Kroniek


1979-1980

 
     
     
VWB
Overzicht
  Kroniek 7 (1979)
Archives et bibliothèques de Belgique - Archief- en bibliotheekwezen in België, dl. L (1979), nr. 1-4 pp. 551-569: nrs. 398-422
KRONIEK DER DRUKKUNST TOT 1600
Door J. MACHIELS


398. - Frederick R. Goff vertelt in de inleiding tot de catalogus dat de Rosenwald Collection was built like a great mansion, one brick at a time (p. ix). Voor iemand die ietwat op de hoogte is van de markt in de laatste twintig jaar komt dit uitzonderlijk voor. Maar onmiddellijk verbetert de inleider zich door er op te wijzen dat Rosenwald drie collecties kon kopen waardoor aan zijn gebouw ineens entire ells were added. In ieder geval de verzameling, de hardnekkigheid en het inzicht van de verzamelaar zijn bewonderenswaardig. Dat deze collectie van een uitzonderlijke kwaliteit was wisten we reeds uit de catalogus van 1954 en vooral na de tentoonstelling van 1960. Thans echter kunnen wij, na publicatie van de 2653 nummers tellende catalogus (1), ons een juist idee vormen over de samenstelling ervan. Aan de Library of Congress schonk Lessing J. Rosenwald, op verschillende ogenblikken, gaande van 1943 tot 1975 het grootste gedeelte van de moeizaam verworven boeken en het is deze instelling die de goed verzorgde catalogus uitgeeft.
Vermelden wij vooraf de drie belangrijke collecties die Rosenwald in blok heeft kunnen aankopen. Het zijn de Howard C. Levis-verzameling gewijd aan English engravings and prints, de incunabelverzameling van de prins van Liechtenstein en tenslotte de in 1956 verworven 160 banden uit de Arenbergcollectie. Het is deze laatste, ietwat geheimzinnige, maar uiterst belangrijke verzameling van oude drukken uit de Nederlanden - en wie doet het niet pijn dat deze ons land verliet - die aan de Lessing J. Rosenwald Collection zo'n betekenis verschaft voor de geschiedenis van de drukkunst in onze gewesten vóór 1600. Het zou niet veel moeite kosten hier de talrijke zeldzame drukken aan te stippen maar het lijkt ons nuttiger zich te beperken tot een overzicht van de samenstelling van dit volumineuze boek. In de eerste plaats de notities. Vermits de boeken geïncorporeerd zijn in het fonds van de Library of Congress, werd gebruik gemaakt van de notities opgesteld bij de incorporatie. This catolog has been compiled from The Library of Congress printed cards describing the volumes which compose the Rosenwald Collection. Therefore the entries are brief, and they vary in form and detail because the cataloging rules have been revised several times over the period encompassed by these acquisitions. Each entry gives information sufficient to distinguish the volume and draw attention to its unique characteristics. Zo valt het op dat bij de oude drukken soms de signaturen voorkomen, soms niet, en dat de referenties, vb. voor NK, onregelmatig opgegeven worden. Verder, Entries in this catalog describe all the rare books, manuscripts, maps, and illustrative material forming the Library's Rosenwald Collection as of February 10, 1973 (p. xiii). Bovendien is elke notitie vergezeld van de plaatssignatuur in de Library of Congress. Wat nu de rangschikking aangaat: The arrangement of the entries is generally chronological, with geographical subdivisions. Thus the user can follow the development of the printing arts, and particularly of book illustration, within each national school (p. xiv). Geïllustreerde boeken vormden immers de oorspronkelijke opzet van de verzamelaar. Uitzondering is gemaakt voor bepaalde groepen (vb. de Blake-drukken) die bij elkaar gehouden worden. In zeer vele gevallen -en zeker de belangrijkste - werden de herkomst en de band gesignaleerd. Alle notities dragen een volgnummer. Achtereenvolgens hebben wij volgende rubrieken. Medieval and renaissance manuscripts (1-18); Block books (19-28); Fifteenth-century books (29-588). Deze rubriek omvat de incunabelen gedrukt in Duitsland, Italië, Zwitserland, Frankrijk, Holland en België (gesplitst), Engeland en Spanje. De drukken uit Nederland (458-510, met enkele exponenten die een tweede exemplaar of een variant aanduiden) beginnen met een Speculum humanae salvationis (ca. 1569). Van de zowat 50 incunabelen komen er een 30-tal uit de Arenberg-collectie (waarvan drie met de Serrure-herkomst). De verdeling is zowat als volgt: Utrecht 7, Delft 17, Haarlem 7, Zwolle 4, Nijmegen 2, Leiden 2, Hasselt 1, Gouda 11, Deventer 3. Wat de 44 incunabelen uit België betreft (511-556, Hasselt komt bij Nederland) zijn er 18 uit de Arenberg-collectie (6 met de Serrure-vermelding, vooral drukken in het nederlands). In de eerste plaats signaleren wij de Valerius Maximus, vervolgens een Caxton uit Brugge, 15 drukken uit Leuven (waaronder één Braem en één Ravescot), 5 uit Brussel, 3 uit Gent en 19 uit Antwerpen. Daarna komt de rubriek uit de Sixteenth-century books (589-1302). Deze groep omvat Holland (1091-1108) en België (1109-1210) met talrijke zeldzaamheden. Van de circa 100 nummers uit België zijn er trouwens 65 uit de Arenberg-collectie (en heel wat oorspronkelijk van Serrure afkomstig). Op te merken vallen bv. de 7 drukken van Van der Noot te Brussel. Komen daarna twee korte rubrieken, respectievelijk gewijd aan kaarten uit de 16de en de 17de eeuw en aan de reizen van De Bry. De zeventiende eeuw omvat boeken en handschriften (1311-1557), terwijl voor de achttiende eeuw er ook de grafiek en de tekeningen bijgevoegd worden (1558-1792). Als overgang tot de 19de eeuw (1866-2077) komt de Blake-goep (1793-1865). De Rosenwald-collectie bevat ook een volledig geheel van de Kelmscott pers. De rubriek gewijd aan de twintigste eeuw (2079-2405) vertoont talrijke merkwaardigheden op bibliofiel gebied en enkele werken van zeer bekende drukkers. De laatste rubriek, The supporting collection (2406-2653) omvat het documentaire gedeelte dat vooral afkomstig is uit de Howard C. Levis-collectie. Tenslotte volgen Works about or derived from the Rosenwald rare book collection, o.m. catalogen, artikels over de collectie, facsimile's, en bibliografie van teksten gewijd aan de verzamelaar en de indices. In de eerste plaats een algemene index (p. 471-412) op het ganse boek; verder een index van de drukkers en uitgevers, die zich beperkt tot de boeken gedrukt vóór 1600 en voor de latere periode slechts de belangrijkste drukkers en uitgevers opneemt; tenslotte een index van de Artists, Calligraphers, and Engravers (p. 502-507), een index van de Provenance, association copies, and presentation copies (p. 508-515) onderverdeeld in personen en religieuze instellingen en een index van de Binders and Bindings (p. 516-517). Het boek omvat verder een twaalftal kleurreproducties.
(1) The Lessing J. Rosenwald Collection: A catalogue of the gifts of LESSING J. ROSENWALD to the Library of Congress, 1943 to 1975. Washington, Library of Congress, 1977, xxi-518 p. Te bestellen bij: Superintendent of documents U.S. Government printing office. Washington, D.C. 20.402. Prijs 13, 25 dollar. Te vermelden Stock-Number : S/N : 030-001-00079-6.
399. - Het reproduceren van watermerken uit boeken is thans goed mogelijk met behulp van beta-radiografie, maar dit procédé vergt echter een toestel en veel tijd. T. L. GRAVELL beschrijft nu een methode die ons betrekkelijk eenvoudig en goedkoper voorkomt door de aanwending van het gevoelige Dylux 503 papier(2). Wij hadden nog niet de gelegenheid dit persoonlijk te experimenteren en te ondervinden.
(2) T. L. GRAVELL, A new method of reproducing watermarks for study, in Restaurator, 1975, 2, p. 95-104.
400. - In 1932 verscheen het vierdelige werk van M.-Louis Polain, thans volgt daarop een supplement (3). Het was H. Liebaers die in 1968 de gedachte naar voor had gebracht om deze belangrijke catalogus te verbeteren en aan te vullen; dit plan werd toen ingeschakeld in het programma van de vijfhonderdjarige viering van de invoering van de drukkunst in de Nederlanden. Het is onder leiding van de Koninklijke Bibliotheek en met behulp van talrijke medewerkers dat dit boek, in grote lijnen opgevat zoals het basiswerk van 1932, nu kan verschijnen. Dank zij een gelukkig toeval kon het door dezelfde drukker, Vaillant-Carmanne uit Luik, en met hetzelfde typografisch materiaal gedrukt worden als de 1932 uitgave. Knap werk.
In een ietwat beknopte inleiding wordt de werkmethode uiteengezet en de geringe afwijkingen gesignaleerd in de nieuwe beschrijvingen ten opzichte van het oorspronkelijke werk. Volgen daarna de lijst van de bibliotheken, de naam van de particuliere verzamelaars en de lijst van de gedrukte bibliografie. Het eerste deel omvat de Additions et corrections (p. 1-286). Wanneer men de uiterst zorgvuldige arbeid berekent die dit gekost heeft, dan valt het niet te verwonderen dat het wordingsproces van dit supplement zo lang geduurd heeft. Elke notitie uit het basiswerk bestaat uit vier paragrafen: 1. auteur, titel en bibliografisch adres; 2. collatie; 3. transcriptie en referenties; 4. exemplaaraanduiding en volledigheid ervan. De inleiding vermeldt niet of het de bedoeling was de vier elementen aan een correctie te onderwerpen en in feite vallen de aanvullingen en de verbeteringen practisch alleen op punt 3 en 4 aan te stippen. Waarom? Een verbetering van de Polain van 1932 vereist toch ook een aanpassing van punt 1 en speciaal nog van het auteurschap of de identificatie van de incunabelen. De incunabelstudie herleidt zich toch niet alleen tot het opsporen, beschrijven, referenties bijvoegen, exemplaarlocalisatie ... maar heeft ook een belangrijk literair aspect. Welnu onze kennis op dit gebied is toch ook vooruitgegaan en Polain zou zeker de eerste geweest zijn om die verkeerde attributies te verbeteren. Het is buiten twijfel dat de juiste identificatie van een tekst voor hem van meer belang was dan de vermelding van een blanco folio die in het exemplaar ontbrak (zie de inleiding van Polain p. vi sq. in de 1932 editie). Hier kon weliswaar geen sprake zijn van een grondige herziening van dit punt maar een minimum mag toch wel vereist worden, ik bedoel zeker een rekening houden met de gegevens uit de G.W. We deden enkele steekproeven met volgende resultaten. 717, Bochin wordt door de G.W. 5753 aan Buridanus toegeschreven. 792, 793, 794, Bonaventura worden door de G.W. 8164, 8167, 8166 aan David de Augusta toegeschreven evenals het nieuwe nummer 4229, G.W. 8168, dat hier nog steeds onder Bonaventura figureert. Waarom? Kwam de G.W. misschien op deze attributie terug? 1555 wordt door de G.W. 7850 aan Eng. Cultrificis toegeschreven.Wat de diverse uiteen te houden Mariale-edities betreft, de nummers 2612-2615, hiervan komt de eerste onder Albertus Magnus, G.W. 616/10 en de laatste drie worden toegeschreven aan B. de Bustis, G.W. 5804 ....
Het nazicht van de voornaamste literatuur voor de nog niet in de G.W. verschenen letters zou zeker heel wat bijbrengen, al was het maar het aanstippen van de correcties uit de B.M.C., bv. 2548 Sudheim von Suchen of de toeschrijving aan Jean de Hocsem van 3842 uit R. Feenstra, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, 1963, p. 486-519. Dit is spijtig; heel wat gebruikers van de Polain zijn historici of theologen of letterkundigen die zich alleen aan auteurs interesseren en door deze nalatigheid Polain minder kunnen gebruiken. Zoals wij vaststellen ging echter de voornaamste aandacht naar de verbetering en de aanvulling van punt 3 en 4. Voor elk nummer uit de Polain werden de bibliografische referenties overgenomen (deze die Polain zelf had opgegeven en die meestal zeer juist zijn) en aangevuld met de gegevens uit les principaux répertoires d'incunables (p. ii). Was dit omslachtig werk wel noodzakelijk? Ja, men gaat zelfs zover om deze exemplaren (= die nummers uit Polain) die niet langer meer in België aanwezig zijn nog eens over te nemen en aan te vullen! (b.v. 10, 26, 94, 1398, 1399 ... ). En is het aanvullen met de I.G.I., de Bohonos-Szandorowski en de Sajó-Soltész referenties wel te rechtvaardigen? Wat is het uiteindelijke nut hiervan - behalve voor enkele unica - voor een catalogus die toch in de eerste plaats bestemd is voor vakmensen die hun weg toch moeten kennen? Ondervinden wij niet genoeg dat de meeste repertoria niets bijbrengen en integendeel de incunabelstudie herleiden tot een ogenschijnlijk geleerd referentiespel? Goddank kunnen sommige referenties toch iets bijbrengen. Zo vindt men hier b.v. voor de drukken s.l., s.n., s.d., de mening van de diverse repertoria naast elkaar afgedrukt en wat verder zeer nuttig is, voor de incunabelen uit de Nederlanden, de datum of de data-grenzen die de H.P.T. vooropstelt. Ik beweerde zoëven dat alle Polain-nummers werden overgenomen en aangevuld maar bij nader toekijken is dit niet zo. Hier en daar vallen nummers uit. Waarom? Hierover wordt niets gezegd in de inleiding. Waren de opstellers van oordeel dat deze ontbrekende nummers in de Polain moesten geschrapt worden en geen incunabelen meer zijn of werden hieromtrent geen referenties gevonden? zoals b.v. bij 192, 319, 324, 327, 451, 1159, 1161, 1764, 1821 enz., .... Maar 1793 is toch ook na 1500 gedrukt en wordt wel vermeld. Wij geven toe, de ontbrekende nummers zijn soms delikate gevallen en niet precies te situeren, maar zo men van mening is dat ze na 1500 gedrukt werden dan moet die mening uitgedrukt worden zoniet blijft de gebruiker in de onwetendheid. Wat het vierde element betreft, de verbeteringen en de aanvullingen van het exemplaar, i.a.w. de eigendomsveranderingen en de toestand, hier werd zeer nuttig en behoorlijk werk geleverd. Steeds geeft men op welke ff. ontbreken, ook de blanco's. Dit is geen louter bibliofiel werk. Wat de eigendomsveranderingen betreft, hier gebeurde heel wat sedert 1932 en de tweede wereldoorlog, In de eerste plaats de grote verliesposten: de universiteit Leuven voor de tweede maal, de stadsbibliotheek Doornik (coll. Wilbaux) .... Verder de opheffing en de concentratie van talrijk religieuse bibliotheken (b.v. Enghien) en het verdwijnen van enkele particuliere collecties: J. Nève, O. van Schoor, J. Willems, .... Alle onjuiste plaatssignaturen uit de 1932 editie werden verbeterd en voor de bibliotheken die Polain zelf nagezien heeft ook deze incunabelen opgenomen die hem toen ontgaan waren of niet gevonden werden (zo b.v. voor Gent een 30-tal). Het materiële werk -het opnemen en verzamelen van de onjuistheden, de verbetering, het éénmaken, het persklaar maken van het uitgebreide materiaal - dit alles strekt de Brusselse ploeg en in de eerste plaats F. VANDEWEGHE tot eer.
Het tweede deel van het boek, de Nouvelles descriptions (p. 287-484) bevat de beschrijvingen van alle nieuwe incunabelen sedert 1932 in België teruggevonden of aangeworven. Telde het basiswerk een 4109 nummers, dan is dit nu aangegroeid tot 4804 i.a.w. vermeerderd met een 700 tal nummers. Hoeveel exemplaren België bezit is na te gaan maar vergt wat rekenarbeid. Nu is het aantal incunabelen op zichzelf niet zo belangrijk, van veel meer betekenis is de aard van de uitgave. Zo wegen b.v. 10 incunabelen uit Straatsburg of zelfs 25 uit Venetië niet op tegen één zeldzame druk uit onze gewesten. Wat de Campbell-nummers betreft, de 1932 editie telde er ongeveer 700; dat is nu aangegroeid tot circa 820 (van de ± 2000 nummers). De nieuwe nummering in het supplement volgt op de oude Polain-nummering en tussen haakjes wordt steeds een tweede nummer aangegeven dat de plaats aanduidt waar het nieuwe werk in het basiswerk moet ingeschakeld worden. Onder de nieuwe verzamelingen hebben wij op het laagste niveau de talrijke particuliere collecties, meestal van louter biblioficie aard. Sommigen hebben heel wat incunabelen b.v. R. van Lennep. Op een hoger niveau komen dan enkele nieuwe verzamelingen bij zoals b.v. Leuven, Arenberg; Heverlee, C.D.R.R.; Mons, F.P. (universiteit). Bovenaan troont de rijkste verzameling met de meeste aanwinsten, de K.B. te Brussel. Van welke aard zijn nu de aanwinsten sedert 1932? De particuliere verzamelingen zijn in de eerste plaats bibliofiel gericht, d.w.z., men koopt incunabelen aan omwille van de zeldzaamheid, de schoonheid, het subjectief belang dat men er aan hecht of de verhoopte financiële meerwaarde. Uitzonderlijk koopt een particulier incunabelen aan met het oog op de studie van de drukkunst, voor loutere wetenschappelijke doelstellingen of houdt hij tenminste met deze factor rekening. Wat de grote bibliotheken betreft hun aankopen liggen, omwille van financiële redenen, lam. Alleen de K.B. heeft het geluk - maar ook de zware verantwoordelijkheid die daaruit voortvloeit - te kunnen aankopen. Deze aankooppolitiek is vrij duidelijk af te lezen uit het supplement. Zij is bibliofiel georiënteerd en zeer verspreid. Hopen wij dat het argument "nog niet in België aanwezig" niet de aanleiding tot kopen is. Wij geven toe dat het aanschaffen van incunabelen uit de Nederlanden, en zeker uit België, moeilijker met de dag wordt, maar het volgen van de markt - wat wij sedert 10 jaar deden voor onze kroniek -bewijst dat deze mogelijkheid nog bestaat.
Na de lijst van de nieuwe nummers volgen dan de Tables (p. 489-596). De concordantielijsten zijn dezelfde als bij Polain maar vermeerderd met Goff, I.G.I., Bohonos-Szandorowska en Sajó-Soltész. Een algemene tafel zoals bij Polain, een schat van uiteenlopende inlichtingen, komt hier niet voor. Dit was gezien de talrijke medewerkers niet realiseerbaar. Afbeeldingen van rariora ontbreken eveneens. Het opstellen van het drukkersregister geschiedde met zeer grote voorzichtigheid waardoor de juiste mening soms moeilijk tot uiting kan komen. Enkele steden worden tweemaal vermeld met dezelfde drukken, b.v. Brussel, Nijmegen, Schiedam, Delft. De ene maal s. typ., de andere maal met de naam van de aanvaarde drukker. Zo b.v. de Gerson 4380: in de lijst van de aanwinsten met de drukkersnaam F.V.C., in de index onder Brussel, s. typ. en Brussel, F.V.C., en achteraan in de lijst c, p. 614, Livres datés, sans lieu d'impression, ni nom de typographe, nog eens. Erg duidelijk is dit niet. Eenzelfde opmerking voor 4579 die niet onder Antwerpen, s. typ. maar alleen onder R. vander Dorpe voorkomt. Wat 4335 en 4123 betreft, beiden behoren tot de prototypografie, en het speculum-type te Utrecht (?) localiseren is niet zo evident.
(3) M.-Louis POLAIN, Catalogue des livres imprimés au quinzième siècle des bibliothèques de Belgique. Supplément. Bruxelles, Fl. Tulkens pour l'Association des Archivistes et Bibliothécaires de Belgique, 1978, x-618 p.
401. - De Recuyell of the Histories of Troy wordt algemeen aanvaard als zijnde Caxton's eerste gedrukte boek. Het vermeldt noch datum noch plaats van drukken en om aanvaardbare redenen neemt men aan dat het te Brugge van de pers kwam. Vermits Caxton Keulen verliet op het einde van 1472 en naar Westminster vertrok op het einde van 1476 moet het boek dus tussen deze beide data gesitueerd worden. Maar wanneer precies? Nauw verbonden met de datering van dit boek is Caxton's tweede druk, The Game of Chess, waarvan Stevenson heeft aangetoond dat het qua papier onmiddellijk volgde op de Recuyell. De Game vermeldt nu op het einde van de epiloog: Fynysshid the last day of marche the yer of our lord god a thousand foure honderd and Ixxiiii. Deze datum heeft naar alle waarschijnlijkheid betrekking op het eindigen van de vertaling en omgezet in onze tijdrekening kan het drukken - van de epiloog ten minste - niet begonnen zijn vóór 31 maart 1475. Voor de datum van de Recuyell kan bijgevolg aanvaard worden [eind 1474-begin 1475]. Dit indien wij tenminste Stevenson's veronderstelling aannemen als zou het boek gelijktijdig gedrukt zijn op drie persen (een pers per deel). Wat voor een beginnend drukker nogal wat veel is. Indien men Brugge als drukkersplaats behoudt en het aantal persen vermindert kan het werk dus vroeger begonnen zijn. Het zijn deze dateringsproblemen die nu door N. F. Blake (4) aan een nieuw onderzoek onderworpen worden in het bijzonder de jaarstijl door Caxton gebruikt en hoe de datum moet omgezet worden. Blake beweert - en waarom? - dat de Paasstijl was in very restricted use in the Low Countries ... en behoudt bijgevolg de datum 31 maart 1474 die ook duidelijker was voor Engeland. In feite was dit niet zo en de Paasstijl was in Vlaanderen algemeen verspreid (zie Strubbe en Voet). Dat het jaar 1475 op 26 maart begon en er dus in 1474 geen laatste dag van maart was is subtiel maar Caxton zal dit wel zo niet begrepen hebben. Wij houden ons dus aan de datum 31 maart 1475. Verder Fynysshid ... heeft dit betrekking op het beëindigen van de vertaling of van het drukken? Blake betwijfelt de opvatting van de vertaling, maar zonder dat hij zelf beslist, hebben wij de indruk dat hij de datum eerder interpreteert als de drukkersdatum. In ieder geval past deze laatste interpretatie, het drukken eindigde op 31 maart 1474, volgens hem tenminste, wonderwel met the history of printing in Cologne and the Low Countries en de rol die hij aan Veldener toekent. Deze laatste matriculeerde te Leuven op 30 juli 1473. Na het verlaten van Keulen (wanneer precies?) en vooraleer naar Leuven te vertrekken zou Veldener Caxton te Brugge op dreef geholpen hebben. Caxton was en bleef slechts de geldschieter-uitgever. Veldener zou volgens hem in april-mei 1473 te Brugge met het drukken begonnen zijn (de zetter A. van Hellinga), en er mensen hebben opgeleid. Het boek zou voltooid zijn eind 1473 begin 1474 wat dus zou kloppen met de Game van 31 maart 1474. Neemt men daartegen de datum 31 maart 1475 aan (zoals ook wij) dan botst men volgens Blake op veel meer moeilijkheden. Wellicht, maar dan hoeft men ook niet beroep te doen op die talrijke hypothesen. Waarom steeds beroep doen om alle moeilijkheden op te lossen op Veldener, wanneer Caxton uit Keulen toch andere helpers had kunnen meebrengen om zijn teksten te drukken?
(4) Norman F. BLAKE, Dating the first books printed in English, in Gutenberg-Jahrbuch, 1978, p. 43-50.
402. - In 1968 verscheen het eerste deel van de briefwisseling die H. Bradshaw voerde met J.W. Holtop en M. F. A. G. Campbell. In 1978 volgde daarop een tweede deel, de commentaar (5). Het is van deze beide publicaties dat wij de lezers een overzicht wensen te geven. Vooreerst de materiële indeling van het werk. Deel 1 omvat van p. 21 tot 137 de chronologisch gerangschikte briefwisseling tussen Bradshaw en Holtrop. Deze vangt aan in 1864 en eindigt in 1868. Er zijn zowat een dertigtal brieven, vijftien van elk. In de rest van dit eerste deel, p. 141-238, vindt men de brieven gewisseld tussen Bradshaw en Campbell, een dertigtal van de eerste, een vijf en twintigtal van de tweede. Hun correspondentie vangt aan in 1870 en eindigt in 1884. De brieven van Bradshaw en Holtrop zijn van een hoog wetenschappelijk niveau. Deze van Campbell daarentegen, die veel meer bibliograaf is en niet rechtstreeks betrokken was in de ontwikkeling van de methode der incunabelkunde (16, de cijfers tussen haakjes verwijzen naar de paginering van het werk), zijn minder belangrijk. Dit is ook de indruk die wij hebben bij het herlezen van de te Gent bewaarde correspondentie die Bradshaw en Campbell met F. Vander Haeghen voerde (van Holtrop zijn er slechts drie brieven in Gent). Ook hier domineert Bradshaw, van wetenschappelijk standpunt uit beschouwd, zijn beide collega's. Kost wat kost wil deze de incunabelstudie op wetenschappelijke basis grondvesten. Dit betekent nu ook weer niet dat Vander Haeghen geen geoefend boekenkenner was, verre van daar, maar qua methode en type-onderzoek moest hij onderdoen. In dit eerste deel worden verder, van de incunabelen in de briefwisseling besproken, in voetnota alle referentienummers opgegeven naar Ca, Holtrop (Bibliotheca Regia Hagana) en Oates. Een uitvoerig en zeer nauwkeurig werk. Na de brieven volgt de Index of bibliographical references (p. 243-258). Achtereenvolgens vermelden wij: Campbell, Annales, Kronenberg, Contributions I en NK; Bibliotheca Regia Hagana van Holtrop of de Catalogus van 1856; Vouilliéme Köln en Oates. Wat het tweede deel betreft hier volgt de commentaar nauwkeurig elke brief. Elke commentaar wordt ingeleid door de pagina- en de regelaanduiding uit het eerste deel waarop deze betrekking heeft. Er stellen zich geen practische moeilijkheden om de commentaar naast de brief te lezen.
Deze commentaar omvat, naast de, eigenlijke tekst van de Hellinga's, talrijke uittreksels uit andere bronnen: Zo b.v. uit andere brieven (van of aan Bradshaw), uit zijn zeer belangrijke Note-books, of uit teksten die de correspondentie helpen verduidelijken en situeren. Niets werd hier verwaarloosd. Na de commentaar (p. 259-477) volgen drie appendices. I. The arrangement of the types of Gheraert Leeu by Holtrop and Bradshaw door Lotte Hellinga (p. 479-491). II. The publication of the Monuments typographiques met een overzicht van het verschijnen van de diverse afleveringen vanaf 1856 tot in 1868. III. Concordance B.R.H.: CA(494-501). Daarna volgen een uitvoerige index van personen en onderwerpen (p. 505-513), een overzicht van de Printers and presses in the Low Countries (p. 515-520), en een reeks Bibliographical references (p. 523-535): Ca, KC, NK, Voulliéme, Duff, Oates en Goff, Third Census.
Hoe hebben de commentators hun taak opgevat? De gevoerde briefwisseling die niet van filosofische, literaire of zelfs van biografische aard is vereiste bijgevolg ook geen diepzinnige uitleg. Zo helder de brieven, zo helder de commentaar. In de eerste plaats heeft men de feitelijkheden die verklaard of toegelicht worden, zo b.v. het aanduiden en het omschrijven van de talrijke incunabelen die er besproken worden. Maar tot dit beperkt zich natuurlijk de commentaar niet. Integendeel, zoals uit de Preface (p. x) blijkt: In writing this commentary it was the author's intention to make a contribution to the history of the development of bibliography and the systematic approach to the history of printing, especially as regards the Low Countries. Het is op dit plan dat de commentaar zich situeert en wij zijn ervan overtuigd dat de auteurs daarin uitstekend geslaagd zijn. Er is meer, en brieven en commentaar zijn boeiend, wekken voortdurend de nieuwsgierigheid op, openen nieuwe gezichtspunten, tonen ons aan hoe de nederlandse incunabulistiek en de nederlandse Hain groeiden, hoe de Monuments en de Annales tot stand kwamen. Dit boek vormt dus een belangrijke aanvulling tot de Printing Types. De manier die wij verkozen om onze lezers een idee te geven over het belang van deze correspondentie, bestaat er in een overzicht op te stellen van de voornaamste punten die daarin behandeld worden.
Waaraan interesseerden zich een Bradshaw en een Holtrop en wat hadden beiden elkaar te vertellen (beter te schrijven, want ontmoet hebben ze elkaar nooit)? Als proloog zou hier iets moeten uiteengezet worden over de stand van de incunabelkunde in de 19de eeuw, en een korte schets bijgevoegd over de personages. Grosso modo zijn er twee methodes om een incunabelbibliografie op te stellen. De louter alfabetische, zoals wij die bij Hain vinden, en de meer historische, of beter de meer natuur-historische methode, zoals Panzer, the one true naturalist, die toegepast heeft. Panzer (1793) rangschikte vooraf alle drukken per plaats (in alfabetische volgorde op de latijnse plaatsnaam); onder elke plaats kwam en de gedateerde drukken in chronologische volgorde en daarna de ongedateerde. Het rangschikken per land, per stad, per drukker en per jaar, zal pas gebeuren bij Holtrop, Bradshaw en Proctor. Het ligt voor de hand dat de eerste methode een voordeel heeft voor de gewone zoeker, maar de tweede methode stelt oneindig veel beter de relaties tussen diverse drukken en drukkers in het licht. Ze toont ons bovendien aan hoe een bepaald type van een drukker naar een andere drukker overging en verschaft het basismateriaal voor het type-onderzoek. Wij mogen niet uit het oog verliezen dat deze briefwisseling gevoerd werd toen de incunabelkunde nog in de wieg lag en men voor een massa niet-geidentificeerde drukken stond die ingeschoven moesten worden in het brede gaas van bekende data. Holtrop, in zijn Bibliotheca Regia Hagana van 1856, klasseerde de drukken per stad, en verder de steden in volgorde van het jaar waarin de drukkunst aldaar optrad. Bradshaw, die herhaaldelijk beweerd heeft dat hij in Holtrop zijn meester zag, schreef als volgt over deze catalogus: What was before the publication of his catalogue a shapeless unknown and unexplored mass, has become under his hands a system in which every book readily finds its place, and in which the very errors themselves afford the clue to their own rectification (Collected Papers, p. 152, uit het Memorandum 1 van 1868: The Printer of the Historia S. Albani). Bradshaw zelf, die geen nood had aan ideeën en plannen, geinteresseerd als hij was voor vele onderwerpen, heeft eigenlijk nooit de tijd gevonden, of heeft wellicht nooit voldoende energie kunnen of willen vrijmaken om deze op papier te zetten. Daarom is zijn plaats in de geschiedenis van de bibliografie niet zo nauwkeurig gesitueerd en het zijn vooral anderen die zijn vruchtbare gedachten in de praktijk hebben uitgewerkt. (Zie b.v. de inleiding tot de Index van Proctor die van 1898 dateert). Hij was, zoals A. W. Pollard in de Introduction, p. x, van het eerste deel van de British Museum Catalogue of books printed in the xvth century schrijft: a master of method, an insprirer of other men's work. Maar toch heeft hij heel wat geschreven. Vermelden wij vooraf uit het gepubliceerde werk wat ons, in het verband hier, het belangrijkste lijkt. Het zijn de Memoranda 2 en 3, later opnieuw uitgegeven in de Collected papers van 1889. Het Memorandum 2 van 1870: A classified index of the fifteenth century books in the De Meyer collection sold at Ghent, November 1869 en het Memorandum 3 List of the founts of type and woodcut devices used by printers in Holland in the fifteenth century (1871), zijn korte teksten maar geven een uitstekend idee over Bradshaw's methode. (Een voorliefde hebben wij voor het Memorandum 5 over het fragment van de Fifteen Oes). Maar daarnaast bestaat er de uitvoerige correspondentie waarvan hier een deel wordt uitgegeven. Verder de talrijke Note-books in handschrift te Cambridge; hiervan maken de commentators uitvoerig gebruik en het zou voor de lezer wellicht nuttig geweest zijn daaromtrent iets meer te vernemen. Daarnaast blijven, eveneens onuitgegeven, the classified index to the Vergauwen collection and the revision of the index of printers in Campbell's Annales (16, 470), een index of the Culemann sale (285), en het Memorandum on Mansion (344). Wat Holtrop betreft, die is ons beter bekend. Tot voor enkele jaren, om precies te zijn tot in 1966, waren zijn Monuments onmisbaar. Begonnen in 1856 verscheen de laatste aflevering pas in 1868 (492) en het is de evolutie van dit werk, vanaf aflevering 16, die men in de correspondentie weerspiegeld vindt. Vermelden wij verder zijn D. Martens studie van 1867, a minor masterpiece, (371), opgedragen aan H. Bradshaw. Wat tenslotte Campbell betreft en "zijn" Annales, dit boek is voldoende bekend.
Welke zijn nu de voornaamste punten die in de brieven en in de commentaar behandeld worden? Een eerste en belangrijk punt is om zo te zeggen de status van de bibliograaf: welke is zijn functie en welk is de door hem te gebruiken methode. Zijn opdracht beperkt zich niet tot het beschrijven van boeken en lijsten aanleggen, maar impliceert vooral de drukken s.l., s.n., s.d., ja zelfs sine autore te identificeren. Zijn belangstelling gaat dus verder dan het louter materiële object. Bij hem worden verondersteld a bibliographical instinct and well-trained eye, maar vooral de toepassing van een natuurwetenschappelijke methode of zoals wij thans zouden zeggen, een methode uit de exacte wetenschappen. Bevindt men zich b.v. voor een druk waarover men niets precies weet, dan zal men dit vergelijken met de productions of the same and neighbouring presses, look at its surroundings for a few minutes, and your questions will solve themselves. You will be saved from all inducement to rash speculation. The facts will speak for themselves before you even have time to hazard a foolish conjecture (Collected Papers p. 369) ... I mention these things merely to show that what is wanted for the solution of a bibliographical problem is not ingenuity of speculation, but simply honest and patient observation of facts allowed to speak for themselves. When will our leading bibliographers adopt this method in practice, and cease merely praising it in others? En inderdaad de correspondentie wijst talrijke voorbeelden aan waar Bradshaw zich ergert over ongegronde veronderstellingen: zo tegen diegene die beweert dat er geen boek kan gedrukt zijn op een bepaalde plaats wanneer wij slechts over het feit beschikken dat wij geen druk van die plaats kennen. (22) of wanneer er slechts één drukker in die plaats bekend is hem al de drukken met die plaatsnaam wilt toeschrijven. Het is ook door deze houding, uit te gaan van de feiten en en niet to start from the preconised theories (134), dat zijn geringe belangstelling te verklaren valt voor de prototypographie, het Costerprobleem en de massa literatuur gewijd aan de uitvinding der boekdrukkunst. Holtrop had hier trouwens dezelfde opvatting als zijn vriend Bradshaw. Zie hierover: L. en W. Hellinga, Die Coster-Frage in Der gegenwärtige Stand der Gutenbergforschung herausgegeben von Hans-Widmann in 1972, p. 232-242, vooral p. 237-239.
Een tweede punt is het type-onderzoek (vergeet niet dat wij vóór 1870 zijn). Ook hier zal de bibliograaf zijn boek behandelen as a naturalist treats his specimen (27) ... as a branch of natural history, all the productions of each press as a genus, and each book in particular as a species... (89). Hij zal de diverse typen die een drukker aanwendt beschrijven (meten), deze nummeren en dateren volgens hun eerste optreden (27) zoals hij en Holtrop dit samen uitgewerkt hebben voor G. Leeu (27 en de app. I van L. Hellinga). Evenzo moet gehandeld worden met de drukkersmerken (29). Hij wil een type-atlas ontwerpen om de typen te kunnen vergelijken en deze is er pas gekomen in 1966, het onmisbare deel II van de Printing Types. Dit was trouwens reeds de bedoeling van Holtrop uiteengezet in het prospectus voor zijn type-atlas, de Monuments, maar Bradshaw wenste de types te nummeren in chronologische volgorde (268) en combine bibliography with chronological ordering of types (411). Het beschrijven van een incunabel impliceert verder ook het opstellen van een vorm of schema waarin de noodzakelijke gegevens moeten gegoten worden. De bibliografische formule of de collatie van Hain voldoet niet langer (21, 260). Vandaar Bradshaw's mode of collation (30), de noodzakelijkheid signaturen aan te wenden (44) en de beschrijving (97, 342) met de vermelding van de blanco ff. (104).
Maar ook deze eigenschappen die niets met de typologie te maken hebben, de specifieke typografische kenmerken (The typographical characteristics, the mode of working, ... Collected Papers, p. 150), zijn belangrijk. Kan een bepaalde drukker zich van een andere drukker onderscheiden door zijn typen, dan kan dat evengoed door zijn eigen manier van drukken. Ja deze specifieke manier van drukken wordt zelfs de enige maatstaf om onderscheid te maken wanneer wij te doen hebben met drukkers die dezelfde typen gebruikten of bij een ganse reeks van drukken s.d. van eenzelfde drukker. Enkele voorbeelden ter illustratie. De wijze waarop de signaturen aangebracht worden in een in-quarto boek (30, 270); dit had wellicht wat meer commentaar verlangd. De oneven signaturen en de cancelled leaves (30), de directing letters (43, 278), the typographical characteristics of J. Britoen (112) en zijn vertikale réclamessignatures (117). De echte bibliograaf zal er verder ook naar streven de ghost editions uit de weg te ruimen en dezelfde werken die in oude bibliografieën (v.b. Maittaire, Lambinet, etc.) door een diverse titel aangeduid woorden bij elkaar te brengen (v.b. Ca 717 en Ca 1331, p. 263).
Wat deze correspondentie zo menselijk maakt is, naar aanleiding van nieuwe fondsen, het aan elkaar vragen wat het is en wie het zou kunnen gedrukt hebben. Zo informeert Bradshaw herhaaldelijk bij Holtrop om fragmenten of boeken die hij ontdekte te helpen identificeren (én wat drukker én wat auteur betreft). Daarvoor helpt in hoge mate de type-vergelijking (v.b. the four leaves of Ca 1675, 21, 259). Het is zelfs zeer dikwijls de ontdekking van een new fact dat Bradshaw - zeer onregelmatig in de correspondentie -er toe aanzette Holtrop te schrijven (132). Zo b.v. over de variant edities (133), a vellum indulgence (147, 400), het Martens brevier (159, 160), de regulae (176, 429), een nieuw Caxton-type (190, 442), de penitentiale (212, 460), het rosarium (228). Ook in het zoeken naar een methode om een bepaalde moeilijkheid op te lossen hoopt hij hulp te vinden (187). En natuurlijk ook de nieuwe aankopen worden elkaar meegedeeld (v.b. 204). Vandaar de talrijke commentaren, vóór en na de belangrijke veilingen - mijlpalen in het leven van een boekenliefhebber - die wij in de correspondentie aantreffen. En in de negentiende eeuw waren die heel wat minder zeldzaam dan thans. Zo werden de Enschedé, de De Meyer, de Inglis, de Delprat, de Vergauwen ... veilingen heel dikwijls uitvoerig behandeld in de brieven. Ook de commentatoren hebben hieromtrent uitvoerig inlichtingen bijgebracht. Dat Bradshaw van boeken hield hoeft niet benadrukt te worden, toch was hij geen bibliofiel. Hij verkoos boeken met problemen - What I need is not so much rarities as books containing problems to work out (468) -, boeken die hem voor moeilijkheden stelden, boeken die hij moest inschakelen in een reeks andere drukken. Of boeken die een betekenis hadden voor zijn Museum of early printing (146, 396), waar hij de drukken of zelfs de fragmenten kon rangschikken naar Countries, Towns, Printers. Hij hield niet van de wetenschap die af is, van die zogezegde definitieve boeken (zie de knappe omschrijving van een useful book p. 180). En eens de nederlandse Hain of de Annales klaar zag bij de verdere evolutie in a number of little monographs of special presses (181).
Uiteraard verschaft deze correspondentie ook een overzicht van de talrijke problemen die de 15de-eeuwse drukkunst in de Nederlanden stelde en heel dikwijls nog stelt. Zij toont aan hoe men deze toen probeerde op te lossen, zij brengt een nuttige geschiedenis van de diverse hypothesen, stelt in het licht wat reeds opgelost is en nog blijft op te lossen. Dit laatste punt is nog uitgebreid. Ook hier hebben de commentatoren geen moeite gespaard om de lezer te helpen en dit tweede deel is bijgevolg een uitstekende aanvulling op de H.P.T. Wij kunnen hier slechts enkele van die problemen aanstippen. Het probleem van Veldener en zijn aanvang te Leuven (33, 274, 45 sq, 283, 57, 76); de drukkunst te Keulen waar Bradshaw en ook Holtrop zich intens hebben mee bezig gehouden (89, 334); de geschiedenis van De Ketelaer-De Leemt-Hees te Utrecht (43, 278, 73, 315); de Delftse boeken (55, 292, 67, 307); de Brugse prototypografen C. Mansion (60) en natuurlijk Caxton (82 sq, 344 sq, 360, en de Note-books X, XI, XVI).
Wij hopen dat deze bespreking, die er alleen maar naar streefde de lezer in te lichten over het belang van de briefwisseling, in haar opzet geslaagd is. De correspondentie Bradshaw-Holtrop is, na honderd jaar, nog steeds het bestuderen waard.
(5) Henry BRADSHAW'S Correspondence on Incunabula with J.W. HOLTROP and M. F. A. G. CAMPBELL edited by Wytze and Lotte HELLINGA. I. The Correspondence 1864-1884. II. Commentary. Amsterdam, H. L. van Gendt & Co., I, 1966 (in feite 1968) 258 p., II, 1978, xii-259-536 p., portretten. De commentaar is uit het Nederlands vertaald door H. S. Lake.
403. - In de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden zijn thans drie bibliotheken ondergebracht: de Provinciale Bibliotheek van Friesland die vrijwel de gehele oude bibliotheek van de voormalige Franeker academie omvat; de Buma-Bibliotheek, een legaat van de classicus L. A. Buma, en de Bibliotheek van het Hof van Friesland. Alhoewel het incunabelbezit uit deze bibliotheken reeds in gedrukte maar oudere en moeilijk toegankelijke catalogi werd opgenomen was het erg nuttig een speciale catalogus met een betere en wetenschappelijke beschrijving samen te stellen. Hierin is de opsteller (6) uitstekend geslaagd. Wij bezitten thans een goed overzicht van het incunabelbezit te Leeuwarden en door de collecties afzonderlijk te beschrijven bleef het specifiek karakter van de verschillende verzamelingen gehandhaafd. Bovendien, zoals de auteur terecht opmerkt, heeft hij van de gelegenheid gebruik gemaakt om nog enkele andere kleine verzamelingen die zich te Leeuwarden bevinden mede op te nemen. Het zijn de incunabelen uit de bibliotheek van het Fries genootschap, uit het Rijksarchief in Friesland en uit de Princessehof bibliotheek. Het geheel vormt een 62-tal incunabelen waarvan 12 in de Nederlanden gedrukt. De beschrijving is opgevat naar het voorbeeld van de catalogus van het British Museum en wij onderlijnen de uitgebreidheid en de nauwgezetheid van de beschrijvingen. Het is het voordeel van een kleine verzameling dat men voldoende aandacht kan besteden aan het speciale karakter van het exemplaar: de versiering, de band, de herkomst .... Dit alles werd door de opsteller aangetekend en is van betekenis voor de culturele achtergrond van de verzameling. Vermelden wij b.v. PB8 met de herkomst Sum Erasmi, nec muto dominum in een Dioscorides-uitgave. Na de beschrijving volgt een alfabetisch register (de verzamelingen worden immers afzonderlijk beschreven), een drukkersregister per land en stad, een Hain-Copinger lijst, een register van herkomst en een Overzicht van de catalogi van de Franeker Academie en register van de daarin vermelde incunabelen.
(6) M. H. H. ENGELS, Catalogus van incunabelen te Leeuwarden, Leeuwarden, Provinciale Bibliotheek van Friesland, 1977, 83 p., 18 illustraties, 10, 40 gulden.
404. - Bij inventarisatie te Groningen kwamen uit MS. 162 twee bladen perkament te voorschijn, op beide zijden bedrukt met fragmenten uit de Donaattekst en dit in het Saliceto-type. De auteur (7) beschrijft, identificeert en vergelijkt de overgebleven stukken tekst met de Normaltext-uitgave van P. Schwenke. Na identificatie vraagt hij zich af hoe dit 15 ff. tellende boek vroeger samengesteld was. Voor de tweede katern, deze van 7 ff., zoekt hij naar het ontbrekende folio. Wellicht gewoon afgesneden.
(7) J. M. M. HERMANS, Notes on some Donats of fourteen, fifteen and sixteen leaves of twenty-seven lines, printed in the Saliceto fount. Some observations on text and construction in the light of recently discovered Donat fragments in Groningen, resembling G W 8775 and 8777 in Quaerendo, 1978, VIII, p. 75-98.
405. - Welke betrekkingen onderhielden de verluchters van handschriften met de ontwerpers (en de snijders) van de houtsneden uit de incunabelen? Dienden de miniaturen als model voor deze laatsten of was er omgekeerde invloed? Dit probleem wordt door de auteur (8) speciaal nagegaan in een groep handschriften afkomstig uit de kring van de Meester van Kat. van Kleef, waar volgens hem de iconografische, stilistische en compositorische parallellen met de illustraties uit de incunabelen zeer rijk zijn. Achtereenvolgens onderzoekt hij de houtsneden (of beter enkele) uit de Biblia pauperum, het Speculum humanae salvationis en de Geschiedenis van het heylighe Cruys.
(8) Robert G. CALKINS, Parallels between incunabula and manuscripts from the circle of the Master of Catherine of Cleves, in Oud Holland, 1978, 92, p. 137-160.
406. - Reeds lang werd op de verwantschap gewezen die bestaat tussen de editio princeps van de middelnederlandse Historie van Alexander, gedrukt bij G. Leeu te Gouda op 7 oktober 1477 en een Alexandertekst die voorkomt in de codex 1006 uit de universiteitsbibliotheek te Utrecht. De auteur gaat na welke deze verwantschap kan zijn, een van kopij tot gedrukte tekst, of welke rol dit handschrift kan gespeeld hebben in de ontstaansgeschiedenis van deze editie (9).
(9) W. P. GERRITSEN, Gheraert Leeu's Historie van Alexander en handschrift Utrecht, U.B. 1006, in Uit Bibliotheektuin en Informatieveld. Opstellen aangeboden aan dr. D. Grosheide bij zijn afscheid als bibliothecaris van de Rijksuniversiteit te Utrecht, Utrecht, 1978, p. 139-163.
407. - In 1978 was het honderd vijfentwintig jaar geleden dat de firma Martinus Nijhoff werd opgericht en ter herdenking hiervan werd door de huidige onderneming M. Nijhoff een huldeboek gedrukt (10). Uitgegeven en ingeleid door H.D.L. VERVLIET in samenwerking met een achttal medewerkers uit Noord en Zuid, werd op deze manier een zekere hulde gebracht aan het geslacht Nijhoff dat zo veel gedaan heeft voor het oude boek in de Nederlanden. Zich beperkend tot de postincunabula was het de bedoeling, vertrekkend van W. Nijhoff's L'art typographique dans les Pays-Bas pendant les années 1500 á 1540, daaruit een bloemlezing samen te stellen. De voornaamste drukkers uit deze periode zouden er in opgenomen worden met een of meer afbeeldingen uit hun drukken. Elke plaat is vergezeld van een passende beknopte commentaar in het nederlands en het engels. Na een algemene inleiding door H. D. L. Vervliet volgen dan in alfabetische volgorde per stad de gekozen drukkers. De commentaar streeft geen originaliteit noch eruditie na, maar wil aan de algemene lezer een overzichtelijk en leesbaar geheel bieden. Dit wordt nog verhoogd door de afbeelding die elke tekst vergezelt. Het boek is verzorgd uitgegeven.
(10) Post-incunabula en hun uitgevers in de Lage Landen. Een bloemlezing gebaseerd op Wouter Nijhoff's L'art typographique uitgegeven ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van Martinus Nijhoff op 1 januari 1978 uitgegeven en ingeleid door H. D. L. VERVLIET, Den Haag, M. Nijhoff, 1978, xiv-206 p.
408. - Het werk van T. A. RIGGS (11) is een uitvoerig onderzoek naar de betekenis van H. Cock als graveur en uitgever van grafisch werk, gevolgd door een gedetailleerde catalogus. Het hoofdstuk gewijd aan het leven van H. Cock evenals het deel gewijd aan de uitgeverij Aux Quatre Vents mogen in onze kroniek vermeld worden.
(11) Timothy A. RIGGS, Hieronymus Cock (1510-1570) : Printmaker and publisher in Antwerp at the sign of the four winds. A dissertation presented to the Faculty of the Graduate School of Yale University ... 1971, New York, 1977.
409. - Van de Emder bedingen of het gebedsboekje uit Emden is slechts één gaaf exemplaar bekend (U.B. Amsterdam). Het draagt geen jaartal of plaats van uitgave. C. P. Burger, die het boekje ontdekte, hield het voor een druk van N. Biestkens, sr., Amsterdam omstreeks 1582. Hij veronderstelde verder dat deze drukker het voordien ook wel te Emden zal gedrukt hebben. J. STELLINGWERFF (12) is echter van mening dat het boekje circa 1560-1562 te Emden gedrukt werd door Gilles van der Erven. Hij komt tot dit resultaat door een analyse van de inhoud en de lettertypen. Wat de inhoud betreft, de tekst van het Onze Vader in de Emder bedingen bleek vrijwel identiek met de tekst uit de Kinderleere door G. van der Erven te Emden op 20 september 1558 gedrukt. Wat het gebruikte typografisch materiaal betreft, een zeer groot deel van de Emder bedingen stemt overeen met het materiaal gebruikt in de eerste deux-aes bijbel aan G. van der Erven te Emden in 1561-1562 toegeschreven. Tenslotte meent de auteur dat de Emder bedingen omstreeks 1550 te Londen samengesteld werden en dat als auteurs J. Utenhove en M. Micron in aanmerking kunnen komen. Een vraag: was Gilles van der Erven de enige drukker die dit typografisch materiaal gebruikte?
(12) J. STELLINGWERFF, De drukker van de Emder bedingen, in Uit Bibliotheektuin en Informatieveld. Opstellen aangeboden aan dr. D. Grosheide..., Utrecht, 1978, p. 199-208.
410. - Vanaf 1566 had Chr. Plantin te Parijs een succursale, gevestigd in het huis van P. Porret; de schoonzoon van Plantin, Gilles Beys was er gerant. D. PALLIER (13) gaat na hoe deze toestand tot een einde kwam in het begin van 1577, welke pogingen Plantin aanwendde om deze succursale te behouden o.m. met de hulp van E. Richard en hoe hij tenslotte tot de definitieve verkoop in augustus 1577 aan M. Somnius gedwongen werd.
(13) Denis PALLIER, La fin de la succursale plantinienne de Paris (1577) : Emmanuel Richard, facteur de Plantin, in Revue française d'histoire du livre, 1978, 18, p. 25-39.
411. - De theologische doctoraatsverhandeling van J. Trapman (14) is gewijd aan de Summa der godliker scrifturen (1523). Alhoewel in de eerste plaats een inhoudsanalyse van dit oudste nederlandse verboden boek, toch stoot de auteur op talrijke ernstige problemen: de relatie Summa en Oeconomica, de plaats van uitgave en datum van deze beide teksten, de data en de onderlinge verhouding van NK1968, 1969, 3910, 3911. Het vijfde hoofdstuk onderzoekt de verhouding tussen de franse, engelse en italiaanse vertalingen terwijl het zevende hoofdstuk de Oeconomica en de Summa situeert temidden van de nederlandse vroegreformatorische literatuur.
(14) J. TRAPMAN, De Summa der godliker scrifturen (1523), Leiden, 1978, 167 p.
412. - De studie van Kiliaan is er in de laatste jaren flink op vooruitgegaan; denken wij slechts aan de talrijke publicaties van Frans Claes. Ook dit boek (15) vormt een nuttige bijdrage tot een betere kennis van het werk en de persoon Kiliaan. Volgens de inleiding gaat het werk terug op een bibliografisch onderzoek, tien jaar geleden aangevat door F. Sillis, en waarvan het resultaat dan een bijdrage zou gevormd hebben tot de Bibliotheca Belgica. Vermits publicaties in het raam van deze B.B. niet meer te realiseren vallen, werd Kiliaan, evenals een paar andere reeds verschenen auteurs, dan maar afzonderlijk uitgegeven. De bibliografische resultaten gaan dus terug op de hoger vermelde enquête en voor de huidige stand van zaken werden alleen de Koninklijke Bibliotheek te Brussel en de Centrale Catalogus in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage nagekeken. Het boek vangt aan met een biografie van Kiliaan (1528/29-1607) door Lode van den Branden (p. 18-45, met een Summary). Op grond van archiefmateriaal, waaronder talrijke nieuwe vondsten, en dank zij zijn degelijke kennis van het Antwerps milieu, kon de auteur een uitvoerige levensbschrijving opstellen die op talrijke punten afwijkt van de gangbare visie. Speciale aandacht werd besteed aan de betrekkingen met het Plantijnse huis en het blijkt duidelijk dat hier talrijke opvattingen moeten genuanceerd worden. Wat de eigenlijke philologische betekenis van Kiliaan betreft, terecht wordt hiervoor verwezen naar de talrijke bijdragen van Claes over de diverse woordenboeken. Vervolgens komt een kort hoofdstuk (p. 51-53) gewijd aan de handschriften. Het tweede hoofdstuk (p. 56-147) beschrijft de verschillende edities van de werken van Kiliaan en van de vertalingen door hem in het nederlands gemaakt. Elke beschrijving omvat op de linkerbladzijde, in plaats van de diplomatische transcriptie, een reproduktie van de titelbladzijde meestal op ware grootte. Op de rechterbladzijde hebben wij achtereenvolgens de uitvoerige collatie met signaturen, een inhoudsanalyse per bladzijde, enkele aantekeningen betreffende de editie en de opgave van de bekende exemplaren (naam van bibliotheek met plaatssignatuur). Zo worden onderzocht het Dictionarium tetraglotton van 1562 (een editie met vijf diverse voorwerken bestemd voor de respectievelijke boekhandelaars) en de daaropvolgende uitgaven van 1599, 1612, 1627 en 1634. Daarna wordt het Dictionarium teutonico-latinum behandeld: de twee varianten van 1574, de edities van 1588, 1599, 1605, de vier variant-edities van 1613, de twee van 1620, de twee van 1623, de vier van 1632, de 1642 en de 1777 edities. Alle varianten hebben betrekking op diverse boekhandelaars die de druk onder elkaar verdeelden en verspreidden met een varianttitelblad (of soms met een ander voorwerk). Komen vervolgens de vertalingen; deze van Ph. de Commines met vier uitgaven; de Macarius de Grote van 1580, en de drie Guicciardini vertalingen. De beschrijvingen zijn degelijk en zorgvuldig gemaakt; zij stellen trouwens geen speciale moeilijkheden voor de bibliograaf. Enkele kleine aanvullingen voor wat de gentse universiteitsbibliotheek betreft: 14, lees Her. 1198; 20 aanvullen met BL. 546 (2) ; 21 lees BL. 205 (1) en BL. 205 (1bis) ; 26 aanvullen met BL. 5376 en Theol. 4121. De signaturen van de 1777 editie, nummer 21 in de reeks, wekten onze nieuwsgierigheid op. Dit gebeurt altijd bij een onpare signatuur omdat wij graag weten hoe de drukker dit realiseerde. Meestal is dit nochtans het gevolg van een blanco blad, later verdwenen. Alhoewel het hier gebruikte papier geen watermerk vertoont is het hoogst waarschijnlijk dat het vierde blad diende als titelblad voor deel II. De katerne is dus xxx4. Wat de laatste katerne Bbbbbb4 betreft, deze bestaat uit een katerne Bbbbbb2 en een niet-gesigneerde katern van 2 bladen 1/1; dit blijkt duidelijk uit de twee gentse exemplaren. Het derde hoofdstuk behandelt de Bijdragen van Kiliaan in werken van andere auteurs (p. 151-156) en het vierde de Latijnse verzen op prenten (p. 158-215). Het gaat hier over de latijnse gedichten van Kiliaan die in werken van andere auteurs voorkomen of die bestemd waren als bijschriften op prenten. Steeds werd vergeleken met Rooses' uitgave van Kiliaans latijnse gedichten en, konden niet alle verzen opgespoord worden, daarentegen vond men een aantal aan Rooses onbekend. Het hoofdstuk met de grafische prenten is zeer degelijk behandeld en vormt door de beschrijving van de diverse staten een vooruitgang t.o.v. Hollstein. Volgen tenslotte een literatuurlijst (p. 217-224) een register van titels en incipits van gedichten (p. 225-227) en een personenregister (p. 228-232).
(15) Lode VAN DEN BRANDEN, Elly COCKX-INDESTEGE, Frans SILLIS, Biobibliografie van Cornelis Kiliaan, Nieuwkoop, B. de Graaf, 1978, 232 p., 125 gulden (= Bibliotheca Bibliographica Neerlandica, Volume XI).
413. - A. LABARRE (16) geeft een overzicht van de nederlandstalige drukwerken verschenen in Noord-Frankrijk vanaf de 16de tot de 18de eeuw.
(16) A. LABARRE, Impressions en flamand á Arras, Douai, Lille et Saint-Omer xvie-xviiie siècle, in De Franse Nederlanden. Les Pays-Bas Français, 1979, p. 31-42.
414. - De bijdrage van P. VINCK (17) gewijd aan de prozaroman Peeter van Provencen ende die schoone Maghelone van Napels omvat achtereenvolgens een onderzoek naar de bronnen waarop het verhaal teruggaat en een overzicht van de edities met een beschrijving van de drie uitgaven uit de Nederlanden die ons nog bekend zijn (de Vorsterman-editie van ca. 1517, deze van Claes van den Wouwere van ca. 1565 en de Jan van Waesberghe-uitgave van 1587). Verder beschrijft hij de houtsneden uit de Vorsterman-druk, geeft de inhoud van deze uitgave weer en onderzoekt de relatie tussen het franse model en de nederlandse vertaling.
(17) P. VINCK, Het volksboek Die Historie van Peeter van Provencen ende die schoone Maghelone van Napels, in Jaarboek van de Koninklijke Soevereine Hoofldkamer van Retorica " De Fonteine" te Gent, 1976-1977, deel XXVII, p. 3-45.
415. - Onze catalogus (18) omvat de beschrijving van alle boeken gedrukt vóór 1600 aanwezig in de, universiteitsbibliotheek te Gent. Er zijn 12.000 steekkaarten alfabetisch gerangschikt. Elke beschrijving vermeldt de belangrijkste gegevens ter identificatie van het boek (met de signaturen). Het werk heeft drie indices: drukkers en boekhandelaars (121 p.), herkomsten en voornaamste banden (40 p.). De uitvoering geschiedde in offset door de zorgen van de bibliotheek en dit uitgaand van de getypte steekkaarten.
(18) J. MACHIELS, Catalogus van de boeken gedrukt vóór 1600 aanwezig op de Centrale Bibliotheek van de Rijksuniversiteit Gent. Gent, 1979, Universiteitsbibliotheek, Rozier 9, 2 vol., 24 x 30 cm., xii-1044 p., 1500 BF en portkosten.
416. - Uit de verslagen van het vijfde colloquium De Brabantse stad (19) signaleren wij volgende bijdragen voor onze kroniek. KEES VAN DEN OORD, De boekdrukkunst in de steden Bergen op Zoom, Breda en 's-Hertogenbosch, 1450-1650 - een voorlopige schets (p. 209-271); M. A. NAUWELAERTS, Drukkers en schoolboeken te Antwerpen tot 1600 (p. 273-300); E. COCKX-INDESTEGE en A. ROUZET, Drukkers en boekverkopers in Brussel van de 15de tot de 17de eeuw (p. 301-318); M. SMEYERS, De Leuvense boekdrukkunst en de Universiteit 1473-begin 17de eeuw (p. 319-357).
(19) De Brabantse Stad. Verslag vijfde Colloquium. 's-Hertogenbosch 25-26 november 1977. Uitgave van de Historische Sectie van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant. 's-Hertogenbosch 1978.
417. - Van Gendt, Amsterdam, Veiling van 2-4 oct. 1978. 2193, Bernardus Parmensis, Casus longi..., Leuven, R. Loeffs, 6 feb. 1484, met Nicolaas Panormitanus, Practica .... Leuven, J. van Westfalen, [c. 1475-1483], Ca. 284 en Ca. 1357, in bad condition, 3300 gulden.
418. - GOLDSCHMIDT, Londen, Cat. 159, (feb. 79). 122, G. Macropedius, Andrisca, 's-Hertogenbosch, G. van der Hatart, 1538, NK 1444, 3500 dollar.
419. - N. Israel, Amsterdam, Cat. 20, september 1978. 168, Den ontsegghe vanden Coninck van Vranckrijck ... Ant., Adr. van Berghen, 1528, NK 1625, 1850 gulden. 170, A. Ortelius, Theatrum orbis terrarum, Ant., Aeg. Coppens, 20 mei 1570, met opdracht van Ortelius: Arnoldo Mylio, amico suo usque ad aras. Contemporary Antwerp binding. 115.000 gulden. 182, W. Rolevinck, Fasciculus temporum, ndl., Utrecht, J. Veldener, 1480, Ca. 1479, 24.500 gulden.
420. - Lathrop C. Harper, New York, Cat. 232 (act. 1978). 167, Dialogi decem variorum autorum, [Keulen, Drukker van de Flores Sancti Augustini], 1473, BMC I, 235; 8500 dollar.
421. - M. Nijhoff, Den Haag, Cat. 878, (nov. 1978). 191, Cyprianus, Epistole, [Deventer, R. Pafraet, 1477-1479], Ca. 520, 12.000 gulden.
422. - Sotheby, London, Veiling van 17 october 1978. 55, P. Berchorius, Liber bibliae moralis, Deventer, R. Pafraet, 1477, Ca. 286, 2200 pond. Veiling van 2 april 1979. 163, [W. Tyndale], The practyse of prelates, Marborch, [Ant., J. Hoochstraten], 1530, NK 3995, 2600 pond. Veiling van 30 april 1979, deel II van de Honeyman Collection. 872, Valuacien ende ordinantien vanden gelde. Antwerpen, D. Martens, vóór 1502, NK 2103, 4800 pond.

Go Top
     
     
Over deze site   Home page: www.boekgeschiedenis.be
Ontwikkeling © Johan Hanselaer
Laatste aanpassing: