bestaande vakwoordenboeken onvolledig en niet precies genoeg. De rest van de aflevering begint dan met de eigenlijke nieuwe GW. Nieuw voor een deel maar, want het is grotendeels een hernemen van het reeds in 1940 gepubliceerde begin van deel VIII. Wij vinden in deze aflevering Eike von Repgow - Equicola, (col. 1-72). Het werk is opgevat zoals de reeds verschenen delen. Bij elke vedette (-auteur) heeft men een biografie en bibliografie gevolgd door een analytisch en zeer nuttig overzicht van de werken van deze auteur. De bibliografie werd natuurlijk vervolledigd t.o.v. 1940. Volgen dan de eigenlijke beschrijvingen met de exemplarenlocatisatie. Dit laatste heeft grondige wijzigingen ondergaan tengevolge van de Wereldoorlog, de liquidatie en verhuizing van talrijke bibliotheken, het verschijnen van nieuwe catalogi (bv. voor Italië en voor de USA) en de geweldige toename van de USA-verzamelingen. Maar de verrijking van de GW gebeurde ook door de ontdekking van onbekende edities die met een exponent in de reeks werden ingeschoven om de bestaande nummering van het reeds verschenen stuk van deel 8 niet in de war te brengen. Verder werden ook correcties aangebracht aan de beschrijvingen van 1940 en vooral voor de dateringen van de incunabelen uit de Nederlanden werd rekening gehouden met de resultaten van Kronenberg en PT. De toepassing van het Gattungsbegriff brengt verder mede dat onder de vedette Entree de inkomsten geconcentreerd worden van de Franse koningen Charles VIII, en Louis XII (de Franse en Latijnse versies); niet erg duidelijk is daarom de verwijzing kol. 18 van Einreitung naar Maximilian I.
(10) Gesamtkatalog der Wiegendrucken. Herausgegeben von den deutschen Staatsbibliothek zu Berlin, Band VIII, Lieferung 2, Stuttgart, H. Hiersemann, 1973, 36 DM.
121. - De derde aflevering (11) die we in april 1974 ontvingen omvat kolom 73-232, Erasmus Roterodamus-Faber Runcinus, Johannes, nr. 9374-9674; het grootste deel dus van het in 1940 gepubliceerde begin van band VIII die tot nr. 9730 liep. Het is opvallend dat de meeste wijzigingen en aanvullingen precies betrekking hebben op de incunabelen uit de Nederlanden. Dit is begrijpelijk, want Kronenberg en de Hellinga's hebben door hun publicaties de studie van de incunabelen in de Nederlanden sneller doen vooruitgaan dan in de andere landen. De datering uit de PT wordt practisch steeds overgenomen en de exemplarenlocalisatie werd ook hier grondig omgewerkt. Hopen wij dat het verschijnen van de volgende afleveringen in hetzelfde ritme gebeurt.
(11) Gesamtkatalog der Wiegendrucke, Band VIII, Lieferung 3, Stuttgart, A. Hiersemann, 1974, 40 DM.
122. - Het is een uitstekend initiatief geweest om de verspreide artikelen van RUDOLF JUCHHOFF (1894-1968) op het gebied van de vroege drukkunst opnieuw uit te geven (12). Medewerker aan de GW vanaf 1922 tot 1928 en vanaf 1952 Direktor der Universität- und Stadtbibliothek te Keulen, heeft Juchhoff zich intens toegelegd op de studie van de vroege drukkunst: de uitvinding; Gutenberg; de Keulse drukkers uit de 15de-16de eeuw en hun uitgeversactiviteiten; bepaalde drukkers (o.m. Johann van Westfalen). De voornaamste artikelen op dit gebied, met vermelding van datum en plaats waar ze eerst verschenen, vinden wij hier bij elkaar gebracht. R. Juchhoff was op de eerste plaats een incunabulist, einen Philotypologen (p. 11), voor wie de variaties van het type het uitgangspunt vormt. Opsteller van het Register op de eerste 1630 platen van de Veröffentlichungen der Gesellschaft für Typenkunde des xv. Jahrhunderts, bleef der primus ordo von Juchhoffs Erkenntnisdrang stets die hingebungsvolle Erfassung des Typenmaterials der Drucker (p. 13). Dat boeken ook dragers zijn van een inhoud wist hij wel, maar dit vormde voor hem, terecht, het voorwerp van literairhistorische onderzoekingen en paste dus beter bij de wetenschap waarop de inhoud van het boek betrekking had. De inhoud van een boek kan niet de specifieke wetenschap van het gedrukte boek begründen und sichern, sie vermögen vielmehr nur akzidentielle Erkenntnisse zu vermitteln. Methodenbildend ist allein das dem gedruckten Buch immanente Stilelement der Type (p. 14, inleiding van W. Schmidt). Zie hierover ook Juchhoff 's bijdrage in deze bundel opgenomen en waarmee wij grotendeels akkoord zijn: Aus der Werkstatt der Frühdruckforschung (1959). Hierna geven wij de lijst van alle opgenomen artikels. Otto Hupps Forschungen zur Geschichte des Frühdrucks (1939); Das Fortleben mittelallerlicher Schreibgewohnheiten in der Druckschriften des 15. Jahrhunderts. I. Italien (1935); Das Ende der Sandgusztheorie (1930); Was bleibt von den holländischen Ansprüchen auf die Erfindung der Typographie (1950); Wandlungen des Gutenberg-Bildes (1940); Aus der Werkstatt der Frühdruckforschung (1959); Von Dibdin zu Hain, Ein Beitrag zur Geschichte der Inkunabelbibliographie (1954); Aufgang und Blühezeit des Kölner Biuchdrucks (1953); Was lasen die Kölner um die Wende vom 15. zum 16. Jahrhundert zu ihrer Unterhaltung und Belehrung? (1970); Schrift und Buch (1959); Die Universität Köln und die frühen Typographen (1964); Johann und Konrad von Paderborn. Die Anfänge ihrer Druckerätigkeit in Venedig und Straszburg (1928); Johannes de Westfalia als Buchhändler (1954); Verwertung einer Restauflage um 1500 (1962); Johann Veldener in Löwen (1933); Ein Dialogus de Libertate Ecclesiastica (1932); Wer war Hermann Schindeleyp (1938) en tenslotte een drietal boekbesprekingen.
(12) RUDOLF JUCHHOFF, Kleine Schriften zur Frühdruckforschung mit einem Vorwort von Wieland Schmidt herausgegeben von Richard Mummendey, (Bonner Beiträge zur Bibliotheks- und Bücherkunde, Band 24), Bonn, Bouvier Verlag, 1973, 224 p., DM 45.
123. - De viering van de vijfhonderste verjaring van de boekdrukkunst in de Nederlanden gaf aanleiding tot talrijke gebeurtenissen en publicaties waarvan de voornaamste deze van de K.B. te Brussel was. De lijvige catalogus (13) wil een overzicht geven van alle drukkersateliers, elk vertegenwoordigd door enige drukken op de tentoonstelling. Het werk richt zich niet tot het algemeen publiek, het is te geleerd opgevat, omvat te veel discussies en bijkomstigheden die beter onder de specialisten zouden blijven. De niet-georienteerde lezer verliest er zijn weg en misschien had men beter door een onderscheid in typografie wat meer klaarheid bekomen. Het werk mist in de eerste plaats een syntetisch overzicht, een klare inleiding, zoals men in de BMC vindt, waar onder meer de totale productie, de betekenis en het onderlinge belang van de diverse ateliers besproken wordt. Ook een situeren t.o.v. het buitenland ware nuttig geweest.
De catalogus begint met een 65 tal pagina's aan de handschriften gewijd. Waarom? Waarom zoveel? En waarom deze handschriften en niet andere? Geen woord daarover. Volgen daar op twee goede hoofdstukken, elk van circa 12 p., respectievelijk aan de prototypografie en de blokboeken gewijd. De rest van het boek behandelt de diverse ateliers in min of meer chronologische volgorde. Voor elk atelier een korte inleiding gevolgd door een keus en bespreking van enkel belangrijke drukken. Het aantal pagina's aan een bepaalde drukker toegemeten komt niet steeds overeen met het belang van deze drukker t.o.v. de andere drukkers. De drukker van de Flavius Josephus met 14 p. en C. Mansion met 28 p. staan op dezelfde voet als J. van Westfalen en de Broeders van het Gemene Leven. Brito, alhoewel zeer streng beoordeeld, heeft met zijn 5 p., evenals de drukker van de Haneron met 6 p., evenveel of zelfs meer ruimte als een C. van Paderborn. Het goed geïllustreerde boek heeft bovendien een nuttige, maar niet steeds zeer juiste, woordenlijst.
(13) De vijhonderste verjaring van de boekdrukkunst in de Nederlanden. Catalogus, Brussel, K.B., 1973, xxiv-590 p. Het werk is samengesteld door een groep Nederlandse en Belgische medewerkers met de hulp van een Duitse collega. De catalogus bestaat ook in het Frans.
124. - De mooie tentoonstelling te Aalst aan het werk, de persoon en het milieu van Dirk Martens gewijd, en ook beter voor het gewone publiek toegankelijk, brengt ons een nuttige catalogus (14). Met de hulp. van talrijke medewerkers, is het voornaamste deel ervan, gewijd aan de Martensdrukken, van de hand van K. HEIREMAN. Wij vestigen de aandacht op twee belangrijke appendices: de eerste een bibliografie, chronologisch geordend, van de Martensstudies, de tweede een catalogus van ongeveer 250 Martensdrukken. Eveneens bij deze gelegenheid verscheen een facsimilé van de drie oudste Zuidnederlandse drukken met een inleiding door K. Heireman (15). De drie afzonderlijk uitgegeven boekjes zijn vergezeld van een tekst van Heireman waarin bij de typografische en typologische problemen onderzocht die deze drie edities stellen.
(14) Tentoonstelling Dirk Martens 1473-1973, Aalst, 1973.
(15) Alosti In Flandria anno M° CCCC° LXXIII. Dionysius van Rijkel Speculum conversionis peccatorum. Pseudo-Augustinus Manuale de salute sive aspiratione animae ad deum. Aeneas Silvius Piccolomini De duobus amantibus. Facsimilé van de drie oudste Zuidnederlandse drukken Aalst 1473 met een inleiding door K. HEIREMAN, Aalst, Dirk Martenscomite, Brussel, Koninklijke Biblioheek Albert 1, Brussel, Gemeentekrediet 1973.
125. - Het Dirk Martensnummer van Het Land van Aalst(16) omvat De betekenis van Dirk Martens voor onze tijd (p. 224-229) en enkele korte bijdragen over de persoon, de tijd en de stad waarin Martens leefde, alle van de hand van K. HEIREMAN.
(16) Dirk Martensnummer 1473-1973, in Het land van Aalst, 1973, dl. XXV, nr. 5.
126. - In ons werk (17) aan A. de Keysere gewijd brengen wij na een korte biografie van de drukker een overzicht van al zijn boeken in Oudenaarde en Gent gedrukt. Het is op de eerste plaats een typografische en typologische studie met het doel de chronologie van zijn drukken en deze van de Leuvense drukkers R. Loeffs de Driel en H. de Nassau, die met hetzelfde type drukten, nauwkeuriger te kunnen bepalen. Aan de hand van uitvoerige tabellen kan men de evolutie van het type nagaan. Men vindt er verder een overzicht van de initialen, van de watermerken en een uitgebreide fotografische documentatie. Vermelden wij de uitstekende typografische verzorging te danken aan de specialisten van het Hoger Instituut voor Grafisch Onderricht te Gent.
(17) J. MACHIELS, Meester Arend de Keysere 1480-1490, Gent, Higro, 1973, 216 p., 1800 Fr.
127. - Naar aanleiding van de 500ste verjaring van de boekdrukkunst in de Nederlanden brengt E. COCKX-INDESTEGE (18) ons een korte schets van de boekdrukkunst in de Nederlanden tot rond 1500.
(18) E. COCKX-INDESTEGE, Bij de vijfhonderste verjaring van de boekdrukkunst in de Nederlanden, in Ons erfdeel, 1973, dl. 16., p. 59-72.
128. - Het eerste nummer van 1974 van Quaerendo omvat de volgende bijdragen. WYTZE HELLINGA, Thomas á Kempis - The first printed editions (p. 3-30) is een revised version van zijn Thomas a Kempis voor het eerst in druk uit het speciaal Thomas a Kempis nummer van A.B.B. van 1971 (zie onze kroniek 1972, p. 462-463) waar, vermits Brito rond 1484 zou gestorven zijn, het boek aan een andere Brugse drukker toegeschreven wordt. Bestaat Ca 1373 wel? J. MACHIELS, Arend de Keysere, Master Printer 1480-1490 (p. 34-37) is een beknopte samenvatting van het typologisch gedeelte uit ons boek over deze drukker. Severin CORSTEN, P. Bonaventura Kruitwagen O.F.M. an Rudolf Juchhoff. Ein Schreiben vom 6. Oktober 1928 (p. 38-43) publiceert deze brief van Kruitwagen die hoofdzakelijk uit materiaal bestaat over de drukker Johannes van Westfalen. Adri K. OFFENBERG, The first use of Hebrew in a book printed in the Netherlands (p. 44-54). De eerste gedrukte Hebreeuwse letters (met een houtblok) in een incunabel uit de Nederlanden vindt men in Ca 1364; Paulus van Middelburg, Epistola apologetica, Leuven, J. van Westfalen, 1488. In het totaal een 8 tal regels tekst en enkele losse woorden; het zijn formules die betrekking hebben op de Joodse kalender en enkele zinnen uit de Psalmen. De Griekse teksten die in hetzelfde boek voorkomen werden daarentegen niet gedrukt. De auteur is van oordeel dat Paulus van Middelburg onvoldoende - of zelfs geen -Hebreeuws kende en de persoon die hiervoor tussenkwam waarschijnlijk Guillelmus Raimundus (of Flavius Mithridates) was. Paulus zou wel de houtblokken laten snijden hebben toen hij in Italië was. Stelde het drukken en de correctie te Leuven echter geen problemen? Gottfried LANGER, Von den niederländischen Wiegendrucken in der Hauptbibliothek der Franckeschen Stiftungen zu Halle/Saale (p. 55-63), beschrijft uitvoerig een tiental incunabelen uit deze verzameling. Alleen nr. 6 lijkt onbekend: Hugo de Sancto Victore, Epistel van die Grootheit der Minnen, [Leiden, H. Janszoon van Woerden?, na 1497), in -4°, 24 ff., M 67, 99 G. Lotte HELLINGA, Notes on the order of setting a fifteenth-century book (p. 64-69). Dat de bladzijden van een boek niet gedrukt worden in dezelfde volgorde als deze waarin ze gelezen worden is bekend, maar dat ze ook niet gezet kunnen worden in deze volgorde is minder voor de hand liggend. De bladzijden kunnen gezet worden in normale numerische volgorde (seriatim) ofwel per vorm of beter per buiten- of binnenvorm. Dit kon om diverse redenen gebeuren en misschien is dit wel een voortleven van een oude praktijk bij de handschriften. Wat er ook van zij het zetten op deze wijze verschaft misschien een verklaring voor het onregelmatig aantal regels dat men in oude drukken aantreft. L. Hellinga probeert nu aan de hand van een uitgetelde handschriftenkopij uit het BM te Londen en het daarmee corresponderende gedrukte boek, nl. R. le Fèvre, l'Histoire de Jason, Haarlem c. 1485, Ca 1092, dieper in te gaan in deze manier van zetten. Tenslotte bevat dit nummer nog een archiefstuk gepubliceerd door L. van den Branden waaruit zou blijken dat Gheraert en Claes Leeu gebroeders zouden zijn.
129. De archivaris van de stad Gouda (19) wijdt een kort artikel aan Ca 292 Blaffert ende register vanden losrenten ende lijfrenten die de stede van der Goude iaerlicx sculdich is en die vermoedelijk door de Collaciebroeders te Gouda circa 1492-1493 gedrukt werd. Het artikel stelt vooral de betekenis en de inhoud van deze blaffert in het licht.
(19) J. E. J. GESELSCHAP, Een merkwaardige wiegedruk : Register van renten uit de stad Gouda, einde xve eeuw, in Gemeentekrediet van België, 1974, dl. 28, p. 34-36; Un remarquable incunable : le registre des rentes de la ville de Gouda (xv° siècle), in Crédit communal de Belgique, 1974, dl. 28, p. 42-45.
130. - Hoe gebeurde het drukken en het zetten of beter welke methode van drukken en zetten werd voor een bepaald in-folio boek aangewend dat bij Jacob Bellaert circa 1485 te Haarlem gedrukt werd? Bij het drukken van een in-folio formaat, laten wij bijvoorbeeld aannemen met katernen van 2 vellen (of 4 bladen of 8 pagina's tekst), kon men in de 15de eeuw of bladzijde na bladzijde drukken (twee of een bladzijde zetsel per vorm) ofwel vorm na vorm (bv. eerst buitenvorm van vel a1, dan binnenvorm van vel a1, dan buitenvorm van vel a2, enz.). Men beweert dat deze laatste methode door drukkers aangewend werd die over weinig letter beschikten en alzo niet verplicht waren de gehele katerne te zetten vooraleer met het drukken te kunnen starten en deze methode gaat bovendien ook vlugger. Vlugger wel maar het argument van de letterschaarste is niet overtuigend want bij het drukken bladzijde per bladzijde (een foliobladzijde per vorm dan) kan de drukker gerust de eerste bladzijde drukken zonder daarom de achtste nodig te hebben. Dit bewijst trouwens het veelvuldige voorkomen van niet-haakse pagina's druk op dezelfde zijde van een vel. Het blijkt dus dat de gevolgde methode van drukken de te volgen methode van zetten zal bepalen. Werd gedrukt per vorm dan moest de drukker (beter diegene die de vorm maakt) over pagina 1 en pagina 8 kunnen beschikken om die vorm in te slaan. Wil dit nu ook betekenen dat de zetter eerst pagina 1 en dan pagina 8 zal zetten vooraleer de daar tussengelegen pagina's gezet werden? Misschien maar niet noodzakelijk. Werkte hij nu toch volgens dit procédé, dan moest hij precies weten op welke plaats van de kopij hij met pagina 8 moet kunnen beginnen i.a.w. de kopij moet vooraf voorberekend zijn (the process of casting off die niet meer beperkt blijft tot een aanduiding van verdeling over zetters van een zelfde kopij). Hier stelt zich dus het uiteindelijke probleem te weten welke de functie is van de strepen, haaltjes, cijfers en tekens in de kopij en of die als zetinstructies kunnen of mogen geïnterpreteerd worden.
Het onderzoek naar de methode van zetten in de 15de eeuw is niet nieuw en hiervoor kan men uitgaan ofwel van de incunabelen zelf (aansluitingsmoeilijkheden, onregelmatig regelaantal, terugkerende letters in verschillende vormen), ofwel in zeer gelukkige omstandigheden door vergelijking van de kopij en druk van eenzelfde tekst (gelukkig wel want deze gevallen zijn zeldzaam; p. 177-181 geeft hiervan de bekende voorbeelden). LOTTE HELLINGA-QUERIDO
(20) kon nu over een handschrift beschikken uit het British Museum dat sporen vertoont van bewerking in een drukkerij: De historie van Jason van Raoul le Fèvre en dat waarschijnlijk als kopij gediend heeft van de Bellaert druk. Ca 1095 (exemplaar te Parijs en te Washington). Aan de hand van beide stukken probeert ze inzicht te bekomen over de volgorde van zetten van deze tekst en meer algemeen: Wanneer kopij en druk vergeleken kunnen worden, hoe verhouden deze zich dan tot elkaar? (p. 1). Wat kan deze kopij ons leren omtrent de methode van boekproductie in de vijftiende eeuw, in het bijzonder omtrent de methode die toegepast werd bij het zetten, en welke consequenties had deze werkwijze voor het overbrengen van de tekst? (p. 6).
Het eerste deel omvat een onderzoek naar de behandeling van het onderwerp in de literatuur. De inductieve methode (p. 7-30) of wat kan afgeleid worden uit de overgeleverde exemplaren druk en hoe het probleem behandeld werd in de incunabelistiek (Bradshaw, Pollard, Haebler, ... ). De analytische bibliografie (p. 31-46, Greg, Mc. Kerrow, ... Mc Kenzie). Wat leren verder de drukkers zelf ons hierover of een onderzoek van de drukkershandboeken (uitsluitend van latere datum maar nuttig omdat de methode dezelfde bleef, p. 47-66). Vervolgens hebben wij dan het eigenlijke onderzoek naar het zetten (p. 69-117) . Wat kan deze verhouding tot de voorberekening ons nu meedelen over de methode van zetten die bij het maken van dit boek gevolgd is? (p. 69). De conclusie (p. 121-126): de meeste perspectieven openende conclusie is wel deze dat de bewerking door zetters in het geheel niet duidelijke sporen, zoals bv. de zgn. formaatsignaturen, behoeft achter te laten als kenmerk dat het betreffende handschrift of de druk- als kopij gebruikt is. De volgorde van zetten was niet seriatim, maar ook niet per vorm. De constantheid in werkwijze kon veel geringer zijn dan men zich over het algemeen voorstelt... zelfs tussen twee zetters aan een zelfde tekst werkzaam, m.a.w. wij weten zeer weinig over de methode van zetten. Volgen tenslotte de Aantekeningen (p. 129-160), de beschrijving van het gebruikte handschrift en druk, de Kenmerken van de kopij in verhouding tot de druk (p. 185-207), de Afbeeldingen (p. 225-233), de geraadpleegde literatuur en een nuttig register, (p. 249-259). Waarom werden de conclusies over het zetten, getrokken uit de kopij, niet vergeleken met deze te trekken uit andere Bellaert drukken?
(20) LOTTE HELLINGA-QUERIDO, Methode en praktijk bij het zetten van boeken in de vijftiende eeuw, (Academisch proefschrift tot verkrijging van de graad van doctor in de Letteren ... ), Amsterdam 1974, getypte tekst, xii-259 p.
131. - De Hortulus animae is een gebedenboek, of beter een anthologie van gebeden, dat grote verwantschap vertoont met de Franse getijdenboeken en in Duitsland een even grote bloei zou gekend hebben als de livres d'heures in Frankrijk ware daar niet de Reformatie geweest die vanaf 1523 er een einde aan gesteld heeft. Niettegenstaande de korte bloeiperiode, nauwelijks 25 jaar, kent men toch nog 103 edities van dit boekje, tussen 1498 en 1523 verschenen; het grootste aantal slechts vertegenwoordigd door zeldzame exemplaren (van 36 edities kent men maar één exemplaar). Een anthologie van gebeden, daar begint juist de moeilijkheid hoe is die ontstaan, welke is de inhoud, hoe is de verspreiding, de vertaling, de bewerking (heel dikwijls vermeerderd en gewijzigd met het oog op de regionale gebruiken waarvoor de editie of de vertaling bestemd was). Men kan nu bepaald niet zeggen dat over deze problematiek niet heel wat verscheen, maar of er klaarheid is, dat is een andere vraag. De studies over de HA splitsen zich in twee groepen. De ene literair, de andere iconografisch; de HA drukken zijn immers geïllustreerd - meerdere zijn zelfs zeer mooi - en de vergelijking van de illustraties is geen gemakkelijke taak. Onmiddellijk rijst de vraag: kan men de illustratie bestuderen los van de inhoud van de HA? M. C. OLDENBOURG denkt van wel en haar uitgebreide studie (21) is uitsluitend een analyse van de illustratie van deze 103 edities; Ampe (22) eveneens, in omgekeerde zin echter want hij onderzoekt alleen de inhoud. Geven wij eerst een overzicht van het boek van Oldenbourg om daarvan enkele punten nader te bespreken. Het eerste deel is de bibliografie (p. 17-67). In chronologische volgorde worden alle Latijnse en Duitse edities, 103 in aantal, tussen 1498-1532 verschenen, beschreven. Een zestal edities (1533, 1541, 1546, 1553) worden eveneens opgenomen omdat hun illustraties terug gaan op vroegere edities. De beschrijvingen berusten op autopsie of op betrouwbare gegevens verschaft door diegenen die een exemplaar bezitten.
De beschrijving is uitvoerig en degelijk, vermeldt iedere keer het aantal illustraties en de eventuele herkomst van iedere afbeelding; verder literatuuropgave en bibliotheeklijst die niet beperkt blijft tot Duitsland. Bepaalde edities die niet konden gelocaliseerd worden werden ook opgegeven met vermelding van bron (heel dikwijls veilingscatalogi). Van L 45, de J. Clein (uit Lyon) editie voor A. Koberger in Nürnberg bezit de Gentse Universiteitsbibliothteek, Res. 946, een exemplaar met gekleurde houtsneden (niet vermeld door de auteur). Het tweede deel, Der Bilderschmuck geordnet nach Druckort und Drucker (p. 71-133) omvat de beschrijving van de illustraties per samenhangende reeks (Folge). Uitgaand van de eerste editie bij een bepaalde drukker verschenen geeft de auteur een overzicht van de iconografie: te weten formaat en beschrijving van alle voorstellingen in de volgorde waarin deze voorkomen. Na elke editie waarin de illustraties voor het eerst voorkomen volgt een chronologisch overzicht van de latere edities waarin dezelfde illustraties - of nabootsingen - te vinden zijn. Zo bv. vanaf de eerste editie van Straatsburg van 1498 tot en met deze van 1513 (31 edities) kan men het voorkomen van bepaalde houtsneden volgen. Als men nu weet dat de meeste edities elk een 75 tal houtsneden of metaalgravures bevatten ziet men onmiddellijk het uitvoerige - en volgens ons degelijke - in van het werk. Het derde deel omvat dan een ruime keus uit het illustratiemateriaal. Van elke reeks een zes- tot tiental afbeeldingen: deze werden verkleind weergegeven, spijtig genoeg niet in dezelfde verhouding als het originele. Volgen daarna nog een kort overzicht van de Salus animae- editie van 1503 en 1520, een alfabetische lijst van alle heiligen met hun attributen zoals die in de HA voorkomen, een register van de kunstenaars, van de drukkersplaatsen met hun aantal edities en een chronologische lijst van de HA edities.
Komen wij even terug op het voornaamste deel: de illustratie en de filiatie van de illustratie doorheen de diverse edities. Die Meinung, sämtliche Hortulus animae-Illustrationen gingen zurück aufl diejenigen der ersten Straszburger Ausgaben von 1498, ist irrig (p. 6). Inderdaad zo ware het te eenvoudig en men begrijpt dat bij een zo'n succesrijk boekje de diverse uitgevers, die min of meer met dezelfde tekst te doen hadden, het mogelijke gedaan hebben om hun edities, precies door de illustratie, te doen onderscheiden van deze van hun concurrent. Zij zijn daar niet steeds in geslaagd en velen kopieerden; alleen de grote uitgevers (-drukkers) konden hier oorspronkelijk werk leveren. De auteur kan vier groepen onderscheiden in de 1498-1523 periode. De eerste is deze van Schaffner uit Straatsburg met twee series (1498 en 1510). De tweede, eveneens uit Straatsburg bij Knoblouch, inspireert zich op de aan Dürer toegeschreven houtsneden uit de Salus animae-editie van 1503 te Nürnberg. Zij verschijnt voor het eerst te Straatsburg in 1505. De derde groep vinden wij te Mainz vanaf 1513: sie imitiert in Holz geschnitten die kleinen Metallschnitte der Livres d'Heures (p. 7). Dit is wel wat vaag omlijnd. De vierde groep vinden wij te Nürnberg vanaf 1516-1518. Deze, de mooiste, is van de hand van H. Springinklee en E. Schön. Een laatste groep, die pas vanaf 1546 te Lyon verschijnt, omvat de metaalgravures van H. Holbein d. J., tussen 1521-23 ontworpen. De filiatie of het wederkeren van dezelfde illustraties doorheen de diverse edities is heel wat ingewikkelder; toch vinden wij het niet overbodig om hiervan een korte samenvatting te geven omdat wij daardoor in contact komen met de edities in de Nederlanden verschenen. Afgezien van Augsburg, Konstanz en Lübeck komen zes steden in aanmerking (uit andere plaatsen kent de auteur geen edities). Straatsburg: in 1498 verschijnt bij W. Schaffner de eerste gekende editie; de 77 houtsneden zijn van een onbekende kunstenaar en werden in latere edities herhaaldelijk overgenomen of nagebootst. Eveneens in 1498 bij J. Grüninger, verschijnt een nieuwe reeks: afkomstig uit zijn Evangelia-editie of nieuw kon niet nagegaan worden. In 1502 neemt J. Wähinger voor zijn editie de Schaffnerse hts. over met een achttal aanvullingen. Belangrijker zijn de 1505-editie van J. Knoblouch, waarvan het grootste gedeelte van de hts. geïnspireerd was op de Salus animae-editie (zie hoger) en deze van 1516 met 68 hts. van of naar Urs Graf. M. Flach tenslotte neemt voor zijn editie van 1510 het grootste deel van de Knoblouch hts. over en voor zijn 1511 editie heeft hij er 73 nieuwe van H. Baldung Grien. Leipzig: de 1506 editie van M. Lotter inspireert zich ook op de Straatburgse modellen (vooral Schaffner), nagevolgd door C. Kacheloven in 1513; voor de 1516 editie inspireert deze laatste zich echter op B. Grien. Mainz: de J. en P. Schöffer edities: hier releveren wij slechts de 1513 editie die de Straatsburgse modellen omwerkt onder invloed van de Livres d'heures (architektonische elementen). Het is deze 1513 editie nu die als basis gediend heeft voor de Vorsterman-editie te Antwerpen van 17 feb. 1525 (NK 1139, voor de hts. tenminste) en dit wordt door de auteur aan de hand van haar reproducties en deze van W. Nijhoff (NAT) aangestipt (p. 91). De editie van J. Clein te Lyon van 1511 vormt nog geen geheel (gedeeltelijk uit Straatsburg, gedeeltelijk uit Lyon), terwijl deze van 1546 de Holbein illustraties bevat (zie hoger) Bazel kent diverse reeksen houtsneden. Deze uit de hypothetische 1494 editie van J. B. van Olpe; de heterogene verzameling uit de 1515-editie van M. Furter; deze van N. Lamparter van 1515; deze van A. Holbein in de 1519-editie van P. Gengenbach en tenslotte de 1519-editie van Th. Wolf. Deze laatste, de Baldung-reeks, komt uit Straatsburg. Omgezet in metaalgravure door Jakob Faber voor de 1522-editie, dient deze als basis voor de Vorsterman-editie van 5 juni 1531 (NK 1140, Oldenbourg p. 116). De Nürnbergse 1516-1518-edities (tot 1522 meer dan 20 edities) werden hoger reeds gekarakteriseerd.
Wat met de HA-edities in de Nederlanden? De auteur vermeldt er slechts twee. Waarom die twee? Ampe (in de GP) en NK geven ons toch een overzicht van de edities (de eerste Latijnse is van 1513, de eerste duytsche van 1525). Welke edities hebben houtsneden en welke niet? Welke filiatie bestaat er tussen de houtsneden van de edities in de Nederlanden? Vermoedelijk kent de auteur alleen deze twee edities omdat reproducties eruit te vinden zijn in NAT en de andere exemplaren zeldzaam zijn. Wij vergeleken enkele edities, na 1540, uit de Univ. Bibliotheek en alle hebben houtsneden; het zou dus wel een interressante onderneming zijn alle edities bij ons verschenen te onderzoeken. Volgen nu enkele opmerkingen die Ampe reeds gesteld had. Wat is de eerste editie? Houden wij ons ver van alle discussie over hypothetische uitgaven en blijven wij bij de bibliografieën. Vraag: vond men reeds houtsneden uit de HA-edities in andere boeken vóór 1498, datum van eerste editie? Wij moeten ons niet, zoals Oldenbourg, beperken tot werken met de titel HA, vermits gebedenverzamelingen ook voordien voorkwamen (23). Met andere woorden wat betekent het hier: eerste editie? Ampe signaleerde reeds de editie vermeld in de Vande Velde catalogus (24). Deel 1, nr. 2262 vermeldt: Hortulus animae... Bazel 1519... nr. 2263: Idem opus. Parisiis, P. le Dru, (1496), in-8°. Deze editie konden we evenmin als Ampe localiseren. Een ogenblik dachten wij te doen te hebben met de Antidotarius animae van Salicetus (H. 14169), maar volgens Goesin-Verhaeghe, de opsteller van de catalogus, bevatte de editie houtsneden. Verder wat is de HA-editie, Klein-Troya, M. Reinhard, c. 1491 ? Deze editie verscheen te Kircheim (Elsazs) bij M. Reinhard (Schreiber 4241; Ritter, Histoire de l'imprimerie Alsacienne... p. 129 zegt uitdrukkelijk: vers 1492 un Hortulus animae qui est la première édition de ce livre de prières avec 49 gravures..., zie Ampe, GP, p. 77 voor het Karlsruhe exemplaar). Proctor, die een artikel gewijd heeft aan deze drukker (25), spreekt alleen over de Horae, maar vermeldt wel dat het materiaal van deze drukker rond 1495 bij J. Grüninger te vinden was, die, naar wij hoger zagen, in 1498 een HA gedrukt heeft. Verder wat is de relatie tussen de Horae en de HA drukken zowel wat de inhoud als wat de illustratie betreft? Ampe, GP p. 78, signaleerde in dit verband dat in de editie van 1498 (Oldenbourg L2) na de titel seu officium gestaan zou hebben. Maar Ampe steunt hiervoor op Copinger 3173 wat onvoldoende is. Deze referentie gaat terug op Schmidt, Ch., Grüninger 40, het exemplaar uit Straatsburg dat onvolledig is, evenals het enige andere bekende exemplaar door Oldenbourg vermeld. De toevoeging vindt men wel later. Men ziet dus dat dit rijke boek tal van problemen stelt en niettegenstaande onze opmerkingen een nuttig werkinstrument vormt voor de studie van de HA-edities bij ons verschenen. Wensen wij tenslotte de uitgever geluk met de smaakvolle presentatie van dit boek.
(21) M. CONSUELO OLDENBOURG, Hortulus animae [1494]-1523. Bibliographie und Illustration, Hamburg, Ernst Hauswedell & Co. 1973, 224 p., 224 afb., gebonden 160 mark.
(22) A. AMPE, Kritische aantekeningen bij de Hortulus Animae in de Nederlanden, in Handelingen van de Kon. Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 1961, dl. XV, p. 13-93; Kritisch onderzoek van de Hortulus Animaedrukken ten onzent, in De Gulden Passer, 1962, dl. 40, p. 59-95.
(23) Dit is wel een zwakke zijde van het boek : het verwaarlozen van de inhoud der HA drukken.
(24) Catalogue des livres rares et précieux... de la bibliothèque de feu Mr. Jean-François Vande Velde..., Gent, 1831, deel I.
(25) T.B.S., 1901, p. 149 of in Bibliographical Essays, p. 19 sq.
132. - L. SCHUCAN behandelt ook in het kort enkele drukken van de Ad adolescentes die in de Nederlanden verschenen zijn (26). Deze van Leuven (Ca 1724, J. van Westfalen), de Pafraet-edities (Ca 925, c. 1500) en NK 1072 (1506) en de Zwolle-edities (Ca 259 en NK 257). Nuttig is: Anhang II. Verzeichnis der griechischen und lateinischen Drucke von Ad Adolescentes vom 15. bis zum Anfang des 17. Jahrhunderts (Ohne Gesammtausgaben) (p. 243-247).
(26) L. SCHUCAN, Das Nachleben von Basilius Magnus " ad adolescentes ". Ein Beitrag zur Geschichte des christlichen Humanismus, Genève, Droz, 1973, THR 133.
133. - Het onderzoek naar de verspreiding van de gedrukte consolatioliteratuur, de zg. troost- en sterfboekjes, in de 16de eeuw is een moeilijke taak. Deze moeilijkheid vergroot nog wanneer wij te doen hebben met teksten waarvan de auteurs verboden waren, zodat hun boekjes meestal anoniem verschenen zijn, soms in onvolledige vorm of achteraan in een ander boekje om niet op te vallen. G. FRANZ heeft zich echter hierdoor niet laten afschrikken. In een uitgebreid onderzoek (27) gewijd aan deze teksten die min of meer verwant en zelfs afhankelijk van elkaar zijn (p. 5), en tot doel hebben goed, d.w.z. heilzaam te leven en te sterven, probeert hij de verspreiding na te gaan van enkele werken van Huberinus en Rhegius. In de eerste plaats belangrijk voor het Duitse taalgebied, hebben deze werken, via vertaling, bij ons een niet te onderschatten succes gekend. Hoe geliefd dit ketters boekje was, blijkt uit het feit dat"het gulden gebedenboekje" als titel gebruikt werd voor ein katholisches Gegenstück, nl. van F. Vervoort (p. 27). De uitvoerige onderzoekingen van de in Duitsland verschenen edities, de herdrukken, de vertalingen en bewerkingen, zijn een belangrijke aanwinst. Maar ook de edities uit de Nederlanden werden behandeld; veel nieuws hieromtrent brengt hij niet bij, wat na Sepp, Verheyden, Kronenberg en Wijnman licht te begrijpen valt. Wij zien nu echter wel beter de verhouding en de afhankelijkheid in van deze vertalingen ten opzichte van de oorspronkelijke werken. De sterfboeken, de typische middeleeuwse ars moriendi, verdwijnen in Duitsland circa 1520 om langzamerhand vervangen te worden hetzij door neue protestantische Schriften, hetzij - zoals het geval bij de Versehung von Leib, Seele, Ehre und Gut van 1489 - om in Luterse zin omgewerkt te worden (p. 6). Het boek van G. Franz nu behandelt hoofdzakelijk twee protestantse Auteurs: Caspar Huberinus (1500-1553) en Urbanus Rhegius (1489-1541). Van de eerste worden alle werken onderzocht, van de tweede alleen de Seelenarznei. Na een inhoudsoverzicht volgt een schets van de diverse edities (de Augsburgse drukken van P. Ulhart, de Wittenbergse niet Luther's voorwoord, ... ), die dan in het bibliografisch gedeelte uitgewerkt zal worden. Huberinus' (of zoals in de editie van Van Ghelen, NK 2575, en in de Index van 1564, Gaspar Hubertinus' werk Tröstung aus Göttlicher Schrift, waarvan de eerste zelfstandige editie in 1531 verscheen, vormt het uitgangspunt van alle Nederlandstalige drukken (p. 17). In 1532 reeds werd dit door drie verschillende Antwerpse drukkers gedrukt en kende in het totaal een tiental Nederlandstalige edities. Diese Verbreitung erlangte die Schrift durch Beifügung mit verschiedenen anderen Traktaten an Dat gulden ghebedenboecxken, ... van O. Brunfels (p. 21, zie bij NK de edities van Brunfels met en zonder het troostschrift). De problemen verbonden aan deze edities (één van 1531, drie van 1532, en deze van 1535), de redenen van het verbod van Hubertinus' tekst (zie de verboden onderstreepte regels in het Brussels exemplaar die G. Frani aanhaalt (p. 22), met wijzigingen t.o.v. Verheyden's behandeling in T.B.B., 1906 p. 252) worden beknopt behandeld. Niettegenstaande alle verbod verschijnt de laatste Nederlandstalige editie in 1563 te Vianen bij D. Buyter. Maar ook de Seelenarznei van Rhegius heeft als vehikel gediend voor Hubertinus' Trostschrift (p. 34). In de Nederlandse vertaling, De medicijne der sielen, NK 1790, bevinden zich daaruit zwei Abschnitte ohne Autorenangabe (p. 34). Een derde verspreidingsmiddel van Huberinus' en Rhegius' troostschriften was Holbein's dodendans. Vanaf de eerste editie van 1538 wordt de Medicina animae als tekstillustratie bij deze beroemde houtsneden gebruikt. Ook hiervan onderzoekt de auteur de diverse edities, maar vermits geen enkele daarvan in de Nederlanden verscheen gaan wij daar niet dieper op in. Wij kunnen ons slechts afvragen waarom dit zo is: waren er geen of zijn ze ons onbekend? Het tweede, verreweg het belangrijkste, deel van het boek, is de Bibliographie (p. 67-209). Kenmerken: uitvoerige, meestal op autopsie gesteunde beschrijvingen, en inhoudsoverzichten wat noodzakelijk is bij de vaak moeilijk te ontdekken teksten die dikwijls niet eens op het titelblad vermeld worden; literatuurvermelding en localisatie van de exemplaren (meerdere bibliotheken uit de Nederlanden onderzocht); nuttige (?) en wel onmisbare (?) Stammtafeln (p. 268-271) van de diverse edities en vertalingen. De eerste groep omvat de bibliografie van Huberinus: Vom Zorn und der Güte Gottes te zamen met Wie man den Sterbenden trösten und ihm zusprechen soll. De eerste editie verschijnt bij P. Ulhart te Augsburg in 1529, volgen dan de Wittenbergse drukken met Luther's voorwoord vanaf 1534 bij G. Rhau, de Hoog- en Nederduitse drukken, een tweetal Deense en zelfs een IJslandse vertaling van 1579. Een tweede groep omvat, eveneens van Huberinus, de bibliografie van Tröstung aus göttlicher Schrift; hiervan slechts twee zelfstandige uitgaven (1531). Vanaf 1537 verschijnt dit werk onder de titel Versehung Leibs und Seel. Dit werk is de Versehung von Leib, Seele, Ehre und Gut van 1489 waarvan het medische deel behouden werd maar het deel over de zielezorg volledig vervingen werd door de Tröstung. De edities vanaf 1537 bevatten ook het Practicierbüchlein der Leibarznei van Ryff. Het is de Tröstung van 1531 die samen met Brunfels' Gulden Ghebedenboeckxen in de Nederlanden verspreid wordt. Het zijn respectievelijk: NK2574 (het enig (?) bekende, Gentse exemplaar is een octavo), NK 2575 en 2576 van 1532; een niet bekende editie van vóór 1535 bij Henric inden Mol, volgens de bewering van M. Martens (zie TBB, 4, p. 246); verder NK 502 van 1535, NK 503 van 1538; NK 504 van 1540. Vóór 23 juni 1542 verscheen ook een thans onbekende Nederlandstalige editie van de Troostinge bij J. Van Liesvelt. De laatste editie verscheen in 1563 te Vianen.Een derde groep omvat eerst de bibliografie van de Seelenarznei van Rhegius (vanaf 1529) gevolgd door de vertalingen (onder meer een tweetal Franse) en daarna deze van de Seelenarznei met de Tröstung samen. De Nederlandse editie hiervan, De medicijne der sielen, NK 1790, vermeldt Claes van Oldenborch, 1536; de auteur aanvaardt hieromtrent Wijnman's veronderstelling als zou M. Crom tussen 1539-43 het boekje gedrukt hebben. De test van de bibliografie is gewijd aan de edities van Holbein's dodendans te samen met de troostschriften en aan de edities van de andere werken van Huberinus. Uit deze laatste groep vermelden wij een tweetal Nederlandstalige edities in hetzelfde typografisch materiaal, gedrukt te Antwerpen of te Vianen in 1566: de Catechismus en de Seventich sluytredenen. Het derde deel van het boek bestaat uit: enkele statistische beschouwingen over het aantal edities en vertalingen; de manier waarop de edities te ontdekken vallen hetzij door bibliotheeknazicht hetzij door bibliografieën en catalogi (werden de veilings- en antiquariaatscatalogi wel voldoende onderzocht?). In Duitsland, evenals bij ons, bestaat nog geen bibliografie van de 16de eeuwse drukken. De auteur kon wel gebruik maken van het reeds aangevangen werk te München, want de Deutsche Forschungsgemeinschaft begon 1969 aan een bibliografie van alle 16de eeuwse Duitse edities. Persoonlijk hebben wij te München dit werk leren kennen en waarderen en onze Bibliotheca Belgica zou daar zeker iets kunnen leren. Het vierde deel omvat de Duitse tekst van de beide troostschriften van Huberinus en Rhegius (p. 227-260) en het vijfde deel: Nachträge, English summary, Verzeichnis der Bibliotheken, Literaturverzeichnis, Personen- und Druckerregister, Verzeichnis der Druckorte, Titelregister, Bibelstellenregister, en een 39-tal afbeeldingen. Dus al wat nodig is om het maximum uit dit moeilijke materialenrijke boek te halen.
(27) GUNTHER, FRANZ, Huberinus-Rhegius-Holbein. Bibliographische und Druckgeschichtliche Untersuchung der verbreitesten Trost- und Erbauungsschriften des 16. Jahrhunderts, (= Bibliotheca humanistica et reformatorica VII), B. De Graaf, Nieuwkoop, 1973, viii-313 p., 39 afb., geb. 95 gulden.
134. - Haguenau kende in de eerste helft van de 16de eeuw een belangrijke drukkersactiviteit; talrijke humanistische en reformatische teksten kwamen er van de pers. Omtrent deze activiteiten waren wij goed ingelicht door de werken van Ritter (1955) en van Burg (1956-1957); deze laatste bezorgde ons zelf een overzicht in alfabetische volgorde, van alle edities tot 1600 in Hageunau verschenen. Maar met bibliografie is het nooit gedaan, steeds ontdekt men onbekende drukken, en dit bewijst nog eens het zopas verschenen werk van JOSEF BENZING (28), de belangrijkste specialist van de 16de-eeuwse drukkunst in Duitsland. Het boek vangt aan met een chronologisch overzicht van alle drukkers te Haguenau en van elke drukker wordt tevens een chronologische lijst gegeven van al zijn edities. We vermelden hier deze drukkers met de periode waarin zij drukten en tevens hun aantal thans bekende drukken. H. Gran, 1501-1527, 213; Th. Anshelm, 1516-1522, 114; J. Setzer en erfgenamen, 1523-34. 183 en 31; P. Braubach, 1534-36, 34. Van deze drukkers is de productie hoofdzakelijk in het Latijn, terwijl bij de volgende, kleinere drukkers wij vooral te doen hebben met teksten in het Duits. A. Farckall, 1524-27, 10; G. Seltz 1528-29, 14; V. Kobian, 1532-40, 33; S. Bund, 1550-57, 3. Volgens Benzing kende men in Haguenau geen andere officina, maar dit stelt ons meteen voor de volgende moeilijkheid die oprijst door een schijnbaar onbekende editie, te Gent aanwezig, waarvan wij hier de beschrijving geven (Gent, Univ. Bibl. Hist. 7775). De auteur van het boekje is Andreas Gheeraerds, beter bekend onder de naam Hyperius naar zijn geboortestad Ieper. Wij slaagden er niet in de drukker nader te identificeren en vermoeden zelfs een schijnadres F. ANDREAE // GERARDI HYPERII DOMI // NICANI COSMOGRA-//PHIA AD. M. HEN- // RICVM BAL. // DVM //PHYSICUM // Houtsnede met letters G.G. Opus nunc recens natum, atque aeditum // Haganoe, apud Ioannem Stromerium // M.D. XXXII // Mense Iunio // In fine: Excudebat Haganoae Ioannes Stromerius. M.D. XXXII. Mense Iunio. In-4°, 12 ff. ng, A-C' Na dit overzicht van drukkers en drukken volgen: een index van de boekhandelaars en uitgevers waarvoor in de eerste plaats Gran en Anshelm gedrukt hebben. Belangrijk is de alfabetische index die in de andere afleveringen van de BA ontbreekt en het gebruik ervan erg bemoeilijkt. Hier kunnen wij nu onmiddellijk nazien welke auteurs te Haguenau gedrukt werden. Wat nu de beschrijving van de werken zelf betreft, wordt onderscheid gemaakt tussen de geziene, de niet zelf ingeziene, maar localiseerbare en tenslotte deze die alleen uit bibliografieën bekend zijn (zeer dikwijls alleen door Panzer vermeld). De eerste groep wordt uitvoerig beschreven, maar de tweede groep kon beter behandeld worden. De auteur vermeldt - maar niet steeds - de naam van de inleider, uitgever, vertaler en dgl.; houtsneden worden ook opgegeven. Volgen na elke beschrijving de lijst van de bibliotheken waar een exemplaar voor. handen is - hoofdzakelijk Duitse bibliotheken, maar ook: Londen, Cambridge, Parijs, Straatsburg en natuurlijk Haguenau - en enkele bibliografische referenties. Wij geven tenslotte enkele aanvullingen op grond van het Gents bibliotheekbezit; vermits de auteur de signaturen nergens vermeldt laten wij die ook weg. Van Gran de nummers 15, 28, 35, 159, 185; van Anshelm 27. 57, 73, 84 (dit werk is niet gedateerd en daar waar Burg vermeldt, na 1516, plaatst Benzing het in 1521: wij vragen ons af waarom en een korte verklaring ware zeker niet overbodig, 85; van Setzer, 37, 59, 61, 67, 75, 85, 113 (van dit werk kent de auteur alleen het exemplaar uit Londen BM en bij had dit toch beter kunnen beschrijven; het heeft 68 ff., en vermeldt: mense iulio), 117, 126, 127, 131, 156, 158, 163, 172, 173, 180, 183 en van de erfgenamen nr. 30; van Brubach 6, 7, 22, 34; van Koblan 23.
(28) J. BENZING, Bibliographie Haguenovienne. Bibliographie des ouvrages imprimés á Hageunau (Bas-Rhin) au xvi° siècle, (= Bibliotheca Bibliographici Aureliana L), Baden-Baden, V. Koerner, 1973, 140 p., 100 DM. Alle werken in deze reeks verschenen - en waarvan enkele reeds in onze kroniek besproken werden - zijn opgevat op dezelfde manier, maar niet alle staan op hetzelfde peil.
135. - Het vierde deel van de uitgave van de Opera omnia van Erasmus (29) omvat vier teksten: De recta latini graecique sermonis pronuntiatione, uitgegeven door M. Cytowska. De uitgever onderscheidt de eerste editie (A) van maart 1528 in officina Frobeniana en de nieuwe herwerkte editie van oct. 1529 eveneens te Bazel (B). Libellus de constructione octo partium orationis door dezelfde uitgever. Hiervan is de eerste editie (A) in feite van William Lilye en Erasmus samen; deze uitgave verscheen eerst te Londen, R. Pynson, 1513, en werd herhaaldelijk herdrukt. Een tweede editie, een herwerkte redactie, verscheen te Bazel bij J. Froben in augustus 1515 (B). Het is deze tweede redactie die 80 maal herdrukt werd in de 16de eeuw. De volgende tekst, uitgegeven door J. Domanski, de Encomium medicinae, door Erasmus geschreven in 1499 verscheen echter niet vóór 1518 (Leuven, D. Martens), herzien in de 1529-editie Bazel. Paraphrasis seu potius epitome in elegantiarum libros Laurentii Vallae, uitgegeven door C. L. Heesakkers en J. H. Waszink. De inleiding tot deze tekst is de beste van de vier en omvat tevens een overzicht van de edities tot 1540. Ter aanvulling: Paraphrasis... Farrago... Lugduni apud Seb. Gryphium, 1533, (Gent, Acc. 20.407 (1)).
(29) Opera omnia Desiderii Erasmi Roterodami... Ordiniis primi tomus quartus, Amsterdam, 1973.
136. - Uit de 50ste jaargang van De Gulden Passer, verschenen in oct. 1973, vermelden we volgende bijdragen: A. SCHOUTEET (30) brengt ons biografische gegevens met uittreksels uit archiefmateriaal over enkele Brugse drukkers (beter prentere) waarvan ons thans geen enkele gedrukte tekst bekend is, zo Jan van Hilten (van 1499-1518) en nog enkele anderen. L. Torrentius, bisschop van Antwerpen (1587-1595) bezat een voor zijn tijd niet onbelangrijke bibliotheek van 1560 titels. Wij beschikken over een systematische catalogus, opgesteld op het einde van zijn leven, waarin alle werken betrekking hebbend op het Turkengevaar verenigd zijn. De beknopte gegevens daarvan worden door L. DUPONT (31) uitgewerkt en geven een 40-tal publicaties, verzameld in 7 verzamelbanden. Van deze werken wordt een beschrijving met een nuttige inhoudsanalyse gegeven. R. LAUWAERT (32) onderzoekt de betekenis van de jaarmarkten te Frankfurt am Main voor de Nederlandse boekhandel. De voornaamste op deze markten vertegenwoordigde uitgeverij is de Officina Plantiniana. De auteur publiceert tevens uitvoerige tabellen over de handelsrelaties van deze Officina te Frankfurt (alle firma's en particulieren die van de Vastenfoor 1571 tot de septemberfoor 1600 op de Büchermessen handel gedreven hebben met Plantin en Moretus).
(30) A. SCHOUTEET, Jan van Hilten en andere onbekende Brugse drukkers uit de xv° en de eerste helft van de xvi° eeuw, in De Gulden Passer, 1972, dl. 50, p. 11-25.
(31) L. DUPONT, La bibliothèque de Torrentius: les livres d'un prélat humaniste du xvi° siècle sur l'empire ottoman, in De Gulden Passer, 1972, dl. 50, p. 100-123.
(32) R. LAUWAERT, De handelsbedrijvigheid van de Officina Plantiniana op de Büchermessen te Frankfurt am Main in de xvi° eeuw, in De Gulden Passer, 1972, dl. 50, p. 124-180.
137. - De studies gewijd aan de werkzaamheden van de drukker-uitgever Hubertus Goltzius (1526-1583) zijn tot op heden weinig talrijk geweest. De licentiaatsverhandeling die W. Le Loup (33) zeer degelijk en uitvoerig heeft aangepakt komt dus goed van pas. Het boek is vooral een typografische studie gebaseerd op de drukwerken en archiefmateriaal uit het Plantijnmuseum. Achtereenvolgens omvat het: een korte biografie; de werken of beter hetzelfde werk in verschillende talen (Vivae omnium fere imperatorum imagines) van Goltzius bij G. Coppens van Diest in 1557-60 gedrukt; en een overzicht van alle boeken die Goltzius te Brugge in zijn officina gedrukt heeft. Dit deel, het uitgebreidste (p. 25-139) beschrijft uitvoerig 19 drukken met vermelding van lettertype, typografische kenmerken, illustraties met betekenis, watermerken (4 boeken van Goltzius zelf, 4 van Raevardus, 2 van J. de Coras, de zeldzame Novellae van Justinianus, de Moschos, de Leopardus, de Meetkercke, de Pelser, de Lampsonius, de Otho, de Cruquius en de Erasmus). Het vierde hoofdstuk bezorgt een synthese van het papier, watermerk, aan- en verkoop van het papier (met interessante gegevens uit de rekeningen van Plantijn) en oplagecijfers; alle door Goltzius gebruikte lettertypes worden opgegeven met identificering en verwijzing naar Vervliet; een onderzoek van de typografie, die echter wat bij de verschijningsvorm blijft hangen en daardoor de diverse etappen verwaarloost; de illustraties en de initialen (houtsneden en metaalgravuren). Tenslotte onderzocht de auteur de werking van de drukkerij - the first private press (De la Fontaine Verwey) - van Goltzius -. de kopij en het drukken, de financiële problemen; de verhouding Goltzius-Plantijn, (aan- en verkoop van papier en gedrukte boeken) op grond van de rekeningen in het Plantijnmuseum; de plaats die Goltzius in de 16de-eeuwse Brugse boekdrukkunst bekleedt en die bij gebrek aan typografische studie, over de andere Brugse drukkers moeilijk te situeren valt; een kort hoofdstuk gewijd aan het Brugs humanistenmilieu en de nawerking en herdrukken van Goltzius' edities. Een goed gedocumenteerde en geïllustreerde studie.
(33) W. Le Loup, Hubertus Goltzius (1526-1583) Drukker-graveur, (Proefschrift aangeboden tot het bekomen van de graad van licentiaat in de Oudheidkunde en Kunstgeschiedenis, promotor J. K. Steppe), Leuven, 1973, xii-251-iv p. Zie verder in dit tijdschrift de bijdrage van de auteur over H. Goltzius.
138. Het eerste deel van de Type Specimen Facsimiles 1-15 verscheen in 1963, deel II dat thans verschenen is (34) omvat drie nummers. 16. Plantin's specimen van 1567, het oudste in boekvorm, omvat 47 afbeeldingen (45 letters en 2 fleurons) uit zijn Franse periode (1558-70). Deze periode wordt zo genoemd omdat he used chiefly types by Garamont, Haultin, Granjon, Le Be, Danfrie and other French masters (p. 1). 17. Het Folio specimen van 1585 daarentegen brings to light the large part played by the Ghent punchcutter, Hendrik van den Keere, die voor Plantin werkte vanaf 1569 (p. 7). 18. De derde reeks, een aantal losse fragmenten, zijn specimens of types available in the typefoundry of Le Bé in Paris, sent by the second Guillaume Le Bé to Jean Moretus, son-in-law of Plantin (p. 12). De respectievelijk 47, 91 en 30 afbeeldingen, worden door de auteurs van een korte commentaar voorzien. Tenslotte nog een Synoptical table showing occurrences in other type specimens (vanaf deze van Fr. Guyot, c. 1565 tot en met deze van Delacolonge 1773) of the typefaces discussed in this volume.
(34) Type Specimen Facsimiles II. Reproductions of Christopher Plantin's Index sive Specimen Characterum 1567 & Folio Specimen of c. 1585 together with the Le Bé-Moretus Specimen c. 1599 with annotations by HENDRIK D. L. VERVLIET and HARRY CARTER (Type Specimen Facsimiles II (Nos 16-18) General editor JOHN DREYFUS, London, The Bodley Head, 1972, in-folio, ix-15 ff., tabel, platen.
139. Niettegenstaande de uitgebreide literatuur aan de Officina Plantiniana gewijd is L. Voet (35) van oordeel, dat de specifieke drukkersactiviteiten, de bedrijfsorganisatie en de commerciële aspecten van deze officina nog niet voldoende bestudeerd werden. Bijgevolg: The intention has been to survey the activities of the officina in the sixteenth, seventeenth, and eighteenth centuries... maar wegens het uitgebreide materiaal wenst hij zich te beperken tot the time of Christophe Plantin the founder of the firm (p. viii). Een inleidend hoofdstuk (p. 3-16) brengt een overzicht van het beschikbare archiefmateriaal. In de eerste plaats de boekhouding: grand livre, journal vanaf 1558 en vanaf 1563, datum van aanvang van de vennootschap met C. van Bomberghen, een dubbele boekhouding geschoeid naar Italiaans model. Dubbele boekhouding veronderstelt een memoriaal (of diverse register), een journaal en een grootboek van de dubbele inschrijving. In 1567, bij de ontbinding van de vennootschap, zou Plantin vaarwel gezegd hebben aan de dubbele boekhouding omwille van de daaraan verbonden moeilijkheden. Wij begrijpen dan ook niet goed de auteur wanneer hij op p. 5 concludeert dat the journal and the grand livre remained the basis of the system. Vermits het memoriaal (de diverse registers) ook behouden bleef, vraagt men zich af waarin dan precies het onderscheid lag en de reproductie van enkele boekhoudkundige documenten (pl. 3-6) maakt de boekhouding toch niet erg doorzichtig. De aard en de benaming van de diverse boekhoudkundige stukken is niet duidelijk genoeg aangegeven. Ook de balans van 1566, door de auteur samengesteld op grond van archiefstukken, is duister (appendix 1, p. 467). Dit komt ondermeer door de 2 posten books sold en sales, gedeeltelijk uit stok van 1565?, maar die evenals de debiteuren niet in de activa werden opgenomen. Zonder degelijke inventaris zien wij trouwens ook niet goed in hoe Plantin zijn resultaten berekende. Na dit inleidend hoofdstuk begint dan het eigenlijke werk. De structuur van het boek is eenvoudig. Na een onderzoek van het materiaal door de drukker gebruikt: papier of perkament, inkt, letters... volgen de druktechniek, de problemen aan het uitgeven verbonden, de working conditions and industrial relations, de verkoop en het financiëel beleid. Het bedrijf van Plantin - hoe kwalitatief hoogstaand ook - is een typisch kapitalistische onderneming en men ontkomt niet aan de indruk dat de winst primeert in de talrijke som, uiteenlopende transacties van de ondernemer. Het papier. Vermits Plantin alles nauwkeurig optekende en wij zijn gedrukte boeken kennen met een idee over de oplage; de productiesnelheid per pers en per dag (± 1250 vellen) en tien persen (p. 21) tussen 1555-1756 een aanvaardbare basis vormen, kan de auteur ons een tamelijk juiste schatting geven van het enorme papierverbruik. Waar kocht Plantin zijn papier dat de voornaamste kostprijsfactor van het boek vormde? (60-75% volgens de oplage). Drie landen komen in aanmerking: Italië, Frankrijk en Duitsland. Hier bepalen - volgens de auteur -de transportkosten de keus. Vanaf het einde van de 17de eeuw echter komt het papier vooral uit Nederland. In dit hoofdstuk bezorgt Voet ons verder op grond van het archiefmateriaal talrijke preciese gegevens over de papiertransacties. Belangrijker voor ons is het hoofdstuk 4: Type material (p. 51-126). De studie van het typografisch materiaal van een bepaalde drukker bestaat er in te onderzoeken welke letters die drukker gebruikt heeft. In de meeste gevallen gebeurt dit onderzoek door analyse van zijn drukwerken. Het geval Plantin is ietwat anders. Gezien de grote voorraad van typografisch materiaal uit Plantin's tijd nog in het Museum aanwezig, ligt het voor de hand met dit materiaal te beginnen. De artikels van Carter en vooral de Typographica Plantiniana hebben hier baanbrekend werk verricht. Uit de verzameling te Antwerpen kennen wij: de door Plantin gebruikte letters en de letters die Plantin bezat maar die hij niet gebruikt heeft (He seems to have had a veritable mania for collecting punches and matrices, (p. 65) zonder het aspect belegging te vergeten). Zijn drukwerken zullen dus het alzo gevonden resultaat bevestigen. Quid nu de boeken aan Plantin toegeschreven en die zijn naam als drukker niet vermelden? Hier moet vooraf een onderscheid gemaakt worden tussen: het specifieke materiaal van Plantin, het gemeenschappelijke met andere drukkers en dit typografisch materiaal dat Plantin nooit zou gebruikt hebben. Dit probleem van de niet geïdentificeerde drukken is wel het moeilijkste, wordt door de auteur nog niet aangeroerd en zal vermoedelijk behandeld worden in het bibliografische deel dat later zal volgen. In ieder geval vormt het typenrepertorium de basis voor elk bibliografisch onderzoek en Voet zal zeker ook voor dit probleem gesteld worden. Na een algemeen overzicht over typefaces, founts, punches, matrices, strikes brengt Voet ons een synthese van de lettersnijders die voor Plantin gewerkt hebben. Aan de hand van het archiefmateriaal, rijkelijk door de auteur aangewend, ontdekt men tal van interessante gegevens over de relaties tussen de drukker en zijn lettersnijders (bv. met H. van den Keere, de jongere uit Gent, p. 73 sq.), over de technische aspecten aan het vak verbonden, over de behoefte van Plantin om monopolie van zijn type te hebben, over de prijs, enz. Het zijn precies deze gedetailleerde inlichtingen die het anders ietwat lang uitgesponnen boek zo boeiend om lezen maken. Zelfs het gieten van de letters en de problemen van de legeringen worden niet verwaarloosd, want meer dan dit metaal klaar maken deed Plantin vermoedelijk niet; het gieten gebeurde buiten het bedrijf (p. 106). Het volgende deel, gewijd aan The printer's techniques and methods (p. 129-153) neemt als uitgangspunt de tekst over het drukken uit: La première et la seconde partie des Dialogues françois (et flamands) pour les jeunes enfans van 1567 en toegeschreven aan Plantin zelf. Volgen een beschrijving van de drukpers en de werking ervan maar zonder in detail te treden en zich vooral baserend op andere werken (de auteur is werkelijk gepassioneerd om ons overal de prijs op te geven die Plantin betaalde voor zijn materiaal, maar als economist staan wij toch wat sceptisch tegenover de betekenis en het belang van deze prijzenopsomming). Liever hadden wij wat meer commentaar gezien op deze in feite toch zeer summiere en duistere dialoog. Hetzelfde gebeurt met de werkzaamheden van de zetter en zijn benodigdheden (p. 142-153). In het volgende hoofdstuk onderzoekt de auteur meer speciaal de tussenkomst van Plantin in het drukproces. In de eerste plaats de keus van de letter en het corps. Plantin consequently adhered to the traditions of his time when choosing types, in order to avoid the possibly adverse financial consequences of nonconformity (p. 158). In het onderzoek over het formaat van het boek en de impositie houdt de auteur zich terecht aan de uitstekende artikels van Ch. Mortet. Behalve wanneer Plantin strikte opdrachten uitvoerde of tenzij hij verhinderd was door afwezigheid wenste hij steeds een proefblad te zien en tussen te komen in de lay-out van het boek. Interessant zijn verder de statistische gegevens over de evolutie van het formaat van het boek en de oplagegrootte. Hierbij sluit appendix 8 aan: Impositions and Folding Schemes (p. 526-561). Wij vinden er achtereenvolgens voor de folio, quarto, octavo, 12mo, 16mo, 18moformaten de impositieschemas met daarnaast een vel. Op beide worden de pagina's met nummers aangeduid. Deze impositieschema's vindt men in om het even welk handboek voor drukkers en ze vertonen dus niets speciaals, behalve dat de auteur hier geen rekening houdt met de kettinglijnen en de plaats van het watermerk wat het begrijpen voor niet ingewijden zeker niet vergemakkelijkt (vergelijk bv. de schema's in het werk van Gaskell). Bijzonder de impositie bij 16mo en de impositie op halve vellen (work and turn operation p. 537), die regelmatig bij Plantin voorkomt, had toch wat meer uitleg gevraagd (zie hierover Gaskell fig. 60 en de artikels van Mortet). De gegevens van Voet zijn hier wat te abstract, te algemeen; wij mogen ook niet vergeten dat wij normaal uitgaan van gebonden boeken en op grond daarvan de impositie en het formaat moeten bepalen. De signaturen spelen ook een rol en wij vragen ons af of impositie bij vooraf doorgesneden vellen niet voorkomt bij Plantin. In het hoofdstuk gewijd aan de Proofcorrection (p. 174-193) vindt men een lijst van de correctors (vanaf 1563 tot 1764) die voor Plantin werkzaam waren en verder de bespreking van een huishoudreglement van 1607 of 1608 in 1959 door Vervliet uitgegeven. De rest van het hoofdstuk behandelt de manier waarop de correctors werkten en hoe ze betaald werden. Graag hadden wij hier wat vernomen over: het proefblad, het ogenblik in liet drukproces wanneer precies de correctie gebeurde, hoe deze gebeurde, of er een speciale proefpers voorhanden was (zie p. 321), de diverse proefstaten en de eventuele tekstvarianten van eenzelfde editie. De boekillustratie is ongetwijfeld dit aspect van Plantin's bedrijf dat tot op heden het meest bestudeerd geworden is. De synthese (p. 194-243) gewijd aan the engravings Plantin had made to illustrate his own publications is dus zeer nuttig. Plantin drukte in een periode die de overgang kende van houtsnede - naar koperplaatillustratie in het boek en dus de technische moeilijkheden aan de pers gesteld moest oplossen. Is trouwens een van de eerste boeken met kopergravure in de Nederlanden niet precies de Vivae imagines partium corporis humani van 1566 bij hem verschenen? De meeste illustratiespecialisten die voor Plantin werkten waren technicians rather than creative artists (p. 196). Deze sneden naar tekeningen of andere modellen al of niet reeds op het hout of de plaat aangebracht door de ontwerpers. Dit hoofdstuk bezorgt tevens een overzicht van de kunstenaars die voor Plantin en de Moretussen werkten en waaronder wij de voornaamste Antwerpse kunstenaars terugvinden; het archiefmateriaal uit het Museum is trouwens een zeer belangrijke bron voor hun leven (p. 233-241 geeft de List of the Graphic Artists who worked for the Plantin House vanaf 1559 tot in de 18de eeuw). Ook het kleuren, met de hand natuurlijk, en de kostprijs daaraan verbonden worden uiteengezet. De meeste boeken verlieten de drukkerij in losse vellen (in albis), maar op verzoek van de kopers konden ook gebonden exemplaren bekomen worden. Deze werkzaamheid, the binding, was mostly done by specialists outside the house (p. 244). In het korte slothoofdstuk van dit deel wordt tevens een schets gegeven van Plantin's boekbindersactiviteit.
De tweede helft van het boek gewijd aan: Publishing (p. 255-305), Working Conditions and Industrial Relations (p. 309-376) Sales and Finances (p. 379-463) is ongetwijfeld het origineelste deel van dit werk en zeker het belangrijkste ooit over Plantin's bedrijf geschreven. Hier is de auteur perfect thuis en behandelt op meesterlijke wijze het uitgebreide archiefmateriaal. Na een hoofdstuk over Censorship and Privileges (p. 255-268, waar de auteur wel het boekje van Kronenberg Verboden boeken en opstandige drukkers in de hervormingstijd had kunnen vermelden), waarin Voet een overzicht geeft van de godsdienstige en politieke censuur en hoe deze laatste door de drukker in feite gezocht werd om het monopolie van publicatie te verkrijgen, onderzoekt hij in Manuscript and Authors (p. 279-301) de problemen die de manuscripttekst voor de drukker kan stellen. Onleesbaarheid van de kopij, de beslissing en de financiële risico's voor de drukker en de auteur om een bepaalde tekst op een bepaald moment te publiceren, de vergoeding voor de auteur, hetzij in geld hetzij in een zeker aantal exemplaren van zijn boek, het opstellen van indices, de piraatedities, enz. Plantin's bedrijf is vermoedelijk het enige waar men dank zij het archiefmateriaal de arbeidsvoorwaarden zo uitvoerig kan bestuderen. Aan de hand van huishoudreglementen en loonboeken - vooral de livres des ouvriers waarin the work accomplished by each man was noted and the wages paid for it entered (p. 310) en die van 1563 tot 1684 bijgehouden werden - onderzoekt Voet de taakverdeling en de lonen van de diverse arbeiders. In de eerste plaats de zetters, die per stuk, d.w.z. per aantal vormen betaald werden (p. 314). De drukkers, steeds twee per pers met diverse taken (hier interessante gegevens over de kleurendruk bij Plantin, p. 322 sq.), werden ook per stuk betaald (p. 324) d.w.z. per aantal vellen per dag gedrukt. De collators of vergaerders die de vellen plooiden en in de juiste volgorde plaatsten. Op p. 335 vindt men een overzicht van het aantal persen, drukkers en zetters vanaf 1564 tot 1589 en op p. 336 sq. een overzicht van de jaarlijkse lonen van drukkers en zetters over dezelfde periode. De moeilijkheden ontstaan vooral wanneer men deze cijfers probeert te vergelijken met de levensstandaard in Antwerpen in dezelfde periode en daaruit algemene conclusies wenst te halen. Volgen verder nog een overzicht van de algemene arbeidsvoorwaarden (p. 343 sq); de uren, de sancties en beloningen, de opleiding, de tucht, de drukkersvereniging (p. 361 sq) en de organisatie van het ziekenfonds (p. 372 sq). Het volgende belangrijk probleem is how the masters of the Golden Compasses calculated the cost price of their books (p. 379 sq). Twee factoren komen steeds terug en vormen de belangrijkste posten: de prijs van het papier en de lonen voor zetters en drukkers (zie de vb. p. 383-384). Het laatste deel, de verkoop, werd tot op heden het minst bestudeerd. Hoe werd de verkoopprijs bepaald? In functie van de kostprijs zoals blijkt uit de voorbeelden op p. 389 (van 1564 tot 1567) en normaal het dubbel daarvan, maar in bepaalde gevallen bij trage afzet, drie tot vijfmaal deze kostprijs (zie ook de reconstructie van de balans voor 1566 reeds hoger vermeld). Ook de afzet van de door Plantin zelf gedrukte boeken en deze die hij van andere drukkers kocht om voort te verkopen wordt uitvoerig onderzocht (p. 392 sq). Zijn handelsrelaties met het buitenland, vooral met Frankfurt, one of the cornerstones of his enterprise (p. 396), en met Spanje tussen 1571-1576, mogen ons echter niet doen vergeten dat the emphasis under Plantin had been on sales in the Netherlands (p. 405). Ook de publiciteit door middel van fondscatalogi (de eerste is van 1566) wordt aangestipt (ter aanvulling vermelden wij hier: G. Pollard and A. Ehman, The Distribution of Books by Catalogue... based on Material in the Broxbourne Library, Cambridge 1965) zonder de Storage, Packing and Transport (p. 425 sq) te vergeten. Een laatste hoofdstuk behandelt tenslotte de vergoeding aan boekhandelaars en voortverkopers en de leningen die Plantin moest afsluiten om dit enorme bedrijf in leven te houden. Het werk wordt afgesloten met een reeks appendices: de balans van 1566 met de aan- en verkoopstaten van boeken; de aan- en verkoopstaat van boeken voor 1609, voor 1650; de leveringen door en aan Plantin op de Frankfurt Book Fair van Vasten 1579, en van Vasten en September 1609; een overzicht van de verkoop, zowel in de Nederlanden als daarbuiten, van enkele van Plantin's publicaties: de Reynaert de Vos (15661568), de Valerius Flaccus (1566-1568) en de Vesalius-Valverda (1566-1568); de impositieschema's; een zorgvuldig geselectionneerde bibliografie; een uitvoerige en juiste index (p. 581-625) en een Short Title List of Plantinian and Officina Publications and Impressions (p. 626-632) voorbode van de te volgen delen. Het werk is uitstekend gedrukt, smaakvol ingebonden en met 77 mooie foto's voorzien. Herlezen wij ons overzicht en hernemen wij het boek, dan is onze indruk dat wij te kort schieten om de rijkdom ervan weer te geven. De auteur maakt het ons echter niet gemakkelijk om het belangrijke van het minder belangrijke te scheiden. Hieronder verstaan wij bv. de uitvoerige en soms herhalende uitleg van noties die de min of meer gespecialiseerde lezer tot wie dit boek zich toch richt reeds kent of bv. het heruitleggen of overnemen van hetgene dat, hetzij door Voet zelf of door anderen, reeds degelijk werd behandeld. Een korte voetnota kon hier volstaan. Vergeten wij niet dat niettegenstaande zijn aanvankelijke mededeling zich tot Plantin's tijd te beperken, hij in vele gevallen materiaal over drie eeuwen behandelt. Op vele plaatsen zou het boek ook in leesbaarheid gewonnen hebben door het overvloedige materiaal is kleiner type of in voetnota te plaatsen: helderheid, beknoptheid en selectie zijn geen luxe.
(35) LEON VOET, The Golden Compasses. A History and Evaluation of the Printing and Publishing Activities of the Officina Plantiniana at Antwerp in two volumes, II : The Management of a Printing and Publishing House in Renaissance and Baroque, Amsterdam, Van Gendt & Co., 1972 (verschenen 1973), xxi-632 p., 77 platen. Deel 1 verscheen in 1969.
140. - L. VOET (36) schetst in NOORDGOUW het ontstaan van de Polyglot-Bijbel die door Plantin in juni 1572 voltooid werd.
(36) L. VOET, De Antwerpse Polyglot-Bijbel, in Noordgouw, 1973, p. 33-52.
141. - In 1582 vertrokken uit Japan een viertal feodalen, verkeerdelijk als koningen betiteld, naar Rome. Deze zending of ambassadereis was gepland door de Jezuïet A. Valignano, de voornaamste organisator van de missies in het Oosten. Zijn bedoeling was dubbel: enerzijds van de paus Japan als missiegebied voor de Jezuieten te bekomen, anderzijds Europa kenbaar te maken aan de Japanezen en tevens in Europa iets over Japan te laten kennen. De vier jonge gezanten kwamen in 1585 in Rome aan en werden ontvangen door paus Gregorius XIII in publieke audiëntie. Dit bezoek en de ontvangst in Rome wekte de nieuwsgierigheid van het volk in Europa op en gaf aanleiding tot talrijke 16de-eeuwse publicaties. Pamfletten die de rol van de hedendaagse krant vervulden en waarin deze gebeurtenissen verhaald werden. Talrijke brochuren verspreidden dit nieuws in Europa tussen 1585-1557. Het is de bedoeling van A. BOSCARO (37) de nieuwsverspreiding door middel van deze pamfletten te onderzoeken. Haar werk is dus geen bibliografie van al wat verscheen over deze zending, want zij vermeldt slechts deze boekjes die op de titelpagina de aandacht vestigen op deze eerste Japanse ambassade en de audiëntie van de paus. In 1585 verschenen daarover reeds 49 pamfletten, meestal zeer korte. Vanaf 1586 begint dan de geschiedschrijving van dit feit, de publicaties worden dikker, het nieuws interesseert minder en het aantal drukken neemt vlug af. Het boek beschrijft 78 werken chronologisch gerangschikt. Op de linkerbladzijde vindt men de titel, bibliografisch adres, de inhoudsopgave, de voornaamste bibliografische referenties en de bibliotheken waar de meestal zeer zeldzame pamfletten te vinden zijn (met signatuur-opgave). Op de rechterbladzijde komt dan de reproductie van het titelblad. In een eerste appendix vindt men de beschrijving van een editie uit Goa (1588) en een uit Macao (1590). In een tweede appendix vindt men 16 edities die de auteur slechts uit bibliografieën bekend zijn, die ze niet kon localiseren en waarvan sommige zeker nooit bestaan hebben. Een derde appendix toont ons de portretten van de 4 gezanten en hun leider van de hand van U. Monte en een eenbladdruk van 1586 met dezelfde portretten. Volgen een chronologische index, een index van de titels, van de drukkers en uitgevers, van de plaatsen van uitgave en een bibliografie. De meeste drukken zijn uit Italië. Wij tellen er verder 2 uit Antwerpen, 2 uit Douai, 1 uit Luik, 3 uit Leuven. Keren we even terug naar de 78 edities. Nr. 11 is een editie uit Ingolstadt van 1585 waarvan volgens de auteur slechts één exemplaar bekend is (dit uit de Kyoto Library). Gent bezit hiervan ook een exemplaar dat zij niet opgeeft: Res. 868 (6) uit de bibliotheek van J. A. de Thou. Nr. 12 en de herdruk nr. 13: in de Gentse bibliotheek (Hist. 4405) vonden wij een editie die noch gelijk is aan nr. 12 noch aan nr. 13. Ons exemplaar heeft de inhoud van Nr. 13, de herdruk, maar de titelpagina van nr. 12. De beschrijving van Boscaro, die de signaturen niet opgeeft, laat ons geen definitief oordeel toe. Nr. 27 is eveneens in Gent, (Meul. 639 (1)), en ons exemplaar heeft 28 p. (niet 26 p.); hebben wij hier weer een andere editie? Men ziet dus dat én de reproductie van het titelblad én een onvoldoende beschrijving nog niet voldoende zijn om een boek te identificeren. Uit de appendix van de onvindbare edities signaleren we dat nr. 5 te Lyon is (Baudrier III, p. 389). Behalve deze kleinigheden een prettig en nuttig boek dat smaakvol werd uitgegeven.
(37) A. BOSCARO, Sixteenth century European printed works on the Japanese mission to Europe. A descriptive bibliography., Leiden, E. J. Brill, 1973, xx-196 p., gebonden 48 gulden.
142. - Alhoewel de bloeiperiode van de boekenmarkt of -beurs te Frankfurt pas op het einde van de 16de en begin 17de eeuw valt, was deze al veel vroeger beroemd. In 1478 vinden wij er reeds Amerbach. Zelfs nu nog is ze ongetwijfeld de belangrijkste markt van het boek. In de 16de eeuw had deze markt gedurende 14 dagen, tweemaal per jaar plaats: vóór Pasen of de vastenmarkt en de herfstmarkt in september. De drukkers-uitgevers bezochten deze markt om er papier te kopen, letters (stempels, matrijzen) te kopen of te verkopen (bv. Plantin), af te rekenen, enz. Maar de voornaamste reden van hun aanwezigheid daar was ruil - en in mindere mate kopen en verkopen - van nieuwe boeken d.w.z. boeken gedrukt sinds de laatste markt. Vandaar is duidelijk het commerciële belang om met een druk klaar te zijn tegen de volgende foor. Een drukker-uitgever dus die naar deze markt kwam wenste zo snel mogelijk te weten: welke nieuwe boeken er waren; hoe de markt er voor zou zijn, d.w.z. welke afzet het boek te wachten stond (was het van een beroemd schrijver, was het over een actueel probleem ... ); welke boeken hij bijgevolg wenste als ruilmateriaal voor zijn eigen edities zodat de afzet van dit ruilmateriaal even belangrijk was als de afzet van zijn eigen boeken. Het kopen door uitgevers-drukkers is dus niets anders dan een verkopen van hun fondsen. Men ziet onmiddellijk in dat de markt te Frankfurt een groothandelsmarkt is en het aspect rondlopen aan boekenstandjes en een boekje kopen fel op de achtergrond dient geschoven. Essentiëel voor een goed functioneren was dat de toekomstige bezoekers (drukkers-uitgevers) op de hoogte kwamen van wat zou gedrukt zijn tegen de eerstvolgende markt. Daarom werden op voorhand lijsten van de te verwachten boeken door de uitgevers naar hun tussenpersonen op deze markt gestuurd. Daar ligt de echte betekenis van deze marktcatalogi: het is een internationale onderneming, een voorloper van de internationale bibliografie. De drukkers zonden op voorhand de titels (meestal een titelpagina) op, zodat G. Willer in 1564, de eerste die op dit idee kwam, deze titels per rubriek rangschikte en er een katalogus van drukte. Het gevaar, dat niet denkbeeldig was, bestond erin dat deze catalogi weldra boeken zouden vermelden die ofwel niet klaar gekomen waren ofwel nooit zouden verschijnen. Voor het gemak en het gebruik... ad exterorum Bibliopolarum, omniumque rei Literariae Studiosorum gratiam et usum vermeldt de eerste Frankfurter Messkatalog van de septemberfoor 1564 door G. Willer, een boekhandelaar te Augsburg, te koop aangeboden. Het is dus een zeer nuttige onderneming geweest om een van de belangrijkste bibliografische documenten uit de 16de eeuw te reproduceren (38). In een korte inleiding van 2 p. legt de uitgever de nadruk op de zeldzaamheid van de oorspronkelijke documenten. Deze kleine ephemere drukwerken zijn vlug zeldzaam geworden en de verwoestingen van de laatste oorlog deden hun aantal nog verminderen. De uitgevers hadden heel wat moeite om de volledige reeks te kunnen fotograferen, om zelfs in enkele gevallen een volledig exemplaar opnieuw te kunnen samenstellen. De reproductie van de oorspronkelijke kwarto-formaten is goed, ietwat kleiner dan het oorspronkelijke, maar duidelijk leesbaar. Het is de bedoeling van de uitgever om de reeks voort te zetten tot 1600 en zich niet te beperken tot de Willer-lijsten. Het kan hier niet mogelijk zijn - en dit is trouwens reeds herhaaldelijk gedaan (bv. G. Schwetschke, G. Pollard en A. Ehman) - lang uit te wijden over de inhoud en het belang van deze catalogi. Nemen wij de eerste, deze van de herfstmarkt 1564 die 18 p. tekst telt. Zij omvat 256 boeken, gedrukt in 19 steden. Prijzen worden natuurlijk niet vermeld, alleen auteur, titel en formaat. Willer rangschikte de titels in verschillende rubrieken: Libri theologici catholici, Libri theologici protestantium latini et alii, Libri in utroque iure, enz. De Duitse titels zijn in Fraktur de andere in romein of italiek. Geen indices. De rubriekindeling in de volgende catalogi varieert evenals het volume. Drukken uit de Nederlanden, vooral uit Antwerpen en Leuven, komen regelmatig voor en alhoewel de Duitse drukken overheersen had de markt gezien het Latijn, toch een internationaal karakter.
(38) Die Messkataloge Georg Willers, Band I : Herbstmesse 1564 bis Herbstmesse 1573, Band II : Fastenmesse 1574 bis Herbstmesse 1580. Deze beide delen, resp. 535 en 495 p., vormen de eerste twee delen in de reeks Die Messkataloge des sechzehnten Jahrhunderts. Faksimiledrucke herausgegeben von BERNHARD FABIAN, Hildesheim, New York, G. Olms Verlag, 1972-1973, Subsk. DM 98, Ladenpreis DM 118.
143. - Uit de ACTA CONVENTUS NEO-LATINI LOVANIENSIS (39) vermelden wij volgende bijdragen: JOHN H. BATEMAN, The Text of Erasmus' De recta latini graecique sermonis pronuntiatione dialogus (p. 49-75) is een analyse van de maart 1528 en october 1529 edities beide bij Froben te Basel verschenen. Naast een vergelijkende tekststudie is The present paper ... an attempt to illustrate some typical editorial questions pertinent to a text which exists only in printed versions... A chapter in the history of Erasmus' constant struggle with his printers and himself to produce a perfected text (p. 49). RENE HOVEN, Les éditions d'oeuvres de Nicolaas Clénard: Etude bibliographique pour la Bibliotheca Belgica (p. 305-310). Begonnen door L. Bakelants wordt het werk thans voortgezet door Hoven. Schetst de uitgebreidheid en moeilijkheden van de onderneming. PAUL THOEN, Les grands recueils ésopiques latins des xv° et xvi° siècles et leur importance pour les littératures des temps modernes (p. 659-679) is een voortzetting van zijn Aesopus Dorpii (zie onze kroniek 1971, p. 667).
(39) Acta conventus Neo-Latinti Lovaniensis. Proceedings of the First International Congress of Neo-Latin Studies, Louvain 23-28 August 1971, Edited by J. IJSEWIJN and E. KESZLER, Leuven-München, 1973.
144. - Het artikel van J. W. C. VAN CAMPEN (40) gaat over de boekverkoper Judocus of Joost Plasschaert die in de 17de eeuw te Amersfoort werkzaam was. Op grond van archivalia vermoedt de auteur dat deze afkomstig zou zijn uit Gent.
(40) J.W. C. VAN CAMPEN, De Amersfoortse boekverkoper en erfhuismeester Joost Plasschaert, in Flehite, Tijdschrift voor verleden en heden van Oost-Utrecht, 1974, p. 1-8.
145. - L. INDESTEGE geeft een overzicht van de werken van Rosemondt en behandelt breedvoeriger zijn Boecxken vander biechten en zijn Confessionale (41).
(41) L. INDESTEGE. Godschalc Rosemondt en zijn Boecxken vander Biechten, in Versl. en Med. van de K. V.A. voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, nieuwe reeks, Gent, 1973, p. 14-37.
146. - Het artikel van BERT VAN SELM (42) bezorgt ons een viertal onbekende edities van G. Meurier; een verzamelband uit de Stadsbibliotheek Vadiana te St.-Gallen bevat de volgende vijf edities: 1. Propos puerils, 1565; 2. Deviz familiers, 1564; 3. Dialogue, contenant les conjugaisons Flamen-Françoises, 1562; 4. La guirlande des jeunes filles, 1564; 5. Conjugaisons, règles, et instructions, 1558. De nummers 1, 2, 4, 5 verschenen bij Jan Van Waesberghe te Antwerpen (nr. 1 en 5 gedrukt door A. Tavernier); nr. 3 verscheen bij Plantin. De auteur geeft tevens een uitvoerige beschrijving van de vijf werken.
(42) BERT VAN SELM, Some early editions of Gabriel Meurier's school-books, in Quaerendo, 1973, dl. III, p. 217-225.
147. - C. BEUTLER (43) heeft niet de bedoeling de inhoud te onderzoeken van de verhandelingen over de landbouw die vóór 1600 gedrukt werden maar wel leur diffusion á travers l'Europe au xvi° siècle grâce à l'imprimerie (p. 1284). Onderscheid wordt natuurlijk gemaakt tussen de klassieke agronomische teksten (Hesiodus, Virgilius ... ) en deze samengesteld in de 15de en 16de eeuw. Welke plaats nemen bovendien de Franse teksten en hun vertalingen in deze groep in? Twee tabellen; de eerste omvat een overzicht van de Griekse en Latijnse teksten gedrukt tot 1600 (78 % zijn oorspronkelijke teksten, 22 % vertalingen); de tweede omvat een overzicht van moderne verhandelingen gedrukt tot 1600. Deze laatste tabel onderzoekt 27 teksten van 26 auteurs in een zevental talen.
(43) C. BEUTLER, Un chapitre de la sensibilité collective : la littérature agricole en Europe continentale au xvi° siècle, in Annales. Economies. Sociétés. Civilisations, 1973, dl. 28, p. 1280-1301.
148. - Het Antidote (J. K. VAN DER WULP, Catalogus van de tractaten... in de bibliotheek Isaac Meulman, 1866, nr. 811) verschenen onder pseudoniem en zonder vermelding van drukker, plaats of jaartal, wordt door KRAMER (44) gedateerd maart-april 1597. Het pamflet gericht tegen de Ondersoeckinge van Marnix van St.-Aldegonde zou van de hand van Emmery de Lyere zijn. De plaats waar het gedrukt werd kon niet achterhaald worden: Pour la typographie, qui est des plus neutres, on a utilisé un romain fort banal, ainsi qu'un italique qui ne permet pas d'avantage d'identifier l'imprimeur. Le titre montre en outre quatre corps d'une capitale également peu expressive et un fleuron des plus communs (p. 21). Dit kon toch wat precieser gezegd en vergeleken worden met andere pamfletten uit die periode.
(44) C. KRAMER, Emmery de Lyere et Marnix de Sainte Aldegonde... Academisch proefschrift, Den Haag, M. Nijhoff, 1971.
149. - De doctoraatsverhandeling van W. WATERSCHOOT (45), het eerste deel tenminste, is een bibliografische analyse gewijd aan de 89 vellen van de polyglotte lofdichten die samen de PW van Jan van der Noot vormen. Deze vellen, als afzonderlijke publicaties bedoeld en dus los verkrijgbaar, verschenen doorgaans zonder drukkersadres te Antwerpen tussen 1580-1595. Zij bestaan uit 28 vellen door Gilles van den Rade in de periode 1580-1585 gedrukt; 6 vellen door D. Vervliet, die daardoor een nieuwe reeks begint, in 1588 gedrukt, terwijl de overige 55 vellen afwisselend, tussen 1589-1595, bij D. Vervliet en A. s'Conincx gedrukt werden. Naast de diverse verzamelingen van losse vellen bestaan ook een deel exemplaren der PW in boekvorm door de auteur zelf intentioneel samengebracht. Het voornaamste deel van het werk van Waterschoot bestaat uit een onderzoek van die 89 vellen; uitvoerig wordt elk vel volgens een vast schema behandeld (inhoud, lettertype, watermerk ...), want deze worden immers als afzonderlijke bibliografische eenheden beschouwd. Het doel van dit uitgebreide onderzoek is niet zozeer de datering van de afzonderlijke gedichten maar vooral de identificatie van elk vel en de ordening hiervan binnen het geheel der bewaarde bladen (p. 14). Na de analyse van deze afzonderlijke vellen volgt dan een overzicht van de samenstelling en volgorde van de vellen in de 42 bundels der PW in openbare bibliotheken aanwezig.
(45) W. WATERSCHOOT, De "Poeticsche Werken " van Jan van der Noot. Analytische bibliografie en tekstuitgave, (Proefschrift, voorgelegd tot het verkrijgen van de graad van doctor in de Letteren en Wijsbegeerte, groep Germaanse Filologie), Gent, 1972 (Gestencild).
150. - D. DEVOTO (46) bezorgt een short-title overzicht van alle Spaanse, Italiaanse, Franse en Nederlandse exemplaren (tekst, vertalingen en bewerkingen) van de Amadis de Galia-roman aanwezig in Parijse bibliotheken. De lijst vermeldt talrijke edities uit onze gewesten en vormt een uitstekende aanvulling voor de Amadis-bibliografie van de 16de/begin 17de eeuw.
(46) DANIEL DEVOTO, Amadis de Galia, in Bulletin Hispanique, Bordeaux, 1972, dl. 74, p. 406-435.
151. - Na de mededelingen over Levinus Lemnius in het Archief van 1971 verschenen (zie kroniek p. 784 in AB van 1972) volgt thans een beschouwing over leven en werk van de zoon Willem Lemnius (47). Hiervan zijn slechts vier publicaties bekend.
(47) C. M. VAN HOORN, Levinus Lemnius en Willem Lemnius, twee zestiende-eeuwse medici. Tweede gedeelte, in Archief 1972 en 1973. Mededelingen van het koninklijk zeeuwsch genootschap der wetenschappen, Middelburg, 1973, p. 117-150.
152. - In het overzicht van de middeleeuwse Aristoteles-commentatoren (48) vinden wij, voor deze aflevering, R. Agricola. Schr. geeft de lijst van alle 16de-eeuwse edities van de De inventione dialectica.
(48) CH. H. LOHR, Medieval Latin Aristotle Commentaries. Authors: Robertus-Wilgelmus, in Traditio, 1973, p. 93-197.
153. - Tussen mei 1525 en begin 1526 schreef L. Vives te Brugge zijn De subventione pauperum. De eerste editie - zeer foutief - verscheen 17 maart 1526 bij H. de Croock te Brugge (NK 4066). De tweede editie, bij dezelfde drukker, verscheen in sept. 1526 met een errata corrige en enkele annotaciunculae van J. Moyard. Het is deze die als editio princeps diende voor de latere uitgaven. A. SAITTA (49) in een lange inleiding (p. v-lxxxv), die zich vooral baseert op de werken van Bataillon, De Vocht en de vertaling met bibliografie van Casanova, geeft alles wat men moet weten over de redactie, de achtergrond en de betekenis van deze tekst. Over de bibliografie van de edities en de vertaling geeft hij het essentiële zonder de B.B. te vermelden noch een systematisch overzicht te bezorgen. Nuttig is de weergave van enkele inleidingsteksten o.a. van de Italiaanse vertaling van 1545. In het tweede deel volgt dan de volledige tekst van de tweede (?) editie met de nota's van J. Moyard.
(49) L. VIVES, De subventione pauperum. Introduzione, testo e appendice a cura di Armando SAITTA (Biblioteca di Studi superiori, XXIX), Florentië,"La Nuova ltalia" Editrice, 1973, LXXXV-101 p., 3200 lire.
154. - Het is een uitstekend initiatief de aanwezigheid van de belangrijkste en zeldzaamste boeken uit de Mr. H. Bos-bibliotheek van de Vrije Universiteit te Amsterdam bekend te maken. Twee afleveringen verschenen reeds, elk gegroepeerd rond een bepaalde figuur, korte beschrijving, herkomstvermelding, band en bibliografische referenties (50).
(50) Bibliotheek Vrije Universiteit Amsterdam. Aanwinsten uit de Mr. Bos-Bibliotheek, Aflevering 1 : Martin Luther, 155 nummers, april 1973, Aflevering 2 : Jean Calvin, Théodore de Bèze, 304 nummers, maart 1974.
155. - Het boekje over Mameranus (51), die in Keulen van 1550 tot 1560 drukte, omvat een korte biografie van deze drukker en een uitvoerige lijst van zijn 19 gekende drukken.
(51) EMILE VAN DER VEKENE, Heinrich Mameranus. Ein Luxemburger Drucker des 16. Jahrhunderts in Köln, Luxemburg, Sankt-Paulus-Druckerei, 1973, 34 p.
156. - Naar aanleiding van het verschijnen van het Liedboek van de kerken ('s-Gravenhage 1973) heeft de Provinciale Bibliotheek van Zeeland een tentoonstelling gehouden gewijd aan de ontwikkeling van het Nederlandse kerklied sinds de Reformatie tot op heden. Te dier gelegenheid verscheen een catalogus met een 200 tal nummers waarvan een tiental drukken uit de 16de eeuw (52).
(52) Jubilate Deo. Het Nederlands Kerklied sinds de Reformatie. Abdij, Middelburg, mei-augustus, 1973.Provinciale Bibliotheek van Zeeland, 59 p.
157. - M. Breslauer, Londen, in Gemeinschaftskatalog Deutscher Antiquare, 12, sept. 1973, p. 13: Novum Instrumentum, ed. Erasmus, Bazel, J. Froben, 1516, 32.000 DM,
158. - Dawsons of Pall Mall, Londen, Cat. 242, (nov. 1973). 145, Jacobus Comes Purliliarum, De generosa educatione liberorum, Treviso, G. de Lisa de Flandria, 11 sept. 1492, BMC VI 885, 390 pond.
159. - Deighton Bell, Cambridge, Cat. 145, (dec. 1973). 262, Plato, Minos, Leuven, R. Rescius voor B. Gravius, 31 maart 1531, NK 1730, 35 pond.
160. - Domizlaff, München, Dec. 1973, Murmellius. J., Epistolarum moralium liber, Deventer, A. Pafraet, 1513, NK 1556; idem, In Aristotelis decem praedicamenta isagoge, Deventer, A. Pafraet, 1513, NK 3559; Montanus, P., Satyrae, [Zwolle, P. Os van Breda, c. 1507], NK 1536. Deze verzamelband werd door de Gentse Universiteitsbibliotheek voor 5700 DM aangekocht.
161. - Erasmus, Amsterdam, cat. 299 (oct. 73). 215, San Pedro, Diego de, Carcel de amor. La prison d'amour. Espaignol et François..., Ant., J. Richart, 1556, 450 gulden.
162. - Gilhover en Ranschburg, Luzern, cat. 58 (dec. 1973). 47, Libellus de modo confitendi el poenitendi, (Deventer, J. de Breda, ca. 1498-99), Ca 1146, 2400 Zw. Fr.
163. - Goldschmidt, Londen, Cat. 150, II, (dec. 1973). 62, Goltzius, H., Le vive imagini..., Antw., G. Coppens van Diest, 1557, B.B.G 382, 585 pond. 63, idem, Fastos magistratuum... Brugge, H. Goltzius, 1556? (voor 1566), B.B.G 386, 685 pond. 137, - Spelen van sinne... Ant., W. Silvius, 1562, de 2 delen, B.B.S. 224, volledig (!) en zeer goed exemplaar, 2.500 pond.
164. - De Graaf, Nieuwkoop, Cat. 28 (mei 1974). 28, [Thourin, G.], Institutio et erectio Seminarii Clericorum in civitate Leodiensi... Luik, Ch. Ouwerx, 1592, 465 gulden. 52, Cieza de Léon, P., La chronica del Peru, Ant., M. Nutius, 1554, Peeters-Fontainas 256, 1500 gulden. 53, Garcia da Orta-Clusius, Aromatum ... historia, Ant., Ch. Plantijn, 1567, B.B. O5, 1350 gulden. 57, Epistolae Indicae ... Leuven, R. Velpius, 1566, 1400 gulden.
165. - Hartung & Karl, München, Veiling 8, (28 mei 1974). 168, Verzamelband waarin opgenomen: Lescherius, P., Rhetorica pro conficiendis epistolis, Delft, [Ch. Snellaert], 14 jan. 1496, Ca 1105a.
166. - M. Hertzberger, Baarn. Cat. 273, (sept. 1973). 280, M. de l'Obel, Icones stirpium, Ant., Ex off. Plantiniana, 1591, B.B.L 121, 3700 gulden. 281, M. de l'Obel, Plantarum seu stirpium historia, Ant., Ch. Plantijn, 1576, B.B.L 118a, 4.000 gulden. Cat. 275, (feb. 1974). 9, Cordiale quattuor novissimorum, Deventer, R. Pafraet, 16 dec. 1494, Ca 1308, 2700 gulden. 10, Cyprinus, Opera, Deventer, R. Pafraet, (1477-1479), Ca 520, 9000 gulden. 11, Dandulo, F., Compendium..., Ant., M. Van der Goes, (1486-91), Ca 523, 2500 gulden. 15, Gregorius de Grote, Homiliae in Ezechielem, Brussel, Fratres V.C., (1476-1477), Ca 853, 20.000 gulden (zeer breed exemplaar met de oorspronkelijke MS signaturen uit de Ch. Nichols en Raggey coll.). 17, Haedus, P., Anterotica, Treviso, G. de Lisa, 1492, 2300 gulden. 23, Libellus de modo confitendi... (Deventer, J. van Breda, 20 nov. 1496-), Ca 1146, 3200 gulden, 28, Pius II, Epistolae, Leuven, J. de Westfalia, 1483, Ca 23, 8600 gulden. 120, L'Obel, M. de, Plantarum... icones, Ant., Ch. Plantin, 1581, B.B.L 120, 4000 gulden.
167. - N. Israel, Amsterdam, Cat. 15, (oct. 1973). 42, Cordiale quattuor novissimorum, Deventer, R. Pafraet, 1485, Ca 1299, 5400 gulden. 45, Cyprianus, Opera, Deventer, R. Pafraet, 1477-1479, Ca 520, 7500 gulden. 53, Defensorium fidei... Utrecht, N. Ketelaer en G. Leempt, 1474, Ca 558, 14.500 gulden. 56, Dodoens, R., Historia vitis vinique, Keulen, M. Cholin, 1580, B.B.D 116, 875 gulden.
168. - P. Jammes, Parijs, Cat. 222 (nov. 1973). 441, J. L. Vives, De ratione dicendi, Leuven, R. Rescius voor B. Gravius, 1533, NK 2173, 400 F. 437, Campson, Pierre-Philicinus, Petrus, De clade Hannoniae et Binchio obsesso... Ant., M. Crom, 1543, 1850 F. 3197, Fr. Titelmans, Compendium physicae ad libros Aristotelis de naturali philosophia... Parijs, M. Roigny, 1577, (niet bij de Troeyer), 225 F.
169. - Lathrop C. Harper, New York, Cat. 212, (sept. 1973). 73, Die excellente Cronike van Vlaanderen, Antwerpen, W. Vorsterman, 1531, 2 dln. NK 659, 975 dollar. 74, S. Franck, Chronica, Tytboeck... s.l., s.n., 1558, cont. band, 975 dollar. 86, H. Goltzius, C. I. Caesar, Brugge, H. Goltzius, 1562-1563, B.B.G 385, 1.850 dollar. 123, J. Murmellius, In artis componendorum versuum rudimenta tabulae, Deventer, Alb. Pafraet, 1518, NK 3589, 850 dollar. 165, H. Schottenius, Instructio prima puerorum, Antwerpen, M. de Keyser, 1530 NK 4402, 1.350 dollar. 191, J. de Turrecremata, Quaestiones, Deventer, R. Pafraet, 1484, Ca 1693, 1250 dollar. Idem, Cat. 213, (nov. 1973). 6, Apianus, Libro de la cosmographia, Ant., G. Bontius, 1548, (Ortroy 37), 425 dollar. 60, Erasmus, Morie encomion, Duitse vertaling door S. F von Wörd, [Ulm, H. Varnir, 1534], zie B.B.E 968 en 969, 750 dollar. 152, Terentius, Phormio, Deventer, A. Pafraet, feb. 1518, (niet in NK) 950 Idem, Cat. 215, (april 1974). 202, L'Obel, M. de, Kruydtboeck ... Antw., Ch. Plantijn, 1581, B.B.L 119, 2500 dollar. Idem, Cat. 216 (juli 1974). 80, H. Goltzius, C. I. Caesar, Brugge, H. Goltzius, 1562-1563, B.B.G 385, 2.500 dollar. Het voordeksel van de kalfslederenband vermeldt: Clarissimo prudentissimoq. Gaspari Scheto domino a Grobbendonck Philippi Hispaniarum Regis thesaurario Hubertus Goltzius Herbipolita Auctor D.D. en onderaan Anno MDLXIII. 115, J. Lipsius, Electorum liber I, Ant., Ch. Plantijn, 1580, 600 dollar met de vermelding op titelblad Dono Dni Plantini decemb. 79. (geantidateerd presentatie-exemplaar).
170. - Notebaart, Amsterdam, Cat. 131 (dec. 73). 9, Vier werken van David Joris, s.n., 1553-1556, Van der Linden, 61, 111, 59, en 216, 2500 gulden.
171. - M. Nijhoff, Den Haag, Cat. 842, (oct. 1973). 323, Guicciardini, L., Descrittione di tutti i Paesi Bassi, Ant., W. Silvius, 1567, 4500 gulden. 414, Bochius, I, Descriptio publicae gratulationis, spectaculorum et ludorum, , in adventu principis Ernesti archiducis Austriae, Ant. ex off. Plantiniana, -1595, 1150 gulden.
172. - Olschki, Firenze, Cat. 155, (dec. 1973). 23, Haedus, P., De amoris generibus, Tarvisii, G. de Flandria, 1492, 450.000 lire.
173. - J. Rodgers, Londen, Cat. 5, (jan. 1974). 71, Erasmus, Enchiridion militis christiani, whiche may be called in englysshe... Londen, Wynken de worde for J. Bydell, 12 feb. 1534135, (B.B.E 1108), 750 pond.
174. - Rossignol, Parijs, Cat. 159, (feb. 1974). 193, Missale Traiectense, Antwerpen, H. Peetersen van Middelburch, 1540, NK 1531, 7500 fr. (rel.orig.).
175. - W. Salloch, Ossening, N.Y. Cat. 308, (oct. 1973). 53, Datus, A., Elegantiolae, Deventer, R. Pafraet, 1489, Ca 530a, 2.000 dollar. 156, Mosellanus, P. Paedologia, Antw., J. Grapheus voor G. Bonte, feb. 1532, NK 1552, Antw., 250 dollar. 191, Quintus Calaber, Derelictorum... libri XIV, Ant., J. Steels, 1539, NK 1776, 225 dollar.
176. - Schäfer, Zurich, Cat. 9, (feb. 1974). Enkele zeldzame drukken betrekking hebbend op keizer Karel en enkele zeldzame Erasmiana. 29, J. Clichtoveus, Antilutherus, Parijs, S. de Colines, 13 oct. 1524, B.B.C 444, 2.400 Zw. fr.
177. - Stuttgarter Antiquariat, Stuttgart, Cat. 79 (maart 1974). 7, Andreas de Escobar, Tractatus de confessione... Deventer, R. Pafraet, 1 oct. 1490, Ca 1235, 1450 DM. 13, Rolevinck, W., Facsiculus temporum (in het nederlands), Utrecht, J. Veldener, 14 feb. 1480, Ca 1479, 8800 DM.
178. - Stuttgart, 13. Stuttgarter Antiquariatsmesse, 1974. Enkele zeldzame Erasmusdrukken waaronder: Moriae encomium, Straatsburg, M. Schürer, aug. 1511, B.B.E 840 (9.500 DM). Verder, p. 26: Bartholomaeus Anglicus, De proprietatibus rerum, Keulen, Drukker van de Flores Sancti Augustini (= W. Caxton en J. Veldener), 1471-72, (GW 3403), 300.000 DM. Vesalius, Twee anatomische houtsneden, eenbladdrukken, Venetië, J. A. Niccolini da Sabio voor G. B. Pederzani, 1539, 47.500 DM. Ortelius, A., Theatrum orbis terrarum, Ant., G. van Diest, 1571, (Koeman Ort. 3), 23.500 DM.
179. - A. Thomas, Londen, Cat. 31, (nov. 1973). 95, Novum Testamentum, ed. Erasmus, Bazel, J. Froben, feb. 1519/22, tweede ed. van de Griekse tekst, 100 pond. 101, La saincte Bible en francoys, Ant., M. Lempereur, 1534, NK 419, 1500 pond. 110, Erasmus, Paraphrase upon the newe testament, translated by N. Udall, London, E. Whitehurche, 1548-1549, STC 2854, 150 pond.
180. - Tulkens, Fl., Brussel, 1973. La saincte bible.... Ant., A. des Gois voor A. de la Haye, 1541, 32.500 f., 1973, J. Cassianus, Collationes patrum, [Brussel, Broeders van het Gemene Leven, 1476-77] Ca 399; Polain 1015; rode rubricering en lombarden; Ex-libris in 15de eeuwse hand: Iste liber pertinet Regularibus leodii domus bonorum puerorum. 90.000 F. 1973, Spelen van Sinne, Ant., W. Silvius, 1562, B.B.S 224, (volledig en in perfekte staat), 95.000F.
181. - Venator, Keulen, Veiling van 2-4 oct. 1973. 460, Brandt, S., Nauis stultorum oft der sottenschip... Antwerpen, J. van Ghelen, 1584. 512, Vesalius, A., Anatomia Deudsch, Nürnberg, J. P. Fabricius, 1551.


Go Top
     
     
Over deze site   Home page: www.boekgeschiedenis.be
Ontwikkeling © Johan Hanselaer
Laatste aanpassing: