Kroniek


1975-1976

 
     
     
VWB
Overzicht
 
182. - De tentoonstelling die begin 1975 te Parijs plaats had was gewijd aan het boek in het dagelijks leven (1). Achtereenvolgens behandelt de catalogus, La vie á la maison (boeken en prenten over lichamelijke verzorging, tafel, keuken en tuin), Les sources du savoir (onderwijs, leren lezen, schrijven, tellen en vreemde talen), La vie en société (godsdienstige gebruiken, occultisme, etiquette, beroepen, reizen), Les plaisirs et les jeux (gezelschapsspelen, sport, jacht). Uitgebreid thema dat goed ontwikkeld en voorgesteld werd. Naast talrijke handschriften vindt men meerdere incunabelen en 16de eeuwse drukken.
(1) Bibliothèque Nationale. Le livre dans la vie quotidienne, Parijs, 1975, xi-180 p. De notities over de gedrukte werken zijn van A. LABARRE.
183. - M. KEYSER bezorgt een kort overzicht over het gebruik van de computer bij de beschrijving van oude drukken (2). Over deze toepassing verzamelden wij reeds wat materiaal uit binnen- en buitenland, meestal op het niveau van projecten, en wij hopen naar aanleiding van een of andere practische realisatie hier uitvoerig op terug te komen. We kennen wel de moeilijkheden voor de practische uitvoering, maar de bibliograaf is hier echter te veel afhankelijk van technici om vooruit te komen.
(2) M. KEYSER, Het gebruik van de computer bij de beschrijving van oude drukken in de Universiteitsbibliotheek-Amsterdam. Een voorlopig verslag, in Bibliotheekinformatie, 1975, nr. 12, p. 8-12.
184. - In onze kroniek van 1974 hebben wij op de verdiensten, het nut en het hoogstaand niveau van de delen I en II van de ABHB gewezen. Thans, bij het verschijnen van deel III, 1972 publicaties, dat wij in october 1974 ontvingen stellen wij met genoegen vast dat hetzelfde kan herhaald worden. Wanneer dit werk verder blijft verschijnen zal men hiermee over een uitzonderlijke bron van documentatie beschikken. Deel III (3) omvat 2800 entries (I, 2500; II, 2600); deze aangroei is vooral te danken aan Oost-Duitsland, Hongarije, Polen, Roemenië en USSR. Nuttige uitbreiding, maakt de bibliografie internationaal, maar als bibliothecaris hebben wij niet veel illusie over de mogelijkheid de artikels uit tijdschriften in deze landen verschenen alhier te bekomen. De medewerking van Italië ontbreekt nog steeds wat een belangrijke lacune is; de USA zal, volgens de mededeling van de uitgever D. L. VERVLIET, vanaf deel IV medewerken. Ook de lijst van de onderzochte tijdschriften groeide sterk aan zodat men zich zelfs afvraagt welke criteria hier aangewend werden. Alleen de godsdienstige en theologisch geörienteerde periodieken ontbreken nog wat, alhoewel daar, evenals in deze gewijd aan de geschiedenis van de wetenschappen die ook matig vertegenwoordigd zijn, heel wat bibliografisch materiaal voor de rubriek M te vinden valt (De Gulden Passer werd nog niet vermeld, noch Moreana en Imprimatur). Het systeem van indelen, eerst de algemeenheden, daarna per eeuw, daarna per land en opnieuw per eeuw heeft tot gevolg dat vele gegevens twee- tot driemaal, kort na elkaar soms, vermeld worden. Dit stoort wat, doet het werk aangroeien en duurder worden en wat is het uiteindelijke nut daarvan? Ook bij de keus van de op te nemen boekbespreking moet kritischer te werk gegaan worden. Dat onze kroniek niet vermeld wordt is begrijpelijk maar waarom dan talrijke andere besprekingen wel opnemen die ook maar loutere parafrasen zijn? Een bibliografie, hoe omvattend ook, moet een minimum kritisch en selectief zijn. Enkele kleine aanvullingen tenslotte. Onder nummer 891 vindt men de vermelding uit de Times, maar de degelijke catalogus zelf had toch aangehaald kunnen worden : FRANK, Hieronymus, Oberrheinische Buchillustration, Inkunabelholzschnitte aus den Beständen der Universitätsbibliothek [Basel], Bazel, 1972. Verder : S. M. EWARD, A Catalogue of Gloucester Cathedral Library, Gloucester 1972. A. LABARRE, Répertoire bibliographique des livres imprimés en France au seizième siècle, Douai, Baden-Baden, 1972. Erasmus, Colloquia in de nieuwe editie, nuttig voor de bibliografische inleidingen, Amsterdam 1972. Colloquia Erasmiana Turonensia, Parijs, 1972, bevat talrijke bijlagen die gereleveerd moesten worden. S. CORDIER, Ch. Plantin, Parijs 1972. L. VOET, De Polyglot-Bijbel in Antwerpen, 1972. M. POLLAK, The performance of the wooden printing press in The Library Quarterly, 1972.
(3) ABHB. Annual Bibliography of the History of the Printed Book and Libraries, Volume 3 : Publications of 1972 and additions from the preceding years, Den Haag, M. Nijhoff, 1974, X, 289 p., 105 gulden.
185. - Vestigen wij de aandacht op de volgende uitvoerige bibliografie (4). Book production and distribution, kolom 925-1006, van NICOLAS J. BARKER. Zeer nuttig, beperkt zich niet tot de Engelse literatuur maar wel tot de boeken in het Engels geschreven en de oudere in het Latijn. Humanists and reformers, kolom 1781-1826, voor de Engelse edities o.m. van Erasmus, More, Tindale, ... van J. K. McCONICA. The English Bible, kolom 1826-1914 van C. B. L. BARR vermeldt ook de edities van de Bijbel in het Engels (volledige Bijbels en afzonderlijke delen) op het vasteland verschenen.
(4) The New Cambridge Bibliography of English Literature, edited by G. WATSON, Cambridge, 1974.
186. - Het boekje van MANTECON (5) omvat twee alfabetisch gerangschikte lijsten. De eerste Nombres latinos-nombres actuales geeft de benaming van de steden in het Latijn gevolgd door de hedendaagse benaming. Voor zeer vele plaatsen wordt ook de datum van de eerste druk vermeld. De tweede lijst Nombres actuales-nombres latinos geeft de omgekeerde schikking. Dit goed opgestelde boekje is nuttig omdat de andere repertoria over dit onderwerp ofwel te oud zijn ofwel te uitgebreid en dus te duur uitvallen voor een handbibliotheek. Uit de inleiding en uit het werk blijkt dat de auteur de voornaamste boeken over het onderwerp uitvoerig gebruikt heeft.
(5) J. I. MANTECÓN, Indice de nombres latinos de citidades con imprenta 1448-1825, (Instrumenta bibliographica, 2), Mexico, Unam, 1973, 143 p.
187. - Het tweede deel van de tentoonstellingscatalogus : Gent. Duizend jaar kunst en cultuur (6) omvat, naast een overzicht over de borduurkunst, de edelsmeedkunst en de miniatuurkunst, een schets van de boekdrukkunst en van de boekbanden te Gent vanaf de 15de eeuw tot op heden.
(6) Gent, Duizend jaar kunst en cultuur, Bijlokemuseum, 21 juni-31 augustus 1975. 396 p. en 90 afbeeldingen (J. MACHIELS, De boekdrukkunst te Gent, p. 1-113; A. DEROLEZ, Boekbanden, p. 116-210).
188. - DACHS en SCHMIT (7) vragen zich af of er een mogelijkheid bestaat een ietwat precies getal te bekomen van het aantal incunabeledities. Zij onderzoeken de in het verleden vooropgestelde cijfers uitgaand van de verschenen incunabelcatalogi. De beste bron is natuurlijk de GW maar deze gaat slechts tot Faber. Zij schatten deze 9729 nummers als 36, 9 % van de totale incunabeledities. Zo stellen ze 27000 voor als orientatiegetal wat ons ver verwijdert van de courante schatting van 40000. Uitgaand van 27000 en van de Campbell-Hellinga aanvullingen kan men zich alzo een idee vormen van de betekenis van de incunabeledities uit de Nederlanden.
(7) K. DACHS en W. SCHMIT, Wieviele Inkunabelausgaben gibt es wirklich? in Bibliotheksforum Bayern, München, 1974, 2, p. 83-95.
189. - Na de catalogi van Würzburg (1966), Eichstätt (1968), Neuburg/Donau en Ottobeuren (1970) bezorgt I. HUBAY ons thans de catalogus van de verzameling van de stads- en staatsbibliotheek Augsburg (8). In 1537 bezat Augsburg reeds een stadsbibliotheek die, toen de dominicanen en karmelieten als gevolg van de reformatie hun kloosters verlieten, flink aangroeide. Maar het was vooral de secularisatie in de 19de eeuw die haar fondsen vermeerderde, onder meer door de inlijving van de bibliotheken van de jezuïeten en benediktijnen (niet vooraleer het beste vooraf uitgenomen werd om naar de bibliotheek in München gestuurd te worden). Dit verklaart waarom Augsburg zelf maar een derde (circa 335 drukken) bezit van al wat in deze stad vóór 1500 gedrukt werd. Naast die bronnen dienen ook nog vermeld de geïncorporeerde verzamelingen uit de omgeving (bv. uit Irsee vanwaar 250 incunabelen uit het benediktijnerklooster kwamen) en deze tenslotte van privaat verzamelaars uit de stad zelf. Het hoeft ons dus niet te verwonderen dat van de 2162 incunabelen (2720 met doubletten) in dit fonds het grootste gedeelte afkomstig is uit het Duitse spraakgebied. Nochtans, Augsburg als stad van internationale handel, bezit ook talrijke buitenlandse incunabelen. In de eerste plaats komt hier natuurlijk Italië, terwijl deze in Frankrijk en in de Nederlanden gedrukt relatief weinig talrijk zijn. Voor Lyon en Parijs telt men er elk een 25tal, één zeldzame uit Toulouse en voor ons gebied, zo dadelijk meer hierover. In de inleiding schetst Hubay verder het belang van de verzameling, vestigt de aandacht op enkele unica en op een tweetal bibliofielen wier verzamelingen goed vertegenwoordigd zijn te Augsburg : Andreas Beham de oudere en Konrad Peutinger. Van deze laatste kwamen, langs de jezuïeten om, in 1715 200 inkunabelen uit zijn bibliotheek in de stadsverzameling terecht.
Na die inleiding en de lijst van de referentiewerken begint dan de eigenlijke catalogus (p. 1-498). Hetzelfde model volgend als de andere catalogi van Hubay komen in alfabetische volgorde de korte beschrijvingen van de 2162 incunabelen. Het is opvallend dat er zo weinig incunabelen in haar lijst voorkomen die tot nog toe onbekend of onbeschreven waren. Zijn ginds alle moeilijke gevallen opgelost? Dit verklaart ook de grote snelheid waarmee zij haar werk afmaakte en de vlugge opeenvolging van de diverse catalogi. In veruit de meeste gevallen bestond haar taak in het opzoeken in de repertoria en het vergelijken van de reeds herhaaldelijk beschreven incunabelen. Zij vermeldt auteur en vereenvoudigde titel, plaats van drukken, drukker met datum van druk; de gegevens komen tussen [ ] bij toeschrijving zoals de regel voorhoudt. Volgen daarna enkele referenties naar de voornaamste repertoria. Tot aan nr. 793 steeds naar de GW, daarna, bij gebreke hiervan, naar de BMC. Maar ook Hain, Goff bijna altijd, en de Indice worden vermeld. Steeds geeft Hubay de herkomstvermeldingen op, de aard van de inhoud, de signatuur in de bibliotheek, welke ff ontbreken en of het boek deel uitmaakt van een verzamelband. Afwijkingen ten opzichte van de GW beschrijvingen worden ook gesignaleerd. Vermits de zeldzame of unieke exemplaren uiterst schaars vertegenwoordigd zijn moet de gebruiker van deze catalogus dus niet een groot aantal nieuwe beschrijvingen verwachten. Deze komen voor (bv. 835, 861, 1094, 1437) en bekomen in dit geval een grondige beschrijving, maar de waarde van dit boek is, volgens ons, niet in de eerste plaats op het bibliografisch niveau gelegen maar eerder op een meer cultuur-historisch vlak, nl. Augsburg en haar bibliotheek. Welke is de verzameling, wat bevat ze, hoe is ze gegroeid, en het is duidelijk dat de betekenis en het aandeel van de incunabelen uit onze gewesten hier slechts onbeduidend zal zijn.
Uit de Nederlanden vermeldt de catalogus volgende drukken. Antwerpen, G. Leeu, Ca 563; Brussel, Fratres vitae communis, Breviarium Carmelitarum, 16 mei 1480, Ca 364 (III); dit versierde exemplaar vermeldt dat het door Oswald Kalss, onderprior bij de Karmelieten te Wenen, in 1486 aangekocht werd en op f. m1b vindt men het wapen van dit klooster; Deventer, 4 drukken van R. Paffraet, Ca 659a Ca 744 met kolofon, Ca 1442, Ca 1648; en 6 van J. van Breda, Ca 48, Ca 779 (met datum van Hellinga), Ca 912a, Ca 1292, Ca 1668, Ca 1708; Leuven, J. van Westfalen met 8 drukken, Ca 391, Ca 815, Ca 801b, Ca 1044 in een zwijnslederen band uit de kloosterwerkplaats van SS. Ubrich en Afra Augsburg, Ca 914, Ca 1189 (idem zwijnslederenband uit zelfde klooster). Ca 1407, Ca 1470 (idem zelfde band, vgl. de opmerking van Polain 3323 over katerne e); Eg. van der Heerstraten met 3 drukken, Ca 260, Ca 294, Ca 250; L. de Ravescot, Ca 1405; D. Martens, Ca 1674; en tenslotte een Donatusfragment in het Speculumtype, GW 8792. Vanaf p. 499 tot 521 hebben wij de index van de herkomsten. Signaleren wij daaruit : H. de Clusius, secretaris van de bisschop van Cambrai R. de Croy; Georgius de Zelle uit Leuven, arts (phisicus) van Karel V, die de Practica van Valascus de Tarenta in 1514 te Pavia verworf. De bladzijden 522-536 geven de drukkers- en uitgeversindex, gevolgd door de index van de boekbinders (p. 537-541). Vermeldenswaard is nr. 1827, een band met een motief dat voorkomt bij de Antwerpse binder W. de Backere en nr. 612 een band van Johannes de Dutche uit Brussel. Tot slot volgen nog de GW en de Hain concordantie, en de lijst van alle verzamelbanden met de aanduiding van de incunabelen die elke band bevat. De uitgave en druk van het boek is verzorgd.
(8) Ilona, HUBAY, Incunabula der Staats- und Stadtbibliotliek Augsburg. O. HARRASSOWITZ, Wiesbaden, 1974, xxiv-569 p., 25 afb., 180 mark. Het boek verscheen in de reeks Inkunabelkataloge Bayerischer Bibliotheken.
190. - Kaspar Hochfeder is nu precies niet wat men zou kunnen noemen een eersterangsdrukker. Zijn drukwerk valt niet op door een buitengewone typografische verzorging en munt ook niet uit door het wetenschappelijk karakter van de uitgaven. Talrijke boeken zijn weliswaar met houtsneden geillustreerd, maar ook deze blijven op het niveau van de middelmaat gezien de geringe financiële positie van onze drukker die op geen belangrijke kunstenaars beroep kon doen. Hochfeder is ook geen onbekende in de drukkerswereld -dit bewijst trouwens de door de auteur aangehaalde bibliografie - alhoewel het nog steeds aan een uitvoerige beschrijving en samenstelling van zijn drukwerken ontbrak. VAN DER VEKENE (9) vond het onderwerp belangrijk genoeg om er een uitvoerige studie aan te wijden en beschouwt Hochfeder als einen Durchschnitsunternehmer, gleichzeitig stellvertretend für viele seiner zeitgenössischen Berufskollegen. Het is ook buiten twijfel dat de auteur noch tijd noch moeite gespaard heeft om zo veel mogelijk materiaal bijeen te brengen. Zo heeft hij niet alleen talrijke bibliotheken afgereisd, tientallen catalogi uitgepluisd, maar hij heeft bovendien door een analyse van het typologisch materiaal geprobeerd de niet gedateerde werken uit Hochfeder's officina juister te rangschikken dan zijn voorgangers. Is hij daarin geslaagd? Heeft hij preciesere data kunnen vinden dan bv. de BMC? De resultaten zijn gering en zijn methode - niet steeds met de nodige nauwkeurigheid aangewend -moet even van nabij onderzocht worden. Geven wij vooreerst een overzicht van het werk. Na de lijst van de geconsulteerde bibliotheken en de uitvoerige bibliografie waarin talrijke belangrijke antiquariaatscatalogi (p. 9-16), volgt een schets over de stand van het onderzoek te beginnen vanaf de 18de eeuw (p. 17-21). Daarna komen de activiteiten van de drukker (p. 22-31). De veronderstelling van Collijn dat Hochfeder in 1473-74-76 in Krakau zou gedrukt hebben houdt geen steek. Hij begint pas in 1491 te Nürnberg. Maar tot wanneer precies. Hier begint een eerste moeilijkheid en de auteur neemt positie voor 1499. Pas daarna zou hij in Metz begonnen zijn waar hij een deel van zijn oud drukkersmateriaal verder aanwendt. Zonder hier dieper op in te gaan - wij zagen niet eens de betreffende drukken - lijken de argumenten van de auteur steekhoudend om de Epistola van Rabbi Samuel (BMC II, 478) in Nürnberg te behouden en deze niet zoals Kolb naar Metz te brengen. Het argument Hochfeder heeft zich als nürenbergensis aangeduid en bijgevolg moet de drukkersplaats buiten Nürnberg gezocht worden overtuigt ons ook niet. Interessanter lijkt ons echter de opmerking over de watermerken (p. 25) alhoewel het niet erg duidelijk is of de auteur zelf met de nodige nauwkeurigheid de watermerken vergeleken heeft. De bewering van J. Rosenthal in zijn oude catalogus nr. 24 Incunabula Typographica, nr. 1253, is het aanhalen waard. Hij schrijft er immers nog de druk aan Metz toe en vermeldt als argument voor deze toeschrijving o.m. het watermerk P dat identiek is aan dit uit de eerste druk in Metz verschenen, de Imitatio Christi van 1482 (Hain 9136). Dit alles zou moeten uitvoeriger onderzocht en vergeleken worden op basis van meerdere watermerken uit andere drukken van Hochfeder en diens concurrenten. Vanaf 1499 tot in 1501 is Hochfeder te Metz werkzaam, drukt er een tiental boeken en vertrekt naar Krakau waar hij meer succes hoopt te veroveren. De Krakauerperiode 1503-1505 wordt door de auteur beknopt behandeld en hij verwijst naar de uitvoerige analyse van K. Piekarski in de eerste aflevering van de Polonia typographica saeculi sedecimi verschenen. Vanaf 1508 tot in 1517 vinden wij Hochfeder in Metz terug met volledig nieuw typemateriaal. Een tweede omvangrijker deel (p. 32-95) omvat de bibliografie van de Hochfederdrukken: een beknopte en een uitvoerige lijst, beide chronologisch gerangschikt. Uit Nürnberg 1491-1499, 1-56 drukken; uit Metz 1499-1501, 57-66 drukken; uit Krakau 1503-1505, 67-104 drukken; uit Metz 1508-1517, 105-139/140 drukken. In het totaal een 140 drukken waarvan een groot aantal eenbladdrukken. De inhoud van de werken is uiteenlopend en wordt door de auteur niet onderzocht. Het ware toch niet onbelangrijk geweest na te gaan wat zoal in een dergelijke officina van een doorsneedrukker gedrukt werd. Maar van der Vekene is een bibliograaf en wijdt zijn beste krachten aan het bibliografisch gedeelte. De beschrijving van alle drukken - behalve deze uit Krakau - is uitvoerig wat wel niet nodig was voor deze reeds behoorlijk beschreven in de GW of BMC. Na de collatie volgens de diverse typen waarin het werk gedrukt is, een lange bibliografische referentielijst naar bibliotheeks -en antiquariaatscatalogi en de localisatie van de exemplaren. Voor een tiental boeken in de repertoria verkeerdelijk aan Hochfeder toegeschreven wordt door de auteur nagegaan op grond waarvan dit gebeurde. Een aanvulling van een Hochfederdruk die nagezien dient te worden vindt men in Die Wiegendrucke des Stiftes Kremsmünster, 1947, nr. 660 : Praktik auf das Jahr 1496. Daarna behandelt de auteur het typemateriaal van Hochfeder. Een 14tal typen uit de Nürnbergerperiode en een 10tal uit de Metzerperiode. Voor deze laatste groep houdt hij zich aan de Proctorindeling terwijl hij voor de eerste groep steeds de Proctor, BMC, Haebler en GW referentie opgeeft, en tevens de periode en de drukken aanduidt waarin het of de typen voorkomen. Als voorbeeld geeft hij een reproductie van een tekstblad maar vormt geen alfabetreconstructie voor elk type. Het laatste deel, het uitvoerigste (p. 121-314), behandelt Hochfeders illustratiemateriaal verduidelijkt door 226 afbeeldingen. Hij probeert het. materiaal te verdelen naar groepen van herkomst en aanwendingsperiode en behandelt kort de kunsthistorische waarde en de houtsnijder. Bij elke houtsnedereproductie vindt men de afmetingen, de beschrijving van het voorgestelde, de eventuele kunstenaar, de literatuur en het voorkomen in de diverse drukken. Een drietal groepen komen op de voorgrond. De nummers 4 tot 46 en 72 tot 164, uit de Florio en Biancefforra, door de Meester van de Meinradlegende uit Nürnberg en de nummers 211-226 uit Le chevalier aux Dames Metz, 1516, van de hand van F. Oudet.
Uit de periode 1491-1499 heeft men 56 drukken. Het grootste aantal stelt geen problemen : de druk vermeldt ofwel de gegevens in het kolofon ofwel laat de aard van het drukwerk (kalender, brief) een preciese datering toe. Voor de overblijvende gevallen volgt de auteur ofwel de BMC ofwel de GW ofwel geeft hij een eigen interpretatie maar zonder veel nadere verklaring waarom deze datering gekozen werd. Naast de 14 typen voegt hij er enkele bij. Was dit wel nodig? Het type materiaal van Hochfeder is complex en zelfs zijn eerste type 83 mm dat in diverse afmetingen voorkomt kent gedurende de lange periode van gebruik meerdere lettervarianten. Een juister inzicht in de evolutie ervan zou wellicht chronologische rangschikking toelaten vermits talrijke drukken van Hochfeder gedateerd zijn. Bovendien hebben wij de indruk dat zijn typemateriaal grote verwantschap vertoont met andere gelijktijdig werkzame drukkers uit Nürnberg; vandaar de talrijke betwiste toeschrijvingen. Is het nu na te gaan welke typen of typecombinaties steeds of nooit bij Hochfeder voorkomen? Van der Vekene denkt dat het probleem van de ähnlicher Typen und Typenfamilien (p. 95) zich pas vanaf het einde van de 15de eeuw stelt. Wij denken dat het in Nürnberg zich veel vroeger stelde. Daarom heeft het ook geen zin steeds het aantal typen bij Hochfeder te vergroten want men komt dan op een punt waar een loutere typeanalyse -dit bewijst trouwens de studie van van der Vekene duidelijk - geen oplossing kan brengen. Wanneer diverse typen door elkaar heen gebruikt en steeds letters vervangen worden moet men als dateringsmiddel ook gebruik maken van andere typografische elementen (manier van drukken, formaat, regels, enz.) wat nooit door de auteur gedaan wordt. Bekijken we even enkele dateringen door de auteur voorgesteld (de nummers verwijzen naar zijn chronologische lijst). 7, Hij aanvaardt de datum van 1492 uit de GW maar geeft toe dat deze betwistbaar is. Hebben wij hier wel te doen met een druk van Hochfeder? 10, Zie de opmerking over het watermerk in de BMC. 18, Welk type hebben wij hier precies? 27, De voorzichtige BMC stelt geen datum voor, terwijl de voorgestelde datum van c. 1495 door van der Vekene ons nieuwsgierig maakt naar het waarom; de gebruikte typen 1 en 2 zijn immers courant bij Hochfeder vanaf 1491. 28, Welk type hebben wij hier gezien de dubbele vorm h? 32, Waarom die datering? 42, Idem. 43, Komt type 1 : 83 mm -op grond waarvan de datering geschiedt - niet meer na 1497 voor, dan verschijnt ze wel als 79 mm (zoals BMC ze noteert) na die datum. Dit zijn misschien kleinigheden maar wij menen dat men niet kost wat kost een datum moet voorstellen. In vele gevallen lijkt de s.d. met een limiet nog de beste oplossing zoniet heeft men weldra zoveel data als bibliografen. Een punt waarover wij graag iets meer zouden vernomen hebben is het formaat en de impositie van zijn in-16° (nr. 9, 15, 29, 42) en in-32° (37). In het geheel gezien hebben wij hier een degelijke en uitvoerige arbeid.
(9) Emil VAN DER VEKENE, Kaspar Hochfeder. Ein europäischer Drucker des 15. und 16. Jahrhunderts. eine druckgeschichtliche Untersuchung mit 260 Abbildungen, (= Bibliotheca Bibliographica Aureliana LII), Baden-Baden, V. Koerner, 1974, 324 p.
191. - CH. PIERARD (10) bezorgt ons een overzichtelijke synthese van de diverse manifestaties die plaats hadden ter gelegenheid van de 500ste verjaardag van de invoering van de drukkunst in de Nederlanden : K.B. Brussel; D. Martens te Aalst; A. de Keysere te Gent; het colloquium te Spa; de tentoonstelling te Utrecht en van de publicaties te dier gelegenheid verschenen. De auteur vestigt bovendien onze aandacht (p. 224) op enkele tot nog toe onbekende boekbanden uit de werkplaats van Jan van Westfalen aanwezig in de Universiteitsbibliotheek te Bergen.
(10) Ch. PIERARD, 1973, année ducentenaire de l'introduction de l'imprimerie dans les anciens Pays-Bas, in Le livre et l'estampe 1973, 19, p. 216-240.
192. - M. STILLWELL (11), die ons een chronologische lijst bezorgt van de drukken verschenen tussen 1450-1470, stoot natuurlijk op het probleem van de Nederlandse prototypografie. Alhoewel zij de fragmenten niet in de lijst opneemt, en bijgevolg chronologisch moest situeren, durft zij deze toch niet uit haar boek verbannen. Zij behandelt ze in een appendix B waar ze de fragmenten rangschikt naar auteur of titel met vermelding van type. Deze indeling munt niet uit door helderheid, maar de appendix met haar enkele referenties kan voor een eerste kennismaking haar waarde hebben.
(11) M. B. STILLWELL, Appendix B, Undated Imprints assigned to The Netherlands, in The Beginning of the World of Books 1450 to 1470, New York, BSA, 1972, p. 98-106.
193. - L. MEES (12) onderzoekt de Nederlandse bewerkingen van het Soliloquium van Bonaventura bekend onder de titel : Het boec vanden vier inwendige oefeningen. Vanaf het eerste verschijnen (c. 1479) tot aan 1512 kent men een 14tal edities. De auteur behandelt vooral de inhoud en de wijzigingen die de tekst ondergaan heeft. Typografisch niets nieuws; hij vermeldt wel voor elk boek het aantal houtsneden met de afmetingen maar zonder te zeggen wat ze voorstellen of welke filiatie er tussen die houtsneden van de diverse edities bestaat. Spijtig.
(12) Leonide J. MEES, Het boec vanden vier inwendige oefeningen, in Quaerendo, 1974, IV, p. 180-213.
194. - De catalogus van de hand van F. JUNTKE (13) omvat een geschiedkundig overzicht van de bibliotheek en de fondsvorming en een korte titelbeschrijving van de 435 incunabelen in de bibliotheek aanwezig. Er zijn slechts enkele drukken uit de Nederlanden en deze werden reeds vroeger door G. Langer in Quaerendo 1971 besproken.
(13) F. JUNTKE, Die Inkunabeln der Marienbibliothek zu Halle an der Saale. Geschichte und Katalog (Beiträge zur Inkunabelkunde. Dritte Folge, 5), Berlijn, 1974, p. 155, ill.
195. - Het werk van D. Coq (14) omvat een korte titelbeschrijving van de 333 incunabelen in de stadsbibliotheek te Bordeaux aanwezig. In de inleiding worden in het kort de volgende punten geschetst : herkomst van fonds, zeldzame stukken, overzicht van de samenstelling naar de inhoud en methode van opstelling van de catalogus. Na de klassieke bibliografische lijst volgt dan de korte titelbeschrijving met de gebruikelijke referenties. Het is begrijpelijk dat het grootste aantal (82) uit Venetië, uit Parijs (73) en uit Lyon (59) afkomstig is. De meeste incunabelen te Bordeaux aanwezig zijn bekend, nochtans kon de opsteller de hand leggen op een verzamelband met niet minder dan 5 onbekende Parijse edities. Voor wat de Nederlanden betreft is de oogst gering. We tellen slechts 5 edities alle door Campbell vermeld : CA88, Ca 139, Ca 191, Ca 503 en Ca 1510. Op het einde heeft men een typografische index per land en per stad, een alfabetische lijst van de steden, drukkers en boekhandelaars en van de herkomsten. Het boek bevat tenslotte een tiental reproducties.
(14) D. COQ, Catalogue des incunables de la bibliothèque municipale de Bordeaux, Bordeaux 1974, 128 p. ill., 60 FF.
196. - In het boek van J. HAMESSE (15) over de Auctoritates Aristotelis kan het tweede hoofdstuk (Histoire de la tradition imprimée, p. 44-109) voor de lezers van onze kroniek wel een zeker belang hebben. Auteur is van mening dat in bepaalde gevallen (bv. devant la disparité présentée par la tradition manuscrite, p. 44) het verkieslijk is uit te gaan van de incunabeledities voor een tekstuitgave. Het eerste wat zij bijgevolg doet is, van een 40tal edities tussen 1480-1522 verschenen, regrouper les incunables par familles et d'établir leur filiation. Nous avons constaté qu'il était possible de classer les éditions comme des manuscrits et d'établir un stemma éditionum grâce aux méthodes utilisées pour déterminer le stemma codicum... Cette méthode claire, simple et objective nous a permis de retrouver la filiation des différentes éditions avec une relative facilité (p. 108). Deze methode van werken (of ze zo klaar, eenvoudig, ... is, betwijfelen wij) kan hier niet beoordeeld worden wat de tekstuitgave zelf betreft, alleen interesseert het ons te weten welke resultaten ze oplevert qua datering en localisatie van niet gedateerde edities enerzijds en qua filiatie tussen diverse edities anderzijds. Wij zijn van mening dat deze methode goede resultaten kan opleveren maar, zoals met alle methodes, mits goed gebruik. Het is vanzelfsprekend dat het werken met oude drukken een minimum van kennis vereist over de oude druktechniek en de wijze waarop het boek tot stand kwam, i.a.w. de relatie kopij-druk. Hellinga's Kopij en druk moet toch als een minimum verondersteld worden. Nu blijkt het dat de auteur hieromtrent slechts een zeer summiere kennis heeft, niet alleen wat haar technische woordenschat betreft, wat nog aanvaardbaar zou zijn bij juiste gedachten (bv. plaques de bois voor vormen), maar vooral wat haar inzicht betreft in de structuur van het oude boek. Een grondige analyse van de methode kan hier niet gegeven worden -niet omdat het de moeite niet loont - maar wel omdat de vijf incunabelen uit de Nederlanden in haar onderzoek betrokken geen dateringsproblemen stellen en voor wat de filiatie betreft tussen deze 5 edities wij het ganse werk niet kunnen herdoen om haar resultaten te verifiëren.
Uitgangspunt is tussen de 40 haar bekende edities van de Auctoritates Aristotelis... essayer de retrouver une filiation (p. 52). Als basis neemt zij de 30 edities uit de GW (deel 111, 1928) en enkele later verschenen (begin 16de eeuw), retrouvées au cours de ses recherches. Enkele moeilijkheden uit de GW lost zij vlug op; bv. GW 2817, [Parijs, G. Wolff, c. 1490] wordt Paris, Pigouchet, 1491, omdat dit vermeld wordt op het exemplaar uit Philadelphia, maar hoe vermeld? de laatste Census houdt zich aan de GW. Haar lijst van edities (p. 48-50), wat betekent deze precies? De recente bibliografie over de Aristotelesdrukken (zie onze vroegere kroniek) schijnt ze niet te kennen. Zij citeert enkele drukken uit de grote BMC catalogus maar zonder die na te gaan in de BMC incunabelcatalogus. Vervolgens zet ze haar methode uiteen. Vraag : kunnen incunabelen en drukken op dezelfde manier behandeld worden als manuscripten? In haar positief antwoord is ze er zich toch van bewust dat tal van zetvarianten niet in aanmerking kunnen genomen worden voor het opstellen van haar tabellen (bv. des graphies différentes), maar waar ligt de grens? Wat is precies te beschouwen als tekst- of zetvariant, als druk- of kopijfout? Tot waar gaat de vrijheid van de zetter? L'intervention volontaire des imprimeurs (p. 109)? Het gevaar bestaat dat om een bepaalde thesis van filiatie te bewijzen men gemakkelijk die grens kan verleggen. En de leestekens, de contracties, de tekstindeling? ... Wat doet ze daar mee?
Bekijken wij even de practische toepassing van de methode. De eerste groep is deze uit Deventer en omvat de Paffraet- en Breda-edities (Ca 192, GW 2813, 27 sept. 1489; Ca 193, GW 2826, 2 sept. 1497; Ca 194, GW 2830, 24 ap. 1499). Deze drie edities vormen een welbepaalde familie met karaktertrekken die niet bij de andere edities terug te vinden zijn. Onderling zijn zij van elkaar afhankelijk in de chronologische volgorde. Wij zijn sceptisch over haar bewering nopens de relatie met andere edities. Wij kunnen niet precies genoeg het cijfermateriaal in de kolommen nagaan, tenminste wat de inhoud van de cijfers dekt. Maar wat belangrijker is, de tweede- en ook eerste Antwerpse Leeu-editie van 1488 (GW 2811), die zij tot geen enkele familie kan terugbrengen en op het einde als exemplaires isolés (p. 100) behandelt, moet nochtans in verband gebracht worden met de Deventer-editie van 1489. Deze laatste is volgens GW wat de Lage a-d betreft een seitengetreuer Nachdruck von Nr. 2811. Ofwel vergist zich de GW, ofwel zag J. Hamesse het boek niet na. Spijtig genoeg stellen de 5 Nederlandse incunabelen geen dateringsproblemen om haar resultaten te kunnen vergelijken met deze bekomen door de typologie. Neteliger wordt het wanneer zij de Keulse of Parijse families behandelt en van enkele edities de data, de plaats van drukken en zelfs de drukker voorstelt of wijzigt t.o.v. de GW. Afgezien van de cijfers, die wij moeilijk kunnen nagaan of interpreteren, lijkt de redenering in een cirkel te draaien om bepaalde stellingen te willen bewijzen. Enkele voorbeelden hiervan (de letters duiden een bepaalde editie aan). Comme 1 est le descendant direct de D, il est nécessaire de changer sa date présumée d'impression. Pour plus de facilité on peut donc dire que cette édition a vu Ie jour avant 1498 (p. 59). Un des descendants directs du père de cette famille est B. Cette filiation nous oblige à changer la date présumée d'impression de cet incunable. Il est impossible qu'il ait été imprimé vers 1480, comme Ie dit Ie G W, puisqu'il recopie une édition de 1487 (p. 67). Dat de GW onjuistheden bevat, ongetwijfeld, maar bv. van de editie van J. Lambert, omstreeks 1495 volgens GW, beweren qu'elle n'a pas vu le jour avant le 18 juillet 1500 puisque son père n'a été imprimé qu'à cette date (p. 89) doet ons toch het rechtsbeginsel herinneren dat het vaderschap nooit bewezen is. Wat de relatie J, a, en m betreft (p. 94 en 98), behalve het tegenbewijs door een goede beschrijving, beweer ik dat a dezelfde editie als m is. Genoeg. Wij vrezen dat deze methode waar iets goeds uit te halen is door een onvoorzichtig gebruik een slechte faam zal bekomen. Er zijn bepaalde edities waarvan wij met zekerheid weten dat zij als kopij gediend hebben. Het nagaan van de varianten tussen beide en het proberen te verklaren hoe ze ontstaan zijn zou meer perspectief openend zijn.
(15) J. HAMESSE, Les Auctoritates Aristotelis. Un florilège médiéval. Etude historique et édition critique (Philosophes médiévaux XVII), Leuven, Parijs, 1974, 351 p.
197. - I. BEZZEL onderzoekt hoe de 16de eeuwse drukken vroeger beschreven werden, welke methode hiervoor aangewend werd, hoe de beschrijving evolueerde en hoe men thans deze drukken best beschrijft (16). De voorgangers van Wackernagel zoals een Maittaire, Denis, Panzer, Hain, enz. leunden in hun beschrijvingstechniek sterk aan bij de incunabelmethode. Zij waren zich nog niet goed bewust van de specifieke eigenschappen van het 16de eeuwse boek en dachten dit op dezelfde manier te moeten behandelen als de drukken vóór 1500. Wackernagel daarentegen, in Das deutsche Kirchenlied van 1864 ontwierp voor de eerste maal een onafhankelijke techniek voor het beschrijven van 16de eeuwse drukken. Vervolgens behandelt BezzeI beknopt het werk van talrijke bibliografen. Tenslotte geeft ze een overzicht van de methode in München gebruikt voor de realisatie van de Verzeichnis der im deutschen Sprachbereich erschienenen Drucke des 16. Jahrhunderts. Hopen wij dat de bibliografen van onze 16de eeuwse drukken zich op deze methode zouden inspireren.
(16) Irm. BEZZEL, Die Titelaufnahme von Druckwerken des 16. Jahrhunderts, in Bibliotheksforum Bayern, München, 1974, 2, p. 3-17.
198. - De opstellers van deze short-title catalogus van de Leidse drukken aanwezig op de Universiteitsbibliotheek en de Bibliotheca Thysiana te Leiden hebben vooral gedacht aan de gebruikers van deze bibliotheken die vlug wensten te weten of een bepaald boek aanwezig is en welke signatuur het heeft (17). Aan deze catalogus kan dus niet gevraagd worden een overzicht te geven van de Leidse drukken tot 1600 noch een uitvoerige bibliografische beschrijving ter identificatie. Hoeveel drukken er opgegeven worden en welke verhouding dit aantal vertegenwoordigt in de totale Leidse productie wordt niet vermeld. Afgezien van de zeer talrijke aanwezige Leidse thesissen, die in andere bibliotheken minder goed vertegenwoordigd zijn, viel het ons bij nazicht wel op dat heel wat Leidse drukken niet in deze bibliotheken te vinden zijn. Wat de notities betreft volgt men in grote lijnen de BMC regels met de voor- en nadelen daaraan verbonden. Men kan alzo over bepaalde opvattingen van mening verschillen (bv. de anonieme rubrieken, de naamvorm al of niet gelatiniseerd, ...). Belangrijker is het gebruik van de rechte haakjes: Square brackets are used in the imprint when information has not been supplied in the book itself (books printed before 1540) and when information has not been supplied in the book itself or has been found elsewhere than on the title-page (books printed after 1540). Waarom een andere regel toepassen voor boeken na 1540 en tevens afwijken van een algemeen geldend gebruik? De bladzijden 1-112 geven in alfabetische volgorde de biblografische notities : auteur, korte titel, uitgever en vertaler, bibliografisch adres zoals in het boek vermeld, formaat en plaatssignatuur. Vervolgens (p. 113-127) het drukkersregister per stad en per drukker met daarin een chronologische rangschikking. Enkele kleine opmerkingen : blz. 3, Amadis de Gaule, met het bibliografisch adres achteraan, en blz. 39 Commentariorum de statii religionis (van Pierre de la Place) toegeschreven aan E. Vignon te Genève maar met schuiladres van Iucundus te Leiden, krijgen beide vierkante haakjes; blz. 75, het plakkaat van 26 juli 1581 bij Silvius, waarin verschillen beide edities?; blz. 86, de Furmerius-Coornhert, volgens B.B. bestaan drie varianten, met welke hebben wij hier precies te doen?; blz. 91, Sasbout, A., de vertaler is waarschijnlijk Peeter van Utrecht.
(17) Leiden Imprints 1483-1600 in Leiden University Library and Bibliotheca Thysiana. A short-title catalogue, (Bibliotheca Bibliographica Neerlandica V.), Nieuwkoop. B. de Graaf, 1974, 127 p.
199. - De hoofdzakelijk op archivalia gesteunde onderzoekingen van A. PARENT zijn voor ons methodologisch interessant (18). Na een schets over Parijs en de drukkunst tot 1560 behandelt ze in deel I uitvoerig de uitoefening van het beroep : papier en papierhandel, stempelsnijders en lettergieters, de werkplaats en de overgang van kopij naar druk. Een speciaal hoofdstuk is gewijd aan de verspreiding van het boek, eerst in Parijs, daarna in Frankrijk en in het buitenland. In dit kader bespreekt ze beknopt de handelsrelaties tussen Parijs, Antwerpen, Leuven en Luik. Verscheidene drukkers uit Parijs hadden een huis in Leuven, Luik... of kwamen zich bevoorraden in Antwerpen. Meerdere drukkers van bij ons stuurden hun zonen naar Parijs om het beroep aldaar aan te leren. Het tweede deel is meer sociologisch georiënteerd. Zij behandelt er onder meer de opleiding, de gezellen..., i.a.w. les gens du livre en hun sociale en financiële positie. Het laatste deel, op basis van de staat van goed, is gewijd aan P. Roffet, G. Godard en Galliot Du Pré, drie boekhandelaars die zich rond 1510 te Parijs geinstalleerd hebben.
(18) Annie PARENT, Les métiers du livre á Paris au xvie siècle (1535-1560), (= Histoire et Civilisation du Livre, VI), Parijs, 1974.
200. - Het eerste nummer van The Library, 1974, ter ere van H. G. Carter, bevat volgende bijdragen in onze kroniek te vermelden (19). Engelse vertaling met commentaar door L. en W. HELLINGA van enkele reglementen uit een van de oudste werkhuisreglementen van Plantin (Sabbe, editie A, circa 1564). De onderzochte punten hebben betrekking op de samenwerking tussen zetters, drukkers en correctors. M. PARKER bezorgt verder een overzicht en indeling van de ongeveer 60 gietvormen in het Plantin-Museum aanwezig. Deze zijn van Franse, Vlaamse of Duitse oorsprong en te dateren vanaf de 16de tot de 18de eeuw. Eén gietvorm nog, bestemd voor muzieknoten (GI 55), zou door H. van den Keere zelf gemaakt zijn.
(19) The Library, 1974 : An Issue Honouring Harry Graham Carter L. en W. HELLINGA, Regulations relating to the planning and organization of work by the master printer in the ordinances of Christopher Plantin, p. 52-60. M. PARKER, Early typefounders' moulds at the Plantin-Moretus Museum, p. 93-102.
201. - De bedoeling van A. HORODISCH (20) is alle mir bekanntgewordenen Drucker- und Verlegermarken des 15. und 16. Jahrhunderts, auf denen ein Buch oder eine Buchdruckerpresse abgebildet ist, zusammenzustellen. Dit is een zeer uitvoerige onderneming en voor één persoon moeilijk te realiseren. Hij heeft heel wat gezien en zijn illustraties bewijzen dit. Van D. Martens kan nog een afbeelding bijgevoegd worden (NK 1141;.NAT, III, 4 of in de catalogus van Aalst afbeelding P7A) en zijn afbeelding 19, Gerard van Salenson, is van de Gentse drukker (nooit te Parijs werkzaam geweest) die 3 varianten van dit merk gebruikte (B.G. I, p. 139).
(20) A. HORODISCH, Buch und Buchdruckpresse im Druckersignet des 15. und 16. Jahrhundert, in Philobiblion, 1974, 18, p. 166-194.
202. - In het kader van zijn studie (21) over de muziekhandel te Frankfurt am Main onderzoekt O. KRANEIS volgende punten. Uit welke plaatsen kwamen drukkers, uitgevers en boekhandelaars naar de Frankfurter Messe om er hun muziekdrukken aan te bieden (Amsterdam, Antwerpen, Leiden, Leuven, Utrecht en Douai)? Wat (komponist, wereldlijke en geestelijke muziek) boden ze aan en welke was de omvang van dit aanbod? Tenslotte geeft hij voor alle drukkers die op de markt kwamen, per jaar, precies aan wat ze aanboden. Antwerpen met J. Bellerus, P. Phalesius en Ch. Plantin, om slechts onze gewesten aan te halen, zijn uitstekend vertegenwoordigd.
(21) Oskar KRANEIS, Der Musikalenhandel in Frankfurt am Main von seinen Anfängen bis zum Jahr 1700, Inauguraldissertation..., Frankfurt am Main, 1974, 241 p.
203. - A. LABARRE (22) wenst niet alleen te weten hoeveel edities er verschenen zijn van het woordenboek van Calepino (de naam werd zo bekend dat ze in het dagelijks gebruik opgenomen is) maar ook de verspreiding na te gaan van de diverse edities in de loop van een drietal eeuwen. Dit laatste vooral, het aantal bewaarde exemplaren van een bepaalde editie opsporen, is een uitvoerig werk. Men begrijpt onmiddellijk het omvangrijke karakter van de onderneming als men weet dat er zowat een tweehonderd edities geweest zijn verspreid over tal van grote, kleine en soms moeilijk toegankelijke bibliotheken. Iedereen kan snel nagaan, en zelfs ver van Londen verwijderd, of het British Museum een bepaalde Calepino bezit. Het wordt al moeilijker voor Brussel of Gent waarvan men nog niet over een gepubliceerde catalogus beschikt. In dit geval moet men ter plaatse gaan of schrijven. Zo heeft de auteur ook, door lange reizen en uitvoerige briefwisseling, met behulp van talrijke bereidwillige collega's zijn repertorium kunnen bij elkaar brengen. Calepino (Bergamo 1440-15 10) heeft het grootste gedeelte van zijn leven besteed aan het klaarmaken van zijn woordenboek waarvan de eerste editie in 1502 te Reggio nell'Emilia verscheen. Hij zelf heeft wellicht nooit kunnen vermoeden dat zijn boek - aangevuld, verbeterd en gewijzigd - in 1779 reeds meer dan 200 edities zou kennen. Het succes van dit vertaalwoordenboek, dat steeds uitgaat van het Latijn als klasseerelement, is in de eerste plaats te danken aan het polyglotte karakter van de verzameling. Vanaf het midden van de 16de eeuw nemen de talen in aantal toe om in de edities uit Bazel (1590-1627) tot 11 talen te omvatten. In de inleiding schetst de auteur de opzet en de betekenis van zijn werk en behandelt kort de geschiedenis van de diverse edities (aanvullingen en wijzigingen). Ook over de zin van de exemplaren-localisatie wijdt hij uit; dit is immers niet zo evident en vindt slechts zijn gelijke in de GW voor de incunabelen. Het grootste gedeelte van het werk omvat in chronologische volgorde de beschrijving van de diverse edities vanaf de eerste in 1502 tot in 1779. De beschrijving is uitvoerig en degelijk; zij behelst de volledige titelpagina met collatie. Zo zijn de varianten vast te stellen die altijd opgegeven worden. Daarna volgt de localisatie van de exemplaren. De belangrijkste Europese bibliotheken - en ook tientallen kleinere - werden nagezien. Steeds volgt de bibliotheeksignatuur. Van bepaalde edities vindt men tot 80 exemplaarvermeldingen, voor andere daarentegen één of slechts enkele. Dit verschijnsel tracht de auteur aan te duiden, het verschijnsel dat van meer dan 92 edities minder dan 10 exemplaren bekend zijn en van 11 edities tussen de 50 en de 100 exemplaren. Daarna komen volgende registers : de Calepinus parvus; de Fausses éditions (alleen deze opgenomen in gedrukte catalogi); Index par nombre de langues; Index des auteurs secondaires, éditeurs, annotateurs; Table des lieux d'impression; Table des imprimeurs et libraires en een bibliografie.
(22) A. LABARRE, Bibliographie du Dictionarium d'Ambrogio Calepino (1502-1779), (Bibliotheca Bibliographica Aureliana XXVI), Baden-Baden, V. Koerner, 1975, 125 p., DM 80.
204. - De 51ste jaargang van De Gulden Passer, 1973, ontvangen in december 1974, omvat volgende bijdragen. F. CLAES (23) onderzoekt het onlangs ontdekte Promptuariolum van 1562 (= 1561) uit de stadsbibliotheek te Troyes. Dit Latijns-Frans woordenboek is niets anders dan een aangevulde uitgave van Estiennes Dictionariolum puerorum Latinogallicum en Les mots français (1559). Schrijver vergelijkt beide, citeert de latere uitgaven en vestigt de aandacht op deze van 1591 met handschriftaanvullingen door Kiliaan. R. A. RASCH (24) onderzoekt het gebruik dat van Plantijnse notentypen gemaakt werd in de Noordelijke Nederlanden na 1619, datum van opheffing van de Plantijnse drukkerij te Leiden. Kwamen de matrijzen terug naar Antwerpen, toch vindt men het gegoten materiaal aan noten-typen respectievelijk te Haarlem (1621 ... ) en te Amsterdam (1631 ... ) bij drie verschillende muziekuitgevers (met lijst van Noord-Nederlandse muziekuitgaven). N. CATACH en J. GOLFAND (25) vestigen de aandacht op een weinig belicht aspect van Plantijn, nl. de belangrijke rol die hij zou gespeeld hebben voor de orthographie van zijn moedertaal, het Frans. Naast de betekenis van een Plantijn in de evolutie van de orthographie wordt ook de rol van de drukker J. van Waesberghe aangeduid. De laatste bijdrage omvat de Bijlage III, vervolg en einde van de studie van R. LAUWAERT (26) in 1972 in de G.P. begonnen. Aan de hand van het werk van G. Schwetschke, Codex nundinarius..., heeft de auteur een nuttig werkapparaat opgesteld : Opgave per stad en per uitgever van het aantal werken dat in de jaren 1564-99 op de Büchermessen aangekondigd werd.
(23) F. CLAES, Het Promptuariolum Latinae Linguae (1562) van Plantijn, p. 1-8.
(24) Rudi A. RASCH, Noord-Nederlandse muziekuitgaven met de Plantijnse notentypen, p. 9-18.
(25) Nina CATACH en Jeanne GOLFAND, L'orthographie Plantinienne, p. 19-69.
(26) R. LAUWAERT, De handelsbedrijvigheid van de Officina Plantiniana op de Büchermessen te Frankfürt am Main in de xvie eeuw, p. 70-105.
205. - Het is een goed initiatief geweest de voordracht door C. REEDIJK op 10 october 1973 te Aalst gehouden en die de relaties tussen Erasmus en Dirk Martens behandelde voor een breder publiek kenbaar te maken (27).
(27) C. REEDIJK, Erasmus en "onze Dirk ", in Het Land van Aalst, 1974, 26, p. 150-162.
206. - J. DAUWE (28) bespreekt kort de vermelding van een kontrakt tussen Dirk Martens en de Leuvense Artesfakulteit. Het betreft een schoolboek waarvan ons geen enkel exemplaar bekend is.
(28) J. DAUWE, Een kontrakt tussen Dirk Martens en de Leuvense Artesfakulteit in 1509, in Het Land van Aalst, 1974, p. 355-356.
207. - J. MORAN (29) behandelt slechts beknopt de drukpers vóór 1800, als een inleiding tot de volgende periode die begint met de eerste volledig ijzeren pers, de Stanhope pers. Inderdaad tot circa 1800 is de houten handpers in grote trekken dezelfde gebleven.
(29) J. MORAN, Printing Presses. History and development from the fifteenth century to modern times, Londen, 1973.
208. - De bijdrage van G. RICHTER (30) omvat een korte inleiding van de over het onderwerp verschenen literatuur en daarna een lijst van aanvullingen, een keus daaruit beter, van de in de laatste jaren gedane vondsten. Van de catalogi geeft ze een uitvoerige beschrijving, een overzicht van de inhoud, bibliografische referenties en localisatie.
(30) G. RICHTER, Bibliographische Beiträge zür Geschichte buchhändlerischer Kataloge im 16. und 17. Jahrhundert, in Beiträge zur Geschichte des Buches und seiner Funktion in der Gesellschaft. Festschrift für H. Widmann.... Stuttgart, 1974, p. 183-229.
209. - De archivaris J. DAUWE bezorgt ons een uitvoerig genealogische onderzoek van het ingewikkelde Leuvense drukkersgeslacht de Van Sassen's (31). De eerste, Servaas I Van Sassen, begon in Leuven circa 1530/1531 en zijn afstammelingen werkten er tot in 1735. De auteur behandelt de verhouding Van Sassen-Dirk Martens, de overname van diens materiaal en drukkersmerk, een kort overzicht van de drukken, de diverse merken en de relatie van de Van Sassen's met andere drukkersfamilies. De bijdrage is in de eerste plaats biografisch.
(31) J. DAUWE, De Leuvense boekdrukkers van Sassen alias Sassenus, in Arca Lovaniensis. Artes atque historiae reserans documenta. Jaarboek 1973, Leuven 1974, p. 235-273.
210. - I. BEZZEL schetst ons een beknopt maar degelijk overzicht van de bibliografische onderneming te München in 1969 gestart (32). Doel is een uitvoerige beschrijving te maken van alle, tussen 1501 en 1600, in Duitsland, in de Duitse delen van Zwitserland, Oostenrijk en Elzas verschenen drukken, van minstens 2 ff. Zij brengt enkele beschouwingen over dit doel, de omvang van het werk (circa 90 000 drukken), de organisatie, en de methode van beschrijving. Men heeft in München het grote voordeel over een zeer groot aantal drukken te kunnen beschikken en dus te vergelijken, te meer daar het materiaal van J. Benzing nu ook daar aanwezig is. Het ware nuttig dit plan te vergelijken met de activiteiten in onze gewesten waar men, alhoewel slechts een veel kleiner aantal drukken te beschrijven valt, minder optimist kan zijn. Het wordt ons meer en meer duidelijk enkele beginselen uit München te moeten overnemen, zoniet zal het werk steeds maar moeten herbegonnen worden. Een uitvoerige beschrijving met vermelding van het soort type dat in het boek te vinden is - dus ook een aanvullen van NK - zijn zeker een minimum. Duurt het werk daardoor een tiental jaren meer hoeft ons niet af te schrikken.
(32) Irmgard BEZZEL, Das Verzeichnis der im deutschen Sprachbereich erschienenen Drucke des 16. Jahrhunderts. Ein bibliographisches Unternehmen in München und Wolfenbüttel, in Zeitschrift für Bibliothekswesen und Bibliographie. 1974, XXI, p. 177-185.
211. - De derde aflevering (33) van de Mr. H. Bos-Bibliotheek (zie kroniek nr. 154) omvat de Engelse drukken tot 1640 (nr. 305-482).
(33) Bibliotheek Vrije Universiteit Amsterdam. Aanwinsten uit Mr. H. Bos-Bibliotheek, Aflevering 3 : Engelse drukken tot 1640, Amsterdam, 1974.
212. - A. DEKKER (34) geeft een overzicht van de edities van de Cantilenae Martinianae vanaf 1539, de eerste bekende (NK 2590 sq.). Hij gelooft dat deze editie must be regarded as presumably the earliest example of printed mensural notation in the northern Netherlands (p. 191). Volgens de reproductie in NAT is deze muziek niet met losse elementen gedrukt maar uit één blok gesneden. Voor de data in de Zuidelijke Nederlanden zie Goovaerts en Vervliet.
(34) Alfred M. DEKKER, Three unknown Cantilenae Martinianae by G. Macropedius : A contribution to the study of the Utrecht Carmina Scholastica, in Humanista Lovaniensia, 1974, 23, p. 188-227.
213. - De auteurs (35) zijn van oordeel dat de editie van 1536 van de Loci communes van Melanchthon, die noch plaats van drukken noch naam van drukker vermeldt, te Antwerpen zou gedrukt zijn door G. Spyridipoeus of door de wed. van Maarten de Keyser. Van dit boek zijn slechts twee exemplaren bekend; het ene in het British Museum, het andere in de Houghton Library te Harvard. Wijzelf hebben het boek niet gezien en kennen slechts de titelbladzijde en een deel van f. A2r door de auteurs in het artikel afgebeeld. De titelbordure, een mooie houtsnede met onder meer het wapen van de Engelse koningen, vindt men later terug in meerdere Engelse drukken. Volgens talrijke specialisten zou deze borduur aan H. Holbein de jongere toegeschreven moeten worden. Dit is goed mogelijk en het feit Holbeins titelborduren in de Nederlanden te vinden hoeft ons niet te verwonderen. Wat nu het drukken in Antwerpen betreft, bij een van beide drukkers, hoe knap het artikel ook geschreven is toch kan het ons niet overtuigen; de argumentatie tenminste, want het boek kan natuurlijk in Antwerpen gedrukt zijn. Het argument van de typen gaat niet op en ook de initiaal C die bij beide drukkers terug te vinden is bewijst niets. Spyridipoeus' werk konden wij wat nader inzien. Van de 6 bekende drukken volgens NK bezit Gent er drie (NK 1404, NK 2920 en NK 2924) en van NK 916 vindt men in NAT een paar reproducties. Het typografisch materiaal (diverse romeinen, een cursief, grieks, initialen en een portret van Erasmus) vindt men in de 4 drukken gedeeltelijk terug. Maar deze typen zijn algemeen voorkomend en bij gebrek aan voldoende gegevens over de bewuste Melanchthon-druk was een preciese vergelijking van de typecombinatie niet mogelijk. Ook de initiaal kan een kopie zijn en is misschien terug te vinden bij andere drukkers. De vier ons bekende drukken hebben wel een grote gelijkheid in uiterlijke vorm en typografie. Het is nu opvallend dat de Melanchthon-druk - indien tenminste de reproducties op ware grootte gegeven worden - een groter 8° formaat heeft dan de andere 4. Pas wanneer de overige Spyridipoeus-drukken en ook deze van M. de Keysere zorgvuldig onderzocht en vergeleken worden met de Melanchthon-editie (wat de auteurs niet gedaan hebben) - kan een juister oordeel over de localisatie van de druk gegeven worden.
(35) James E. WALSH en Philip HOFER, A new Holbein attribution, in Harvard Library Bulletin, 1975, XXIII, p. 42-52.
214. - BRIELS, die het groots opgezette plan opgevat heeft systematisch het aandeel te onderzoeken van de Zuidnederlanders in de opbouw en de bloei van de Noordnederlandse Republiek in de 17de eeuw, heeft reeds verscheidene delen daaruit gepubliceerd. Na de goud- en zilversmeden en de schoolmeesters is het thans de beurt aan de drukkers en allen die in verband staan met de boekhandel; een volgend stuk zal aan de kunstenaars gewijd zijn. De betekenis van de Zuidnederlandse uitgeweken drukkers voor Noordnederland - en de betekenis van hun verlies voor het Zuiden - werd nooit uitvoerig onderzocht en deze studie (36) vult dus een leemte aan zoals H. de la Fontaine Verwey in de voorrede terecht opmerkt: het werk is van uitnemend belang voor de geschiedenis van het Nederlandse boek en voorziet in een pijnlijk gevoelde lacune. Bij de raadpleging van dit boek moet steeds deze problematiek op de achtergrond gezien worden, het speciale gezichtspunt van waaruit de auteur de drukgeschiedenis benadert. Zijn werk is dus geen woordenboek van alle Noordnederlandse drukkers, een soort tegenhanger of aanvulling van wat in Brussel tot stand komt; neen, het bestudeert alleen de ingeweken drukkers in Noordnederland. Dat de auteur nu ook andere drukkers in zijn repertorium (Bijlage 1) opgenomen heeft werkt eerder verwarrend. De weinig preciese omlijning van het onderwerp, evenals de dubbele titel, stellen de gebruikers en ook de bespreker voor verrassingen en ontgoochelingen.
De datum vooreerst. Waarom 1570, dit zien wij niet zo precies in noch wordt daarover door Briels veel uitleg gegeven alsof dit normaal is. Het heeft nochtans veel belang want al zijn statistisch materiaal vertrekt van daaruit. De inleider wijst er op dat 19 juli 1572, de Statenvergadering in Dordrecht, als de geboortedatum van de Republiek kan beschouwd worden. De vrijheid die nu in Noordnederland ontstond moet wel doorslaggevend geweest zijn voor de keus van vele emigranten. Ook werd niet de ganse Republiek noch alle steden op dezelfde manier uitvoerig behandeld. De auteur onderzocht voornamelijk de provincies Holland en Zeeland en de prospectus vermeldt dat een min of meer volledig beeld verkregen wordt voor de steden Delft, Dordrecht, Gouda, Haarlem, Leiden en Rotterdam. Andere plaatsen daarentegen zoals Alkmaar, Amsterdam, Arnhem, 's Hertogenbosch, Middelburg, Nijmegen, ... werden beknopt of niet nagegaan. Dit is begrijpelijk, de auteur werkt hoofdzakelijk op archiefmateriaal en niet alles kon onderzocht worden. Het boek omvat twee delen. Een inleidend synthetisch gedeelte van een 150tal bladzijden en een reeks bijdragen waarvan de eerste de belangrijkste is en het materiaal bevat voor de synthese. Na een schets van de boekdrukkunst in het Zuiden, de rol van de reformatie, dwz. de veroordelingen en de uitwijkingen (p. 3-11) bestudeert de auteur de emigratie- en immigratiestromen (p. 12-27). Tot vóór 1570 voornamelijk gericht naar Engeland en Duitsland kozen de uitwijkelingen na 1570 Noordnederland. Meer nog, tal van vluchtelingen naar Engeland en Duitsland uitgeweken kwamen nu terug naar Noordnederland waar ze met open armen werden ontvangen (p, 14). Met behulp van statistieken, aantal personen, jaartallen van uitwijkelingen, procenten, steden van herkomst wordt dit alles duidelijk aangetoond en hoeft hier niet geresumeerd te worden. Het derde en belangrijkste hoofdstuk van deze inleidende syntese (p. 28-132 Noordnederland) schetst voor de volgende steden : Alkmaar, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Franeker, Gouda, 's-Gravenhage, Haarlem, Leiden, Middelburg, Rotterdam en Overige steden min of meer uitvoerig de rol en de verhouding van de Zuidnederlandse drukkers ten opzichte van de inheemse drukkers. Zo stelt men vast dat voor bepaalde steden zoals bv. Dordrecht deze inwijkelingen de meerderheid vormden, terwijl in andere plaatsen waar ze kwantitatief minder in aantal waren, kwalitatief toch de meerderen bleven. De uitgeweken drukkers waren meestal zeer hoog gekwalificeerde ambachtsmensen. Briels toont ook aan welke soort teksten hoofdzakelijk in elke stad gedrukt werden of waarin bepaalde drukkers zich onderscheiden hebben. Dat de godsdienstige literatuur hier een grote rol gespeeld heeft is duidelijk. Dit hoofdstuk is ook geïllustreerd met een 30 tal afbeeldingen van boektitels. In zijn besluit (p. 133-159) wordt nogmaals, met behulp van statistische tabellen waarin de auteur uitmunt, het Zuidnederlandse aandeel in de ontwikkeling van de boekdrukkunst in de Verenigde Provinciën aangetoond. De tabel h, (p. 145-147), geeft een overzicht van de Uitgave van kerkelijke geschriften 1570-1630 en tabel i (p. 148-151) een Keuze van randschriften, in drukkersmerken gebruikt. Ik vraag mij toch af of deze meestal Bijbelse citaten die in de vignetten voorkomen, tekst en vignet die wij soms identiek bij een andere drukker terugvinden (bv. Canin en vanden Rade), wel eigenlijke drukkersmerken vormen die het officina aanduiden? Zijn dit niet veeleer gewone boekillustraties, bepaalde kentekens eigen aan een soort tekst, zeer dikwijls godsdienstige werken. Een drukkersmerk is toch iets eigen aan een bepaalde drukker. Is er geen relatie vast te leggen tussen een bepaald vignet met randschrift en een categorie tekst en zou een drukker voor een niet religieuse tekst ook hetzelfde vignet met Bijbels citaat aanwenden?
De eerste bijlage, de uitgebreidste en nuttigste, (p. 163-554) heeft een ietwat vaagomlijnde titel : Bio-bibliografische aantekeningen betreffende Zuid- en Noordnederlandse boekdrukkers, uitgevers, boekverkopers, lettergieters, lettersnijders etc. in de Republiek der Verenigde Nederlanden omstreeks 1570-1630. Wat omvat ze precies? Een alfabetische lijst van 364 personen die in deze periode werkzaam waren. Van deze 364 personen moeten er 248 direct in verband gebracht worden met de Zuidenederlandse inwijking (p. x). En de overige 112, afstammelingen? Op grond waarvan gebeurde de keus en wat mag de gebruiker verwachten te vinden of niet te zullen vinden? Dit is mij niet helemaal duidelijk. Deze alfabetisch gerangschikte notities, waarvan sommige meerdere bladzijden lang zijn en andere slechts enkele regels omvatten naargelang het beschikbare archiefmateriaal, bestaan elk uit volgende delen : naam, korte biografie met voor belangrijke drukkers een uitgebreide stamboom, hier wordt dikwijls tekstueel het archiefmateriaal overgenomen, enkele referenties (Ledeboer of een of ander gespecialiseerd boek); het archiefmateriaal in extenso; een keus uit de gedrukte werken van de betreffende drukker en tenslotte een 160 facsimiles van drukkersmerken.
Onze kennis over leven en werk van een bepaalde drukker komt uit twee bronnen : zijn gedrukte werken en het archiefmateriaal over hem beschikbaar. Beide bronnen moeten elkaar aanvullen en uitsluitend werken op een ervan schept gelegenheid tot onjuistheden. De algemene indruk is nu dat Briels, een wellicht rasechte archiefbewerker, de drukken ietwat over het hoofd heeft gezien of ze stiefmoederlijk behandelde. Dit is mijn inziens de voornaamste zwakte van dit materialenrijke boek. Men vindt er o.m. wanneer een bepaalde drukker huwde of een ander gegeven over zijn leven, maar wat hij drukte, wanneer, hoe, hoeveel, talrijke vragen die de onderzoeker van de drukgeschiedenis wenst te weten, blijven onaangeroerd. De ietwat willekeurige lijst van gedrukte boeken na sommige drukkers toegevoegd voldoet niet om dit tekort aan te vullen. Men vindt ook niet wat over een bepaalde behandelde drukker verschenen is : de bibliografie op het einde, hoe uitgebreid ook, blijft nog te algemeen en te onevenwichtig. Kent de auteur die niet of vond hij het overbodig deze te geven? Of was het de bedoeling niet van Briels ons hierover in te lichten? De biografie is goed, wat hij geeft is uitstekend. Men kan zich alleen maar afvragen wat de zin is van het uitvoerig publiceren van het archiefmateriaal waaraan zich toch maar enkele specialisten interesseren. De historicus moet, uitgaand van de archieven, deze verwerken en met de juiste bronvermelding de biografie klaarmaken voor de drukhistoricus. In bepaalde gevallen, bij twijfelachtige interpretatie of wanneer het niet in betere vorm kan medegedeeld worden, kan het nuttig zijn dit materiaal te publiceren. In de meeste gevallen - zie bv. het boek van Briels - vraagt men zich af : waarom? welke zin? Is publiceren hier niet de gemakkelijkste oplossing kiezen? Waar ligt de grens. De keus uit de gedrukte werken; deze beschouwe men als een toegift ter illustratie van de biografische feiten (p. viii)... voldoende echter om de betekenis van de desbetreffende drukker of uitgever in algemene zin aait te duiden (p. xi), daar zijn wij het niet mee eens. Deze min of meer willekeurig gekozen lijsten lijken ons overbodig en maken het werk zonder veel nut duurder. Voor drukkers die wij ietwat kennen wordt veel te veel gegeven (bv. Canin, Heyns, Paedts, Tournay, Verhaghen, waarom voor deze bijna 5 bladzijden), terwijl voor kleine drukkers, waar wij precies weinig over kennen en graag ietwat zouden over hebben, helemaal niets wordt gegeven (bv. P. Gevaerts, wat drukte hij precies in Woerden en Gouda, terwijl voor Amsterdam wij toch over Moes beschikken). Wat de 160 afbeeldingen van merken betreft, hier vragen wij ons af of de uitgever om commerciële redenen niet een prentenboek heeft willen maken om alzo de hoge prijs te rechtvaardigen. De enige ietwat uitvoerige verzameling van merkenafbeeldingen vindt men in de Bibliotheca Belgica, Marques typographiques. Het ergerde me dikwijls dat deze afbeeldingen niet vermelden uit welk boek zij genomen werden noch de datum van voorkomen. De schuld ligt niet aan Van der Haeghen want uit zijn handschriftmateriaal voor dit deel, hier te Gent nog aanwezig, blijkt dat hij steeds datum en boek aanduidde. In de druk vielen deze onmisbare gegevens spijtig genoeg weg. Voor het werk van Briels is dit nog erger geworden; de reproducties vermelden noch herkomst, noch datum, (soms een datering), noch naam van drukker dit zij gebruikt heeft en de niet gespecialiseerde lezer kan in vele gevallen niet uitmaken of de reproductie bij de voorgaande of bij de volgende tekst hoort. Wat is het nut van een merk zonder datum of herkomst voor een werkinstrument? Meer nog, in bepaalde gevallen werden de merken vervormd, 'vergroot of verkleind, soms werden randschriften weggelaten of zelfs vergissingen begaan. Tenslotte enkele steekproeven. Merk blz. 184 verkleind. Merk blz. 196, 1570 is vergroot terwijl dat met datum 1571 ook in 1576 voorkomt (Knuttel 265). A. Cloucq, blz. 244, Ondertrouw Leiden 14 juni 1602... een eenvoudig nazicht in de BMC zou aantonen dat deze reeds in 1599 te Leiden werkzaam was. Waarom beide merken? J. van Ghelen, is dit steeds dezelfde en welke van Ghelen? Ook de merken op blz. 286 zijn verward; het tempus merk van Hillen komt zelden bij hem voor (bv. in een druk van 1579 ten koste van Nutius). Voor blz. 312, Knuttel 205 en 207 vermeldt reeds de Belegheringh door Foreest in 1573 te Delft gedrukt. Van waar komt verder dit grote merk? Meuleman 295, de Pacificatie van 1598, heeft een kleiner merk met omgekeerde tekst. Het niet gereproduceerde merk van Henricx Coenraet, blz. 316, is nochtans zeldzaam en interessant. Heyns, blz. 318, waarom tweemaal hetzelfde merk? D. Mullem, blz. 374, zie K. J. Riemens in Het Boek, 1929, p. 19 sq. met betrekking tot dit drukkersmerk. Uit welk boek komt precies het merk bovenaan blz. 375 en blz. 376? J. Roelants, blz. 420, van deze drukker zijn ons een viertal merken bekend waarvan de afgebeelde er een is. Gebruikte David Roelandts, waarschijnlijk de zoon volgens Briels, dit merk en waar precies? W. Silvius, blz. 447, waar heeft deze drukker dit portret als merk gebruikt? en het merk ernaast, zonder spreuk ook bij Paedts, hoe komt dit bij hem voor? P. Stroobant, blz. 462, Vanaf dat jaar [1596] zijn door hem verzorgde drukken bekend, en de Ovidius, Contst der minnen, bij P. Stroobant, potest imprimi 29 aug. 1587? (Gent, Univ. Bibl. Cl. 712 (55)).
Alhoewel de auteur nergens vermeldt een volledig overzicht te bezorgen van de drukkers in Noord-Nederland gedurende deze periode werkzaam verwacht men toch dat dit voor bepaalde steden die hij uitvoerig onderzocht het geval zou zijn. Nemen wij bv. Delft. Tiele 193, thans in de Gentse universiteitsbibliotheek, citeert een Placcaet Ghedruckt tot Delft by Maritgen Symons, woonende bij die Vismarckt, ten huyse van Symon Jansz. [15791 en ook een tekst van de Pacificatie (Meulman 293) kennen wij in 1576 bij dezelfde drukker verschenen. Wat bv. de drukker Willemsz W. betreft op blz. 551, zo kon de beknopte relatie van Briels gemakkelijk aangevuld worden door een oogopslag in de STC van Nederland en België. Daar blijkt onze drukker reeds in 1565 te Delft werkzaam en volgens Meulman 197 drukte hij circa 1569 tot Delft in de Roerstraet. Het is precies voor dergelijke kleine drukkers dat een bibliografisch overzicht van hun drukwerken noodzakelijk is en het archiefmateriaal aanvult. Voor Dordrecht; ook hier verschaft de BMC talrijke aanvullingen. Een Psalmen-vertaling door Dathenus verscheen aldaar in 1599 bij Hub. Maesz, de Epistola van Schonbergius apud C. Reinholdum, Dordraci, [1586?]. Voor Gouda vermeldt de B.B.C. 49 de Defensio van Coornhert in 1591 bij Kies, Petrus Simonz verschenen. Men kan opmerken dat deze drukkers vermoedelijk niets met het Zuiden te maken hadden, misschien, maar voor deze steden is de opsomming niet limitatief tot dergelijke drukkers beperkt gebleven. Idem voor Leiden; de Catalogus van Bockenburgius, P.C. vinden wij apud Leonardum Theodori, 1586 voorafgegaan door een editie van 1584 apud Simonem Pauli. De Vita van de hand van J. Verheyden vinden wij te Leiden apud L. Constantium in 1596. De Commentationes duae van A. Gentilis bij I. de la Croy in 1589 en wie is de H. Warnfast die in 1595 het Prognosticon theologicum van A. Nachenmoser drukte? En de Raadhuispers? En de drukker van Rooswycks Verhael (Knuttel 202, Meulman 8628) gheprent bij Jan Moyt Jacobszoon op de Oosterlincx plaets [1573]? Dit zijn slechts steekproeven maar het systematisch nazicht van enkele gedrukte catalogi zou ongetwijfeld talrijke drukkers aan het licht brengen die door Briels niet vermeld worden en zou hem meer aandacht doen besteden aan de gedrukte werken. Zolang wij niet over een min of meer volledige lijst beschikken van wat in de 16de eeuw gedrukt werd blijft een synthese voorbarig en onmogelijk. De bijdragen II-XX, p. 555-599 zijn een reeks archiefteksten die een zeker verband houden met het boek, maar zonder veel verklaring noch situering. Volgen tenslotte p. 600-604 een lijst van de In Bijlage I opgenomen personen, chronologisch gerangschikt naar stad, een Literatuur of bibliografie (p. 606-617), een Register van Plaatsnamen, en een Personenregister. Wat wij graag hadden gezien was een adreslijst van de drukkers, veel nuttiger dan de merken. Was deze commentaar wat eenzijdig en uitgesponnen dan is dit omdat wij het boek juist zo belangrijk vinden en het voor tientallen jaren als een naslagwerk zien te gebruiken. Wij wensten het nog beter en nog bruikbaarder.
(36) J. G. C. A. BRIELS, Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers in de Republiek der Verenigde Nederlanden omstreeks 1570-1630. Een bijdrage lot de kennis van de geschiedenis van het boek met in bijlage bio- en bibliografische aantekeningen betr. Zuid- en Noordnederlandse boekdrukkers, uitgevers, boekverkopers, lettergieters, etc., en andere documenten (Bibliotheca Bibliographica Neerlandica VI), Nieuwkoop, B. de Graaf, 1974, xvi-649 p. 38 illustraties, 160 facsimiles van drukkersmerken, 180 gulden.
215. - In de jaren 1583-1586 verbleef Ch. Plantijn te Leiden waar hij, zoals steeds herhaald werd (o.m. bij Briels, p. 387 en bij Voet, p. 109) een dertigtal boeken drukte; zijn schoonzonen zetten ondertussen het bedrijf te Antwerpen verder. R. BREUGELMANS (37) heeft nu systematisch de Leidse drukken opgespoord en komt tot een 120 tal. Hij stelt vast dat bepaalde edities, in hetzelfde type gedrukt, zowel met het Leidse als het Antwerpse adres voorkomen. (Lugduni Batavorum, ex officina Christophori Plantini en Antverpiae, apud Christophorum Plantinum). Volgens Plantijn zelf zouden deze edities steeds te Leiden gedrukt zijn. De checklist vermeldt auteur, titel, een van beide formules, formaat, drukkersmerk en een bibliotheek waar het werk zich bevindt. Van alle Antwerpse Plantijndrukken uit deze periode in de Gentse Universiteitsbibliotheek aanwezig is er geen enkele die de formule apud heeft, behalve Vida, M. H., Opera; kunnen wij deze dan ook niet naar Leiden overbrengen? Vermits de Gentse bibliotheek niet nagezien werd door de auteur vullen wij zijn lijst dus maar aan. Gent bezit de nummers : 5, 6, 7, 10, 13, 22, 24, 27, 35, 36, 42, 48, 50, 55, 57, 68, 72, 78, 82, 89, 98, 118, 119. Het artikel reproduceert ook de Leidse Plantijnmerken.
(37) R. BREUGELMANS, Lugduni Batavorum, ex officina Christophori Plantini. A checklist of Plantin's Leiden imprints, 1583-1586, in Quaerendo, 1975, V, p. 91-104.
216. - P. VINCK, in zijn licentiaatsverhandeling in de germaanse filologie, bezorgt ook een overzicht en beschrijving van de diverse edities van deze Nederlandse prozaroman (38). De eerste bekende van Vorsterman (NK 3171, enig exemplaar in München), deze van Claes van den Wouwere (ca. 1565) en de uitgave van Jan van Waesberghe, 1587. Volgt verder een beschrijving van de houtsnede-illustraties. Het doel van de auteur was een tekstuitgave en hij hield zich dus aan de datum van NK.
(38) P. VINCK, Die historie van Peeter van Provencen ende die schoone Maghelone van Napels. Tekstuitgave met inleiding en aantekeningen, Gent, 1974.
217. - N. VAN DER BLOM (39) is van mening dat de editie van de Iulius exclusus, de F.A.F. editie, (Ullrich I), in Speier door Jakob Schmidt zou gedrukt zijn. Hij komt daartoe door het voorkomen van des caractères identiques (p. 62). Volstaat dit?
(39) N. VAN DER BLOM, Qui était l'imprimeur de Iulius exclusus, éd. F.A.F.? in Moreana, 1975, 46, p. 61-69.
218. - Uit deel VI van het Nationaal Biografisch Woordenboek (1974) releveren wij : J. Machiels, A. de Keysere, kol. 504-506; K. Heireman, D. Martens, kol. 633-637. De bijdragen van L. Indestege, gewijd aan Rosemondt, Godschalc, kol. 820-831, en aan Sterck van Ringelberg, Joachim, kol. 877-891, geven een overzicht van werk en edities van deze beide auteurs.
219. - Christie, Londen, Veiling van 2 juli 1975. 172, Aesopus, Vita et fabellae, Bazel, J. Froben, jan. 1518, in een band van Joris de Gavere (Goldschmidt, 118; Boekbanden uit vijf eeuwen, 39) voor 250 pond.
220. - Erasmus, Amsterdam, Cat. 304 (sept. 1974). 41, Capella, G., De rebus in Italia gestis, (Ant., J. Grapheus?), 1533, NK 519, 480 gulden. 93, Jovius, P., Turcicarum rerum commentarius, Ant., J. Grapheus voor J. Steels, 1538, NK 1237, 480 gulden.
221. - Forum, Utrecht. Een devote meditatie van die seer droevighe ende bitter passie van onsen ghebenediden salichmaker ende verlosser Jhezus Christus... [Antwerpen, W. Vorsterman, c. 1530], niet in N.K. Prijs niet medegedeeld.
222. - A. L. Van Gendt, Amsterdam, Veiling dec. 1974. 1631, Bonaventura, (pseudo-, ) Sermones de tempore et de sanctis, Zwolle, [P. Van Os], 1479, Ca. 1631, 18de-eeuwse kalfslederen band. Rubricated, in the period by some one signing with monogram TZ at the monastery in Elzeghem. Wij vonden het boek niet terug in de veilingskatalogus van 22 aug. 1782, Gent, P. de Goesin.
223. - Gilhofer en Ranschburg, Luzern, Cat. 62 (dec. 1974). 43, Cicero, Officia Ciceronis, leerende wat yeghelijck... vert. door Coornhert, Haarlem, J. van Zuren, 1561, B.B.C. 131, uit de bibl. van Serrure, 2500 Zwits. Fr. Idem, Cat. 64 (april 1975). 11, Erasmus, Epistolae aliquot.... Leuven, D. Martens, oct. 1516, NK 2939, 2800 Zwits. Fr.
224. - Goldschmidt, Londen, Cat. 151, (sept. 1974). 145, Serlio, S., Des antiquités le troisième livre, Ant., P. Coeck, 6 juli 1550, 875 dollar. April 1975, Erasmus, Enarratio in primum psalmum, Leuven. D. Martens, 1515, NK 814, 725 dollar. Wimpheling, J., Elegantiae maiores, Antwerpen, M. Hillen, 1520, NK 4093, 525 dollar. Cat. 154, (juli 1975). 91. Erasmus, Paraphrasis in evangelium secundum Ioannem, Ant., M. Hillen, 1523, NK 2960, 375 dollar (2ff. ont., contemporary Cambridge binding by Garrett Godfrey).
225. - Hartung und Kart, München, (veiling nov. 1974). 96, Eucherius, De contemptu mundi et cultu Dei, (Zwolle, P. Os van Breda, s.d.), Ca. 709; GW 9427/30.
226. - M. Hertzberger, Baarn, Cat. 277 (nov. 1974). 60, J. Eck, Enchiridion locorum communium..., Ant., J. Grapheus von Arn. Birckman, 1534, (NK 4220), 825 gulden. 79, Hieronymus, Epistolae aliquot, Ant., W. Vorsterman, 1533, (NK 3152), 1300 gulden. Cat. 279 (mei 1975). 7, Andreas de Escobar, De confessione, Deventer, R. Pafraet, 1490, Ca 1235, 3300 gulden. 27, Willem van Gouda, De expositione missae, Deventer, R. Pafraet, 1496, Ca 891, 3400 gulden.
227. - Lathrop C. Harper, New York, Cat. 217 (nov. 74). 21, Biblia. Dat is, de gantsche heylighe Schriftuere... Dordrecht, A. en Is. Canin, 1596, 725 dollar. Idem, Bulletin I, juli 1975. 8, Damianus van Goes, Hispania, Leuven, R. Rescius, 1542, 925 dollar. 20, Vesalius, A., Epistola, rationem modumque propinandi radicis Chynae decocti... pertractans, Bazel, J. Oporinus, oct. 1546, 7500 dollar.
228. - Merlyn, Hulst, List 66 (dec. 1974). 12, Reygersberch, Dye cronijcke van Zeelandt, Ant., Wdw. H. Peetersen, 1551, 3800 gulden.
229. - L. Moorthamers, Brussel, Veiling van 19 oct. 1974. 203, Sermonen, Den Hem by Schoonhoven, Regulieren, 20 maart 1501, (NK 1896), 26000 F. 213, Rosemondt, G., Confessionale, Ant., M. Hillen, 1519, (NK 1821), 18000 F. 231, Terentius, Comoediae sex, Leuven, R. Rescius, 21 oct. 1530, (NK 1895), 5500 F. Veiling van 7 juni 1975. 152, Colloquium peccatoris et crucifixi Jesu Christi, Antwerpen, N. Leeu, 16 kal. junii 1488, Ca 466, 54000 F. 178, Coustumen, usancien, enz. van Mechelen, Ant., M. Hillen, oct. 1535, (NK 631), 13000F.
230. - Reisch, G., Mainz, Auktion 8, (Oct. 1974). 2944, J. Witte de Hese, Itinerarius a Hierusalem, Deventer, J. de Breda, 24 jan. 1504, NK 1217.
231. - E. Rossignol, Parijs, cat. 160 (jan. 1975). 79, Auctoritates Aristotelis, Senecae, . Ant., G. Leeu, 1 juli 1488, Ca 191.
232. - L. Rosenthal, Hilversum, Cat. 222 (nov. 1974). 6, Pius II, Epistolae familiares, Leuven, J. van Westfalen, 1483, Ca 23, 10000 gulden.
233. - Sotheby, . Londen, Veiling van de A. Plesch verzameling, juni 1975. 212, Dodoens, R., Cruydeboeck, Ant., J. Loe, 1554, B. B. D 107, met de hand gekleurd exemplaar, 8000 pond.
234. - B. Wendt, Buch am Ammersee, Cat. 34. 55, verzamelband met drie drukken waarvan er twee uit Antwerpen : J. Eck, Enchiridion locorum communium.. J. Steels, 1535, NK 749, en K. Schatzger, Formula vitae christianae, M. Hillen, 1534, NK 3856; 900 DM.
235. - R. Wölfle, München, Folge 53, (dec. 1974). 1. Biblia pauperum. Vier Blätter aus einem niederländischen Blockbuch um 1440. Holzschnitte mit lateinischem Text. - Numeriert n, o, p, q. Reiberdrucke in hellbrauner Farbe auf Papier mit Wamrzeichen (Jagdhorn ähnlich Briquet 7642). Zeitgenössisches Kolorit in Gelb, Grün, Grau, Schwarz, Rotbraun und Rosa. Einfassungslinie 255 . 193 mm. Papierformat 270 : 195 mm.
236. - Buiten catalogus : Boethius, De consolatione philosophiae, Leuven, J. van Westfalen, 1484, Ca 307. Volgende herkomsten : Iste liber pertinet Cenobio Sancti Adriani martyris ordinis sancti Benedicti opidi Geraldm. Ita est Johannes de Palude. Vignet van Borluut de Noortdonck (groeninghe velt); zie cat. van de veiling in 1858 deel I., nr. 294 waar het door Duquesne werd aangekocht.

Go Top
Archives et bibliothèques de Belgique - Archief- en bibliotheekwezen in België, dl. XLVII (1976), nr. 3-4 pp. 779-802: nrs. 237-302
KRONIEK DER DRUKKUNST TOT 1600
Door
J. MACHIELS


237. - In samenwerking met de afdeling van het oude boek van de Bibliothèque Nationale te Parijs wordt door de afdeling Humanisme van l'Institut de Recherche et d'Histoire des Textes te Parijs driemaandelijks een gestencild blaadje uitgegeven (1). Het is zeer eenvoudig opgevat. Men vindt er talrijke nuttige inlichtingen over: travaux en cours, réunions, indications bibliographiques, instruments de travail, courrier des lecteurs...
(1) Nouvelles du livre ancien, Parijs, 1974 ...1 ... thans zes nummers verschenen. De publicatie is gratis; adres : Section de l'Humanisme I.R.H.T., 40, avenue d'Iéna, Paris 75116.
238. - De Reference Division of the British Library heeft van nu af aan haar eigen publicatie, The British Library Journal (2), die tweemaal per jaar zal verschijnen. Verschenen de beide afleveringen van de eerste jaargang. Onder de algemene leiding van Howard M. Nixon zijn de medewerkers the British Library staff and other authorities of the Library's collections. Deze publicatie, die de vroegere The British Museum Quarterly vervangt, behandelt volgende onderwerpen: articles on books and manuscripts already in the collections; lists and accounts of important new acquisitions of older material; shorter notes arising from discoveries made in the Library by staff or readers, and an annual index.
(2) The British Library Journal, Oxford University Press, 1975 ... Abonnement 7, 5 pond ; I, 1-2, 206 p., ill.
239. - In september 1975 ontvingen wij het vierde deel van de ABHB die de publicaties opneemt verschenen in 1973 (3). Het ritme van verschijnen gaat relatief vlug niettegenstaande het uitgebreid te onderzoeken materiaal en de menselijke factor: de talrijke medewerkers. Nu we reeds over vier delen van deze bibliografie beschikken en deze dus om zo te zeggen de kinderschoenen ontgroeid is, kunnen wij ons een juister beeld vormen over de ganse onderneming. Wij hebben hier te doen met een degelijk werk dat weldra onmisbaar zal worden en dat practisch het enige is op dit gebied. Dit is niet alleen ons oordeel maar hierin stemmen de talrijke besprekers in diverse tijdschriften - met uitzondering van een paar Duitse critici - overeen. Bij de vermelding van de vorige delen in onze vroegere kroniek wezen wij op een paar onvolmaaktheden; deze zijn nog steeds niet uit de weg geruimd en doen zich ook in deel vier voor. Herhalen wij ondermeer de talrijke dubbele en driedubbele opnamen vooral te wijten aan de systematische indeling (algemeenheden, 15de en 16de eeuw, splitsen van België en Nederland in deze periode), de zeer uitgebreide rubriek M, de talrijke zeer dikwijls onbeduidende besprekingen die opgenomen worden (gebrek aan kritiek), ... Maar in ieder geval kan de geinteresseerde gerust zijn, het voornaamste van de bibliografie is in het werk te vinden. Aan het vierde deel werken nu al 23 landen mee en het hoeft ons dus niet te verwonderen reeds 3400 entries te hebben. In strijd met wat de inleiding vermeldt is deze aangroei van notities (deel I, 2500; deel II, 2600 ; deel III, 2800) in de eerste plaats niet toe te schrijven aan de vermeerdering van het aantal landen maar wel aan de opname van oudere, vóór 1973, verschenen publicaties. In feite is het aantal nummers niet zo belangrijk, hier telt veeleer de kwaliteit. Het heeft dus ook niet veel zin om enkele ontsnapte referenties op te sommen, kijken we liever naar enkele algemene beginselen. Wat gebeurt bv. met de werken die in meerdere talen verschijnen? Deze worden ofwel in één notitie vermeld (bv. 1298 waar men én de Franse én de Nederlandse versie van het boek vindt), ofwel in twee notities (bv. 1469 en 1470), ofwel voor het Liber librorum, dat in vier talen verscheen, in vier notities (10, 25, 26, 27). Deze worden echter onder 141a, 176a, 176b, 176c, nog eens herhaald. Voegt men daarbij het feit dat dit verzamelwerk nog eens geëxcerpeerd wordt op de verschillende bijdragen dan komt men voor dit ene boek met een totaal van 40 notities (136-139, 238-241, 247-250, 263-266, 448-451, 930-933, 1215-1218, 1224-1227). Het is ook voor de gebruiker niet steeds duidelijk welk principe gevolgd wordt bij dgl. verzamelwerken, hetzij door meerdere auteurs hetzij de verzamelde artikels van één auteur. Zo vermeldt 223 een korte inhoudsopgave maar dit wordt niet gedaan voor 233. Maar wat met 358 en 1240? Werden 433 en 434 volledig nagezien, en 662, en 669? Over de dubbele opnamen hadden wij het reeds vroeger, maar toch is het leerrijk eens het hoofdstuk Printing, Belgium p. 59 sq. en Netherlands p. 86 te vergelijken waar dit verschijnsel zeer duidelijk is en men zelfs de rubriekindeling moeilijk kon blijven handhaven. De vergissingen in het werk zijn zeer zeldzaam wat voor een dergelijke bibliografie een pluimpje verdient. Zonder een systematisch nazicht te doen vielen we wel op enkele onregelmatigheden: bv. 384 en 387, 2964 en 2967. Wanneer verscheen eerst 2708? Waarom vindt men plots talrijke catalogi onder Zwitserland (770-775) waar dit anders nergens voorkomt? Heeft de medewerker die 469 of 2707 verzorgde het boek wel zelf ingezien? Dit betwijfelen we; in ieder geval had hij toch moeten vermelden dat dit een gewone veilingscatalogus is zoals er meerdere verschijnen. Deze opmerking kan voor vele notities gelden, liever wat nummers minder maar een korte uitleg bij de titels die vaag en soms dubbelzinnig luiden.
(3) A B H B. Annual Bibliography of the History of the Printed Book and Libraries, Volume 4 : Publications of 1973 and additions from the preceding years, edited by H. D. L. Vervliet, Den Haag, M. Nijhoff, 1975, vi-324 p., 135 gulden.
240. - In juni 1976 verscheen het vijfde deel van de ABHB. Het omvat de publicaties over het jaar 1974 en aanvullingen uit de vorige jaren (zelfs uit 1969). Het werk staat op hetzelfde niveau als de vorige delen (4). Het heeft thans 25 landenmedewerkers, onderzoekt 4000 tijdschriften, en omvat 2733 notities. Wij stellen geen veranderingen vast ten opzichte van de vorige delen, tenminste niet in de systematische indeling. Wel viel het ons op dat de index van de Author's names and anonyms aanmerkelijk verlicht werd. Vroeger vond men onder een bepaalde naam meerdere nummers verwijzend naar hetzelfde boek of artikel; thans worden deze notities van eenzelfde werk, die door de systematische indeling verspreid voorkomen, maar één enkele maal in de index opgenomen. Voor het overige gelden ook hier dezelfde opmerkingen als bij vorige delen (zo wordt bvb. het Festschrift H. Widmann geëxcerpeerd, terwijl het verzamelwerk nr. 1475 niet zo wordt behandeld; te veel boekbesprekingen opgenomen die wellicht niet are critical and supplement the book reviewed, p. ix). Onthouden wij ons van aanvullingen te geven, slechts enkele kleine opmerkingen: 159 bevat een nieuw voorwoord van H. Carter en de bespreking van McKerrow van 1935; wat is precies 208?; vallen 254, 386 en 785 niet buiten het plan?; en enkele drukfouten bij 292, 1064 en 1066, 1320 en 1321, 2294 en 2296.
(4) A B H B. annual Bibliography of the History of the Printed Book and Libraries, Volume 5 : Publications of 1974 and additions from the preceding years, edited by Hendrik D. L. Vervliet, Den Haag, M. Nijhoff, 1976, x-286 p., 125 gulden.
241. - Het verschijnen van deel VII, de Index, sluit de laatste faze af van de herdruk met aanvullingen van de Bibliotheca Belgica in 1964 begonnen (5). In het voorwoord zet de opsteller Joseph de Reuck de beginselen uiteen van de indexsamenstelling. Index die hij zeer breed heeft opgevat om de bruikbaarheid van de Bibliotheca Belgica maximaal te maken. Het verschijnen van dit laatste deel betekent helemaal niet dat de Bibliotheca Belgica, die in 1879 gestart is, daarmee afgesloten wordt. Met nieuwsgierigheid zien we de volgende reeks tegemoet.
(5) Bibliotheca Belgica. tome VII : Index général, par Joseph de Reuck, Brussel, 1975, vii-500 p.
242. - Ongeveer 25 jaar geleden - om precies te zijn in 1949 - verscheen het basiswerk van Fr. Bowers Principles of Bibliographical Description. Zonder dat men dit werk als verouderd mag bestempelen stelt men toch vast dat er een aantal punten zijn waaraan Bowers minder of zelfs geen aandacht besteed heeft (bv. het papier). De bedoeling van de uitgever J. B. Jones bestaat er in een reeks artikels sedertdien verschenen en die dgl. punten behandelen opnieuw uit te geven (6). Het boek is dus als een aanvulling, een selective supplement to the Principles te beschouwen. Evenals het basiswerk hebben alle artikels uitsluitend te maken met descriptive bibliography, not with analytical bibliography, textual criticism, or editing (p. 6). De uitgever die alleen verantwoordelijk is voor de keus verdeelde de bundel in twee groepen, een algemene en een die problemen eigen aan een bepaalde periode behandelt. Deze bijdrage kunnen hier niet samengevat worden; wij geven wel de volledige lijst, de data van eerste publicatie en de plaats waar ze oorspronkelijk te vinden waren. Fr. Bowers, Purposes of Descriptive Bibliography, with Some Remarks on Methods, uit The Library, 1953, p. 1-22. G. Thomas Tanselle, Tolerances in Bibliographical Description, uit The Library, 1968, p. 1-12. Cecil, Hopkinson, The Fundamentals of Music Bibliography, uit The Journal of Documentation, 1955, p. 119-129. G. Thomas Tanselle, The Bibliogrophical Description of Paper, uit Studies in Bibliography, 1971, p. 27-67. Curt F. Bühler, Chainlines Versus Imposition in Incunabula en The First Edition of Ficino's De Christiana Religione: A Problem in Bibliographical Description, beide uit Studies in Bibliography, resp. 1970, p. 141-145 en 1965, p. 248-252. Allan Stevenson, Paper as Bibliographical Evidence, oorspronkelijk in The Library, 1962, p. 197-212, wellicht het oorspronkelijkste en brillantste uit de bundel. Kenneth Povey, On the Diagnosis of Half-sheet Imposition, uit The Library, 1956, p. 268-272. David F. Foxon, On Printing"At one Pull" and Distinguishing Impressions by Point Holes, uit The Library, 1956, p. 284-285. William B. Todd, Bibliogrophy and the Editorial Problem in the Eighteenth Century, uit Studies in Bibliography, 1951, p. 41-55. G. Thomas Tanselle, The Recording of Press Figures, uit The Library, 1966, p. 318-325. Oliver L. Steele, On the Imposition of the First Edition of Hawthorne's The Scarlet Letter, uit The Library, 1962, p. 250-255. M. J. Bruccoli, A Mirror for Bibliographers: Duplicate Plates in Modern Printing, uit Papers of the Bibliographical Society of America, 1960, p. 83-88. James B. Meriwether en Joseph Katz, A Redefinition of Issue, uit Proof, 1972, p. 61-70. Alle artikels zijn integraal overgenomen behalve dit van Stevenson (wat verkort en zonder de platen) en sommige werden een weinig aangepast. Op het einde is een korte bibliografie toegevoegd.
(6) Readings in Descriptive Bibliography. Edited and with a Preface by John Bush Jones, Kent State University Press, 1974, x-208 p.
243. - De bibliotheek te Mons, gesticht in 1797, bezit thans 318 incunabelen. Ch. Piérard (7) schetst ons hoe in de loop van die periode deze kostbaarheden verworven werden (o.m. twee blokdrukken). Zoals zeer dikwijls het geval - zo ook te Gent - is het te danken aan belangrijke persoonlijkheden (par la passion du livre), nl. Ph. Delmotte en Ed. Puissant dat dit fonds tot stand kwam.
(7) Ch. PIÉRARD Comment s'est constituée la collection d'incunables de la bibliothèque de l'université de l'état á Mons, in Annalen van het XLIIIste congres van de Federatie van Kringen voor Oudheidkunde en Geschiedenis van België, Sint-Niklaas-Waas 1974, Sint-Niklaas, 1975, p. 193-196.
244. - Van de aanwinsten uit de Mr. H. Bos-bibliotheek verschenen reeds nr. 1, M. Luther (april 1973); nr. 2, J. Calvin, Th. de Bèze (maart 1974); nr. 3 Engelse drukken tot 1640 (december 1974) en thans Hugo de Groot (nr. 483-624) (8).
(8) Bibliotheek Vrije Universiteit Amsterdam. Aanwinsten uit de Mr. H. Bos-Bibliotheek, Aflevering 4 : Hugo de Groot, Amsterdam, december 1975.
245. - Tot op het einde van de 16de eeuw was het een algemeen verspreide gewoonte dat de drukkers en uitgevers hun boeken verkochten en verstuurden in ongebonden vorm, in losse vellen. Zo kon de koper het boek laten inbinden zoals hij wenste en betekent de plaats van drukken dus weinig voor het identificeren van de plaats van inbinden. In bepaalde gevallen kon de drukker toch een afgewerkt en ingebonden produkt van de hand doen. Zijn dgl. uitgeversbanden uitzonderlijk zeldzaam bewaard gebleven voor de incunabelperiode, dan komt dit meer voor in de 16de eeuw. H. de la Fontaine Verwey (9) behandelt alzo een groep van Amsterdamse uitgeversbanden waarvan de oudste circa 1540 dateert maar het grootste aantal toch eind 16de eeuw te situeren valt. Het betreft het werk van de uitgevers Cornelis Claesz en Laurens Jacobsz.
(9) Herman DE LA FONTAINE VERWEY, Amsterdam publishers' bindings from about 1600, in Quaerendo, 1975, dl. 5, p. 283-302 met ill.
246. - In een uitvoerig en overtuigend artikel, in 1966 verschenen in het huldeboek H. de la Fontaine Verwey, hadden G. Colin en H. M. Nixon een overzicht gegeven van een 42 tal banden, tussen 1546 en 1556 tot stand gekomen, en die op grond van de aangewende stempels en stijlkenmerken toegeschreven konden worden aan eenzelfde atelier, dit van Ch. Plantijn te Antwerpen, vooraleer deze laatste zich practisch uitsluitend met het drukken zou bezig houden. Thans in een huldenummer aan Howard M. Nixon kan G. Colin (10), op grond van dezelfde argumenten, het aantal van de aan Plantijn toegeschreven banden tot 51 verhogen. Zich steunend op deze argumenten zal een systematisch bibliotheekonderzoek in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid dit aantal nog doen vergroten. Wijzelf zagen slechts enkele van de toegeschreven banden, maar vergelijkt men de reproducties dan ontkomt men toch moeilijk aan de indruk van een grote verscheidenheid in stijl en kwaliteit van de toegeschreven banden.
(10) G. COLIN, Sur quelques reliures de Christophe Plantin découvertes recemment, in To Howard Nixon, speciaal nummer van The Book Collector, 1975, dl. 24, p. 58-64.
247. Mauquoy-Hendrickx (11) onderzoekt nog eens nauwkeurig de Ecce panis angelorum druk en vooral de zin intra muros castelli marthe. Hoe kwam de vervalser aan die uitdrukking vermits het betreffende klooster bij Mechelen alleen bekend is onder de benaming van tot onser liever vrouwen. Zij gelooft de oplossing gevonden te hebben in een andere prent die bovenaan Castellum marthe bethania en onderaan de uitdrukking Ex bethania ppe (prope) mechliniam... heeft en die ze eind 15de begin 16de eeuw dateert. De vervalser moet een dgl. stuk voor ogen gehad hebben en onwetend geweest zijn over de juiste benaming van het klooster (maar echter niet over de stichteres en enkele zusters!). Zo is de band met Mechelen verdwenen en kan het stuk evengoed ergens anders gedrukt zijn. Veronderstelt men niet te veel van de vervalser?
(11) M. MAUQUOY-HENDRICKX, Une dernière hypothèse (?) au sujet de l'Ecce panis angelorum du couvent de Béthanie (Malines) portant Ie millésime 1467, in De Gulden Passer, 1974, dl. 52, p. 176-189.
248. - Geldner (12) probeert om aan enkele punten uit de omvangrijkste vijftiende eeuwse bron omtrent de uitvinding der boekdrukkunst, de in 1499 verschenen anonieme Cronica van der hilliger Stat van Coellen (GW 6688), een interpretatie te geven. Ver, om als talrijke voorgangers dit bericht als onbetrouwbaar te beschouwen, is hij er van overtuigd dat er geen enkele reden bestaat om de waarheidsliefde van de opsteller in twijfel te trekken. Maar hoe ver gaat ze en wat betekent de uitdrukking die erste Vorbildung in Holland aus den Donaten? Geldner gelooft dat deze Donaten auf dem Wege der Erfindung eine sehr bedeutende Rolle gespielt haben, und vor allem kann Gutenberg nicht nur " gedruckte " holländische Donate gesehen haben, er musz auch ihre Herstellung genau beobachtet, vielleicht sogar an ihr mitgewirkt haben (p. 455). Dit is uiteraard slechts mogelijk als men veronderstelt dat Gutenberg zelf rond 1445-1447 in Holland Donaten op een primitieve manier zou gedrukt hebben, en dit kan... vermits de periode 1444-1448 in Gutenbergs loopbaan voor ons duister blijft. De auteur geeft gewis toe dat dit een volledig onbewijsbare hypothese is en dat dit zelfs een vroegere datum vooropstelt voor onze Donaten (hieromtrent weten wij niets precies). Zolang men deze Donaatfragmenten niet juister kan situeren of geen afdoende interpretatie vindt voor de Vorbildung lijkt de vooropgestelde hypothese niet zo onaanvaardbaar. Maar wat precies heeft Gutenberg in Holland (en waar) geleerd? Het laatste deel van het artikel behandelt dan het ontstaan van de Costerlegende.
(12) F. GELDNER, Neue Aspekte des Berichtes der Kölner Chronik von 1499 über die Erfindung der Buchdruckerkunst und das Coster-Problem. Hat sich Johannes Gutenberg um 1445/47 in Holland aufgehalten? in Archiv für Geschichte des Buchwesens, 1975, dl. 15, p. 437-467.
249. - Zonder de bedoeling te hebben iets origineels bij te brengen onderzoeken de auteurs (13) de stilistische verwantschap tussen de vier edities van het Speculum humanae salvationis en deze van de Biblia pauperum en het Canticum Canticorum.
(13) H. VEROUGSTRAETE-MARCQ en R. VAN SCHOUTE, Le Speculum humanae salvationis considéré dans ses rapports avec la Biblia pauperum et Ie Canticum Canticorum, in De Gulden Passer, 1975, dl. 53, p. 363-379.
250. - R. Chartier onderzoekt, in grote trekken, hoe de verspreiding en de evolutie geschiedde van de Ars moriendi (14). Hiervan zijn twee versies bekend, een uitgebreide en een beknopte.
Als blokboek, in de korte versie, zijn van deze tekst het grootst aantal edities bewaard en ze is waarschijnlijk de meeste verspreide tekst geweest in xylografische vorm (op de circa 400 bewaarde exemplaren zijn er 61 Ars moriendi). Als incunabel, in de uitgebreide versie, kende ze circa 77 edities (6 uit de Nederlanden), waarvan 42 latijnse (1 uit de Nederlanden) en 35 vernaculaire (5 nederlandse). Het succes van deze handleiding en troost om te sterven eindigt rond 1530. L'ars moriendi cède la place, après 1530, á un discours sur la mort... (p. 57). De bestseller wordt nu De praeparatione ad mortem van Erasmus.
(14) R. CHARTIER, Les arts de mourir, 1450-1600 in Annales. Economies Sociétés Civilisations, 1976, dl. 31, p. 51-75. D. Roche zet hetzelfde onderzoek dan verder voor de 17de en 18de eeuw.
251. - Ter gelegenheid van de 500ste verjaring van het eerste boek in het Engels gedrukt hield de Bodleian Library een tentoonstelling van een 16tal Caxton-drukken. In een kleine maar goed opgestelde brochure (15) worden de chronologisch tentoongestelde drukken (Keulen, Brugge, Westminster) besproken.
(15) William Caxton. A small exhibition held in the Bodleian Library to commemorate the five hundredth anniversary of the first book printed in the English language, Oxford, Bodleian Library, 1975, 35 p.
252. - Het is niet eenvoudig om precies na te gaan wat de auteur bedoelt noch welk aspect van C. Mansion hij wenst te onderzoeken (16). Zijn artikel doet mij wat denken aan deze talrijke bijdragen van E. L. Eisenstein die ook zo uitdeinen. Eén zaak is zeker, het is niet het drukkersaspect. Het is veeleer de betekenis van Mansion als drukker en verspreider van vernaculaire teksten in het kader van de evolutie van het met de hand geschreven naar het gedrukte boek. Welke is hier precies zijn rol geweest, hoe kon hij zijn calligraaf- en drukkerschap verzoenen. De auteur is er van overtuigd dat de gedrukte edities van een bepaalde tekst niet in staat waren de geschreven edities van dezelfde tekst concurrentie aan te doen noch deze to supplant (p. 415). Noch op het gebied van het aantal exemplaren - dit is natuurlijk zo wanneer men veronderstelt dat the usual Mansion printed edition was four to five copies (p. 414) - noch op het gebied van de purity in text did Mansion's press contribute more than scriptoria to the spread or preservation of texts (p. 415). Misschien, maar heeft Saenger dan geen oog voor het nieuwe van een gedrukte tekst? Mansion had dit wel, en reeds in 1470.
(16) P. SAENGER, Colard Mansion and the evolution of the printed book, in The Library Quarterly, 1975, dl. 45, p. 405-418.
253. - In ons boek over Arend de Keysere behandelden wij de Gentse drukken van de aflaatbrief ten voordele van de kathedraal van Saintes. Wij dachten toen dat de Keysere hier alleen voor de lokale markt gedrukt had maar nu blijkt uit de bijdrage van S. Corsten (17) dat Gent in de verspreiding van deze brief een veel belangrijker rol gespeeld heeft en als tussenschakel diende tussen Saintes en de Neder Rijn. Immers van onze Gentse aflaatbrief nr. 15 ontdekte Corsten een tweede exemplaar bestemd voor de Karmelieten te Düren (thans in het Hauptstaatsarchiv te Düsseldorf). Het verdere deel van het artikel behandelt de verspreiding in het aartsbisdom Keulen en de betekenis van de diverse Keulse drukken (met een chronologische lijst van alle bekende Keulse aflaatdrukken).
(17) S. CORSTEN, Der Ablasz zugunsten der Kathedrale von Saintes. Seine Verkündigung am Niederrhein im Spiegel der Wiegendrucke, in Annalen des historischen Vereins für den Niederrhein inbesondere das alte Erzbistum Köln, 1975, dl. 177, p. 62-75.
254. - Het enige bekende exemplaar van Ca 909, De coloribus verborum sententiarumque, toegeschreven aan A. Haneron, wordt hier heruitgegeven (18). In een korte inleiding vermeldt de uitgeefster de andere werken met de vroege uitgaven van deze auteur.
(18) J. YSEWIJN-JACOBS, Magistri Anthonii Haneron (ca. 1400-1490). Opera grammatica et rhetorica, in Humanistica Lovaniensia, 1975, dl. 24, p. 29-68.
255. - In onze kroniek nr. 119 vestigden wij de aandacht op de catalogus samengesteld door G. Elliott-Loose, catalogus die thans in gedrukte vorm verspreid wordt (19). Zo blijft het gebruik van dit nuttig werk niet beperkt tot de plaatselijke bezoeker van de bibliotheek. In de inleiding schetst de auteur het belang en de inhoud van deze uitzonderlijke verzameling, 558 edities vertegenwoordigd door 793 exemplaren waarvan 34 wellicht uniek zijn. Na een bibliografische lijst van de geciteerde werken komen dan de incunabelen in alfabetische volgorde. Auteur, beknopte titel, bibliografisch adres, formaat, een reeks verwijzingen, de signatuur en de herkomstvermeldingen. Volgen dan een index van de plaats van druk, alfabetisch per stad en daarin alfabetisch per drukker; een index op de drukkers en een lijst van de herkomsten. Tenslotte een concordantietabel op Campbell en een lijst van de 20 illustraties.
(19) Gh. ELLIOTT-LOOSE, Les incunables des anciens Pays-Bas conservés á la Réserve du Département des Imprimés de la Bibliothèque Nationale. Catalogue, (Collection de la Revue française d'histoire du livre, II). Parijs-Bordeaux. 1976, 148 p. 100 Fr.
256. - De catalogus van het Rijksmuseum Twenthe is practisch uitsluitend aan handschriften gewijd (20). Wij vinden er slechts 4 drukken waarvan 2 uit de Nederlanden: 36, Fasciculus temporum van Rolevinck, Utrecht, J. Veldener 1480 en 37, Boetius, De consolatione philosophiae, Gent, A. de Keysere, 1485.
(20) E. P. VAN 'T HULL-VERMAAS, De handschriften en incunabelen van het Rijksmuseum te Twenthe, Enschede, 1976.
257. - De Centrale Bibliotheek van de Université catholique de Louvain heeft niet gewacht op het verschijnen van het supplement op Polain om haar incunabelbezit beter te doen kennen. J. Germain heeft een nauwkeurige en met liefde voor het vak opgestelde catalogus samengesteld (21). In een korte inleiding zet hij de gevolgde methode uiteen en alhoewel hij er op wijst dat bij wenste te beschrijven l'exemplaire que l'on possède et qui a ses caractéristiques propres (p. X), toch vermeldt hij niets over de band en de herkomst. Na deze inleiding volgt de bibliografie van de referentiewerken (de Contributions van Kronenberg hadden wel opgenomen mogen worden) en de lijst van 109 nummers in alfabetische volgorde (onvolledige stukken en zelfs losse bladen worden ook vermeld). De beschrijving omvat: auteur, beknopte titel, formaat, ff., ll., type (algemene benaming), signaturen, referenties en bibliotheekssignatuur. Daar practisch alle boeken ergens reeds goed beschreven werden brengt dit weinig nieuws. Voor wat de Nederlanden betreft vindt men er 6 drukken uit Leuven (één van G. van der Heerstraeten en vijf van Jan van Westfalen), een uit Antwerpen (Van der Goes), een uit Haarlem en een fragment uit Zwolle (P. van Os). Volgen daarna: Table chronologique des incunables; Table topographique des incunables; Index des imprimeurs, libraires et villes d'édition; Tables de concordances avec les principaux répertoires d'incunables en tenslotte een lijst van de 54 illustraties die om didactische redenen gekozen werden (voor wie?). Enkele kleine opmerkingen: Is 15 typologisch niet nader te preciseren? Evenals 33? Het Ordinarium van 34 is waarschijnlijk Adams 1155 (Parijs 1513). Voor 67, waarvan de katerne l10 is, zie de nauwkeurige datum in Hellinga's P.T. Dat 82 ? Polain 2592, goed, maar wat is het dan wel? KC 1203a of b of Ca 1203? Van dit ene boek had de opsteller tenminste een uitvoerige beschrijving kunnen geven. 97 is Adams 1715 (Rome ca. 1512). 103, dit kan nader bepaald worden met behulp van de Einblattdrucke des xv. Jahrhunderts en hiervan had een reproductie gegeven kunnen worden in plaats van de talrijke andere die overal te vinden zijn.
(21) Jean GERMAIN, Répertoire des incunables de la bibliothèque centrale de l'Université catholique de Louvain, Leuven, 1976, xviii-123 p.
258. - H. de la Fontaine Verwey is ongetwijfeld een van de beste kenners van het 16de eeuwse boek in de Nederlanden. Hij bezorgde ons tal van opstellen in tijdschriften en andere moeilijk toegankelijke publicaties. Het is dus een uitstekend idee geweest van de uitgever - zelf een goed kenner - om een aantal van die publicaties opnieuw uit te geven. De bedoeling is een vijftal bundels samen te stellen waarvan thans de eerste verscheen (22). Opgenomen zijn alleen die studies die, toen zij verschenen, iets nieuws brachten en nog niet achterhaald zijn, ook al zijn er onderdelen van sommige onderwerpen sindsdien door anderen nader uitgewerkt. Met nieuwe vondsten is steeds rekening gehouden en bibliografische gegevens zijn aangevuld. Aan de oorspronkelijke vorm is zo weinig mogelijk- veranderd, ook al zou ik- het nu anders doen (p. 9). Het boeiende van een tekst van een H. de la Fontaine Verwey is dat hij de geschiedenis van het boek altijd beschouwd heeft als een onderdeel van de kultuurgeschiedenis en dat bijgevolg het onderzoek zich niet bepalen mag tot het oplossen van bibliografische raadsels, het determineren van onbekend drukwerk, het invullen van ontbrekende jaartallen of het onderscheiden van verschillende drukken van een bepaald boek (p. 8). Het eerste deel omvat volgende bijdragen. De geboorte van het moderne boek in de xvie eeuw, twee voordrachten in de Universiteits-Bibliotheek Amsterdam in mei 1954 gehouden en in hetzelfde jaar verschenen. Erasmus en zijn " Boeckje aengaende de beleeftheidt der kinderlijcke zeden " vormde de inleiding op de facsimile-uitgave van dit boekje, gedrukt door S. Wittelingh te Amsterdam in 1678, en door de U.B. Amsterdam in 1969 opnieuw uitgegeven. Pieter Coecke van Aelst en zijn boeken over architectuur is de herziene uitgave van twee artikels verschenen in Het Boek (1952-1954, p. 251-270, en 1960, p. 88-95, dit laatste verscheen vooraf ook in de bundel Liber amicorum J. P. Mieras 1958). De eerste " private press " in de Nederlanden. Marcus Laurinus en de"Officina Goltziana" verscheen in 1972 in Engelse versie in Quaerendo (p. 294-3 10, zie onze kroniek nr. 48). Het Huis der Liefde en zijn publikaties, een omgewerkte tekst van een lezing in 1972 gehouden en hier voor het eerst gedrukt. In deze belangrijke bijdrage onderzoekt de auteur o.m. in welke kringen Hendrik Niclaes zijn adepten vond, hoe zijn geschriften verspreid werden, wie zijn tegenstanders waren... (p. 88). Vooral de betekenis en de rol van Plantijn en zijn medewerker, Augustijn van Hasselt, bij het drukken van de teksten van het Huis der Liefde worden uitvoerig onderzocht. De aangehaalde argumenten evenals de redenering kunnen overtuigen. De Blijde Inkomste en de opstand tegen Philips II, lezing in 1956 gehouden en in 1960 gepubliceerd, bespreekt de diverse edities van de Blijde Inkomste van 1356 (respectievelijk 1564, 1565, 1566, 1574, 1577, 1578). Typografische schrijfboeken. Een hoofdstuk uit de geschiedenis van de civilité-letter. Dit verscheen eerst in De Gulden Passer, 1961, p. 288-326 en werd nu aangevuld met passages uit het artikel Les caractères de civilité et la propagande religieuse verschenen in Bibliothèque d'Humanisme et Renaissance, 1964, p. 7-27. Dit laatste artikel onderzocht vooral voor welke genres van boeken de civilité oorspronkelijk gebruikt werd en had wel volledig herdrukt mogen worden. Bij ons werd grosso modo de civilité voor dezelfde soort van boeken gebruikt als in Frankrijk, maar er kwam nog een nieuw genre bij: de typografische schrijfboeken, wat voor de auteur aanleiding wordt om daarvan een overzicht in de Nederlanden te geven.
(22) H. DE LA FONTAINE VERWEY, Uit de wereld van het boek, I: Humanisten, dwepers en rebellen in de zestiende eeuw, Amsterdam, N. Israel, 1975, 162 p., 40 illustraties, 30 gulden.
259. - De tentoonstelling 550 jaar Universiteit Leuven behandelt natuurlijk ook de wereld van het boek (23). In de afdeling 6: Een wereld van boeken heeft men een overzicht van M. Smeyers, Het handschriftenbedrijf en de universiteit (p. 146-148) en door K. Heireman, De jonge boekdrukkunst en de Leuvense universiteit (p. 149-153). Tentoongesteld materiaal illustreert dit. Het grootste deel kon men reeds ergens anders zien; signaleren we echter: nr. 255, een aanvulling voor NK, Commentaria in Isagogen Porphyrii... Leuven, S. van Sassen, 1535, en nr. 257, de A. Haneron, Tractatus de coloribus verborum et sententiarum cum figuris grammaticalibus, Utrecht, s.d. Ca 909.
(23) 550 Jaar Universiteit Leuven, Leuven, Stedelijk Museum, 31 januari-25 april 1976, Catalogus, Boekdeel 1, Voorlopige editie, Leuven, 1976, xix-280 p.
260. - J. Meier (24) behandelt het ontstaan, de verspreiding en de verdere invloed van het Enchiridion van J. Gropper. Deze tekst verscheen voor het eerst, anoniem, na de Canones van het provinciaal concilie gehouden te Keulen in maart 1536. De eerste druk van Quentel (1537/38) kende talrijke herdrukken te Venetië, vooral te Parijs en een drietal te Antwerpen bij J. Steelsius (1552, 1553, 1554). De auteur geeft een uitvoerige beschrijving van de 40 edities met exemplaarlocalisatie.
(24) J. MEIER, Das "Enchridion christianae institutionis" (1538) von Johannes Gropper. Geschichte seiner Entstehung, Verbreitung und Nachwirkung, in Zeitschrift für Kirchengeschichte, 1975, dl. 86, p. 289-328.
261. - G. Langer (25) ontdekte in de Marienbibliotheek te Halle/Sarre een exemplaar van de Algorithmus integrorum cum probis annexis, ohne Angabe von Druckort und Drucker und ohne Datum. Het boek dat onvolledig is werd voordien nog niet beschreven en geïdentificeerd. Op grond van het typografisch materiaal en de houtsnede kan de druk wellicht in de Nederlanden gesitueerd worden, waarschijnlijk bij H. Eckert te Antwerpen begin 16de eeuw.
(25) G. LANGER, Von Fragen um eine bisher nicht beschreibene Ausgabe des Algorithmus integrorum cum probis annexis, in Gutenberg-Jahrbuch, 1975, p. 81-87.
262. - De licentiaatsverhandeling van H. Wille (26) omvat, na een biografie en situering van J. Lambrecht, een bibliografisch overzicht van zijn drukken en een catalogus-beschrijving van het volledig illustratiemateriaal dat in al zijn werken te vinden is. De prenten, randversieringen, drukkersmerken, ... worden chronologisch gerangschikt en hun voorkomen doorheen het werk van J. Lambrecht nagegaan. In bepaalde gevallen wordt het aantreffen van zijn illustratiemateriaal bij latere drukkers vastgesteld en aangeduid. Vooral nuttig is de reproductie van dit materiaal. De triomftocht van 1543 wordt kort gesitueerd.
(26) H. WILLE, De illustraties in de drukken van Joos Lambrecht. -Verhandeling ingediend tot het bekomen van de graad van licentiaat in de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde, Rijksuniversiteit Gent 1974-75, deel I, 153 p., deel II, de illustraties.
263. - C. Augustijn (27) behandelt uitvoerig de eerste editie van de Vorstermanbijbel van 1528. De klemtoon van het onderzoek ligt vooral op de vraag van welke aard deze uitgave is: orthodox of protestants getint.
(27) C. AUGUSTIJN, De Vorstermanbijbel van 1528, in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1975, N. S., dl. 56, p. 78-94.
264. - Het onderzoek naar de verspreiding van Scutkens vertaling van het N.T. is vooral gericht op de handschriften en minder op deze onder gedrukte vorm verschenen. J. Deschamps vermeldt enkele vertalingen (NK 364, 367 en 368). Het is verder onder de vorm van het lectionarium dat wij de meeste drukken vaststellen, een 36 uitgaven volgens de auteur, verschenen tussen 1489 en 1538 (Ca 685-706, 687a, NK 899-909, 3005-3006, 4340). En daarna? (28).
(28) J. DESCHAMPS De verspreiding van Johan Scutkens vertaling van het Nieuwe Testament en de Oudtestamentische perikopen, in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1975, N. S., dl. 56, p. 159-179.
265. - Het artikel (29) van S. Hindman onderzoekt the text-image relationship in Dutch biblical books as it changed from the fifteenth to the sixteenth centuries - that is, from hand-written to printed examples. In dit verband vergelijkt hij enkele geïllustreerde Bijbelhandschriften met enkele Bijbeldrukken.
(29) S. HINDMAN, The Transitions from Manuscripts to printed Books in the Netherlands : Illustrated Dutch Bibles, in Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 1975, N. S., dl. 56, p. 189-209.
266. - De auteur (30) had de gelegenheid ongeveer 3500 boeken in de zestiende eeuw gedrukt te kunnen onderzoeken. Overwegend drukken uit Italië en Duitsland; toch komen deze uit Frankrijk en de Nederlanden ook voor. De resultaten van het onderzoek zijn uitsluitend van statistische aard, weinig verklaring. Achtereenvolgens behandelt hij het signatuurteken (welke vorm, het gebruik van letters, cijfers, welk soort alfabet), het colofon en de make up (deze beide laatste punten beknopt).
(30) M. A. SHAABER, Notes on Some Printing House Practises in the Sixteenth Century, in The Library Chronicle, 1974, dl. 40, p. 124-139 (= Bibliographical Studies in honor of R. Hirsch, Philadelphia, 1974).
267. - R. Wellens (31) wijdt een kort biografisch artikel, gevolgd door een bibliografie, aan Rutger Velpius.
(31) R. WELLENS, Rutger Velpius, Imprimeur brabançon des XVIe et XVIIe siècles, in Le Folklore Brabançon, 1975, no 205, p. 39-47.
268. - Het was niet eenvoudig om een goede beschrijving te vinden van de uitgaven van Dirk Philips en het degelijke werk van M. Keyser komt dus goed van pas (32). De rijkste verzameling op dit gebied was ongetwijfeld deze van de Doopsgezinde Bibliotheek te Amsterdam. Het is deze verzameling, die nu in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek is, samen met de exemplaren uit deze laatste instelling en aangevuld met enkele edities geleend van de Remonstrantse Broederschap, die beschreven wordt. Wij tellen een zestigtal edities, de oudste circa 1556, de recentste 1964. Geven wij vooraf een overzicht van het boek. Een inleiding van H. de la Fontaine Verwey (p. 7-9); een hoofdstuk van S. L. Verheus, D. Philips, Mennonite theologian (p. 11-18); een bibliografische notitie over Op die grouwelijcke... (p. 19-28); een short-title list of writings by D. Philips (p. 29-31); de lijst van de 44 illustraties; hoofdzakelijk titelbladzijden; de 61 beschreven werken (p. 37-156); de Title index, de Index of persons en de Index of printers and publishers. De beschrijvingen zelf zijn uitvoerig en degelijk. De titel met de regelaanduiding en het vermelden van de rooddruk. De collatie met signaturen en de analyse van de inhoud van het boek. Het plaatsnummer in de bibliotheek, het opgeven van enkele andere exemplaren en wat bibliografische referenties. Daar een groot aantal van de zestiende eeuwse edities geen drukker vermelden is de notitie over de vermoedelijke drukker wel het boeiendst. Hier is de auteur zeer voorzichtig. Zoals H. de la Fontaine Verwey in zijn inleiding aanstipt is het identificeren van dergelijke anonieme zestiende eeuwse drukken uiterst moeilijk. Vele drukkers gebruikten hetzelfde, of ongeveer hetzelfde typografisch materiaal en de hypothese van Vervliet's typen-combinatie schijnt nog niet veel realisatie gevonden te hebben. Voegen wij daar nog bij de zeldzaamheid van de exemplaren en de talrijke problemen verbonden aan de drukken uit Emden waar een zeker aantal doopsgezinde boeken gedrukt werden. Het enige wat de opstelster dus veilig kon doen was het groeperen van zulke anonieme drukken on the basis of typographical features (p. 9). Welke precies? Ook het dateren stelt in diverse gevallen moeilijkheden vermits de edities chronologisch gerangschikt worden. Het enige waarover wij wat meer uitleg wensen is de toeschrijving on typographical grounds. Het is begrijpelijk dat de auteur hier bv. niet het werk van Wijnman opnieuw kon doen, maar... wat nauwkeurigheden om onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Zo ook bij nr. 44 en de Geuzendrukkerij, maar misschien zouden deze punten een te grote uitbreiding nemen voor de catalogus. In bepaalde gevallen maakt het formaat mij nieuwsgierig. Nr. 18 is ook te Gent (Res. 1098) evenals het vermelde exemplaar nr. 44 (Res. 997).
(32) M. KEYSER, Dirk Philips, 1504-1568. A catalogue of his printed works in the University Library of Amsterdam. Compiled, (Bibliotheca Bibliographica Neerlandica, dl. VIII), Nieuwkoop, B. de Graaf, 1975, 168 p., 70 gulden.
269. - Het vijfde deel van de eerste reeks van de nieuwe editie van Erasmus omvat volgende teksten (33). De Parabolae sive similia, uitgegeven door J. C. Margolin, worden voorafgegaan door een uitvoerige inleiding waarin deze laatste de diverse edities van de Parabolae situeert en beschrijft (p. 12 sq.). Op p. 30 signaleert hij kort de drukken van Hillen. NK 0437 en NK 840 (1534), een herdruk? Maar waar valt NK 2956 te plaatsen? De diverse edities van de tweede tekst, Encomium matrimonii, worden analoog behandeld (p. 335 sq.). Wat de eerste uitgave betreft, deze van Martens (p. 335), kent men twee variantedities: NK811 en NK 2971.
(33) Opera omnia Desiderii Erasmi Roterodami ... ordinis primi tomus quintus, Amsterdam, 1975.
270. - De laatste katern van een boek in octavo kan uit vier bladen bestaan; wanneer de inleidende katern eveneens uit vier bladen bestaat kan de drukker er nut bij hebben deze beide halve katernen op één vel te drukken. Hoe zal dan de impositie zijn? Aan de hand van het watermerk en andere bibliografische gegevens tracht de auteur hierop antwoord te geven (34). In het eerste geval, bij gelijktijdige impositie van beide katernen, onderscheidt hij drie manieren. In het tweede geval, bij afzonderlijke impositie en bij gebruik van halve vellen, dient onderscheid gemaakt te worden al naargelang het gebruik van een of twee persen.
(34) J. R. MULRYNE, The imposition of Initial and Final Half-Sheets in an Octavo, in The Library, 1975, dl. 30, p. 229-232.
271. - E. Fischer geeft op p. 156-175 een bibliografisch overzicht (met localisatie) van de Disquisitionum magicarum libri sex van M. Delrio. De eerste editie verscheen te Leuven in 1599 en de 25ste in 1755 (35).
(35) E. FISCHER, Die Disquisitionum magicarum libri sex von M. Delrio als gegenreformatorische Exempel-Quelle, Hannover, 1975 (diss.).
272. - W. Le Loup beschrijft een vergeten druk van H. Goltzius; het betreft de Novellae Constitutiones van Justinianus, te Brugge gedrukt in 1565 (36).
(36) W. Le Loup, Een vergeten druk van Hubertus Goltzius, in Handelingen van het genootschap voor geschiedenis gesticht onder de benaming Société d'Emulation te Brugge, Brugge, 1975, dl. 112, p. 153-158.
273. - R. H. Touwaide publiceerde reeds herhaaldelijk over Guicciardini (denken wij aan zijn diverse bijdragen in De Gulden Passer en nog onlangs in ons tijdschrift), maar dit was uitsluitend over de bibliografische, typografische en iconografische aspekten van het werk. Thans is de beurt gekomen aan een meer biografische studie (37). In een reeks korte hoofdstukjes behandelt de auteur de naam en de familie Guicciardini, zijn jeugd, zijn verblijf in Antwerpen en de diverse gebeurtenissen alhier hem overkomen, zijn dood en begraafplaats. De behandeling is onevenwichtig en bv. het hoofdstuk gewijd aan L'homme (2 bl. lang) is evenals de rest van het boek een aaneenschakeling van citaten - spijtig genoeg niet uit Guicciardini zelf maar uit tal van auteurs die in het verleden over onze auteur iets dachten te kunnen vertellen. Dit kan een zeker nut hebben maar zonder overdrijving en in voetnoot liefst. Volgt dan de behandeling van het werk van Guicciardini, maar ook hier overschrijdt de auteur niet in het minst het materiële aspekt van het oeuvre. Wat denkt Touwaide persoonlijk over Guicciardini? Wat is de inhoud van het werk? Een vijftigtal brieven van Guicciardini zijn ons bewaard, hiervan geeft Touwaide een overzicht met korte samenvatting van elke brief om dan achteraan een vrije vertaling van een negental onuitgegeven brieven te geven. Volgen tenslotte een reeks Annexes. 1. Een chronologische lijst met korte titelbeschrijving en vindplaats van de diverse edities van de Detti e fatti di diversi principi, filosofi e cortigiani vanaf 1565 tot heden; idem van de Commentarii en van de Precetti e Sententii; 2. de brieven; 3. fotografisch materiaal o.m. archiefuittreksels, brieven, facsimiles uit oudere drukken.
(37) R. H. TOUWAIDE, Messire Lodovico Guicciardini Gentilhomme Florentin. Avec préface par Dr. J. van Roey, (Bibliotheca Humanistica et Reformatorica, dl. XIV), Nieuwkoop, B. De Graaf, 1975, 197 p., 60 gulden.
274. Ter gelegenheid van de 400ste verjaring van de oprichting van de Leidse universiteit werden de bijdragen uit Quaerendo, volume V, 1975, naar aanleiding daarvan gepubliceerd, samengebundeld in één deel en opnieuw uitgegeven (38).
(38) Quaestiones Leidenses. Twelve studies on Leiden University Library and its holdings published on the occasion of the quater-centenary of the University by Quaerendo, Leiden, University Library, 1975, 228 p.
275. - E. Van Gulik (39) tracht voornamelijk naar aanleiding van het uitgeversfonds het Plantijnse huis nader te beschouwen in zijn specifieke Leidse funktie (p. 369). Wat leert ons het Officina Plantiniana over het wetenschappelijk bedrijf van de universiteit? Is het uitgeversfonds representatief voor deze wetenschappelijke activiteit en drukte de typographus academiae alles? Is de omvang minder belangrijk, de aard en de kwaliteit van het fonds spreken duidelijker. Uitvoerig behandelt de auteur de taal en de aard van de gedrukte werken, en tevens het belangrijk aandeel dat de Zuidnederlandse auteurs daarin hadden. Het grootste deel van dit artikel is trouwens gewijd aan de analyse van dit aandeel en de manier waarop, al of niet, de Zuidnederlanders zich in de Leidse universitaire gemeenschap konden integreren.
(39) E. VAN GULIK, Drukkers en geleerden. De Leidse Officina Plantiniana (1583-1619), in Leiden University in the Seventeenth Century. An Exchange Of Learning, edited by Th. H. Lunsingh Scheurleer and G. H. M. Posthumus Meyjes, Leiden, 1975, p. 367-393.
276. - Hoe gebeurde, in het gedrukte boek, de overgang van houtsnede naar kopergravure in een reuzebedrijf als dit van Plantin? Welke rol speelden de technische en financiële factoren? De auteur (40) toont aan hoe in deze overgangsfase in de tweede helft van de 16de eeuw Plantin gepoogd heeft de twee tendenzen inzake boekillustratie zoniet te verzoenen dan toch te harmonïëren, in een specifieke reeks uitgaven, met name liturgische werken (brevieren, missalen, getijdenboeken) (p. 384).
(40) L. VOET, Kopergravure en houtsnede in de boekillustratie van het Plantijnise huis in de tweede helft van de XVIde eeuw, in De Gulden Passer, 1975, dl. 53, p. 380-390.
277. - L. Voet wijdt een korte notitie aan Plantin en het museum Plantin-Moretus ter gelegenheid van een dubbele verjaardag: in 1576 kwam Ch. Plantin zich vestigen aan de Vrijdagmarkt en in 1876 werd deze woning met al de inboedel aan de stad Antwerpen overgedragen (41).
(41) L. VOET, Het Museum Plantin-Moretus honderd jaar, in Antwerpen, 1976, p. 1-6.
278. - E. Braches wijdt enkele beschouwingen aan het in 1595 bij F. Raphelengius te Leiden verschenen Specimen Characterum Arabicorum (42). Dit verschijnen betekende the birth of Arabic typography in de Nederlanden.
(42) E. BRACHES, Raphelengius's Naschi and Maghribi. Some reflections on the origin of Arabic typography in the Low Countries, in Quaerendo, 1975, dl. V, p. 235-245.
279. - De Antwerpse in-8° edities van J. Tyndale, The parable of the wicked Mammon (STC 24454) en The obedience of a Chrysten man (STC 24446) verschenen bij Hans Luft (= Joh. Hoochstraten) in 1528 kunnen niet langer als eerste edities beschouwd worden. Douthit-Weir (43) is van oordeel dat twee andere in-4° edities (STC 24460 en STC 24452) in Engeland door J. Rastell in 1527 gedrukt werden en als basis zouden gediend hebben voor de Antwerpse herdrukken. De verhaalde gebeurtenissen, een bewering van Tyndale uit 1530, een nauwkeurige vergelijking van beide edities vooral wat aanvulling, correcties en index betreft, bewijzen dit. Het curieuse van het geval wordt nu dat de STC 24460, de J. Rastell-druk uit Londen, reeds het colofon heeft dat wij bij de latere Antwerpse herdrukken zullen terugvinden, nl. het Hans Luft colofon. In navolging van Kronenberg heeft men dit steeds aan de Antwerpse drukker J. Hoochstraten toegeschreven en hoe valt dit nu te verklaren? De auteur doet dit als volgt: J. Tyndale was in Engeland in die periode en daar heeft hij, in navolging van Luther's drukken, dit merkwaardig colofon ontworpen. Dit laatste is dus geen creatie van, en eigen aan, Hoochstraten zoals Kronenberg vermoedde; deze nam het slechts over, en inderdaad vóór 1528 kennen wij geen drukken van Hoochstraten met dit colofon (wel Adam Anonymus). Volledig overtuigen doet dit ons niet. Waarom bv. nam Hoochstraten hetzelfde colofon over in een latere herdruk? Hier begint de verbeelding van de auteur te werken (p. 104-105) en kan men hem niet langer volgen. Zou hij niet beter terugkeren naar een analyse van de J. Rastell-drukken? en deze van J. Hoochstraten? en zijn de in-4° wel in Londen gedrukt?
(43) J. L. DOUTHIT-WEIR, Tyndale's The obedyence of a Chrysten man. An english First Edition, in The Library, 1975, Fifth Series, Volume 30, p. 95-107.
280. - J. Day nam, wat het aantal zoniet de kwaliteit van zijn drukwerk betreft, ongetwijfeld de eerste plaats in onder de Engelse zestiende eeuwse drukkers. Hij verspreidde vooral protestantse werken; denken we slechts aan de bekende vertaling van de Psalmen door Utenhove die hij, in 1561 (een in-8° en een in-16°) en in 1566, voor de vertaler en de vluchtelinggemeente te Londen drukte. De studie van Oastler (44), een thesis for the degree of B. Litt. in the University of Oxford in 1965, die nu verschijnt, is een goede aanvulling tot de J. Day literatuur. Het grootste gedeelte van het boekje is biografie; Day's relaties met de gemeente en met Utenhove worden niet uitgediept, uitvoeriger worden besproken het belangrijkste drukwerk van Day en zijn betekenis als stationer. Interessanter zijn hoofdstuk X en XI: Connections with typefounders en Types, ornaments, ... De Engelse drukkers schaften vooral hun typografisch materiaal aan op het vasteland of bij vreemden die in Londen werkzaam waren (zie bv. in het boek van Vervliet, in de index onder J. Day). Deze hoofdstukken worden geillustreerd met enkele afbeeldingen van typen door de drukker gebezigd (romein, italiek, grieks, waarom geen textura? initialen, muziek, ornamenten en merken; het mooie merk uit de in-16° editie van de Psalmen van 1561 wordt niet afgebeeld). Volgen tenslotte de voetnota's en bibliografie. Een goed begin waar een overzicht van J. Day's drukken wel nuttig zou geweest zijn, of komt dit in de nieuwe STC?
(44) C. L. OASTLER, John Day, the Elizabethan Printer, Oxford, 1975, VIII-88 p., 2 pond. Het werk is nummer 10 in de reeks Occasional Publications uitgegeven door de Oxford Bibliographical Society, Bodleian Library.
281. - Als derde publicatie van het Nationaal centrum voor de archeologie en de geschiedenis van het boek verscheen het woordenboek of beter het lexicon der boekdrukkers en boekverkopers in België gedurende de 15de en 16de eeuw, de Rouzet zoals men het voortaan zal noemen (45). Na een korte inleiding door de voorzitter van het centrum, H. Liebaers, waarin hij het essentieel biografisch karakter van het lexicon onderstreept beginnen onmiddellijk de notities. Men heeft zowat 700 ingangen; drukkers, boekhandelaars, uitgevers, namen die verkeerdelijk in de literatuur aangevoerd worden, in alfabetische orde gerangschikt. Na elke naam volgen rijkelijk de naamvarianten, maar verwijzingen komen echter niet voor wat in bepaalde gevallen de gebruiker vlug zal doen uitroepen: het staat er niet in. Verkeerdelijk, want wij durven beweren dat het boek op dit gebied zeer volledig is. Men kan wel de keus betwisten van de gekozen naamvorm, soms zelfs de weinig konsekwente keus, maar tenslotte met wat zoeken vindt men het toch. Na dit alfabet volgen dan de Table des imprimeurs, libraires, éditeurs par lieux d'activité (p. 255-266) en de eveneens zeer nuttige Table des adresses (per stad) (p. 267-278). Tenslotte een korte Addenda (p. 279-281), een Corrigenda (p. 283) en een ietwat vaag omlijnde Liste des ouvrages cités en abrégé (p. 285-287). Geen illustraties, sober van vorm en voorstelling.
Het bespreken van een dergelijk boek is voor ons, die een weinig van nabij de wording gevolgd hebben, die reeds herhaaldelijk vóór het verschijnen geprofiteerd hebben van het werk, een ietwat delicate aangelegenheid. Meerdere maanden hebben we nu het boek bijna dagelijks gebruikt, er nut uitgetrokken, de gebreken ervan leren kennen... Wij willen bijgevolg ons zeer weinig met de kleinigheden ophouden, die zullen trouwens vlug door elke gebruiker onmiddellijk vastgesteld worden, maar de enkele rechten die de waarheid opeist zullen wij voor de algemene beginselen en de methode voorbehouden. In één woord het werk is uiterst nuttig, of beter het kan uiterst nuttig zijn voor wie het weet te gebruiken en het kaf van het koren weet te scheiden.
De drukker, de schrijfster of wie ook, vergat een inleiding waarin de methode van opstelling degelijk werd uiteengezet. Deze bestond nochtans en het volstond te verwijzen naar het heldere en veel belovend artikel van L. Voet, Lexicon der boekdrukkers en -verkopers in België dat verscheen in de Gulden Passer van 1961, p. 358-366, en waarin deze onderneming werd aangekondigd en uiteengezet. Terecht of ten onrechte halen wij daaruit de leidinggevende beginselen aan en zien wij hoe ze na zovele jaren wording evolueerden. Het lexicon poogt te verhelpen aan een dubbele lacune: gemis aan een biografisch repertorium en aan een bibliografisch referentiewerk. Het opzet is tweeledig. Vooreerst wordt voor iedere drukker een overzicht gegeven van zijn leven en werken... Het ligt in de bedoeling te noteren voor iedere drukker, voor zover bekend, de data van geboorte, meesterschap en overlijden, de voornaamste bijzonderheden over zijn levensloop en zijn typografische aktiviteit, zijn plaats in een dynastie, zijn woonplaatsen en drukkersmerken. Dit biografisch overzicht wordt gepuurd uit de in aanmerking komende literatuur, en deze literatuur wordt opgegeven... (p. 359). De beperkingen die zich stellen kunnen aanvaard worden: in de ruimte houdt men zich aan het kader van het huidige België, en in de tijd tot 1600. Er werd beperkt in de aard van de opzoekingen. In deze zin nml. dat voor het compileren van de notities enkel reeds uitgegeven werken en bronnen werden benut en dat geen opzoekingen werden gedaan in archieven. Als zodanig beoogt het lexicon enkel een status questionis te geven van het probleem (p. 360). De opstelster had op dit ogenblik systematisch alle in aanmerking komende werken en tijdschriften gedepouilleerd (p. 361). Als voorbeeld gaf Voet toen de sober, eenvoudig maar goed bruikbaar opgestelde Miermansnotitie. Deze is bondig, geeft het belangrijkste en voor wat de literatuuropgave betreft, wendt ze een systeem aan dat spijtig genoeg later vaarwel wordt gezegd. De werken worden alfabetisch volgens auteursnaam opgesomd. De thans gebruikte chronologische orde, volgens de data van publicatie, is wellicht beter. Om de vorsers het werk te vergemakkelijken werden de belangrijke studies met een sterretje gemerkt, terwijl bij de overige soms een kort waardeoordeel of een zeer bondige samenvatting werd ingelast (p. 364). Helaas dit verdween, wat tot voornaamste gevolg heeft dat, zoniet de vorser, maar dan toch zeker de beginneling en de gevorderde heel wat meer werk te doen zal krijgen. Vele opgegeven bibliografische referenties zijn immers volledig nutteloos, brengen niets bij, herhalen slechts of citeren de betreffende drukker in een los en veelal weinig ter zake doende aangelegenheid. Waarom hield men zich niet aan het oorspronkelijk plan of liet men zich niet inspireren door het uitstekende model van A. Kolb over het Franse boek?
Bekijken wij even van nabij de inhoud van het lexicon. Het omvat met zijn zowat 680 notities een hoge graad van volledigheid. Met uitzondering van een aantal boekhandelaars geloven wij dat dit getal - voor zover onze kennis van de boekdrukkunst thans gaat - in de toekomst niet sterk zal vermeerderd kunnen worden. Het is niet zonder nut de spreiding even van dichtbij na te gaan. Ons onderscheid tussen belangrijk en minder belangrijk drukker, evenals tussen uitgever en uitgever-boekhandelaar is niet zo scherp te nemen en voor betwisting vatbaar. Nemen wij de weduwe en erfgenamen samen met de oorspronkelijke drukker en, voor diegene die op diverse plaatsen werkzaam waren alleen de voornaamste plaats in aanmerking, dan komt men tot volgende spreiding voor de periode vóór 1600. Antwerpen staat natuurlijk vooraan met een dertigtal belangrijke drukkers, 211 kleine drukkers, 16 uitgevers en een 90 tal boekhandelaars. Leuven volgt met 11 belangrijke drukkers, 46 kleine drukkers, en 28 boekhandelaars. De andere steden volgen op verre afstand. Hebben Brugge en Gent elk een viertal belangrijke drukkers, dan heeft Brugge 26 kleine drukkers en 22 boekhandelaars tegen 18 en 14 te Gent. Luik heeft relatief veel kleine drukkerijen, een 12tal met 25 boekhandelaars. Brussel en Ieper hebben elk een 10tal drukkers en ongeveer evenveel boekhandelaars (14 en 10). De overige steden hebben slechts kleine drukkerijen en boekhandelaars: Mechelen 4 en 16, Bergen 2 en 19, Doornik 1 en 7. Namen heeft slechts 9 boekhandelaars. Ath heeft een drukker en vier boekhandelaars, Kortrijk 4 boekhandelaars en de overige steden Châtelet, Lier, Enghien, Dinant, Turnhout, St. Truiden, Oudenaarde, Diest, Binche en Nijvel elk een boekhandelaar (deze uit Turnhout drukt eveneens). Er waren natuurlijk ook kleine rondtrekkende drukkers en leurders (vooral van reformatorische werken) en tal van drukkers uit onze gewesten oefenden hun taak uit in het buitenland (Nederland, Engeland, Duitsland, Frankrijk). Hier zijn ook namen van boekhandelaars bekend, bv. J. Bade imprime à plusieurs reprises pour le compte de libraires gantois, tels Meganc, Waterloose et Horenweghe en 1506... (46), maar die worden voorzichtigheidshalve niet vermeld. Omgekeerd worden diverse drukkers, meestal door één druk bekend, wat te vlug als nom supposé of adresse fictive bestempeld (bv. Fiscus, Lambert, Le Goust, Monnot, Thetieu, ... ).
Enkele voorbeelden van aanvullingen: Chez Pierre Balthasar, et exposez en vente par ... vindt men te Antwerpen in 1580 het boek van C. Martin, Les genealogies ... De STC vermeldt een Corneille de Bruyn te Antwerpen in 1580 en een Wolfgang Cok in 1566. Wie is Guillaume Cuzman die in 1575 Les dialogues van Vives te Antwerpen drukte? (Bibl. Belgica V13). De Exodus van Laurimanus, qui per Hieronymum van Essen ibidem / Lovanii / distrahi curat. in 1563. Een evaluatieboekje, in 1544 te Gent door J. Lambrecht gedrukt (B.G. 72b) vindt men ondermeer te Brugghe bij Simon vander muellen, ... Thandwerpen bij Hendric Goyrle naest onzer vrauwen pand... te Bruessel bij Peeter Hasselt... A Tournay chez Alexandre Huaullier. Een schoon sermoen... van J. Lanspergius vindt men te coop by Jan de Heere... tot Mechelen in 1575 (vermoedelijk Jan Mijnsheeren, een verwijzing is soms noodzakelijk). R. Rescius drukt in aug. 1542 een Tractatus... van Ammonius en dit vindt men Vaeneunt Bruxellae apud Petrum Paulum bibliopolam. Sampsons, F., die in de Addenda opgenomen wordt, vindt men ook vermeld op De Psalmen Davids die door J. Canin, vermoedelijk rond 1572, te Dordrecht gedrukt werden.
Wat betekent de Liste des ouvrages cités en abrégé die men op blz. 285 tot 287 vindt? Gaat het hier om de basisbibliografie, de bibliografie die bij een groot aantal notities terugkeert, die onmisbaar is of wat bevat precies de lijst? Deze bibliografie zou voor de gebruiker precies uiterst waardevol moeten zijn omdat ze in feite nergens te vinden is. Er is inderdaad geen enkele bibliografie of studie met bibliografische lijst voorhanden die de ganse periode tot vóór 1600 omvat. De laatste poging daartoe was deze van F. Apers in 1931 en niemand zal durven beweren dat de Liste van Rouzet een dergelijke bibliografie is. Er is meer, herhaaldelijk hebben wij de indruk gehad dat ze de opgegeven bibliografie onvoldoende, onvolledig, ja zelfs niet grondig heeft gebruikt. Het Boek bvb. bevat veel meer dan zij er uitgehaald heeft, maar ja, men kan toch moeilijk verlangen dat zij dit volledig las of toch? Onmisbaar voor de periode tot 1500 is niet alleen Campbell met de vier supplementen (1874-1890) die ze citeert, maar ook de aanvullingen van Proctor, Voulliéme, de Contributions (1956 en 1964) van Kronenberg, de Additions van de Hellinga's van 1965... De uitstekende Index uit Hellinga's P.T. deel II vervangt dit weliswaar - niet volledig echter, bv. de beschrijving - maar op deze index moet uitdrukkelijk gewezen worden in de notities. Zij verschaft immers onmiddellijk een overzicht van de produktie van de desbetreffende drukker, wat toch essentieel is. Hoeveel maal verwijst Rouzet nu naar deze index die in de meeste gevallen voor de eerste gebruiker nuttiger is dan de discussies uit het eerste deel! Wij hebben de indruk dat zij voor de periode tot 1500 vooral gesteund heeft op de tentoonstellingscatalogus van de 500ste verjaring van 1973. Zij vermeldt de BMC catalogus maar zonder op de uiterst belangrijke inleiding van Painter en Sheppard te wijzen, noch er op te letten dat de lithographic reprint van 1967 heel wat aanvullingen bevat. Zo wordt paradoxaal genoeg nergens de naam van Painter genoemd. Auteurs schijnen de opstelster niet te interesseren want bij de notities uit de Biographie nationale wordt nergens de schrijver vermeld wat toch noodzakelijk is om de kwaliteit van het artikel te kennen. Kon men Bradshaw's briefwisseling niet vermelden? en het tweede deel van Geldner in 1970 verschenen? Voor de eerste helft van de 16de eeuw, juister tot 1540, is fundamenteel het boek van W. G. Nijhoff. L'art typographique dans les Pays Bas de 1500 á 1540, of de NAT zoals men dit gewoonlijk noemt. Met de data en de indeling van het werk schijnt Rouzet te sukkelen, wat nog aanvaardbaar is; maar men kan niet begrijpen dat dit werk niet overal waar het nodig is geciteerd wordt. Dit naslagwerk, evenals de lijsten van de drukkers achteraan Kronenberg, is voor elke drukker tussen 1500 en 1540 eerst te consulteren. De NAT begon te verschijnen in 1902, in losse afleveringen bij Nijhoff, en was klaar in 1926. Dit is de datum van deel I, Noord-Nederland en deel II, Zuid-Nederland. In 1933 verscheen in H.B. een aanvulling die opgenomen en verwerkt werd in het derde deel, het supplement, dat in 1935 verscheen. De gebruiker zal zelf kunnen nagaan in welke mate Rouzet naar de lijsten in Kronenberg en naar NAT verwezen heeft. Voor de periode 1540-1600 wordt het minder eenvoudig. Naast monografieën over bepaalde drukkers (en boeken of artikels), die ze ruimschoots gebruikt, beschikken wij over weinig lijsten die een overzicht geven van het werk van een bepaalde drukker. Hier kan de STC, de B.T.. of Adams helpen. Men kan dus onmogelijk in de lijst op blz. 285-287 een basisbibliografie vinden. Men vraagt zich bovendien af hoeveel maal Allen, Atkinson, Bibliotheca medica neerlandica, Brunet, Maittaire, Lepreux, Sepp of Silvestre zinvol vermeld werden. Duthilloeul voor Douai citeren vraagt naar Labarre. Het Dictionnaire des devises van F. vander Haeghen, dat afzonderlijk in 1876 verscheen (en er is een supplement van Th. J. I. Arnold van 1879) is uiterst behoedzaam te gebruiken. Voor de merken moeten wij het spijtig genoeg nog altijd stellen met de B.B. en Van Havre.
Hoe is de opstelster nu te werk gegaan? Hoe moet men het boek gebruiken? Wat mag men verwachten er in te vinden of niet te zullen vinden. Hier staat de gebruiker bij gebrek aan een methodologische inleiding wat op onvaste grond. Er stellen zich immers een aantal vragen die wij als volgt kunnen formuleren. Wat werd nagezien en wat niet? Welke tijdschriften werden nagezien, welke jaargangen', welke boeken? Vanaf welk jaar begon de opname? Dit is van belang voor de gebruiker, hij moet weten wat of wat niet gedaan werd. Hoe werd het bibliografisch materiaal nagezien? Welke keus deed men? Wat lazen de opsteller(s) en hoe lazen zij het? Las men of sloeg men alleen de index na? Waarom werd bij opstelling van de notitie dit of dat vermeld? In zeer vele gevallen hield men zich niet aan het belangrijkste maar spon men uit en gaf men talrijke details. Werd het materiaal critisch gebruikt? Werd niet aan bepaalde " bronnen " een te absolute waarde toegekend? Wij denken hier bijvoorbeeld aan de herhaaldelijk geciteerde Lefèvre of aan de Certificats de Plantin. De opstelster kent natuurlijk het boekje van Kronenberg, Verboden boeken... en citeert het herhaaldelijk, maar hoe? Heeft ze zich niet beperkt tot het register? Bv. A. van Berghen, zij verwijst naar de bl. 19, 23, 89-92, 125; hiervan konden 19, 23, 125 gerust geschrapt worden. Zij waren te vervangen door 128, 133, 135. Daarentegen de bijdragen over van Berghen die iets nieuws bijbrengen (H.B., 1952-54, p. 299-302, en H.B. 1959-61, p. 83-87) vindt men slechts onder Monteleporis. De lectuur en het begrijpen van nederlandstatige teksten is soms na te zien, bv. Seversz. J., het artikel van Kronenberg van 1924 en de interpretatie in het lexikon.
Er is meer, een notitie opstellen aan de hand van artikels en boeken, die uiteraard soms weinig met elkaar in overeenstemming zijn, die tal van onjuistheden en"des á peu près" bevatten, heeft tot resultaat dat deze onjuistheden en vaagheden zich vermenigvuldigen. Wat ik wil zeggen is dat men zelf eens de handen in de deeg moeten geslagen hebben om een artikel over een bepaalde drukker te schrijven vooraleer... anders wordt het onmogelijk de uiteenlopende visies en interpretaties in harmonie en zinvol bij elkaar te brengen. Bij het lezen van de biografische notities weet men op de duur niet meer wie spreekt, de opstelster, of een niet nader vermelde auteur uit de bibliografie. Dit ergert, niet te weten wie dit of dat beweert, welke de waarde is van de bewering, bewering die moeilijk kan geverifieerd worden.
Wat nu volgt zijn enkele detailopmerkingen, kleinigheden, om het hierboven opgesomde te staven. Grave, Claes de, welk merk? Holost, H., vgl. A. Labarre, Douai, p. 102 en de STC. Montanus, G., afgezien van de juistheid vraagt men zich af wat de betekenis is van de verwijzing naar Goovaerts p. 32; zou men niet eenvoudigweg NAT vermelden? Bij Plantijn verwijzen naar Voet zonder meer is tegen de gebruiker van het lexikon zeggen: trek uw plan in die massa bibliografie. Waarom niet een keus uit het voornaamste geven? Bij Silvius is Brunet natuurlijk niet de auteur (B.B.B. 1862) en wat Moes en Burger bij Spyridipoeus komen doen is mij niet erg duidelijk. Brito: J. Nieuwenhuysen, Jan Brito en de uitvinding der boekdrukkunst in Handelingen van het vierde Wet. Vlaamsch Congres voor Boek- en Bibliotheekwezen, 1936, p. 18-26. Leeu, G. Eine Buchanzeige des Antwerpener Druckers G. Leeu in niederländischer Sprache (1491) in Zeitschrift für Bücherfreunde, 1905-1906, IX, p. 139-148). C. Mansion: L. en W. Hellinga, A Prognostication printed by C. Mansion in Gutenberg Jahrbuch, 1972, p. 79-85. D. Martens: het artikel van Borsa (1960) moet nader bepaald worden; het artikel van F. Masai uit Scriptorium, III, 1. p. 80-86 is te vermelden evenals dit van F. Goff, Some undescribed ephemera of the 15th century in the Library of Congres, in Beiträge zur Inkunabelkunde, Dritter Folge, 1, 1963, p. 100 sq (over Polain 2097/2097A). Veldener, hier wordt in de bibliografie heel wat weinig ter zake opgesomd, maar bijdragen zoals L. J. Vandewiele over Veldener's Herbarius uit Dodonaea 1965 of het brillante artikel van A . Stevenson, The first book printed at Louvain in Essays in honour of V. Scholderer, 1970, p. 402-406 worden vergeten. Bij Velpius, Rutger het artikel van Claessens, zie ook 1958, p. 215 sq. J. van Westfalen, zie ook het artikel van Kruitwagen Das antidotarium animae van 1919 en dit van Juchhoff, Verwertung einer Restauflage um 1500 nu in zijn Kleine Schriften... Bij L. de Winde zie ook Labarre en wat Pieter de Zuttere betreft ... ?
(45) A. ROUZET, Dictionnaire des imprimeurs, libraires et éditeurs des XVe et XVIe siècles dans les limites géographiques de la Belgique actuelle. Avec la collaboration de Micheline Colin-Boon, Paul Deprez, Marc Lefèvre, René Robbrecht et Lode van den Branden, Nieuwkoop, B. de Graaf, 1975, in-4°, 288 p., 210 gulden.
(46) P. RENOUARD, Imprimeurs et libraires parisiens du XVIe siècle, tome II, Paris 1969, p. 12-13.
282. - De geillustreerde tentoonstellingscatalogus gewijd aan onze 16de eeuwse drukkers (47) omvat in chronologische orde 187 drukken uit de K.B. De gekozen boeken illustreren de activiteit van een honderdtal drukkers in deze periode bij ons werkzaam. De biografische notities zijn uittreksels uit het hierboven vermelde woordenboek. De notities van de boeken werden beknopt gehouden.
(47) Imprimeurs du seizième siècle dans nos provinces. Exposition. Catalogue rédigé par Anne Rouzet, Bruxelles, 1975, 110 p. (bestaat ook in nederlandse vertaling).
283. - W. Bondy, London, Cat. 87 (Sept. 1975). 233, Antoninus Florentinus, Confessionale, Johannes Chrysostomus, Sermo de poenitentia, [Leuven, Jan van Westfalen, 1483-14851, Ca 162 en Ca 1491, 380 pond.
284. - Christie, Londen, Veiling 10 maart 1976. 130, Servasanctus, Antidotarius animae. Leuven, J. van Westfalen, [1485], Ca 1495, 950 pond.
285. - M. Elte, Den Haag, Cat. 42, (Sept. 1975). 90, A. Mekerchus, De veteri et recta pronuntiatione Iinguae graecae commentarius, Brugge, H. Goltzius, 1565, 1800 gulden.
286. - Forum, Utrecht, Cat. 52 (Sept. 1975). 284, Souterliedekens, Ant. S. Cock, 12 Juni 1540, NK 1918, 6000 guden.
287. - A. L. van Gendt, Amsterdam, Veiling van 30 Sept. 1975. 345, Ympyn, J., Nouvelle instruction et remonstration de la tresexcellente science du livre de compte, ... Ant., G. Coppens van Diest voor Anne Swinters, 1543 voor 9500 gulden (aangekocht door K.B. Brussel). Cat. 29 (Feb. 1976). 971, Colloquia et dictionariorum octo linguarum, Latinae, Gallicae, Belgicae, Teutonicae, Hispanicae, ltalicae, Anglicae et Portugallicae, Delft, B. Schinckel; Amsterdam, Corn. Nicolai, 1585, 2750 gulden. 1017, J. de Damhoudere, Practique iudiciaire, Ant., J. Bellère, 1572, B.B. D56, 1450 gulden. 1096, Missale Traiectense, Ant., H. Peetersen van Middelburch, 1540, NK 1531, 9000 gulden (cf. Kroniek-nr. 174).
288. - Gilhofer en Ranschburg, Luzern, Cat. 65, (Oct. 1975). 2. Bernard van Clairvaux, Sermonen, winter-ende somerstuck, Zwolle, Peter van Os, 27 mei 1495, Ca 276, 42.000 Zwitserse fr.
289. - E. P. Goldschmidt, Londen, Cat. 155 (Febr. 1976). 124, W. Lyndwood, Provinciale seu constitutiones Angliae, Ant., Ch. van Ruremund voor F. Byrckman te Londen, 20 dec. 1525, NK 1442, 810 dollar. 180, G. de Saliceto, De salute corporis..., Ant., G. Bac, c. 1495, Ca 1494, 2100 dollar. Cat. 156 (Juni 1976). 198, J. L. Vives, Declamationes Syllanae, Ant., M. Hillen, April 1520, NK 4062, 950 dollar.
290. - De Graaf, Nieuwkoop, Sept. 1975. 1, Juvencus, Quattuor evangelia heroicis versibus descripta, (Deventer, R. Pafraet, s.d.), Ca 1058a, 6.250 gulden. 2, Textus sequentiarum, Delft, (Ch. Snellaert, c. 1496), Ca 1533, 12.500 gulden. 3, (Simon van Venloo), Spieghel der volcomenheit, Leiden, H. Jansz. van Woerden, 16 oct. 1499, Ca 1580, 18.500 gulden. 30, Leo X, Aliquot decreta, (Ant., Joh. Thibault, 1519), NK 1343, 1275 gulden.
291. - Hartung und Kar], München, Auktion, 16, Mei 1976. 52, Branteghem, Willem van, Pomarium mysticum, Ant., W. Vorsterman, 1535, NK 485.
292. - B. M. Israel. (Sept. 1975). Almanach ende kalendrier op dat jare... 1584 gepractiseert door D. Cephas Wittenburgensis. Amsterdam, C. Claesz. [1583], 3750 gulden.
293. - N. Israel, Amsterdam, Cat. 17 (Sept. 1975). 14, Brocardus, Descriptio terrae sanctae, Ant., J. Steels, 1536, NK 500, 1650 gulden. 24, R. Dodoens, Cruyde Boeck, Ant., Jan vander Loe, 1554, B.B. D107, gekleurde houtsneden, 42.000 gulden. 32, Epistelen ende evangelien metten sermoenen vanden gheheelen jare, Delft, J. Jacobszoon van der Meer, 1481, Ca 691, daarmee ingebonden katerne c uit Ca 1155b, 9500 gulden. 50, Instructie van den Hove van Hollant, ... (Amsterdam, P. Jansz. Tyebaut?, 1516-1517), NK 1168, 4250 gulden. 66, J. de Mandeville, Itinerarium, (Gouda, G. Leeu, 1483-11 juni 1484), Ca 1198, 19.500 gulden. 73, Ordonnanctie vande Zeevaert, ... Ant., W. Van Parijs, [1563], 1950 gulden.
294. - Kornfeld en Klipstein, Bern. Van de in onze kroniek onder nr. 235 vermelde bladen uit een Nederlands blokboek werden er twee, blad n en o, op de veiling 154 (11 Juni 1975) voor 62.000 Zwitserse frank verkocht.
295. - H. P. Kraus, New York, Cat. 140 (Dec. 1975). 1, Le Fevre, R., The Recuyell ofthe Histories of Troy, Brugge, W. Caxton, c. 1473-74, Ca 1093a, onvolledig. 2, Le Fevre, R., Le recueil des histoires de Troyes, Brugge, W. Caxton, 1476, Ca 1093b, onvolledig. Beide exemplaren zijn afkomstig uit de dubbels van de J. Pierpont Morgan Library (zie veiling Sotheby).
296. - Merlijn, Hulst, Cat. 72 (Maart 76). 11, Die excellente cronike van Vlaanderen, Ant., W. Vorsterman, 11 juli 1531, NK 659, 6500 gulden.
297. - J. Norman, San Francisco, Cat. 2 (Nov. 75). 31, Regimen sanitatis Salernitanum necnon Arnoldi de Villa Nova, [Leuven, J. van Westfalen, s.d.], Ca 1469, 7500 dollar.
298. - L. Rosenthal, Hilversum, Cat. 224 (Mei 1976). 148, Philips II, Edictum de librorum prohibitorum observando met de Index librorum prohibitorum, 8 + 108 pp., Antwerpen, Plantijn, 1570, 2600 gulden.
299. - Salloch, W., Ossining, Cat. 315 (Sept. 1974), 44, Lescherius, P., Rhetorica pro conficiendis epistolis, Delft, [Ch. Snellaert], 14 Jan. 1496, Ca 1105a 900 dollar. Cat. 333 (Mei 1976). 69, Reuchlin, J., Sergius, (Deventer, Th. de Borne, c. 1518?), NK 1798, 750 dollar.
300. - Sotheby Londen, Veiling van 1 maart 1976. 14, The fyrst (- fifth) boke of Moses... Malborow, H. Luft, 1530 [= Antwerpen, Joh. Hoochstraten], STC 2350, NK 2477-2481, 6200 pond (A. G. Thomas). 17, The Byble, which is all the Holy Scripture, [Antwerpen, M. Crom voor R. Grafton en E. Whitchurch], 1537, STC 2066, NK 2497, 3200 pond (A. G. Thomas). 140, The Newe Testament... [volgens NK 2494: Antwerpen, M. Crom? voor H. Peetersen van Middelburch; volgens de Cat. Sotheby: M. de Keyser & Simon Coe for Adrian Kempel, 1536, STC 2832, 1600 pond (A. G. Thomas).
301. - Stuttgarter Antiquariat, Stuttgart, Cat. 87, (okt. 1975). 76, Wessel, G., Farrago, (Zwolle, S. Corver, 1522), NK 2202, 2500 DM.
302. - F. Tulkens, Brussel, Maart 1976. Dialoges of creatures moralysed, Ant., van Doesborch? c. 1530), enkele ff. ont., NK 2774.

Go Top
     
     
Over deze site   Home page: www.boekgeschiedenis.be
Ontwikkeling © Johan Hanselaer
Laatste aanpassing: