Kroniek


1999

 
     
     
VWB
Overzicht
  Go Top
Na de algemeenheden zijn de notities chronologisch gerangschikt en per thema of onderwerp (in vetjes) volgens een vast schema gegroepeerd: 1. Literatuurbericht en Vakwoordenboeken; 2. Bibliografie (methodologie en repertoria); 3. Drukmateriaal; 4. Zetten en drukken; 5. Drukkers, steden, regio's; 6. Boekillustratie; 7 Boekband; 8. Bibliotheken en Bibliofilie; 9. Boekhandel en Uitgeverij; 10. Onderwerpen.
De lezers van de Kroniek worden er aan herinnerd dat zij de redactie attent kunnen maken op recent verschenen publikaties en haar overdrukken van eigen artikelen kunnen doen toekomen. Een en ander wordt in dank aanvaard.

2934.- ABHB - Annual Bibliography of the History of the printed book and libraries. Volume 27: publications of 1996 and additions from the preceding years. Ed. by the Department of Special Collections of the Koninklijke Bibliotheek, The Hague, under the auspices of the Committee on Rare and Precious Books and Documents of the International Federation of Library Associations.- Dordrecht; Boston; London: Kluwer Academic Publishers, (1999).- XLIV, 583 p.- ISBN 0-7923-5819-8; ISSN 0305-5964.
2935.- Paul G. Hoftijzer, Book history in the Netherlands in Gutenberg Jahrbuch, 1999, p. 328-334.
Overzicht van wat er voornamelijk de laatste vijftig jaar in Nederland is verschenen op het gebied van de boekwetenschap. Tekst van een lezing n.a.v. de vijftigste verjaardag van het Institut für Buchwissenschaft in Mainz, in 1997. [E. C.-I.]
2936.- Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 1998.- Amsterdam: De Buitenkant, 1999.- 178 p.: ill.; 22 cm.. ISBN 90-76452-41-5; ISSN 1383-4584.
De voor de Kroniek relevante artikels zijn afzonderlijk besproken. Mijn waardering voor steeds dezelfde zorg en vormgeving, dankzij het waakzaam oog (en veel meer) van Isa de la Fontaine Verwey. Het linnen van de band is ditmaal lichtgrijs. [E. C.-I.]
2937.- Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis.- Leiden: Nederlandse Boekhistorische Vereniging, 6, 1999.- 257 p.: omslag, ill.; 23 cm.- ISBN 90-75133-04-9; ISSN 1381-0065.
Voor de zesde maal verschijnt het jaarboek van de Nederlandse Boekhistorische Vereniging. In de inleiding verklaart Hannie van Goinga de ondertitel, `Geschreven, gedrukt, gedigitaliseerd. Elf eeuwen boekcultuur in de Lage Landen': door een aantal capita selecta heen loopt de rode draad van het historisch overzicht. Vier codicologen komen eerst aan het woord met een studie over één bepaald handschrift; zeven bijdragen handelen over het gedrukte boek (in deze Kroniek afzonderlijk besproken) en bibliografie; één artikel gaat over het boek in de éénentwintigste eeuw. Marieke van Delft verzorgt weerom `Publicaties op het terrein van de boekwetenschap 1998'.
Zoals steeds is dit boek goed verzorgd. De vormgeving lag opnieuw bij Rudo Hartman, Den Haag. Op het omslag prijkt een bladzijde uit de Delftse Bijbel, openliggend bij het begin van Genesis! [E. C.-I.]
2938.- M. Blanco-Morel & M.- F. Piéjus (Eds.), Les Flandres et la culture espagnole et italienne aux XVIe et XVIIe siècles. Coordination: Conseil scientifique de l'Université Charles-de-Gaulle - Lille 3.- Villeneuve d'Ascq (Nord): Université Lille 3, 1998.- 281 p.: omslag, ill.; 24 cm.- (UL3, Travaux et recherches).- ISBN 2-84467-001-6. 170 FF (excl. porto; te bestellen bij de universiteit, F-59653 Villeneuve d'Ascq Cedex; fax: 00 33 (0)3 20 41 61 91; e-mail: lesaffre@univ-lille3.fr).
Neerslag van een colloquium georganiseerd op initiatief van een onderzoekscentrum aan de universiteit te Rijsel, `Création et Histoire'. In deze `ville de tradition flamande' met zijn rijk bronnenmateriaal, zijn de vorsers in belangrijke mate bezig met i.c. de betrekkingen tussen Vlaanderen (niet geografisch maar wel cultureel gezien) enerzijds, Spanje en Italië anderzijds, tijdens de Renaissance en de Barok. Gezien het belang van de boekproductie in Vlaanderen en meer bepaald in Antwerpen, gaat de aandacht heel bijzonder uit naar de geschiedenis van het boek. De bundeling van zeventien bijdragen biedt ongemeen boeiende en aanbevolen lectuur voor elk (boek)historicus in de Nederlanden. Ik licht er de voornaamste uit.
Pierre Jodogne (Luik) laat een vrijwel onbekende figuur voor het voetlicht treden, `Ieronimo Cassina (1554-1596), milanais d'Anvers'. Uit zijn boedelbeschrijving blijkt o.m. dat deze cultureel ontwikkelde man muziekinstrumenten, schilderijen en prenten, en boeken bezat. Paul van Heck (Leiden) bespreekt de Vita di C. Giulio Cesare' van Stefano Ambrogio Schiappalaria, in 1578 bij Andries Bax te Antwerpen verschenen (BT 4289). Jan Lechner (Leiden) behandelt werken van Spaanse auteurs in de Noordnederlandse Gouden Eeuw. Jean Balsamo (Reims) bespreekt Philippe de Maldeghem, de vertaler van Petrarca in het Frans, verschenen te Brussel bij Rutger Velpius, 1600 (BT 3973). Frank Lestringant (Lille 3) bestudeert het martyrologium van Richard Rowlands alias Verstegan van wie het Theatrum crudelitatem (verschillende uitgaven; zie BT 4726-4729, 7082-7083, 9316) met zijn realistische houtsneden genoegzaam bekend is. Een bijdrage over de Descrittione di tutti i Paesi Bassi van Guicciardini mocht niet ontbreken: Dina Aristodemo (Amsterdam) belicht het werk `fra cultura Italiana e cultura Fiamminga' waarbij het accent behalve op het economische en het handelsluik ook op het culturele en politieke wordt gelegd. Mario Pozzi (Turijn) onderzoekt de relatie Giorgio Vasari en de Vlamingen; zijn Vite werden in Firenze door een Brabants uitgever, Lorenzo Torrentino (Lenaerts van der Beke) gepubliceerd (zie Kroniek 24
nr. 2847). Volgen drie artikelen over Lipsius waaronder dat van François Géal (Ecole nationale supérieure) handelend over De bibliothecis syntagmata (Antwerpen, J. Moretus, 1602). Tot slot is in de bundel opgenomen de bescheiden catalogus van de ééndaagse tentoonstelling van zeventiende- en achttiende-eeuwse drukken n.a.v. het colloquium in de Centrale Bibliotheek van de universiteit ingericht: Les Flandres et la culture espagnole et italienne aux XVIe et XVIIe siècles door Isabelle Westeel. [E. C.-I.]
2939.- Paul Bruyère, Recherche pour une typologie des éphémères liégeois 1550-1800 in Le livre & l'estampe, 45, 1999, 151, p. 105-113.
Tijdens het Ancien Régime is er veel meer efemeer drukwerk verschenen dan vermoed wordt; veel soorten gaan onder deze ene benaming schuil. Een betere herkenning van de documenten en een adequatere definitie kunnen ongetwijfeld tot een betere conservatie en consultatie leiden. Dat is wat de auteur van deze bijdrage beoogt. Als aanzet bezorgt hij een lijst naar het type informatie (bvb. annonce, arrêté, indulgences) en naar het type drager (bvb. affiche, feuille, placard). [E. C.-I.]
2940.- Paul Dijstelberge, Towards a digital atlas of initial letters and typographic ornaments in the Netherlands in Quaerendo, 28, 1998, p. 215-224.
Het computertijdperk heeft nieuwe mogelijkheden geschapen om beeldmateriaal bestaande uit sierinitialen en typografische ornamenten te verzamelen, op te slaan, te identificeren en te documenteren. Dat eerdere pogingen om tot een centrale gegevensbank te komen nog niet echt functionele resultaten hebben opgeleverd, is volgens D wellicht te wijten aan de te beperkte mogelijkheden van het programma (het steentijdperk van de computer), maar vooral aan het teveel aan randinformatie en het tekort aan gedetailleerde beschrijving. In 1987 was (niet te Luik) maar wel te Bergen, Hg. (Mons) een opmerkelijk congres georganiseerd onder de titel `Ornementation typographique et bibliographie historique'; de handelingen hiervan zijn door Marie-Thérèse Isaac bezorgd en verschenen in de reeks `Documenta et opuscula, 8'. Een enkele jaren geleden door P. Verkruijsse bij het NWO ingediend project, kon niet op steun rekenen. In het kader van het door NWO gefinancierde ambitieuse Bibliopolisproject in de Haagse KB, kan het echter wel! Het pilootproject -zoals dat dan moet heten- is een relationele databank bestaande uit een lijst met drukkers en een met initialen en ornamenten. Wie wil weten hoe dit project in zijn werk gaat (Apple Macintosh computer, een Umax scanner, een digitale camera van Olympus), leze het heldere en praktisch georienteerde artikel van de auteur. Een uitdaging voor de geïnteresseerde analytisch bibliograaf die niet schuw is van moderne apparatuur. [E. C.-I.]
2941.- Berry Dongelmans, Koerswijzigingen in de bibliografische en boekhistorische wetenschap in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 6, 1999, p. 207-222, ill.
`Vergelijkend warenonderzoek' naar genrebibliografieën: onderzocht worden drie recente proefschriften: van Salman (cf. Kroniek 23
nr. 2668), Den Hollander (ibid. nr. 2707) en Bosma (ibid. nr. 2741). D blijft achtereenvolgens stilstaan bij aspecten van het promotieonderzoek: materiaal verzamelen, titelbeschrijvingen, boekhistorische observaties, multidisciplinariteit (het boek in zijn context), het gebruik van relationele databanken en andere digitale middelen. Voor de toekomst is ongetwijfeld de ingeslagen weg verder te volgen maar D besluit wijselijk dat `utopisme en realisme ... nog wel enige tijd hand in hand [zullen] gaan'. [E. C.-I.]
2942.-Joachim Vennebusch, Beiträge aus dem Kölner Stadtarchiv zu Schwenke-Schunke, Band II in Einbandforschung: Informationsblatt des Arbeitskreises für die Erfassung und Erschliessung historischer Bucheinbände (AEB), 4, 1999, p. 20-23.
Aanvullingen op het eerder besproken werk van Schunke en von Rabenau (cf. Kroniek 22
nr. 2448; Kroniek 24 nr. 2798-2799). [E. C.-I.]
2943.- Ergänzungen und Korrekturen zu Schwenke/Schunke [und zu Kyriss] in Einbandforschung: Informationsblatt des Arbeitskreises für die Erfassung und Erschliessung historischer Bucheinbände (AEB), 5, 1999, p. 11-22, ill.
Tussentijdse resultaten van voortgezet onderzoek bijgedragen door verschillende auteurs (cf. Kroniek 22
nr. 2448; Kroniek 24 nr. 2798-2799). Interessant voor de Nederlanden kan o.m. het fraterhuis Weidenbach bij Keulen. [E. C.-I.]
2944.- Ergänzungen und Korrekturen zu Haebler/Schunke in Einbandforschung: Informationsblatt des Arbeitskreises für die Erfassung und Erschliessung historischer Bucheinbände (AEB), 5, 1999, p. 23-37, ill.
Zoals hierboven, maar nu met vermelding van een exemplaar van Plantins Biblia Polyglotta in de UB Würzburg: weliswaar slechts delen 1-5 en 7 maar in goudgestempelde prachtbanden met vergulde, geciseleerde en beschilderde sneden, van boekbinder Lukas Weischner (1550-) uit Erfurt, werkzaam in Jena, aangesteld als bibliothecaris van Hertog Julius von Braunschweig-Lüneburg die hem evenwel voornamelijk als boekbinder gebruikte. De banden zijn uitvoerig beschreven door Angelika Pabel; met veel reproducties. [E. C.-I.]
Zie ook nr.
3106
2945.- Jean-Louis Decherf, Répertoire des livres imprimés aux XVe (incunables) et XVIe siècles.- Lille: Bibliothèque centrale de l'Université catholique, 1998.- 132 p.: omslag, ill.; 30 cm.
Korte `short-title' catalogus die voor de eerste maal de 33 incunabelen en de bijna 1.000 zestiende-eeuwse drukken repertorieert, samen 1258 notities. Het historisch overzicht van de collectievorming in de Université catholique te Rijsel is al te bondig, de titelbeschrijvingen misschien ook. Maar... een uitstekende `finding list', met, in de kolom uiterst rechts, het plaatskenmerk. Er zijn drukken bij uit (vooral) Antwerpen, Bergen (Hg), Brugge, Brussel, Gent, Leuven en Luik, Franeker, Den Haag en Leiden. Het topografisch en alfabetisch drukkersregister maakt zoeken efficiënt. [E. C.-I.]
2946.- Guido Persoons, Lettergieter Franchois II Guyot (1545-c. 1612) en muzieknoten voor Bogardus- en Phalesiusdrukken in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 127-153, ill.
De zoon van Franchois I (+ 1570), lettergieter en lettersnijder, zet het lettergieten voort; zijn dochter Jeanne huwt met Anthonis I Coppens van Diest, terwijl twee andere zoons, Gabriel en Christoffel zich resp. in de Noordelijke Nederlanden vestigen. De stamboom van Franchois II is niet alleen opgemaakt (een kopie van machineschrift, duidelijk maar niet zo fraai!), hij wordt ook uitvoerig toegelicht. Verder worden de letterstempels van Franchois I besproken, de notentypen van Franchois II voor Robert I Maudhuy te Atrecht en Joannes I Bogardus te Leuven en de muziekmatrijzen van Guyot in het Museum Plantin-Moretus, het geheel gestaafd met getranscribeerde en in bijlage gepubliceerde archiefdocumenten. De conclusies die P aan dit onderzoek verbindt, hebben betrekking op de toeschrijving van bepaalde typen aan vader of zoon en op de verspreiding ervan. [E. C.-I.]
2947.- Adresboek Nederlandse drukkers en boekverkopers tot 1700. Verzameld door de STCN. Red. J.A. Gruys en Jan Bos.- Den Haag: Koninklijke Bibliotheek, 1999.- 278 p.: omslag, front.; 21 cm.- ISBN 90-6259-141-8. Full text
Van bij het begin (1982) heeft de STCN systematisch geregistreerd wat de beschreven boeken aan informatie over hun drukkers en/of uitgevers en verkopers mededeelden: plaats van werkzaamheid, jaartallen van werkzaamheid, adressen en uithangborden. De beschreven titels vormen het bibliografisch basisbestand (thans reeds bijna 90.000 beschrijvingen!), dat online raadpleegbaar is, maar ook met goed gekozen specimina in boekvorm (bv. T'Gvlde iaer 1650, 1995; Kroniek 21 nr. 2367) of de Cats catalogus, 1996; Kroniek 22 nr. 2542). De gegevens over plaats en jaren van werkzaamheid zijn gebundeld in de Thesaurus 1473-1800 van J.A. Gruys & C. de Wolf uit 1989 (Kroniek 16 nr. 1532). Met het Adresboek is nu het andere bestand verzameld en geordend: dat van de adressen en uithangborden. De drukkers- en uitgeversmerken zijn dan weer exhaustief behandeld in P. van Huisstede & P.J. Brandhorst, Dutch printer's devices 15th-17th century (zie Kroniek nr. 2948). Het adresboek bevat na de "Inleiding " (p. 6-15) een lijst van "Verdwenen locaties en in onbruik geraakte benamingen in Amsterdam, Den Haag, Leiden en Utrecht " (p. 17-23). Daarop volgen het repertorium van "Drukkers en boekverkopers met functies, adressen en uithangborden " (p. 25-133), een "Register van functies " (p. 135-147 - erg nuttig voor de maatschappelijke plaatsbepaling van de drukker: stadsdrukkers, universiteitsdrukkers etc.), het "Register van adressen " (p. 149-242) en een "Register van uithangborden " (p. 243-278). Het repertorium is op naam, de drie registers op plaats geordend. Deze ogenschijnlijk droge opsommingen leveren fascinerende lectuur op: met een (contemporain of later) stadsplan erbij kan men zien waar de boekhandels en drukkerijen gevestigd waren (topografisch) of wie er tegelijk of na mekaar in bepaalde straten, ja zelfs panden werkte en ook vaak woonde (chronologisch). De Beurs en de Dam in Amsterdam, het Rapenburg en de Academie in Leiden waren toplocaties. Wel dient men steeds te beseffen (en dat geldt ook voor de Thesaurus 1473-1800) dat het materiaal beperkt is tot de informatie uit de drukken zelf - en dus niet uit andere bronnen (archivalia bv.)! Zo ontbreekt Plantijn in de lijst en geeft die voor de Raphelengii slechts hun functie op, ook al weten we uit bronnen en studies waar hun winkel en drukkerij waren gevestigd .... Het "Adresboek " is alweer zeer keurig verzorgd en gedrukt. Een flinke aanwinst voor de Nederlandse boekhistoricus (de Belgische collega beschikt weliswaar nog niet over een "Thesaurus ", een "Adresboek ", of een "STCB ", maar heeft al wel langer Rouzet en Vandeweghe & Op de Beeck, al is dat maar tot 1600; en gelukkig lijkt de "STCV " dan nu toch van wal te zijn gestoken). [M. d. S.]
2948.- P. van Huisstede & J.P.J. Brandhorst, Dutch printer's devices 15th-17th century: a catalogue.- Nieuwkoop: De Graaf Publishers, 1999.- 3 dln. (VIII, 1639 p.): ill.; 28 cm. With CD-ROM.- ISBN 90-6004-451-7. Fl. 1.450.
In 1993 verscheen het repertorium van Zuidnederlandse drukkersmerken tot en met de zestiende eeuw (zie Kroniek 19
nr. 2031) in margine van de BT. Nu liggen ook de Noordnederlandse drukkersmerken, één eeuw méér omspannend, op tafel, het zoveelste nevenproduct van de alom geprezen STCN. En wat voor een! De auteurs (Universiteit Utrecht), bijzonder vertrouwd met het Iconclass-systeem, hebben het uitgebreide beeldmateriaal dat in drukkersmerken vaak verscholen zit, weten te exploiteren, uitgaande van een tweevoudige overweging. Primo: veel drukkersmerken, al of niet in variante staten, zijn door een groot aantal drukkers gebruikt; secundo: de `taal' die drukkersmerken heel vaak spreken is gebed in de vormen- en symbolentaal van de tijd waarin zij ontstonden en gebruikt werden, m.a.w. de drukkersmerken moeten in hun intellectuele context worden gezien èn benaderd. Het is evident dat meteen aan de emblematiek wordt gedacht, maar ook met de literatuur zijn raakpunten; véél merken zijn van een motto of devies voorzien en die komen doorgaans uit of zijn geïnspireerd op de Bijbel of eigentijdse bronnen zoals Erasmus om slechts de beroemdste te noemen. Het register van de mottos' of kenspreuken, met verwijzing naar de betrokken drukkers, beslaat zo maar eventjes 68 kolommen. Even tussen haakjes: uit welke bron de citaten komen, is niet aangegeven; het is echter billijk dat van de geprikkelde lezer verwacht wordt zelf ook wat zoekwerk te verrichten.
Dit werk, opgezet in 1983, gaat uit van de vermelding van een merk in de beschrijving van de STCN. Die heeft dus in feite al uitgemaakt wat onder drukkersmerk dient te worden verstaan (denk bv. aan de geïllustreerde titelpagina's waarin iets schuil kan gaan, of aan een titelvignet dat géén merk is!). Aangezien de STCN-databank nog steeds in bewerking is en dus geen compleet beeld van de Nederlandse productie tot aan 1700 biedt, geldt dit ook voor het repertorium van de drukkersmerken. Van de 300.000 geschatte drukken zijn er 80.000 in de databank opgenomen. Voor de periode tot 1540 hebben de auteurs zich op secundaire bibliografie (Kok, NAT) gebaseerd, voor de periode daarna hebben zij autopsie verricht op de boeken in de Haagse KB, de UB Amsterdam en de UB Leiden.
Het corpus is als volgt opgevat: (1) de hoofding bestaande uit de drukkersnaam, plaats(en) en jaren van activiteit, beroep(en), adres(sen), een informatie die al in de Thesaurus te vinden was maar die hier ook moet staan; (2) de reproductie van het merk met rechts daarvan een nummer eigen aan dit bepaald merk (géén volgnummer), de beschrijving ervan (in het Engels, gelukkig met de oorspronkelijke Nederlandse woorden bij die de zo vaak voorkomende woordspelingen moeten verduidelijken), iets wat geen overbodige luxe is maar helpt kijken; vervolgens de verwijzingen naar Iconclass, de kenspreuk met ev. de initialen die daar op voorkomen, hoe dikwijls en hoelang ze in gebruik waren en ev. opmerkingen. De ordening is alfabetisch op drukkersnaam (1.400); dit houdt in dat éénzelfde merk (2.000 verschillende) op meerdere plaatsen kan afgebeeld staan, wat misschien plaatsverlies betekent maar in ieder geval erg handig; zo zijn er 4.000 notities. Omgekeerd zijn in het register van de merknummers onder één nummer al de drukkersnamen te vinden die dat merk hebben gebruikt (reg. 3). Om de `fiche' zoals ze boven beschreven staat, slechts éénmaal te moeten geven onder één drukkersnaam, zijn in een afzonderlijk register (reg. 2) de namen van de andere drukkers die hetzelfde merk hebben gebruikt, opgenomen. Ze zijn `secundary names' genoemd. In wezen zijn ze natuurlijk niet secundair en de vraag rijst of deze namen niet in het corpus zelf hun plaats, onder vorm van een verwijzing, hadden kunnen krijgen. Register 2 is, bij een zoekactie naar een drukker van primair belang, niet te vergeten. Behalve een register met de kenspreuken (1) en een met de initialen (4) is er de grote brok, de Iconclass (reg. 5). Dit verklaart meteen het derde volumineuze deel van het werk. Iconclass is een bestaande diepgaand hiërarchisch opgebouwde thesaurus voor beelden. Ik zal er niet over uitweiden om de eenvoudige reden dat ik er vrijwel geen ervaring mee heb; ik vrees dat ik in het Zuiden niet de enige ben om mij met deze niet alfabetische thematische zoekactie vertrouwd te moeten maken (het schema dat tot de derde geleding gaat, beslaat 5 kolommen, het register de pagina's 1309-1639). Op de CD-ROM is meer uitleg over het systeem te vinden. Een kleine tip: het zou handig geweest zijn het schema van Iconclass ook op een stevig inlegvel toe te voegen, want voor wie het schema niet in zijn hoofd heeft zitten, is het constant bladeren.
Het kan verwondering baren dat er van hetzelfde werk twee versies bestaan. De elektronische versie is het logische gevolg van de hoofdbron, de databank STCN-gegevens; bovendien schiep dit medium de mogelijkheid `hyperlinks' te leggen tussen de merken en andere bronnen, visuele en textuele. Toch bleek om verscheidene redenen een papieren versie ook gewenst, waar ik auteurs en uitgever slechts dankbaar voor ben. Hoe opwindend spelen met een CD-ROM ook kan zijn en wat voor extra mogelijkheden dat ook meebrengt, zoals het gecombineerd zoeken, blijf ik het boek prefereren, want het is gemakkelijker te hanteren en je hebt er meer greep op. De CD-ROM was vrij eenvoudig te installeren volgens de instructies op het bijhorend blaadje.
Uitgever De Graaf is te prijzen om zijn vasthoudendheid inzake formaat van omvangrijke bibliografische werken. Bordeaux voor de in het Zuiden geschreven werken, grijsgroen of nu marineblauw voor het Noorden! Het is gemakkelijk hanteerbaar en staat goed in het boekenrek. Maar is het omdat dit boek een afgeleide van de elektronica is, dat aan de vormgeving van de tekst geen aandacht is besteed? Meer dan in het Zuiden weet men in Nederland doorgaans goed hoe belangrijk een goede typografie is, ten bate van de inhoud, ten bate van de lezer. De letter is niet fraai en te schraal, de regels van het voorwerk te lang, en vooral, in de beschrijvingen, het gebruik van nauw aaneengesloten kapitalen voor de Iconclassnummers, met daaronder nog eens in dezelfde kapitaal de geijkte afkortingen van de rubrieken, maakt de lectuur niet bepaald aantrekkelijk. De computer zal nochtans het gebruik van een goede letter en dito vormgeving niet in de weg staan; het blijft een instrument dat de mens zinvol moet bespelen.
Om de mogelijkheid van `hyperlinks' te illustreren hebben de auteurs zopas een artikel gepubliceerd: ` "Weest altoos vigilant en arbeytsaem ". Drukkersmerken een mentaliteitshistorische bron?' in Nieuw Letterkundig Magazijn, 17, 1999, p. 30-34, ill. Aan de hand van dit concrete voorbeeld willen zij aantonen hoe elektronisch verwerkte drukkersmerken en `context'materiaal, i.c. enkele embleemboeken, welke zoekmogelijkheden er allemaal zijn. Het verdient zeker aanbeveling voor dergelijke acties eens ruim de tijd uit te trekken en op (een elektronisch) pad te gaan. Het driebandige boek houdt zo te zien veel in petto en kan stimulerend werken en zeker niet enkel voor bibliografen en boekhistorici. De kunsthistoricus en de cultuurhistoricus vooral moeten over dit werk verrukt zijn. Een indrukwekkende prestatie! [E. C.-I.]
Zie ook nr. 2947
2949.-Paul Hoftijzer, Pieter van der Aa (1659-1733), Leids drukker en boekverkoper.- Hilversum: Verloren, 1999.- 96 p.: ill.; 20 cm. - (Zeven Provinciënreeks, 16).- ISBN 90-6550-158-4. Fl. 25.
Pieter van der Aa is hoogstens nog bekend als de uitgever van de Leidse Opera omnia van Erasmus (10 dln, 1703-1706) of van grote plaatwerken. Het was een goed idee om eens nader in te gaan op deze ondernemende handelaar in bedrukt papier. Archiefonderzoek (niet exhaustief, hoe zou het ook kunnen!) en reconstructie van zijn fonds zorgden ervoor dat de contouren nu veel scherper afgelijnd zijn. Afkomstig uit een Lutherse familie, groeide de geboren zakenman uit tot de centrale figuur van het Leidse boekbedrijf, ja zelfs van dat van de Republiek bij het begin van de achttiende eeuw. H. plaatst hem in zijn context: "Het Leidse boekenbedrijf tijdens de Gouden Eeuw " (p. 11-20, een handige synthese). De "levensloop en carrière van Pieter van der Aa " (p. 21-32) brengt samen wat de verspreide bronnen hebben opgeleverd. Kernhoofdstukken zijn "Het uitgavenfonds " (p. 33-61) en "De bedrijfsvoering " (p. 62-85). Van der Aa's fonds bevat nagenoeg alles wat de boekenwereld van de republiek internationaal voorstelde: wetenschap en klassieken, grote projecten, reis- en landenbeschrijvingen, moderne klassieken in het Frans, kranten en atlassen, boekillustraties en prenten, drukwerk voor stad en universiteit, kortom La galerie agréable du monde (titel van zijn omvangrijkste productie: 66 delen in 20 banden met 3000 kaarten en prenten!). H. heeft dit "traditionele " hoofdstuk aangevuld met "modern " boekhistorisch onderzoek naar: kopij, relatie met auteurs, financiering, intekening, privileges, publiciteit, grootboekhandel, internationale boekhandel, particuliere klanten, veilingen.
Natuurlijk is het laatste woord hiermee niet gezegd - H. wijst nadrukkelijk op nader te bestuderen aspecten - maar onze kennis van en inzicht in Van der Aa's werkzaamheden is er stevig op vooruit gegaan. Deze inspirerende monografie is rijkelijk, maar vooral doeltreffend geïllustreerd, in een aangenaam formaat. Het doet verlangen naar een reeks van even degelijke, goed gedocumenteerde en vlot lezende werkjes over andere drukkers uit de Nederlanden (zoals D. Martens, G. Leeu, C. Plantijn, en de dynastieën van Elzevier, Blaeu, Moretus ...). Een aanrader! [M. d. S.]
2950.- Jan Alleblas, Gedrukt in Dordrecht: de boekenbranche in Geschiedenis van Dordrecht van 1572 tot 1813. Red. Willem Frijhoff, Hubert Nusteling, Marijke Spies.- Dordrecht: Stadsarchief; Hilversum: Verloren, 1998, p. 326-340 (noten p. 417), ill. (Geschiedenis van Dordrecht, II).- ISBN 90-6550-601-2. Fl.85.
Dordrecht was in de behandelde periode een van de kleinere, doch niet onbelangrijke drukkers- en uitgeverscentra in de Republiek. Volgens de Thesaurus van Gruys & De Wolf kwam het -tot 1700- op de zevende plaats na Amsterdam, Leiden, Utrecht, Den Haag, Rotterdam en Delft, en ongeveer gelijk met Haarlem en Middelburg (waarom voor die vergelijking niet de Thesaurus 1473-1800 is gebruikt is mij een raadsel...). De eerste drukker is in 1572 de uit Gent afkomstige calvinist Jan Canin. De Antwerpenaar Peeter Verhaghen kwam in 1577 over, gevolgd door uitgever-boekverkoper Jasper Troyen en anderen. De zeventiende eeuw is dan de bloeiperiode met in de eerste helft liefst 58 drukkers, boekverkopers en uitgevers. De Dordtse Synode van 1618-1619 was de gedroomde kans om van het "geestelijk centrum van de orthodoxe richting van het vroege Calvinisme " ook een uitgeverscentrum te maken, o.m. met een zevenjarig monopolie op de Acta van de Synode. De achttiende eeuw is als elders minder welvarend en het boekbedrijf kent enkele dieptepunten. A. behandelt voorts kranten, censuur en de opkomst en ondergang van de Stadsbibliotheek. Deze aanzet doet verlangen naar meer: een echte monografie over boeken in deze stad van hét boek. Met de STCN en het Gemeentearchief liggen de fundamenten klaar. [M. d. S.]
2951.- C. Coppens, The Plantin Moretus Archives: an index to Jan Denucé's inventory of 1926 in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 333-360.
Dit register brengt een chronologische reconstructie van het archiefmateriaal in het Museum Plantin-Moretus op basis van de inventaris van Denucé. De vier delen zijn: (1) het Grand livre, (2) het Journal, met aanverwante stukken omtrent boekenverkoop en -verkopers, Frankfurter Buchmesse, catalogi, boekbinders, dagloners, de kapel, de gilde, papier, illustrators, etc., (3) de correspondentie en (4) het familiearchief en het handelsarchief. In dit laatste deel werden een aantal fondsen apart geïndexeerd, m.n. Bosschaert, Du Mont, Elzevier, Garbrant, Goos, de Labistrate, de Neuff, Pynappel, Schilder(s), de Sweer(d)t, de Vlieghere en Van Wyck. Een stamboom van de Plantin-Moretusdynastie en aanverwante families is bijzonder nuttig. [J.H.]
2952.- Nel Klaversma & Kiki Hannema, Jan en Casper Luyken te boek gesteld. Catalogus van de boekencollectie Van Eeghen in het Amsterdams Historisch Museum.- Hilversum: Verloren, 1999. - 576 p.: ill.; 26 cm.- ISBN 90-6550-581-4. Fl. 125.
Deze imposante catalogus is een van de grote verrassingen van het afgelopen boekenjaar. Een nagenoeg onbekende collectie werd voortreffelijk beschreven en voor boekhistorisch onderzoek ontsloten. Bij het begin van de twintigste eeuw stelden de erfgenamen van Christiaan Pieter van Eeghen (1816-1889) diens verzameling van tekeningen, prenten en boekillustraties van Jan (1649-1712) en Casper Luyken (1672-1708) ter beschikking van de gemeente Amsterdam. De collectie grafiek van vader en zoon Luyken heeft steeds op belangstelling van kunsthistorici mogen rekenen. De verzameling geïllustreerde boeken daarentegen heeft lange tijd een sluimerend bestaan geleid, slechts bij enkele insiders bekend. Driehonderdvijftig jaar na de geboorte van Jan Luyken zal diens naam niet alleen bij kunsthistorici en bij kenners van de Nederlandse poëzie (Duytse lier en talloze emblematabundels), maar ook bij historici van het Nederlandse boek weerklank vinden. Voor de Nederlandse boekillustratie vormt het werk van Jan en Casper een schitterend hoogtepunt aan het einde van de Gouden Eeuw. Het Amsterdams Historisch Museum herbergt thans niet alleen ruim 900 tekeningen en 10.000 (!) prenten van Luyken, maar ook meer dan 1000 drukken met hun illustraties. Pieter van Eeghen (1844-1907) en Johan Philip van der Kellen (1831-1906), eerste directeur van het Rijksprentenkabinet, publiceerden in 1905 hun standaardwerk Het werk van Jan en Casper Luyken, grotendeels op deze verzamelingen gebaseerd. In de loop van de eeuw heeft het Amsterdams Historisch Museum de collecties aangevuld en vervolledigd. Daardoor is dit de meest volledige Luykencollectie ter wereld.
De boekencollectie aangelegd door de familie Van Eeghen is hier gedetailleerd beschreven (inclusief latere toevoegingen en bijgebonden drukken die niet door de Luykens zijn geïllustreerd; maar zonder "Luyken-boeken " die zich elders in de museumcollectie bevinden). De verzameling is bijzonder rijk aan oorspronkelijke drukken èn aan de talloze herdrukken, zodat het gebruik van de illustraties op de voet kan worden gevolgd. De beschrijvingen zijn erg diepgaand: titel en impressum integraal, collatie, paginareeksen, STCN-vingerafdruk, annotaties (lofdichten, privileges, opdrachten, boekhandelscatalogi, bezitters etc.), illustraties uiteraard (binnen en buiten collatie). Ook opgenomen zijn de enkele bijhorende manuscripten. Van de Hebreeuws-Jiddische werken zijn de titelpagina's afgebeeld en de titels in vertaling beschreven. Verwijzingen zijn er enkel naar Van Eeghen/Van der Kellen 1905.
De zeer uitvoerige titels en collaties zijn een dankbare bron voor bibliografen, boekhistorici, antiquaren en verzamelaars die deze titels geregeld onder ogen krijgen, maar (nog) geen toegang hebben tot de STCN. De verzameling bestrijkt het hele veld van de Amsterdams boekproductie 1670-1720 (en verder): poëzie, toneel (Quinault!), roman (Cervantes e.a.), reisverhalen, bijbels en religieuze werken, actuele publicaties (over kometen bv.), geschiedwerken, wetenschappelijke geschriften enz. Wie ooit de Nederlandse Flavius Josephus of een van de eindeloze delen van de Europische Mercurius heeft moeten collationeren zal de hier geleverde arbeid naar waarde weten te schatten. Het werk van Jan Luyken is zelf haast exhaustief vertegenwoordigd, inclusief vertalingen. De 1508 beschrijvingen zullen dan ook vaak worden geconsulteerd. De catalogus is ontsloten door twee registers: een algemeen namenregister en een prentregister (= concordantie met Van Eeghen/Van der Kellen 1905). Slechts twee registers: dat is bijna de enige kritiek die ik het boek zou willen meegeven. De gebruikers hadden meer baat gevonden bij een veelvoud van registers: op boekdrukkers en -verkopers, op opdrachten, andere illustratoren, lofdichters, herkomsten. Al die namen staan er in, maar helaas verdronken in de grote massa. De drukkersplaatsen zijn niet opgenomen in het register: wie wil weten welke "Luyken-boeken " er buiten Amsterdam zijn gedrukt of uitgegeven moet dat zelf bij mekaar zoeken. Een ander opvallende lacune: van het beschreven exemplaar worden de (on)volledigheid vermeld en de vroegere bezitters, maar er wordt met geen woord gerept over de boekband (materiaal, oorspronkelijk of later, versierd of niet)! Een kleine vlek op deze schitterende, uiteraard rijkelijk geïllustreerde catalogus. Dit is een niet te missen referentiewerk voor bibliotheken en andere verzamelaars met belangstelling voor het boek uit de Gouden Eeuw: voor elke boeken- en prentenliefhebber dus. Aanbevolen! [M. d. S.]
Zie ook nr.
2957
2953.- Guido Hendrix, Geschreven en gedrukte woorden uit de Cisterciënzerabdij Boudelo te Klein-Sinaai en Gent.- Leuven: Bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid, 1999.- 2 dln. (I Tekst: xi, 238 p.; II Illustraties: 63 p. + 4 p. kleurill.); 24 cm.- (Documenta libraria. ISSN 0777-6292; 23) (Bibliotheca auctorum, traductorum et scriptorum Ordinis Cisterciensis, 9). - ISBN 90-73683-36-X. BF 1300.
Guido Hendrix is tijdens het laatste decennium o.m. de historicus van het literaire erfgoed van de Cisterciënzers in de Zuidelijke Nederlanden geworden. Herinneren wij hier aan zijn Bernardina en Cisterciensia in de Universiteitsbibliotheek uit 1990 zie Kroniek 16
nr. 1557), de groots opgezette Bibliotheca auctorum, traductorum et scriptorum Ordinis Cisterciensis Vicariatus Generalis Belgii. Tomus primus uit 1992 (zie Kroniek 18 nr. 1869) en Handschriften en boekengebruik Trappisten van Westmalle 1794-1994 uit 1994 (zie Kroniek 21 nr. 2410). Over Boudelo schreef hij in 1990 o.a. "Auteurs, vertalers en kopiïsten van de abdij Boudelo en de priorij Waarschoot " in Bernardus en de Cisterciënzerfamilie in België 1090-1990 (zie Kroniek 16 nr. 1556). Tien jaar later heeft hij het vele materiaal uit (voornamelijk) de Gentse Universiteitsbibliotheek en het Gentse Rijksarchief gebundeld in een Boudelo-boek. Op een eerste gedeelte over "Boeken en handschriften uit Boudelo (p. 1-149) volgt een tweede over "Bewoners van Boudelo " (p. 151-238). Wij zullen ons hier tot het eerste beperken, en m.n. tot hoofdstuk 1 ( "Auteurs, vertalers en kopiïsten uit Boudelo ", p. 3-30: een herwerking van het reeds vermelde artikel uit 1990), 2 ( "Handschriften uit Boudelo ", p. 31-57), 3 ( "Boeken, boekbanden, bezittersmerken ", p. 59-65), 4 ( "Bibliothecarissen verwerven boeken ", p. 67-87), 6 ( "Gelegenheidsgedichten ", p. 103-122), 7 ( "Kerkelijke feesten en solemnele herdenkingen ", p. 123-137) en 8 ( "Abten van Boudelo als cultureel mecenas ", p.139-149). De titels alleen al wijzen op het belang voor de boekhistoricus. En die wordt meer dan verwend: het hier geboden materiaal is niet alleen een onmisbare verzameling voor de geschiedenis van de Boudelo-bibliotheek, maar het biedt tevens een na te volgen repertorium van boekhistorische gegevens m.b.t. andere religieuze bibliotheken uit de Zuidelijke Nederlanden.
Enkele voorbeelden: "1473-1474 papiro empto eenen rieme xliiii s. " (p. 9); "[tussen 1.11.1516-1.11.1517] Item de reparatione librorum bibliothecae primo propter libros emptos Parisii ... " (p. 9); "1574 23 mei: den 23 maij 1574 betaelt Cornelis Eeckens over een billet van boucken dat hij tAntwerpen betaelt hadde an Christoffel Plantin ... 0.21.4 p. " (p. 10); "vanden naeme Baudeloo in coper te doen snijden om op de boeken te drucken ... 0.8.8 " (p. 60); "1637 27 juli: voor twee boecken op de potkens marct " (p. 68); "1609, 10 aug.: aen een calfsvel om te binden Commentaria Baradii in Sacram Scripturam ... 2 s 6 gr. " (p. 74); "1651 16 dec.: Aen twee burstels voor de bibliotheque ... 0.3.8 " (p. 80); "1735 31 dec.: aen Ed. Helias als bibliothecaris met consent van den heere prelaet voor den Dictionnaire des arrets de Brillon, met foye voor den cnaepe van de venditie ... 2.6.8 " (p. 81), "1636 9 aug.: voor "t prenten van 200 plackbriefkens teghen de feeste van Ste Bernart ... 0.13.4 " (p. 123); "1610 13 sept.: pro libros 17 premia datis studiosis Collegii Societatis Jesu ... 8.6.8 " (p. 140) etc. etc. Een goudmijn!
Helemaal schitterend zijn de gegevens in "2. "Gefactureerde " aankopen van boeken " (p. 70-74): voor boeken gekocht in Antwerpen (bij Engelbrecht Gymnicus 1660-1666 en bij Guilliam Lesteens 1630-1692!), Brussel (bij François Vivien 1642-1645 en Joann. Mommaert 1654), Dowaai (1642-1644), Gent (bij P.F. de Goesin 1728 en bij Alexander Sersanders 1629-1662) en in Rijsel (bij "Henry " 1721-1748 en bij niet genoemden 1724-1743). De eerste rekening vermeld bij Dowaai is wel een hoogtepunt: "1642 30 maart: voor een partije boecken ghecocht teghen eenen boeckvercooper van Douay comende van den bisschop Jansenius by Ypre ... 20.0.0 " (p. 72; onderstreping MdS): een spoor naar Jansenius " bibliotheek!
Het zijn juist dergelijke archiefgegevens (en de boeken zelf, uiteraard) die het institutionele boekenbezit en het eventuele boekengebruik in beeld brengen (vgl. Luc Knapens knappe uitgave van de catalogus van St.-Hubert - nr. 3028). Dat een boekhistoricus het heeft over "kaft " als hij "boekband " of "omslag " bedoelt valt te betreuren, maar dat hij de befaamde catalogus van de 16de-eeuwse drukken in de Gentse UB toeschrijft aan B. Michiels [lees: Jérôme Machiels] is verbijsterend ... Wat jammer ook dat net dit boek geen registers heeft meegekregen! Deel 2.Illustraties toont titelpagina's van werken door Boudelo-auteurs, handschriften, boekbanden, eigendomsmerken. Guido Hendrix zijn we voor dit mooie bronnenboek grote dank verschuldigd. [M. d. S.]
2954.- Leuven in books, books in Leuven: The oldest university of the Low Countries and its library. (Ed.) Christian Coppens.- Leuven: Universitaire Pers, 1999.- 325 p.: omslag, ill;; 30 cm.- (Ex Officina. Publications of the University Library K.U. Leuven, 2).- ISBN 90-6186-951-X. BF 1700.
N.a.v. de tentoonstelling in de Van Pelt Library, Philadelphia, die later herhaald werd in de UB van Leuven, verscheen een catalogus die een overzicht biedt van de bewogen geschiedenis van de Leuvense UB, aan de hand van 90 catalogusnummers (gravures, handschriften, plannen, maar vooral boeken).
Eerst wordt Leuven gesitueerd en getoond met een ets naar Jodocus vander Baren, door Peter vander Borcht en Theodoor Galle van ca. 1604, uit Lipsius' Lovanium. Illustraties bij de stichting van de universiteit in 1425 zijn de Isagoge van Porphyrius, gedrukt door Dirk Martens in Leuven in 1525, en een handboek voor de artesfaculteit. Boeken waren in Leuven zowel buiten de universiteit te vinden (abdij van 't Park in Heverlee, St.-Gertrudisabdij), als in de faculteiten en colleges. Jan Veldener en Jan van Westfalen waren de eerste drukkers te Leuven die de studenten en de instellingen van boeken voorzagen. In de 16de eeuw was Leuven het intellectueel centrum van de Nederlanden: Dirk Martens drukte er o.a. Erasmus, Clenardus en Homeros. Op het vlak van de wetenschappen werden de werken van de Leuvense professoren en studenten (o.a. Gemma Frisius, Mercator, Vesalius) gedrukt in Antwerpen (Hillen, Plantijn) en Bazel. De reactie tegen de reformatie laat er zich voelen door het drukken van bijbelvertalingen naar de Vulgaat (B. van Grave). Het toppunt van humanisme in Leuven wordt bereikt met Justus Lipsius. De 1637-editie van de Opera Omnia, gedrukt bij Balthasar Moretus, is een typografisch meesterwerk, met een titelplaat naar een ontwerp van Rubens. De eerste centrale bibliotheek wordt gevormd met de bibliotheken van Laurens Beyerlinck en Jacobus Romanus, onder de leiding van Cornelius Jansenius; Valerius Andreas wordt de eerste bibliothecaris in 1636. In 1760 komt het eerste boek van de persen van de universiteit (Typographia Academica), tot 1797 een tachtigtal titels, waaronder het standaardwerk van Paquot. De Hollandse periode en de vroege onafhankelijkheid worden zeer beknopt behandeld, dit in tegenstelling tot de Grote Brand van 1914. Deze zware slag voor de bibliotheek wordt uitgebreid beschreven en nog eens pijnlijk geïllustreerd door een verbrand 16de-eeuws devotieboek. Eveneens veel aandacht krijgt -en dit is niet verwonderlijk gezien het opzet van deze catalogus- de wederopbouw van bibliotheekgebouw en boekenbestand na WO I met Amerikaanse steun. Het relaas over de bouw, en de discussies omtrent het opschrift dat aan de bibliotheek moest komen is zeer lezenswaard. De collectie wordt gestoffeerd door Duitse herstelbetalingen en met boeken uit privé-bibliotheken, zoals uit die van Susan Minns uit Boston, die een hele collectie over de Dodendans bezat. Ten tweede male wordt de bibliotheek vernietigd in 1940. Nu was de wederopbouw veel moeilijker omdat de Leuvense UB niet het enige cultuurmonument was dat door de oorlog werd getroffen; dankzij het verwerven van de bibliotheek van o.a. Henri Omont, Archibald Harrison Corble, Henry de Vocht en Jozef L.M. Mullie, en delen van de Arenberg-bibliotheek, werden opnieuw belangrijke collecties gevormd. Onder het hoofdstuk van de verdeling komen werken aan de orde die werden gekocht, geruild of gekregen, ook hier worden incunabelen en vroege (geïllustreerde) drukken beschreven. Onder de hoofding `Books in Flanders' wordt een overzicht gegeven van de boekproductie in België in de 19de en 20ste eeuw. Klassiekers als van de Woestijne's Vaderhuis door Julius de Praetere, Streuvels' Kerstwake door De Eikelaar uit Kortrijk, e.a. worden uitgebreid besproken. Echter, niet alleen de grote literatuur, ook de kinderliteratuur wordt belicht: Wies Persijns De reis van Goudvleugeltje en Nachtegaaltje. Dit boek is de aanleiding voor een exposé omtrent de firma Desclée-De Brouwer. In het voorlaatste hoofdstuk worden drie bijzondere verzamelingen belicht: de bibliotheek van de faculteit voor theologie, het De Wulf-Mansioncentrum en het Husserl-archief. Het catalogusgedeelte wordt besloten met een model voor de Campusbibliotheek van de Exacte Wetenschappen in Leuven-Heverlee, van de architect Rafael Moneo.
De notities bij de drukken zijn rijk gestoffeerd: opgave van formaat en paginering/foliëring, bibliografie, boekband, het plaatsnummer in de bibliotheek. Er is veel aandacht besteed aan de herkomst en de begeleidende commentaar is uitgebreid: de drukker, de auteur, de inhoud van het boek en de plaats van het boek binnen het Leuvense milieu worden belicht.
Achterin het boek bevinden zich een register op drukker en uitgever (beperkt tot de bibliografische beschrijvingen), op illustrator en herkomst, alsook een algemeen register.
Het boek behandelt interessante materie, belicht vanuit recent bibliografisch materiaal en is prettig geschreven. Toch blijkt uit de veelheid van zetfouten en uit het ambigue register dat de catalogus te vlug tot stand is moeten komen. [J.H.]
Zie ook nr.
3123
2955.- Laurence Meunier, La bibliothèque des Carmes déchaussées de Mons (XVII-XVIIIème siècles) et ses livres scientifiques. Université de Mons-Hainaut, Faculté des sciences psycho-pédagogiques. Mémoire en Bibliographie Historique, 1997.- III, 94, XI p.; 30 cm.- (Niet gepubliceerd. Te raadplegen in de Afdeling Kostbare Werken, Koninklijke Bibliotheek Brussel).
Goede scriptie over de bibliotheek van de Ongeschoeide Karmelieten te Bergen (Hg). De orde was daar werkzaam van 1610 tot haar opheffing in 1796. Het merendeel van de boeken kwam in de Stadsbibliotheek terecht. M. geeft een gedetailleerde beschrijving van de "wetenschappelijke " publicaties uit de rubriek "Medici et Miscellanei " van de oude bibliotheekcatalogus (in handschrift bewaard): bibliografische gegevens, inhoud van de druk, exemplaarkenmerken, referenties. Voor een kloostercollectie zijn er vrij veel "wetenschappelijke " boeken. Met registers op auteurs en drukkers. [M. d. S.]
2956.- Arie Van den Berg, Kikkers, muizen en nieskruid. Uit het logboek van een letterschuier.- [Amsterdam: AUP, 1999].- 35 p.; omslag; ill.; 23 cm.- (De kunst van Kennis, 1).- ISBN 90-5629-070-3. Fl. 19, 50.
Na een inleiding op de late interesse voor het volksboek en -prent in Nederland, wordt ingegaan op een volksprent met de fabels van AEsopus, waarschijnlijk omstreeks 1890 gedrukt bij Glenisson & Zoon in Turnhout. Er blijkt echter meer op te staan: bepaalde Aesopische fabels zijn vervormd en er zijn toevoegingen gebeurd: de oorlog in Kikkerland. Het blijkt dat de afbeeldingen op de prent hun oorsprong vinden in een schoolboekje, dat reeds in Amsterdam in 1649 werd gedrukt en dat behalve de fabels van Aesopus en Avienus, ook de strijd tussen kikkers en muizen (Batrachomyomachia), eertijds aan Homeros toegeschreven, bevat. Na een samenvatting van de tekst, komt een overzicht van de gedrukte edities, beginnend in Brescia, 1474: het eerste boek met Griekse letters gedrukt. Vertalingen werden o.a. gedrukt bij J. Badius Ascensius in 1510 en bij S. de Colines in 1543. De eerste complete Homeros (deze parodie op de Ilias incluis) uit de Nederlanden, werd gedrukt bij R. Rescius te Leuven, in 1535. Aesopus was reeds in 1485 bij G. Leeu in Gouda gedrukt. Plantijn heeft in 1567 de fabels en de strijd in één band ondergebracht. Beide werken hebben een lange traditie als schoollectuur, en zeker de Aesopus was een bestseller. Vanaf 1660 waren er twee reeksen houtsneden met de fabels in omloop: één van de hand van Christoffel II van Sichem en één van Jan Christoffel Jegher, waarvan de laatste heeft nagewerkt tot in 1890. [J.H.]
2957.- A.S.Q. Visser, P.G. Hoftijzer, B. Westerweel, Emblem books in Leiden: A catalogue of the collections of Leiden University Library, the `Maatschappij der Nederlandse Letterkunde' and Bibliotheca Thysiana.- Leiden: Primavera Pers, 1999.- 192 p.: ill.; 25 cm.- ISBN 90-74310-53-2. Fl. 69, 90 (geb.). (Besteladres: Stichting Primavera Pers, Burggravenlaan 7, NL-2313 HM Leiden).
Als oudste universiteit van Nederland en derhalve als geleerd drukkerscentrum (met bv. een erfgenaam van Plantijns bedrijf) zou Leiden ook een bewaarplaats van creatieve aspecten van de humanistische cultuur (zoals emblematabundels) moeten zijn. Dat was het echter bijna niet in de eigenlijke universitaire bibliotheekcollectie, althans niet tot het midden van de negentiende eeuw, toen een meer systematische collectievorming ingang vond . Gelukkig bleef één der mooiste zeventiende-eeuwse privéverzamelingen in situ bewaard: de Bibliotheca Thysiana van Joannes Thysius (1622-1653). In de negentiende eeuw groeide de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde uit tot één der grote bewaarcollecties van Nederlandse literaire werken, met o.m. het Museum Catsianum van W.C.M. de Jonge van Ellemeet (zie Kroniek 22
nr. 2542). Beide instellingen leveren dan ook het leeuwendeel van de hier beschreven exemplaren. Niet in de titel genoemd is de bibliotheek van het Prentenkabinet/Kunsthistorisch Instituut van de Universiteit, dat ook enkele edities bezit. Het was een goed idee om de 539 edities in de Leidse universitaire collecties in kaart te brengen. Het resultaat ligt nu voor: een zeer verzorgd uitgegeven en rijkelijk geïllustreerd boek dat, mede door de niet te strikte interpretatie van het begrip "embleemboek ", voor een ruime waaier van gebruikers is bestemd (literatuur- en kunsthistorici, cultuur- en boekhistorici, verzamelaars enz.). Een korte inleiding bespreekt de bewerkte collecties met hun eigen accenten en hun belangrijkste embleemedities, evenals de gevolgde werkwijze bij het beschrijven van de exemplaren. De catalogus is alfabetisch geordend op auteur, en daarbinnen op titel, en verder chronologisch. Soms geeft dat een verwarrend resultaat bij spellingvarianten. Jan Luykens Duytse lier is aanwezig in vier drukken uit 1708, 1729, 1730 en 1783: de catalogusvolgorde is echter "1783, 1729, 1730 en 1708 " en dat wegens "Duitsche, Duytsche, Duytse lier draayende, en Duytse lier drayende " ... Elk nummer bestaat uit: hoofdwoord (meestal auteursnaam), titel (gelukkig niet al te kort), formaat, totaal aantal genummerde en ongenummerde pagina's, aantal en soort illustraties, exemplaargegevens (andere drukken in convoluut, volledigheid, herkomst). Dat lijkt een aanvaardbaar minimum. Toch mis ik enkele belangrijke elementen. Zo is er geen collatie(formule). Van waar toch die angst om een dergelijk essentieel gegeven te vermelden? Meer dan wat ook geeft dat inzicht in de totstandkoming van de druk èn in de structuur. Voor bibliografen en verzamelaars is het een uitermate geschikt middel om exemplaren en edities te vergelijken. Vaak ontbreken die gegevens in belangrijke embleembibliografieën (als Praz) of zijn ze vaak onbetrouwbaar (als Landwehr). Hier had deze catalogus een flinke meerwaarde kunnen krijgen. Er is bovendien veel recent vergelijkingsmateriaal (bv. de hogervermelde Catsbibliografie of de nieuwe Luykencatalogus; zie nr. 2952). Bij de exemplaargegevens mis ik een (desnoods heel summiere) bandbeschrijving (materiaal, periode, wel of niet versierd). De catalogus wordt ontsloten door enkele registers: 1( op uitgevers, drukkers en boekhandelaren; 2( op kunstenaars; 3( op plaats van uitgave èn daarbinnen op hoofdwoord (zo kan men snel zien of er in Amsterdam, Leiden of Utrecht bv. Alciato-edities zijn verschenen; het antwoord is "neen, ja, neen "); 4( een chronologisch register (van Cebes 1543 tot Luyken 1891, herdrukken en edities uit de twintigste eeuw zijn niet opgenomen). Toch ontbreekt ook hier nog een register op wel in de notities aanwezige informatie: 1( de namen van "bijgebonden " auteurs, drukkers etc.; 2( de herkomstgegevens (ja er zijn auteurs- en opdrachtexemplaren in de Leidse collecties, Cats bv. maar dat verneemt de lezer pas bij het volledig doorlezen van de catalogus). Door de talrijke goed gekozen afbeeldingen is dit een aangenaam kijkboek geworden. Emblem books in Leiden is een nuttige catalogus die kenners en liefhebbers van het oude boek zal inspireren. In bibliotheken met emblematacollecties hoort het bij de referentiewerken in de handbibliotheek. [M. d. S.]
2958.- Joop Witteveen & Bart Cuperus, Bibliotheca gastronomica: eten en drinken in Nederland en België 1474-1960.- Amsterdam: Linnaeus Press, 1998.- 2 dln.: ill. I. Bibliografische gegevens, xxviii, 389 p.; II. Registers, xix, 260 p.- ISBN 90-6105-035-9. Fl. 445.
Naast John Landwehrs Het Nederlandse kookboek 1510-1945: een bibliografisch overzicht (1995; zie Kroniek 22
nr. 2472) beschikt de bibliograaf, de historicus èn de liefhebber / verzamelaar nu over een tweede omvangrijk overzicht van de gedrukte publicaties op dit boeiende gebied. Deze verzorgd uitgegeven Bibliotheca gastronomica (met een "Woord vooraf " van Elly Cockx-Indestege) is blijkens de "Verantwoording " (in het Nederlands, Frans, Engels en Duits) zeer ruim opgevat. De 7167 (!) beschrijvingen in Dl. I (van Aaltje tot Zwehl Gezondheidsserie dieetkookboeken) bevatten een lange titel (best nuttig), geen collatie (wel: formaat, paginering, illustraties), referenties, en exemplaaropgave (bibliotheeksigel, geen boeknummer). Er zijn vijf uitvoerige registers: 1( op onderwerpen van "aardappelen " tot "zuivel " (inclusief almanak, armenkost, chocola, honing, oorlog en schaarste, vegetarisch etc.) bovendien chronologisch gerangschikt tot vreugde van de cultuurhistoricus; 2( op land van origine (België 1474-1963, Nederland 1477-1963); 3( op talen van "Afrikaans " tot "Spaans " (inclusief Latijn 1474-1855); 4( op uitgevers per plaats van "Aalst " tot "Zwolle "; 5( op uitgevers alfabetisch. Een vloed aan haast verdwenen gebruiksboekjes is hier voor het eerst systematisch in kaart gebracht en na autopsie beschreven. Met beide bibliografieën is het domein nu klaar voor detailonderzoek. [M. d. S.]
2959.- Jaap Harskamp (comp.), Dissertatio medica inauguralis ...: Leyden medical dissertations in the British Library 1593-1746. Catalogue of a Sloane-inspired collection.- [London]: The Wellcome Institute for the History of Medicine, 1997 [recte: 1998].- 270 p.; 30 cm.- ISBN 1-869-835-82-4. £ 9.00.
De British Library herbergt in haar talloze schatkamers ook enkele volumineuze verzamelbanden met Leidse medische dissertaties, meest afkomstig van Sir Hans Sloane (1660-1753), een der oprichters van het British Museum. Deze banden waren slechts bij enkele insiders bekend. In zijn "Preface " wijst de Leidse bibliothecaris R. Breugelmans op het belang van de Londense verzameling: door de nalatigheid van zijn Leidse voorganger Daniel Heinsius zijn er daar bijna geen dissertaties uit de jaren 1610-1654 bewaard! Harskamp beschrijft de drukjes in chronologische orde, met impressum (verbatim) èn collatie. Er zijn registers op namen (p. 233-248), drukkers (p. 249-251), onderwerpen (door Vivian Nutton van The Wellcome Institute, p. 252-258, van "Aachen, spa " en "abdomen " tot "worms " en "wounds "), plaatsnamen (p. 259-269) en lofdichten (p. 270: helaas enkel de nummers in de catalogus, niet de namen van de dichters of de taal van de verzen). Een aanwinst voor de Nederlandse boekgeschiedenis (zie ook de recensie door A. Simoni in Dutch crossing, 23, 1999, p. 167-172). [M. d. S.]
2960.- Bruno Colson, L'art de la guerre de Machiavel à Clausewitz dans les collections de la Bibliothèque universitaire Moretus Plantin.- Namur: Bibliothèque Moretus Plantin, 1999.- 283 p.: omslag, ill.; 26 cm.- (Bibliothèque Moretus Plantin, Publication n° 9).- ISBN 2-87037-275-2. BF 1000.
De auteur heeft zich in het bijzonder toegelegd op wat hij de `pensée stratégique' noemt. De collectie publicaties op het gebied van de krijgskunde van de zestiende tot de vroege negentiende eeuw aanwezig in de Naamse universiteitsbibliotheek blijkt, dankzij zijn speurtocht, heel bijzonder te zijn. Die rijkdom is tot op zekere hoogte te verklaren door de band die er bestaat tussen deze literatuur en de `studia humanitatis' (Griekse, Romeinse en Byzantijnse voorbeelden).
Dit fraai verzorgde boek is opgevat zoals de voorgaande publicaties van deze bibliotheek: in een chronologisch overzicht zijn de catalogusnotities van de besproken / tentoongestelde boeken binnen de tekst van elk hoofdstuk ingepast: dus veeleer een leesboek dan een catalogus. [E. C.-I.]
2961.- Marjolein Kool, Die conste vanden getale: een studie over Nederlandstalige rekenboeken uit de vijftiende en zestiende eeuw, met een glossarium van rekenkundige termen.- Hilversum: Verloren, 1999.- 403 p., ill.- ISBN 90-6550-050-2. Met diskette. BF 1.295.
Onderzoek gesteund op 36 rekenboeken in handschrift en druk in de Nederlanden verschenen. Abacustractaten in de volkstaal, gericht op praktische vraagstukken, zijn veel in druk verschenen; het oudste is het boekje van Thomas vander Noot (Brussel 1508). De auteur van dit proefschrift reconstrueert een heel netwerk van teksten en edities. Uitermate belangrijk is de rekenwoordenschat die in een glossarium is verwerkt en in zijn geheel op een diskette staat die aan het boek is toegevoegd. In bijlage het overzicht van de 36 rekenboeken die de basis van dit onderzoek hebben gevormd (opgave van titel, impressum en vindplaats). Omdat dit boek een bronnenstudie is en niet echt boekhistorisch gericht is, zij voor de geïnteresseerden verwezen naar een uitvoeriger bespreking elders in dit tijdschrift. Laat ik alvast zeggen dat vorm en taal waarin de analyse van al de soorten vraagstukken is gegoten, zeldzaam goed zijn. [E. C.-I.]
2962.- Frans Smit, De roep van het Rozenkruis, vier eeuwen levende traditie.- Haarlem: Rozenkruispers ; Den Haag: Koninklijke Bibliotheek, 1998.- 104 p.: omslag; 21 cm.- (Tentoonstellingscatalogi en -brochures van de Koninklijke Bibliotheek, 59).- ISSN 0169-3557;59. ISBN 90-6732-212-1. Fl. 20.
De inleidende opstellen over Christiaan Rozenkruis door J.R. Ritman en over de verbreiding van de Fama Fraternitatis R.C. in vertaling door C. Gilly vormen, samen met de hoofdmoot, `De roep van het Rozenkruis: vier eeuwen levende traditie' een uitstekende inleiding en goede leidraad op de tentoonstelling. Vragen die menigeen zich al eens gesteld heeft zijn hier beantwoord: wat is het Rozenkruis? wie was Christian Rosencreutz? welke boodschap brengen de rozenkruisers? Deze publicatie is bedoeld als tentoonstellingscatalogus, wat ze ook is, hoewel in beperkte mate. 184 boeken (handschriften en drukken) zijn keurig en bondig beschreven, mèt opgave van herkomstgegevens en huidige bewaarplaats. Ze zijn systematisch geordend, te beginnen met de bron, Hermes Trismegistus, verder de manifesten uit de zeventiende eeuw, receptie en verdere ontwikkeling van de rozenkruisersidee, de rozenkruisers in Nederland, de achttiende eeuw, de door de rozenkruisers beïnvloede vrijmetselarij, de negentiende eeuw, Engeland, het Duitse occulte milieu, de theosofie, de antroposofie, Amerika en het Lectorium Rosicrucianum in de twintigste eeuw. Er is geen drukkersregister zodat niet in een oogopslag kan worden gezocht waar de meeste van deze boeken verschenen zijn. De Bibliotheca Philosophica Hermetica te Amsterdam is natuurlijk een van de belangrijkste bruikleengevers geweest, maar niet de enige in Nederland of daarbuiten. Fraai verzorgde uitgave, in donkerrosa omslag ontworpen door Geert Henderickx, van de Rozekruis Pers te Haarlem, samen met de Koninklijke Bibliotheek. [E. C.-I.]
2963.- Gerard Jaspers, Savonarola (1452-1498) in de Nederlanden: een bibliografie van zijn gedrukte werken met inleidende notities omtrent zijn leven, zijn plaats in de geschiedenis en de drukkers / uitgevers van zijn werken.- Amsterdam: De Buitenkant, 1998.- 115 p.: ill.; 22 cm.- ISBN 90-76452-31-8. Fl. 49, 50.
Op 23 mei 1498 werd de dominicaan Girolamo Savonarola ((1452 Ferrara) te Firenze door de handlangers van de pauselijke Inquisitie opgehangen en verbrand. Voor Gerard Jaspers was deze gebeurtenis vijf eeuwen later de aanleiding om de wat vergeten lastpost van de Florentijnse Renaissance nog eens voor het voetlicht te brengen en zijn "receptie ", althans die in gedrukte vorm, in de Nederlanden toe te lichten. Zijn verhaal opent met "Het leven van Savonarola in kort bestek " (p. 11-32) en "Enkele notities betreffende de plaats van Savonarola in de geschiedenis " (p. 33-45). Dan volgen "De in de Nederlanden gedrukte werken van Savonarola " (p. 47-57 = over diens teksten), "De drukkers en uitgevers " (p. 58-80 = 37 biografietjes), de "Bibliografie van de gedrukte werken van Girolamo Savonarola in de Nederlanden " (p. 81-103), "Geraadpleegde literatuur " (p. 104-108), "Register " (p. 109-114).
Het is al meteen zeer opvallend dat in een boek met de toelichtende ondertitel "... een bibliografie van zijn gedrukte werken met inleidende notities ... " de bibliografie slechts 23 van de 115 pagina's in beslag neemt (inclusief dan nog drie pagina's afbeeldingen!). Een teken aan de wand ... Wie nauwkeuriger toekijkt staat versteld van wat J. onder "bibliografie " verstaat: (zeer) korte titels, geen collatie, geen paginering, geen inhoudsopgave enz. De omvang van Savonarola's teksten blijkt nergens uit; ook niet als ze als "bijwerk " figureren in drukken van andermans teksten (bv. Otto Brunfels en Pedro de Alcantara). Dat J. een receptiestudie beoogde blijkt dan weer niet uit het ontbreken van essentiële gebruikersgegevens: welke exemplaren zijn er van Savonaroladrukken in de Nederlanden bewaard? ; wie waren de bezitters en lezers ervan, welke leesnotities maakten zij (lectuursporen) of welke zorg besteedden zij eraan (boekband)? Over dat alles vernemen we niets, zelfs niet de bibliotheeksignaturen. Merkwaardig toch voor iemand die alle incunabelen en zestiende-eeuwse drukken van de Haarlemse Stadsbibliotheek in handen heeft gehad (zie Kroniek 15
nr. 1362 en Kroniek 23 nr. 2689). Enkele bemerkingen: drukker nr. 18 (p. 68-69) Hendrick Jaye werkte niet in de universiteitsstad Leuven, maar wel te Mechelen; dat kon J. zelf lezen op de op p. 85 afgebeelde titelpagina! (overigens wel correct in het register p. 109); Pieter Gillis (niet Gilles), de vriend van Dirk Martens, was geen Antwerpse 'secretaris ", wel "griffier ". Volgens de toelichting op p. 80 vermeldt J. na de Nederlandse openbare en (enkele) particuliere bibliotheken, ook de exemplaren uit Belgische openbare bibliotheken. Dat zijn dan Brussel KB (verwierf recentelijk nog een exemplaar van E1, en bezit ook een exemplaar van L1 = NK 1861), "Leuven, privébibliotheek Peeters-Fontainas " (is in 1978 te Londen geveild!), Antwerpen MPM, Leuven Norbertijnenabdij (= Parkabdij), Antwerpen Ruusbroecgenootschap, Gent UB, "Mechelen, Groot-Seminarie " (die collectie is al vijfentwintig jaar in de Bibliotheek Godgeleerdheid te Leuven, maar dit exemplaar van NK 1863 was al "zoek " vóór de overdracht). Overigens is het ook "Bibliothèque Mazarine " (Parijs). Omdat ook NK geen bibliotheeksignaturen geeft is controle van de daar vermelde exemplaren niet altijd mogelijk. NK 1863 (= K1-3) vermeldt nog een exemplaar in "Londen BM ": dit exemplaar (een ander dus dan bij NK 1865) is niet vermeld in de STCDutch en ook niet bij J. (wellicht toch een vergissing van NK, maar J. had dat dan moeten melden). NK 4401 (= K7) in Dl. III, 4de stuk (1966) geeft als bijkomend exemplaar "Ibidem " [= Brussel BR] en dat klopt: met nr. LP 542 A berust er in de KB Brussel het tweede bewaarde exemplaar van dat piepkleine boekje uit 1536; J. had de verwijzing uit NK moeten natrekken of minstens weergeven. NK 2575 (= K27) vermeldt in Dl. III, 3de stuk p. 116 nog een exemplaar in de bibliotheek van Luc Indestege, Dilbeek.
K24 en L20 "beschrijven " Savonarola's laatste meditatie. Naar de Franse uitgave van Charles Journet vertaald door F. van Oldenburg Ermke (Tilburg 1948 - auteur noch vertaler zijn overigens opgenomen in het register van J.!): van de oorspronkelijke Franse versie Dernière méditation verscheen er in 1961 te Brugge bij Desclée De Brouwer nog een herdruk in de serie Présence chrétienne (exemplaren o.m. in UB Gent en UCLouvain-la-Neuve). Dat verandert de twintigste-eeuwse receptie enigszins ... Die uitgave uit 1961 had J. via het Internet in de Belgische onlinecatalogi op het spoor kunnen komen. Dan had hij in één moeite ook een andere lacune kunnen dichten: de Antwerpse Stadsbibliotheek bezit namelijk exemplaren van D2, H2, K1, K5 en L2. Op dezelfde Antwerpse website had hij nog extra exemplaren kunnen vinden in het Ruusbroecgenootschap (twee van G2 en van J1, en één van H2). In Leuven had hij in de Bibliotheek Godgeleerdheid nog een bandje kunnen aantreffen met H2 en I2. Emden tenslotte beschikt ook nog over D2 en G2/K9/L5. Pas als al deze en andere exemplaren beschreven zijn kan er werk worden gemaakt van een verfijndere receptie- en waarderingsgeschiedenis van de Florentijnse dwarsligger. Overigens is Savonarola vandaag nog aanwezig in de Nederlandse literatuur: hij speelt een prominente rol in de Florentijnse roman De Phoenix van Paul Claes (Amsterdam 1998) ...(niet bij J.).
Ook op de inleiding valt er hier en daar wat aan te merken. Savonarola was in zijn hervormingsijver ook een voorstander van boekverbrandingen. J. heeft het daarbij over "de eerste verbrandingen van "ketterse " boeken (1248) ... ". Een bijbelvaste(re) Savonarola zal zich ongetwijfeld hebben beroepen op de praktijk binnen de eerste christelijke gemeenschappen: Handelingen 19, 19 meldt hoe gretig die eerste ware gelovigen zich dat heidens gebruik eigen hadden gemaakt ...
Slotsom: als bibliografie (in de betekenis van een gestructureerde beschrijving en analyse van de verschijningsvormen van geschreven of gedrukte teksten) -volgens het kleurige voorplat toch de hoofdzaak van dit boek- is dit werk helaas zwak; als receptiegeschiedenis is het ondermaats. Gelukkig is het boek - kan het anders bij De Buitenkant? - keurig gezet, gedrukt en gebonden. De lezer blijft met een wrang gevoel achter: een boeiend onderwerp is niet helemaal recht gedaan en zo "n fraaie vormgeving verdiende een even verzorgde "binnenkant ". [M. d. S.]
2964.- Jozef Janssens [ed.], Uilenspiegel: de wereld op zijn kop.- Leuven: Davidsfonds, 1999.- 271 p.: ill.- ISBN 90-6306-394-6. BF 980.
Vlot lezende bundel artikels over Tijl Uilenspiegel en zijn verschijningsvormen in de Nederlanden. De samensteller belicht "De wereld op zijn kop omstreeks 1500: de merkwaardige lotgevallen van een Nederduitse schalk " (p. 15-58). Eric de Bruyn gaat in op "De uil als spiegelbeeld: over uilsymboliek in de laatmiddeleeuwse iconografie " (p. 59-86). Veerle Uyttersprot vergelijkt "Uilenspiegel in de drukken van Straatsburg (1515) en Antwerpen (1525/1546) " (p. 87-109). Patricia Visscher zocht naar "Uilenspiegel in volksboek en prent: van de 16de tot de 20ste eeuw " (p. 111-145). Jan Hutsebaut vraagt zich af: "Damme: een Uilenspiegelstad ? " (p. 146-159). Vic Nachtergaele behandelt "De Légende d "Ulenspiegel, haar mythe en literaire navolgers in Vlaanderen " (p. 160-211). Guy Segers ontmoet "Een middeleeuwse schalk met vele gezichten: aspecten van de Uilenspiegelreceptie in de 20ste eeuw " (p. 212-251). Geen echt nieuwe gegevens, maar wel een handige, rijk geïllustreerde synthese. [M. d. S.]
2965.- Kathleen Leys, Spel en devotie: techniek in volks- en devotieprenten. Tentoonstellingsgids, 15 oktober 1998 - 15 januari 1999 Oud Begijnhof.- Brussel: Gemeentemuseum van Anderlecht, 1998.- 31 p.: omslag, ill.; 27 cm.
Uit de nu geordende en geïnventariseerde collectie prenten van het Gemeentemuseum te Anderlecht werd een selectie tentoongesteld in het oud Begijnhof, onder de toren van de Sint-Pieters en Guidokerk te Anderlecht (Brussel) op enkele passen van het Erasmushuis. Het gaat o.m. om bedevaartprenten van Kevelaer, Scherpenheuvel, knip- en prikprenten, neogotische devotieprenten en enkele niet-religieuze prenten (kinderspelen), beschreven en toegelicht. [E. C.-I.]
2966.- Incunabula: studies in fifteenth-century printed books presented to Lotte Hellinga. Ed. Martin Davies.- London: The British Library, 1999.- xviii, 650 p.: portr., ill.; 24 cm.- ISBN 0-7123-4507-8. ? 50.
Met enige vertraging is een hoogst interessante feestbundel voor Lotte Hellinga verschenen; op een paar uitzonderingen na handelen alle bijdragen over incunabelen, het onderzoeksterrein bij uitstek van de gevierde. De overhandiging gebeurde, bij monde van de editeur Martin Davies in de prachtige zaal van het antiquariaat Quaritch te Londen. Vier bijdragen zijn afzonderlijk besproken. De overige hebben geen betrekking op de Nederlanden: Luigi Balsamo over Brescia, Severin Corsten over de Keulse Bijbels, John L. Flood over varianten in vroege typografie, Margaret L. Ford over autograaf en kopij van Rolevinck, Holger Nickel over een Romeins alfabet van sierinitialen, Piero Scapecchi over de Ripolipers in Firenze, Paolo Veneziani over Perugia, Nicolas Barker over de uitvinding van de boekdrukkunst, Adri K. Offenberg over een vertaling uit het Hebreeuws, Dennis E. Rhodes over de bibliotheek van Johannes Plümel, Paul Needham over boekverkoop in Oxford, Roland Folter over de Gutenberg-Bijbel in het antiquariaat, Anthony Hobson over de boekband in Padua, Lilian Armstrong over Nicolaus Jenson, Ursula Baurmeister over boekillustratie, A.S.G. Edwards over Caxton, J.B. Trapp over Petrarca, Peter Amelung over de collectie Savonaroladrukken in Stuttgart, Kristian Jensen over provenanceproblemen in de Bodleian, Julián Martin Abad over de collectie in Madrid, James Walsh over de Bowiecollectie in Harvard. Tot slot volgt de bibliografie van LH de periode 1960-1998 bestrijkend. Eigenlijk is het maar een kort gehouden lijst, zonder enige verwijzing of register; dit had veel beter verdiend. De publicatie, in een standaarduitvoering van de British Library, is goed verzorgd, naar mijn smaak op te wit papier gedrukt weliswaar, maar in een keurige marineblauw linnen band. [E. C.-I.]
Zie ook nrs.
2974; 2975; 2978; 3045
2967.- Severin Corsten, Die Technikgeschichte der Inkunabeln (Wiegendrucke) in Medienwissenschaft: ein Handbuch zur Entwicklung der Medien und Kommunikationsformen. Hrsg. Joachim-Felix Leonhard e.a.- Berlin; New York: Walter de Gruyter, 1991, I, p. 444-450.
Bekende materie onder een actuele invalshoek bekeken en in een andere context geplaatst. [E. C.-I.]
2968.- Lotte Hellinga, A meditation on the variety in scale and context in the modern study of the early printed heritage in Papers of the Bibliographical Society of America, 92, 1998, p. 401-426, ill.
De vooruitgang van de technologie in de boekwetenschap heeft haar weerslag op de methodologie inzake bibliografie. Dit blijkt uit de (retrospectieve) databank HPB (Hand Press Book), of het bestand oude Westerse drukken (tot 1830-1850) waar ook ter wereld bewaard. Een sleutelrol is hierbij weggelegd voor het zg. `Consortium of European Research Libraries' (CERL). LH gaat in op een aantal voorbeelden van onderzoek mogelijk geworden dankzij het samenbrengen van of afleiden uit gegevens door de HPB op intelligente wijze te ondervragen. Dit kan gaan over de verspreiding van oude drukken in de tijd, onderwerpsgebonden boeken, teksttransmissie, typologie van de decoratie en de boekband. Historische en hedendaagse landsgrenzen worden moeiteloos overschreden. De ISTC, opgenomen in de HPB, maakte dit voor de incunabelen al enige tijd mogelijk. [E. C.-I.]
2969.- William J. Sheehan, Bibliothecae Apostolicae Vaticanae Incunabula.- Città del Vaticano: Bibliotheca Apostolica Vaticana, 1998?.- 4 bdn.- (Studi e testi, 390-393).- ISBN 88-210-0676-X (v. 1-4).
Op een kort woord vooraf van de prefect, Leonard E. Boyle (+ 1999) volgt een 50 pagina's lange inleiding van de auteur met de geschiedenis van de incunabelcollectie. De beschrijvingen, in Goff/ISTC-stijl zijn alfabetisch gerangschikt en per letter van het alfabet genummerd. Deel 4 bevat de registers: onomastisch drukkersregister, concordanties op een aantal repertoria waaronder Campbell (29 nummers), een bibliografie van werken waarin verwijzingen naar de BAV opgenomen zijn, tenslotte een concordantie van de plaatskenmerken van de BAV en de repertoria; slechts hieruit valt enigszins af te lezen uit welke deelcollecties (Barberini, Chigi, enz.) de BAV bestaat. [E. C.-I.]
2970.- Incunabula printed in the Low Countries: A census. Ed. by Gerard van Thienen & John Goldfinch.- Nieuwkoop: De Graaf Publishers, 1999.- lix, 636 p.; 25 cm.- (Bibliotheca Bibliographica Neerlandica, 36).- ISBN 90-6004-452-5. Fl. 350.
Zich baserend op de ISTC (Incunable Short Title Catalogue) databank, aangelegd door de British Library brengt dit boek een alfabetisch geordend overzicht van de productie van gedrukte boeken in de Nederlanden van bij de aanvang rond 1473 tot en met het jaar 1500. Doordat de oogst van een eeuw studie van de Nederlandse incunabelen hier overzichtelijk is gepresenteerd, is dit werk de facto een vervanger van M.F.A.G. Campbells Annales de la typographie néerlandaise au XVe siècle (1874) en diens talrijke, steeds complexere supplementen. Het korte "Woord vooraf " van Lotte Hellinga (p. vii-x) biedt in een notedop een historisch overzicht van de Nederlandse incunabelstudie van Petrus Scriverius (1628) tot de ISTC. Deze tekst is voortaan verplichte lectuur voor wie met Nederlandse incunabelen te maken krijgt. Hij verdient het ook te worden uitgewerkt tot een echte vakgeschiedenis!
De eigenlijke "Inleiding " vat de resultaten van het project samen: 2229 edities bewaard in meer dan 14.300 exemplaren in openbare verzamelingen (en enkele particuliere collecties). De top-vijf bestaat uit: KB Den Haag (922 edities), British Library (667), Cambridge University Library (627), Bibliothèque Nationale de France (569) en KB Brussel (555). Met het Museum Meermanno-Westreenianum op de 7de plaats (met 246 edities) is Den Haag zonder meer de hoofdstad van de Nederlandse incunabelen. Deze ILC (zoals het boek wel zal worden geciteerd) is dan ook grotendeels het werk van de Haagse incunabelkenner Gerard van Thienen. Er staan nog boeiende cijfers in de inleiding. Met meer dan honderd bewaarde exemplaren is de Nederlandse Fasciculus temporum (Utrecht: Johan Veldener, 1480) het best overgeleverde vijftiende-eeuwse gedrukte Nederlandse boek. Acht andere edities zijn in meer dan vijftig exemplaren bewaard, o.m. de Delftse Bijbel (1477). Al deze "overlevers " zijn in folioformaat! Naast de 200 (!) fragmentarisch overgeleverde edities van schoolboekjes als Alexander de Villa Dei en Aelius Donatus, zijn er nog bijna 600 uitgaven die slechts in één (!) exemplaar zijn bewaard; zo is pas recentelijk het unieke exemplaar van ILC 1842 door de KB Brussel verworven. Van 48 edities is geen exemplaar meer bekend, maar ze zijn zo goed gedocumenteerd dat ze in de ILC zijn opgenomen.
ILC is gegroeid uit de ISTC en IDL (Incunabula in Dutch libraries, 1983; zie Kroniek 10
nr. 605) en draagt daarvan de sporen. De alfabetische ordening volgt die van F.R. Goff Incunabula in American libraries: a third census (1973). Ook vele bibliotheeksigels zijn daaraan ontleend. ILC is tevens een product van een databank die was opgezet als "finding list " ofte wegwijzer naar de bewaarde exemplaren en hun beschrijvingen in honderden gedrukte catalogi uit meer dan twee eeuwen. ILC brengt dus alle gegevens over de Nederlandse incunabelen samen, maar vervangt de bestaande catalogi en beschrijvingen niet!
De drukken zijn kort gepresenteerd, met verwijzingen naar uitvoerige beschrijvingen (GW, Polain, BMC enz.). Men treft hier dus geen collaties aan (behalve -gelukkig- bij die edities die nergens goed zijn beschreven), geen overzicht van de talloze teksten die soms in één druk zijn samengebracht, geen details over houtsneden, geen exemplaarkenmerken als band, versiering, lectuurgegevens of herkomst. Wel wordt, voorzover bekend, aangegeven of het exemplaar volledig is. En toch is dit een schitterende handige en onmisbare lijst geworden. Dateringen zijn in hoofdzaak gebaseerd op W. & L. Hellinga The fifteenth-century printing types of the Low Countries (1966) en op Ina Kok De houtsneden in de incunabelen van de Lage Landen uit 1994 (zie Kroniek 21 nr. 2345). Gelukkig zijn ook een aantal resultaten van Van Thienens papieronderzoek meegenomen. Dat is ook te merken bij de aanduiding van formaat en papier. Bij folio-edities is aangegeven of het papier "Imperial ", "Royal ", "Median " of "Chancery " is (zie p. xiii). De aanwezigheid van houtsneden is vermeld. Bibliografische referenties en vindplaatsen (in Nederland, België en daarbuiten) sluiten het rijtje af. De "Inleiding " wordt gevolgd door de geciteerde referentiewerken (p. xvii-xxxi) en het overzicht van bewaarbibliotheken (p. xxxii-lix, van Aachen tot Zwolle). Na de eigenlijke catalogus volgen bijlagen en registers. Appendix A (p. 416-428) is erg nuttig: een lijst van 109 drukken uit de Nederlanden die ten onrechte als incunabelen werden/worden beschouwd, maar die nà 1500 zijn gedrukt. Appendix B (p. 429-444) geeft 115 incunabelen die ten onrechte in de Nederlanden werden/worden gelocaliseerd, maar die daarbuiten zijn gedrukt. Drukkersregisters (op drukker en plaats, p. 445-447; en op plaats en drukker, p. 448-520) geven een nuttig chronologisch overzicht van de productie van elke drukker afzonderlijk. Dan volgt een algemeen register (namen en anonieme titels; p. 521-536). De erg "droge " maar praktische concordanties sluiten dit standaardwerk af: Campbell en diens supplementen, Nijhoff & Kronenberg, IDL (met op p.588 een supplementje!), Polain, GW, Hain, Copinger, Reichling en natuurlijk Goff.
Natuurlijk is er wat detailkritiek te leveren, maar die doet helemaal geen afbreuk aan de zeer grote waardering voor dit voortaan onmisbare werkinstrument. De plaatsnamen zijn door allerlei meertalige ingrepen soms vervormd of op verschillende wijze weergegeven (Aalst-Alost etc.), maar daar valt wel mee te leven. Soms wordt er wel een bibliotheeksignatuur gegeven bij het vermelde exemplaar - helaas niet overal ... En natuurlijk zijn de gegevens op een bepaald ogenblik afgesloten, zodat recente aanwinsten en vakliteratuur niet helemaal of helemaal niet zijn verwerkt. Enkele voorbeelden: KB Brussel verwierf in 1997 een éénbladdruk van Dirk Martens (exemplaar niet vermeld bij ILC 1481); bij de presentatie van ILC kon de Leuvense Universiteitsbibliotheek de vondst melden van (een fragment) van een geheel onbekende Nederlandstalige druk van Jan van Westfalen. Diezelfde UB gaf in 1998 een catalogus uit met beschrijving van de 20 Leuvense incunabelen die thans in Leuvens openbaar bezit zijn; zie C. Coppens De wieg van de boekdrukkunst te Leuven (zie Kroniek 24 nr. 2831). Drie van die twintig exemplaren ontbreken in ILC; één ontbreekt ook in Polain! Het betreft hier ILC 302 (= Wieg nr. 17: de Augustinus uit 1488, bewaard in het Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens, niet in Polain), ILC 653 (= Wieg nr. 5) en ILC 762 (= Wieg nr. 20). Dergelijke kleine missers zijn onvermijdelijk, zelfs bij een databank die voortdurend wordt gevoed en aangepast. Soms verhuizen zelfs grotere collecties: in het Antwerpse O.-L.-V.-college zijn er geen incunabelen meer (die zijn nu -tijdelijk?- gedeponeerd in een lokaal van het Ruusbroecgenootschap). De samenstellers van deze onmisbare sleutel op de incunabelen van de Nederlanden verdienen onze grote dank voor hun geslaagd initiatief. De uitgever heeft zijn rijke fonds met weer een vertrouwde blauwe band nog meer verrijkt. Bij elke bewaarbibliotheek en elke liefhebber en verzamelaar van oude drukken dient ILC op de plank met de basiswerken te staan. [M. d. S.]
Zie ook nr. 2976
2971.- Kees Schepers, A very old fly in "Exercitium super Pater Noster II " in the Bibliothèque nationale de France in Quaerendo, 29, 1999, p. 79-95, ill.
De sporen van een vermorzelde vlieg in een Parijs exemplaar van het Exercitium dragen een extra argument aan voor de stelling van KS. Sedert de Ruusbroectentoonstelling in de KB Brussel in 1981 (nr. 231), de catalogus van de blokboeken, incunabelen en postincunabelen van de UB te Bergen (Hg.) in 1989 (nr. A II) en de catalogus van al de blokboeken in de Bibliothèque nationale te Parijs door Ursula Baurmeister in 1992 (nrs. EE-1 en EE-2) was het probleem niet weer opgenomen. Het is de verdienste van KS dat hij zich over het papieronderzoek heeft gebogen èn over de geschiedenis van deze tekst van Henricus Pomerius. Het verhaal is vrij complex; de identificatie van de exemplaren in de meest recente publicaties over het onderwerp zet ik even op een rijtje. 1. 1444: de oertekst, Devota meditacio (hs. ÖNB, sn 12837), niet geïllustreerd; 2a. 1447><1450: Figuralis expositio (hs. BAV, Vat. Lat. 1310), niet geïllustreerd; 2b. 1447><1450: Exercitium ... I, blokboek, Ned. tekst in hs. (BnF, EE-1); 3. Quia orans, glos in blokboek, BnF, EE-2 (hs. KBB, hs. 11974-85); 4a. ca. 1460: Exercitium ... II, blokboek, Lat. en Ned. tekst (BnF, EE-2); 4b. ?: ca. 1460?: Exercitium ... II, blokboek, Lat. en Ned. tekst (Mons UB, A II); 5. fragment van een blad, blokboek, Duitse tekst (Kremsmünster). Winst zijn de nieuwe dateringen van 2b en 4 (5 is niet onderzocht) en de analyse van de blokboeken als fysiek object: is 4a een blokboek of een handschrift waar houtsneden werden ingekleefd? (S heeft het over een `codex'). De vermorzelde vlieg steekt een `pootje' toe daar waar het gaat om de vreemde bruinachtige sporen op de tekstbladzijden te verklaren. Lézen! [E. C.-I.]
2972.- Wim van Anrooij, Jacob Bijndop (+ 1482) from Kampen on the invention of the art of printing in Quaerendo, 29, 1999, p. 208-218.
In een handschrift (Oud-archief nr. 11) in het Gemeentearchief te Kampen zit een stadskroniek door Bijndop, stadssecretaris van Kampen, geschreven. In 1478 maakt hij melding van een `prenterije' in 1457 waar grote kostbare boeken met betere letters en op verfijndere wijze dan ooit tevoren worden gedrukt. Of hij dit bericht over de uitvinding van de boekdrukkunst van horen zeggen weet of er zich op een van zijn reizen zelf heeft kunnen van vergewissen, is niet bekend. [E. C.-I.]
2973.- J.W.E. Klein, Boekgeschiedenis en de uitvinding van de boekdrukkunst: een `Gulden Legende'. Handschrift en druk in de vijftiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 6, 1999, p. 87-103, ill.
Aan de hand van een middeleeuwse bestseller, de Legenda aurea van Jacobus de Voragine, wil de auteur ons zo nodig bewijzen dat er geen breuk bestaat in de boekproductie of de tekst nu met de hand geschreven is of gedrukt, en etaleert daarbij zijn niet erg terzake zijnde kennis over papier en schrift. Waarom in dit verband het bizarre woord `doe-het-zelfboek' (volgens K een voor eigen gebruik zelf gekopieerd boek) moet gebruikt worden, ontgaat mij. Lezenswaardiger zijn zijn beschouwingen over `het aanbrengen van de mise-en-page', al was het maar omdat hierover minder is gepubliceerd, zeker waar het om drukken gaat. Voorbeelden van liniëring, tekstgeleding, schrijven op hele vellen zijn evenwel vnl. uit het handschrift genomen. Dat met de drukkunst `typografische uitdrukkingsmogelijkheden' verloren gegaan zijn, is een al te boude bewering. Bij het verlaten van de drukkerij is in de vroegste tijd de druk weliswaar niet geheel `voltooid', maar ook het handschrift kreeg vaak pas in een tweede tijd zijn complementaire behandeling. En hoe zit het met de afzet van handschriften en drukken? K heeft gelijk dat het geen verdienste van de boekdrukkunst is, een markt te hebben gecreëerd; zaak is echter in dezen geen extreme standpunten in te nemen: wij weten nog onvoldoende af over het kopen, verkopen, vererven, schenken, enz. van boeken vóór 1450. En in ieder geval zal de vijftiende-eeuwse drukker/uitgever meer om zijn hoofd gehad hebben bij de productie en de verkoop van zijn boeken, dan de kopiist in zijn scriptorium. [E. C.-I.]
2974.- Elly Cockx-Indestege, The "Gnotosolitos " of Arnold Geilhoven published by the Brothers of the Common Life in Brussels in 1476: observations on the surviving copies as evidence for the distribution in Incunabula: studies... presented to Lotte Hellinga, (cf. nr. 2966), p. 27-77, ill.
Zevenendertig drukken van de Brusselse Broeders van het Gemene Leven zijn thans bekend, van imposante folio-uitgaven tot eenbladdrukken. De geschiedenis van klooster en drukkerij is het onderzoeksdomein van A. De drukken van de Broeders zijn m.b.t. hun typografie grondig bestudeerd door W. & L. Hellinga (15th c. Printing types, 1966). Wat er met de gedrukte vellen is gebeurd bij en na het verlaten van de pers is nagenoeg onbekend. L. Hellinga is een van de eersten die er op heeft gewezen dat diepgaand vergelijkend onderzoek van de bewaarde exemplaren verhelderend kan zijn voor de incunabelstudie. A. bewijst dit hier met een exemplarisch onderzoek aan de hand van de bewaarde exemplaren van het omvangrijkste door de Broeders gedrukte werk: Gnotosolitos sive Speculum conscientiae (25 mei 1476), een moraaltheologisch en kerkrechtelijk traktaat van de vroeg-humanist Arnold Geilhoven van Rotterdam (ca. 1375 - 1442), werkzaam in Groenendaal. Na een gedetailleerde voorstelling van de layout van het volumineuze boek (474 ongenummerde vellen!) worden 34 exemplaren diepgaand beschreven (decoratie, band, herkomst, gebruikssporen, referenties). Die elementen zijn dan in een synthese samengebracht zodat een scherper beeld ontstaat van de contemporaine versiering en verspreiding, evenals van de latere lotgevallen. Vijftien afbeeldingen illustreren de resultaten. Daarmee is de weg bereid voor een moderne "geïntegreerde " boekhistorische aanpak van wat in veler ogen (ten onrechte) een afgegraasde weide leek te zijn. Wie weet wat bv. systematisch papieronderzoek nog zal opleveren ... [M. d. S.]
2975.- Gerard van Thienen, A date for the "Freeska Landriucht " Press (1484-7) from paper evidence, with a note on the Codex Roorda... in Incunabula: studies... presented to Lotte Hellinga (cf. nr. 2966), p. 141-167, ill.
De auteur heeft driekwart van de Nederlandse incunabelen op het papier onderzocht, waar mogelijk in meer dan één exemplaar: dat is niet niks! Deze databank van watermerken is voorhanden in de Haagse KB. Bij de exploitatie daarvan wil hij, terecht, probleemgevallen in de geschiedenis van de boekdrukkunst onderzoeken. De drukker van het Freeska Landriucht is er zo een. Thans zijn er zes drukken van deze pers bekend (lijst met exemplaren). De niet genoemde drukplaats varieerde in de loop der jaren van `Friesland' (Friese glossen) naar Antwerpen (lettertypen); het niet aangegeven drukjaar varieerde van 1466 tot laat in de jaren 80. De hele productie van de pers bestaat uit 231 vellen, zonder dat evenwel de oplagen bekend zijn. Slechts twee van de meer dan 100 papiersoorten kunnen wezenlijk bijdragen tot een datering, nl. 1484-1487, omdat het om een belangrijke hoeveelheid gaat. De locatie kan niet nader gepreciseerd worden en blijft dus `Nederlanden'. De Codex Roorda, een handschrift in de Prov. Bibl. te Leeuwarden, is te relateren aan de tekst van het FL; hernieuwd papieronderzoek heeft nu geleid tot een datering omstreeks 1504.
In appendix een lijst van de watermerken in het papier van de FL-pers. Dit is de zoveelste fundamentele bijdrage van GvT over papier in de vijftiende eeuw in de Nederlanden, gekenmerkt door een voorbeeldige methodologie. [E. C.-I.]
2976.- Tatjana Dolgodrova & Alexander Kusnetzov, Das unbekannte Antwerpener Stundenbuch in Gutenberg Jahrbuch 1999, p. 113-121, ill.
De Horae ad usum Romanum, gedrukt te Antwerpen in 1487 en toe te schrijven aan G. Leeu, is uitvoerig beschreven. Het vermoedelijk enige exemplaar bevindt zich sedert 1963 als deel van de collectie W.A. Desnizky in de Russische Staatsbibliotheek. De vraag blijft open of dit hetzelfde exemplaar is als dat van de Staatsbibliothek te Hamburg. Onbekend aan Campbell en Kronenberg, is de druk wel door Van Thienen vermeld in zijn Incunabula printed in the Low Countries (cf.
nr. 2970); deze nieuwe Campbell is echter ongeveer gelijktijdig met het Gutenberg Jahrbuch verschenen! Dit artikel is met grote omzichtigheid te lezen want met uitzondering van HPT is de auteurs geen recente literatuur bekend. De beschouwingen die aan de houtsneden zijn gewijd, snijden geen (nieuw) hout. [E. C.-I.]
2977.- Ludo Vandamme, De verzameling Mansion-drukken van de Stadsbibliotheek Brugge in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 1998, p. 43-67, ill.
Het uitgangspunt vormde de commentaar die de auteur verstrekte tijdens het bezoek van het Genootschap aan de Stadsbibliotheek te Brugge in augustus 1997. De verzameling Mansiondrukken is de trots van de bibliotheek, uniek in het land. De rol die de Bruggeling Joseph Van Praet (1754-1837), bibliofiel en bibliothecaris, daarbij heeft gespeeld, wordt extra belicht. Zestien tentoongestelde drukken zijn beschreven en toegelicht. [E. C.-I.]
2978.- Georges Colin, A new list of the bindings of Ludovicus Ravescot in Incunabula: studies ... presented to Lotte Hellinga (cf. nr. 2966), p. 353-370, ill.
Het is genoegzaam bekend dat de toeschrijving van banden aan Raveschot te Leuven op twee stempels (rebus, portret) berust. Toch is het nuttig gebleken de historiek van banddeskundigen als Husung, Goldschmidt, G.D. Hobson onder de loep te leggen. Laatstgenoemde was immers tot de conclusie gekomen dat banden zónder een van deze twee stempels uit dezelfde binderij zijn gekomen en dat die aan Joannes van Westfalen is te relateren. Na bijna driekwart eeuw leek het GC opportuun een nieuwe lijst (51) van al de nu bekende banden op te maken. Uitgaande van het drukjaar (terminus post quem), schetst hij de geschiedenis van dit bindersatelier, hierbij rekening houdend met groepen banden en groepen drukken, resultaat van vergelijkingen. Hij onderscheidt twee grote perioden, waarvan het scharnierpunt omstreeks 1485-1488 ligt, de tijd waarin Raveschot met drukken begon, en zeven kleinere groepen. De banden uit de tweede periode zouden wel eens aan een opvolger toe te schrijven zijn. Terecht wijst GC op de noodzaak van een te voeren onderzoek naar de rubricering van de exemplaren, temeer daar Raveschot als verluchter bekend is. [E. C.-I.]
2979.- A. Dewitte, Koorboeken in de Brugse St.-Salvatorkerk, 15de eeuw in Biekorf, 98, 1998, p. 258-261.
Uitgave van rekeningposten betreffende bindwerk van liturgica voor de Brugse kapittelkerk naar Fonds St.-Salvator S616-617 in het Archief Bisdom Brugge. [E. C.-I.]
2980.- Paul Begheyn, Incunabula in the library of the Jesuit College at Maastricht, 1733 in Quaerendo, 28, 1998, p. 273-278.
In 1575 werd in Maastricht een jezuïetenklooster vanuit Luik gesticht. Nog vóór het college openging, was al aan een bibliotheek gedacht. Op het einde van de 18de eeuw beschikte zij meer dan 3.000 banden. In 1733 is door een onbekend bibliothecaris een inventaris opgesteld (Maastricht, Rijksarchief in Limburg) volgens een systematische classificatie. Behalve vier handschriften, waren er 25 incunabelen en 159 postincunabelen. De auteur vergelijkt deze inventaris met de veilingcatalogus uit 1774; heel wat incunabelen bleken en blijken verdwenen. In appendix wordt de lijst van de 25 wiegedrukken gepubliceerd. Slechts elf edities (daarom niet de betrokken exemplaren) staan in IDL! Er is nog speurwerk te verrichten. [E. C.-I.]
2981.- W. Blockmans, Boeken op de markt in de 15de-eeuwse Nederlanden in "Proeve 't al, 't is prysselyck ": Verbruik in Europese steden (13de-18de eeuw) = Consumption in European twons (13th-18th century). Liber amicorum Raymond van Uytven.- Antwerpen: UFSIA, 1998, p. 61-70. [= Bijdragen tot de geschiedenis, 81, 1998, afl. 1-3].
Misleidende titel: onder de term `boeken' blijken geen gedrukte werken te zijn begrepen. Niet alleen komen in dit artikel geen drukken ter sprake maar er wordt niet geëxpliciteerd dat deze studie enkel en alleen over handschriften gaat. [E. C.-I.]
Zie ook nr.
3031
2982.- Elly Cockx-Indestege, Aliqua bibliographica de pestilentia.: Johannes Jacobi te Antwerpen (ca. 1484 - ca. 1491) in Vierde Symposium "Geschiedenis der Geneeskundige Wetenschappen ". De pest in de Nederlanden: medisch-historische beschouwingen 650 jaar na de Zwarte Dood = Quatrième Symposium "Histoire des Sciences Médicales ". La peste aux Pays-Bas: considérations médico-historiques 650 ans après la Peste Noire.- Brussel: Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België, 1999, p. 159-181, ill. (Academia Regia Belgica Medicinae - Dissertationes - Series Historica, 7).
Tussen 1484 en 1491 verschenen er te Antwerpen een aantal drukken van een Tractatus de regimine pestilentico domini Kamiti episcopi Arusiensis (titel naar Polain 2153), van de hand van de Fransman Johannes Jacobi. Bijna al deze (her)drukken zijn ongedateerd. Nader bibliografisch onderzoek, mede met behulp van de ISTC en het houtsnede-onderzoek van Ina Kok, levert nauwkeuriger dateringen op. A. onderneemt een voorzichtige poging om deze (her)drukken te verbinden met enkele gedocumenteerde pestgolven te Antwerpen in die periode. In bijlage: (1) Edities naar land van uitgave, jaar, taal en Klebs-nummer; (2) Edities te Antwerpen (bestaande en nieuwe dateringen voor Ca I 1066, Ca 1065, 1065a, 1070a, 1067, 1070, 1068, KC I 169a). [M. d. S.]
2983.- Jean Tinctor, Invectives contre la secte de vauderie. Edition par Emile Van Balberghe et Frédéric Duval.- Tournai: Archives du Chapitre cathédral; Louvain-la-Neuve: Université catholique de Louvain, 1999.- 137 p.; 24 cm.- (Tournai - Art et histoire, 14).
De `vauderie d'Arras' is in feite een sekte die in 1460 in het Atrechtse, het Doornikse, Vlaanderen en Brabant toesloeg. Joannes Tinctor (1405><1410-1469), bisschop van Doornik, schreef een vlijmscherp traktaat hiertegen: Tractatus contra sectum vaudensium. De Latijnse tekst is o.m. overgeleverd in de Opuscula van Joannes Gerson, Brussel, Broeders des Gemenen Levens, 1475 (Campbell 810a). Colard Mansion drukt te Brugge een Franse vertaling, Invectives contre la secte de vauderie (Elliott-Loose 312). [E. C.-I.]
2984.- Hendrik D.L. Vervliet, Roman types by Robert Granjon in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 5-76, ill.
De overgang van de gotiek naar de romein gebeurde benoorden de Alpen hoofdzakelijk dank zij Franse lettersnijders, met name Claude Garamont (ca. 1510-1561) en Robert Granjon (1513-1590). Garamonts letter werkt tot op vandaag door; de garamond is de naam van een letter geworden. Granjon is allicht beter bekend voor zijn cursieven en civilités (die al eerder bestudeerd zijn); in deze bijdrage stelt de expert inzake lettertypen ons de romeinen voor. Eénentwintig typen worden beschreven, chronologisch in twee groepen te verdelen: 1542-1550 (6 typen), 1566-1583 (7); volgen `bewerkingen' van Garamontletters (3) en een aantal van onzekere origine (5). Bij elk type wordt een afbeelding op ware grootte gegeven, de grootte, het vroegste verschijnen, het vroege gebruik en een korte geschiedenis. Uit de lijsten van drukken is o.m. af te lezen wanneer de letter voor het eerst in Antwerpen en door wie wordt aangewend. Tot slot twee registers: een chronologisch en een volgens grootte, en een literatuurlijst.[E. C.-I.]
2985.- Fred Smeijers, Renard: an idiosyncratic type revival in Quaerendo, 29, 1999, p. 52-60, ill.
Enschedé heeft in 1996 een letter op de markt gebracht, gebaseerd op de romein van Hendrik van den Keere (ca. 1540/42-1580). Ze heet Renard en behoort tot de garamondfamilie. [E. C.-I.]
2986.- Johan Gerritsen, Further to Paul Valkema Blouw's article on the anonymous `Tempora filia veritas' in Quaerendo, 28, 1998, p. 231.
Artikel van Paul Valkema Blouw over Thomas Basson. Zie Kroniek 24
nr. 2838. [E. C.-I.]
2987.- Jeroen van de Ven, Het boekbedrijf van de broeders van het gemene leven te 's-Hertogenbosch in de zestiende eeuw in Cultuur in het laatmiddeleeuwse Noord-Brabant: literatuur - boekeproductie - historiografie. Red. Arnoud-Jan A. Bijsterveld, Jan A.F.M. van Oudheusden, Robert Stein.- 's-Hertogenbosch: Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 1998, p. 55-63, ill. Fl. 35.
Vanuit Zwolle werd in 1424 in 's-Hertogenbosch een nieuw fraterhuis gesticht, het Gregoriushuis, dat vooral in de zestiende eeuw een opvallende activiteit ontwikkelde op gebied van het boekwezen. Van hun bibliotheek bevindt zich thans nog een aanzienlijk deel in de abdij van Berne te Heeswijk-Dinther. De fraters hadden een scriptorium binnen hun muren, er werden boeken gebonden en zij stonden in het geheel niet afkerig van het gedrukte boek. In 1525 zetten zij een eigen drukkerij op, drukten er enkele schoolboekjes. Een duidelijke kijk op hun betrekkingen met Gerard van der Hatart (1529-1540) is er niet, maar na diens komst in de stad staakten de fraters met de pers. Wat hun bindwerk betreft (jaren geleden schreef P. Verheyden er al over, meer recent nog C. Baarda en J.M.M. Hermans; zie Kroniek 18
nr. 1879; niet vermeld) vestigt Van de Ven de aandacht op een reeks van vijftien laatzestiende-eeuwse bandjes, thans in de bibliotheek van de Theologische Faculteit te Tilburg. Dertien zijn tussen 1546 en 1561 in Antwerpen gedrukt, en met de andere twee hebben ze de bandversiering gemeen: eenzelfde figurenrolstempel (Maria, Bernardus van Clairvaux, Christus aan het kruis, de heilige Catharina) waarin het jaartal 1556. De herkomst van deze boeken kan de auteur in het tertiarissenklooster Bloemenkamp in Den Bosch situeren. Van het klooster is bekend dat er relaties waren met de fraters. Op de band van twee handschriften komt hetzelfde stempel voor en van deze banden staat vast dat ze door de fraters zijn vervaardigd. [E. C.-I.]
2988.- Paul Valkema Blouw, Jan Canin in Wesel, and in Emmerich? in Quaerendo, 28, 1998, p. 225-229.
De eerste drukker van de Staten van Holland en Zeeland, Jan Canin (geboren te Gent ca. 1534), vestigt zich in 1572 (Den Briel) te Dordrecht en legt er zich toe op calvinistische literatuur. Daarvóór verbleef hij te Breda, waar hij in 1568 door de Raad van Beroerte levenslang verbannen werd zodat hij zijn toevlucht elders moest zoeken. In Wesel werd hem de grond echter ook te heet omwille van een boek dat hij drukte voor David de Courcelles, Frans schoolmeester. Een half dozijn anonieme drukken heeft PVB onderzocht en kan hij, op grond van de ornamenten die later in Dordtse drukken van Canin voorkomen, aan deze drukker toeschrijven. Waar hij na Wesel terecht kwam is niet geheel duidelijk, vermoedelijk ergens in de Duitse regio, misschien wel in het nabije Emmerich. Zijn productie is niet meer calvinistisch maar luthers gekleurd, en te Emmerich verbleef toen Willem van Zuylen van Nyevelt, vertaler van Th. Beza. [E. C.-I.]
2989.- Willy L. Braekman, Erasmus vander Eecke, Brugs drukker van "quade boucken " in Koninklijke Soevereine Hoofdkamer van Retorica "De Fonteine " te Gent, Jaarboek 1997-4998, 47-48, Tweede reeks nr. 39-40, 1999, p. 89-101.
Op 28 november 1553 wordt Vander Eecke door de Brugse schepenbank veroordeeld tot verscheidene straffen wegens het drukken en verkopen van ketterse boeken. In het Rijksarchief te Gent werd een dubbelblad gevonden waarop zich 31 precies geformuleerde vragen bevinden m.b.t. dit proces; de antwoorden ontbreken echter. Uit de vragen zijn enkele aanvullende gegevens omtrent de Brugse drukker te achterhalen: hij had een helper, m.n. Joris, of Jooskin, Tant en hij had nauwe banden met de Londense Evangelische Vluchtelingenkerk en met de doopsgezinden te Brugge. [J.H.]
2990.- August Den Hollander, Dat oude ende dat nieuwe Testament (1526): Jacob van Liesvelt en de nieuwe markt voor bijbels in de zestiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 6, 1999, p. 105-121, ill.
In 1526 verscheen bij Van Liesvelt de eerste integrale Nederlandstalige vertaling van de bijbel. In totaal laat hij niet minder dan 18 bijbeledities verschijnen, waaronder 6 complete bijbels. Gezien de populariteit van deze vertalingen, moet er in die periode een verhoogde vraag naar zulke werken zijn geweest. Waarom? De auteur (zie Kroniek 23
nr. 2707) schat dat er in het 16de-eeuwse Nederland één bijbel op 25 personen moet geweest zijn, bij verkoop van alle exemplaren. Nederland was toen het meest geürbaniseerde gebied van Europa, met een grote aanwezigheid van rijken en een hoge alfabetisatiegraad; tevens heerste er een open intellectueel klimaat. Uit de inleiding tot twee bijbelvertalingen blijkt dat deze werden beschouwd als de directe weg tussen God en de mensen, zonder enige bemiddeling en dat men op zoek was naar het puer godlijcke woort, dus teruggaand op de Griekse en de Hebreeuwse tekst, en niet op de Vulgaat. Het O.T. van de Liesveltbijbel gaat terug op de bijbelvertaling door Luther, voor zover die al klaar was. Voor andere delen gebruikte hij de bijbelvertaling van Hans Ruremund of liet hij de tekst opnieuw vertalen (uit de Vulgaateditie). Het N.T. is een nieuwe vertaling van de Luthertekst uit de editie van 1522. De bijbel bevat ook een vijftig houtsneden, gemaakt naar de illustraties in de Lutherbijbel. Opvallend is dus hoe snel Van Liesvelt kon beschikken over de delen van de Lutherbijbel. Het feit dat hij gevestigd was in Antwerpen, met een grote kolonie Duitse handelaars, zal hier niet vreemd aan zijn. Opmerkelijk is dat deze bijbel nooit op de Index is terecht gekomen, waarschijnlijk omdat er in de druk geen voorreden, verklaringen, of ander dergelijk materiaal werd in opgenomen (wat meer werd geviseerd dan de eigenlijke vertaling). De latere bijbels werden wel van dergelijk materiaal voorzien en dus verboden, wat voor de drukker in 1545 de dood heeft betekend. Na 1545 nam het beeld van zijn bijbels mythische proporties aan: op latere bijbelvertalingen wordt de naam van Liesvelt vermeld, evenals op uithangborden van drukkerijen en zelfs van logementen: in de 17de eeuw waren er niet minder dan drie huizen in de Amsterdamse Warmoesstraat die de Liesfeldse bijbel genoemd werden. [J.H.]
2991.- Enrique González González, Martinus Dorpius and Hadrianus Barlandus editors of Aesop (1509-1513) in Humanistica Lovaniensia, 47, 1998, p. 28-41.
Andermaal heeft de Mexicaanse kenner van het Leuvense Humanisme een belangrijk probleem opgelost. De mist die nog steeds hing rond de editio princeps van Aesopus " Fabulae bezorgd door Martinus Dorpius (1485-1525), Gulielmus Goudanus (1466-1510) en Hadrianus Barlandus (1486-1538) is nu weggeblazen. G. identificeert op overtuigende wijze een incompleet exemplaar van deze "princeps " bij Dirk Martens te Antwerpen in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel (NK 4502). Door een nauwkeurige vergelijking met Barlandus " Pluscule Fabulae uit april 1512 (NK 26) en met Dorpius " uitgave aangevuld door Barlandus in november 1513 (NK 27), reconstrueert hij de vroegste drukgeschiedenis van de immens populaire (> 200 edities) verzameling. Hij wijst tevens op karakterverschillen tussen Dorpius (die liever wil schrijven dan publiceren) en Barlandus (die wat graag Martens assisteert bij diens humanistische publicaties te Leuven). Jammer dat het artikel wordt ontsierd door enkele bibliografische slordigheden. "Shelfmark 1.12.1509 " (n.6) bestaat natuurlijk niet in de Brusselse KB [het boek berust er als "LP 3852 A "]. De terminologie is helaas niet door een bibliograaf gecontroleerd: "bound in carton ", 'second fascicule ", "that the first fascicule was a complete booklet of 8 leaves " enz. Desalniettemin: een kapitale vondst! [M. d. S.]
2992.- Dirk Sacré & Jeanine de Landtsheer, The correspondence of Thomas Stapleton and Johannes Moretus: an additional letter in Humanistica Lovaniensia, 48, 1999, p. 273-283.
Aanvulling op Kroniek 22
nr. 2489. Onbekende brief (16 maart 1592) van de Engelse theoloog te Leuven Thomas Stapleton (1535-1598) aan Plantijns opvolger. De brief bevindt zich in Hs. III 1483 (Koninklijke Bibliotheek Brussel): d.i. de lang verloren gewaande band met 275 brieven en gedichten door Edward Moretus en Baron de Renette aan het Plantijnse Archief onttrokken bij de overdracht aan de Stad Antwerpen. Daarin bevinden zich documenten van tientallen auteurs in betrekking met de Officina Plantiniana, maar ook van bv. Daniel en Isaac Elzevier. [M. d. S.]
2993.- J. de Landtsheer, `Bij de dood van een kind': Justus Lipsius aan Martine Plantijn in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 109-125.
Bij de dood van Adriana Moretus in 1602 schreef Lipsius drie troostbrieven: twee in het Latijn, aan de vader (Jan) en de broer (Balthasar) en één in het Nederlands aan de moeder (Martine Plantijn). De auteur situeert de Nederlandse troostbrief in de klassieke traditie met als gidsen Cicero en Seneca. [J.H.]
2994.- David J. Shaw, The lost first editions of Gabriel Meurier's `Colloques ou nouvelle invention de propos familiers', printed by Plantin, 1556-7 in Quaerendo, 29, 1999, p. 41-51, facs.
Gabriel Meurier (ca. 1520-eind 16de e.), uit het Henegouwse Avesnes, is, zoals bekend, burger van Antwerpen geworden waar hij het beroep van schoolmeester uitoefende. Blijkens de twee privileges hem door de koning (voor het hertogdom Brabant) en door de Privé Raad (voor de hele Nederlanden) verleend, zou een Antwerps drukker voor hem vier schoolboekjes mogen drukken. De edities zijn bekend: twee werkjes verschenen bij Plantin in 1557 (PP 1668, 1669), één bij dezelfde in 1557 (PP 1665) en een tweede editie in 1558 (PP 1666), en één in 1558 bij Jan van Waesberge (BT 2108). De twee edities van hetzelfde hebben betrekking op de Colloques; S heeft nu in een druk uit Wesel (STC 24168) van de Peterborough-Cathedralcollectie, thans in de UL Cambridge, fragmenten gevonden van een vroegere oplage, april 1557, ongetwijfeld ook een Plantijnse druk. S brengt argumenten aan voor een nog eerdere, verloren gegane, druk die hij in september 1556 situeert. [E. C.-I.]
2995.- P. Valkema Blouw, Anonieme drukken van Gillis van den Rade (Antwerpen 1577-1585) in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 77-94.
De auteur gaat op zoek naar de rol van Gillis van den Rade als drukker in de pamflettenoorlog van 1577-85 tegen het Spaanse gezag. Belangrijk ter identificatie van dit drukwerk is te weten dat Van den Rade zich in 1566 van zijn leermeester Hendrik (I) van den Keere zelfstandig heeft gemaakt en een deel van de inventaris, o.a. ornamenten, heeft kunnen meenemen. In 1577 wordt Van den Rade door Silvius aangesproken om een deel van de Sommier discours (een pakket brieven van de Spaanse landvoogd Don Juan die in Frankrijk waren onderschept), m.n. het betoog van Marnix van St. Aldegonde, te drukken. Alhoewel het werk verschijnt onder de naam van Silvius, zien we een karakteristiek van Van den Rades pers: een grote sierletter C. Ook de De Pacifiatie van Ghendt, op naam van Silvius, werd door Van den Rade gedrukt. M.a.w. vanaf 1577 was hij betrokken in de propaganda van de Oranje-partij, en dit steeds intenser. Het anoniem drukwerk dat hij produceerde is duidelijk herkenbaar aan de gebruikte initialen en/of de vignetten op de titelbladen, zelfs al trachte hij, zoals in de Ratio ineundae concordiae inter ecclesias reformatas (1579), zijn drukwerk een Duits aanzien te geven. De auteur weet voor elk jaar tussen 1579 en 1585, behalve voor 1580, een aantal ongesigneerde drukken aan hem toe te wijzen. Hij gaat tenslotte dieper in op de Chronyc Historie van 1582 waarvan een Franse vertaling in 1584 door Van den Rade werd gedrukt. [J.H.]
2996.- Gilbert Tournoy, Leuven voerde het eerste Latijnse Didodrama in Europa op in Ex officina, 12, 1999, p. 4-5, ill.
De Universiteitsbibliotheek van Leuven heeft op een veiling de zeldzame druk met de Dido-tragedie van de hand van Petrus Ligneus, gedrukt bij Jan Verwithagen in 1559, gekocht. Van deze druk bezitten de Parijse BnF, Trinity College in Cambridge en misschien de Staatsbibliothek in Berlijn, een exemplaar. [J.H.]
2997.- Ralph Dekoninck, Entre Réforme et Contre-Réforme: les "Imagines et figurae bibliorum " de Pieter van der Borcht et Hendrik Jansen van Barrefelt. Contribution à l'étude du statut et des fonctions de l'image dans les livres édités par Christophe Plantin et François Raphelengien in Quaerendo, 29, 1999, p. 96-131, ill.
De Imagines et figurae Bibliorum zijn een verzameling bijbelfiguren, kopergravures van de hand van Pieter van der Borcht, met commentaren van Barrefelt. Ze werden voor het eerst door Plantijn in de tachtiger jaren gedrukt en kregen hun definitieve versie bij Franciscus Raphelengius in de jaren negentig. Deze Leidse editie werd gedrukt met fictieve data (1580 en 1581), met een fictieve auteursnaam (Jacobus Villanus) en een fictieve uitgeversnaam (Renatus Christianus) en zonder plaats van uitgave.
De commentaar bij de figuren bestaat uit drie delen, die elk een stap zijn naar het innerlijk beleven van het afgebeelde: eerst een korte beschrijving van wat is afgebeeld, dan het uitleggen van de afbeelding en tenslotte een aansporing om het afgebeelde als een voorbeeld te beschouwen en na te volgen, m.a.w. in deze laatste stap laat de lezer zich doordringen van goddelijke verlichting. De teksten, die werkelijk lange annotaties zijn, werden aan de linkerkant geplaatst zodat niets de contemplatie van de afbeeldingen stoort. De afbeeldingen zelf laten geen enkele visuele retoriek uitschijnen, geen enkele allegorische interpretatie lijkt uit deze afbeeldingen te kunnen worden afgeleid, omdat zij zo precies de bijbelse passage weergeeft, m.a.w. de gravures van Van der Borcht zijn om te bekijken en niet om te lezen. Dit lijkt op het eerste gezicht in tegenspraak met de hele doctrine van het Huis der Liefde, maar is dit niet. De tekst blijkt voor Hiël het belangrijkste te zijn, de afbeelding is de eerste stap naar de innerlijke `renovatio'. Zo biedt de afbeelding geen verhaal, maar bevat zij verborgen betekenissen die duidelijk worden a.d.h.v. de commentaar.
In feite kunnen de Imagines beschouwd worden als een emblematabundel, ten bewijze hiervan een latere editie, met de kwatrijnen van Sellius, Emblemata sacra genoemd. Het emblemata-effect van de Imagines werkt als volgt: de `figura' biedt een realistische voorstelling, waaruit men de allegorie moet veroveren. Op die manier komen de Imagines overeen met de wereldvisie die het fundament vormt voor de ideeën van de Antwerpse `Familie'. Dit zoeken naar de allegorie in de werkelijkheid komt ook voor in andere werken die op het eerst gezicht niets met emblemata van doen hebben, zoals geografische atlassen (zie G. Mangani in Abraham Ortelius, zie
nr. 3010) of andere geïllustreerde wetenschappelijke traktaten.
Twee andere spirituele werken, de Humanae salutis monumenta van B. Arias Montanus en de Evangelicae historiae imagines van Hieronymus Natalis lijken verwant te zijn met de Imagines, maar zeker het werk van Natalis verschilt sterk op het punt van de relatie tussen tekst en afbeelding. Waar bij Hiël de afbeelding de eerste stap is, is bij Natalis de afbeelding slechts leesbaar a.d.h.v. de tekst, of m.a.w. waar bij Hiël de afbeelding nog verschillende interpretaties toelaat, dwingt Natalis de lezer/toeschouwer in één richting omdat tekst en afbeelding tezamen moeten gelezen worden. Op dit punt is de latere edie van de Imagines, m.n. de Bibelsche Figuren, alhoewel bedoeld voor een Protestants publiek, nauwer verwant met het werk van Natalis: op de gravures werden cijfers aangebracht die direct verwijzen naar de begeleidende commentaar, zodat ook hier de interpretatie in één richting wordt geduwd.
Daarom stelt de auteur in deze studie dat de Imagines geen geïsoleerde plaats innam binnen de productie van de Officina Plantiniana, meer nog, het werk bevat de sleutel tot de spirituele atmosfeer van de Plantijnse kring, die gedragen werd door de doctrine van het Huis der Liefde. [J.H.]
2998.- H. Reusens-Paschael, Geraert de Jode in Vlaamse stam. Tijdschrift voor familiegeschiedenis, 34, 1998, p. 329-342, ill.
Voornaamste bronnen van de realia hier meegedeeld, zijn het Antwerpse Stadsarchief en het archief van het Museum Plantin-Moretus. A voert bewijzen aan betreffende de vestiging en de leeftijd van deze uit Nijmegen afkomstige en te Antwerpen gevestigde graveur en prenthandelaar, de voorname rol die hij in het Antwerpse artistieke leven speelde, zijn gezin, zijn handelsbetrekkingen met Plantin en de Moretussen. [E. C.-I.]
2999.- Peter van der Coelen, Review of Karen L. Bowen, Christopher Plantin's Books of Hours: illustration and production (Nieuwkoop 1997) in Quaerendo, 29, 1999, p. 219-227.
In deze bespreking van het boek (zie Kroniek 23
nr. 2701) wordt erop gewezen dat de werkverdeling tussen de ambachtslui in het drukkersatelier niet zo strikt was als de Hellingas en Gilmont wel denken. Verder is er een vraag te lezen tot vergelijkend onderzoek tussen de kunstenaars die voor Plantijn werkten en die voor andere drukkers (bijvoorbeeld S. Feyerabend), alsook tot een studie van de Franse Getijdenboeken. Tenslotte wordt het werk van Bowen nog aangevuld door te verwijzen naar de Messkataloge van Georg Willer, waarin een aantal Plantijnse Getijdenboeken werden opgenomen. De verwijzingen werden in bijlage opgenomen. [J.H.]
3000.- Noël Geirnaert, Enkele zestiende-eeuwse registerbanden uit het Stadsarchief van Brugge in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 1998, p. 69-75, ill.
N.a.v. het bezoek aan Brugge van het Genootschap gaf NG een uiteenzetting over de typisch Brugse registerband: de soepele band rond koopmansboeken. Pas tegen het einde van de zestiende eeuw `kon men het in Antwerpen ook'! In deze bijdrage breekt NG een lans om een systematisch onderzoek te voeren naar al dan niet versierde registerbanden, in en buiten Brugge. Voor dit maal houdt hij het bij het probleem van fragmenten van handschriften en vroege drukken, destijds uit banden gelicht zonder herkomstaanduiding. Voor een deel ervan is al grondig onderzoek verricht. Volgt beschrijving en toelichting bij zes registerbanden. [E. C.-I.]
3001.- Jos M.M. Hermans, Uit de put: een boekband als nieuw bewijs voor een cultureel netwerk in Noordoost-Nederland aan het einde van de middeleeuwen in Hervonden stad: jaarboek voor archeologie, bouwhistorie en restauratie in de gemeente Groningen, 1998, p. 93-96, ill.
Om de vondst uit de beerput op het terrein, waar eens de Latijnse school floreerde (tot 1600), in zijn context te plaatsen, bespreekt H eerst een handschriftje met een tekst van Cicero (UB Groningen) dat achtereenvolgens in het bezit zal zijn geweest van Wessel Gansfort (+ 1489) en Regnerus Praedinius (+ 1559). Geschreven vermoedelijk in de Zuidelijke Nederlanden is het versierd en gebonden in de IJsselstreek. Het opgedolven fragment van een bandbekleding, waarop lijnen, een paneelstempel en een (niet te lezen) randschrift te zien zijn, is een ongeschreven bewijs van de boekenactiviteit in de betreffende regio. [E. C.-I.]
3002.- Jan Storm van Leeuwen, An unknown book of William of Orange discovered in Quaerendo, 28, 1998, p. 297-300, ill.
Niet lang geleden door de Haagse KB verworven, behoort dit exemplaar tot de `Franse banden' die Oranje liet maken toen hij in Frankrijk verbleef. Thans zijn er vijf van deze wapenbanden bekend: zij hebben het gekleurde wapen van de prins, gekroond en met de Gulden Vliesketting, op de platten. De band van het nieuw ontdekte exemplaar, een octavo-uitgave, omsluit `César renouvellé' van Gabriele Simeoni, Parijs, Benoît Prévost voor Jean Longis, 1558. [E. C.-I.]
3003.- Christian Coppens, Seven Liberal Arts and Ten Commandments: the decoration intended for the library of the Celestine Monastery of Heverlee, Louvain in Quaerendo, 28, 1998, p. 243-272, ill.
De wilsbeschikking van Willem van Croy (+ 1521) hield in dat vlakbij zijn kasteel een celestijnenklooster zou gesticht worden, wat in 1527 realiteit werd. Allerlei troebelen, van interne en externe aard, verhinderden dat de inrichting en de decoratie van het klooster verder zijn beslag zouden krijgen. Ook Karel III van Croy (1560-1612) slaagde er niet in orde op zaken te stellen. Een lange lijdensweg eindigde in de jaren 90 van de achttiende eeuw. De plannen van Karel van Croy voor de inrichting en de versiering van de bibliotheek bestaan nog (Leuven, Arenbergarchief) en worden hier uitvoerig voorgesteld en besproken. [E. C.-I.]
3004.- Hanning P. Jürgens, Joannes a Lasco, ein Leben in Büchern und Briefen. Eine Ausstellung der Joannes a Lasco Bibliothek vom 15.10 bis 28.11.1999. Hrsg. von der Joannes a Lasco Bibliothek Grosse Kirche Emden und der Evangelisch-reformierten Kirche...- Wuppertal: Foedus, 1999.- 148 p.: omslag, ill., portr.; 28 cm. (Veröffentlichungen der Joannes a Lasco Bibliothek, 1).- ISBN 3-932735-32-3. DM 36.
Joannes a Lasco (1499-1560), geboren en gestorven in Polen, heeft als echt Europees humanist veel gereisd en in het buitenland verbleven: Italië, Frankrijk, Duitsland, Hongarije, Oost-Friesland, Londen, Denemarken, Emden, Frankfurt. Belangrijk voor ons is te weten dat hij op de terugweg van Frankrijk naar Polen, Erasmus in Basel heeft bezocht en er zelfs een tijd wel en wee met hem heeft gedeeld. Gevolg was dat Erasmus erover dacht zijn bibliotheek aan zijn Poolse vriend te verkopen. Een overeenkomst werd gesloten op 20 juni 1525 waarbij bepaald werd dat Erasmsus tot aan zijn dood over zijn boeken zou kunnen beschikken. Testamentuitvoerder was Bonifatius Amerbach. In het hoofdstuk, getiteld `Humanismus und Bibliophilie' wordt uit de doeken gedaan hoe de boeken in Basel opgesteld stonden, hoe de koop verliep (niet zo simpel als men zou denken: Erasmus heeft vrijwel altijd geldgebrek gekend), hoe de verzending in vaten (er bestaat een verzendlijst, in de UB Basel) en de ontvangst door a Lasco in Krakau zijn verlopen. Onderdeel van dit hoofdstuk is de beschrijving van negentien boeken uit Erasmus' bibliotheek, geordend naar de verzendlijst, die zich nu in bibliotheken over Europa verspreid bevinden, en van vier andere boeken, ooit in a Lasco's bibliotheek.
Het moet gezegd dat het initiatief tot deze tentoonstelling alle lof verdient, wat ook geldt voor de begeleidende publicatie. De aanwezigheid van verschillende kleurplaten verklaart het erg glanzende kunstdrukpapier, op zich niet prettig bij de lectuur; gelukkig is de druk goed contrasterend zodat het euvel een beetje wordt gecompenseerd. Conservator Walter Schulz weet mensen en middelen te vinden om zijn ideeën gestalte te geven. Doe zo verder, zou ik zeggen! [E. C.-I.]
3005.- José Luis Gonzálo Sánchez-Molero, La "Librería rica " de Felipe II: estudio histórico y catalogación.- San Lorenzo del Escorial: Ediciones Escurialenses, 1998.- 879 p.: ill.; 24 cm. - (Colección del Instituto Escurialense de Investigaciones Históricos y Artísticas, 10).- ISBN 84-89942-05-6.
De herdenking van het overlijden van Filips II (1598-1998) was een goede gelegenheid om deze belangrijke studie te publiceren. De "Librería rica " is de kern van de bibliotheek van het Escuriaal, in de periode 1535-1559 bijeengebracht voor en door de Spaanse troonopvolger. De oorspronkelijke catalogus is bij de brand van 1671 verloren gegaan. De reconstructie heeft dus andere bronnen benut: de boeken zelf en een belangrijk archief in Simancas, "Los libros de la Cámara del príncipe don Felipe ", waarin elke aanwinst uit de periode 1535-1548 is beschreven. Dat alles wordt uitvoerig uiteengezet in de inleiding, die ook de groei van de collectie volgt van Filips opvoeding in Spanje tot zijn Europese reizen. Ook aan bod komt het karakter van "hofbibliotheek ". Bijzondere aandacht is er voor de boekband: zo bv. "Encuadernaciones de entrelazos al esmalte de Cristóbal Plantino (1555-1558) " (p. 138-141), de fraaie Plantijnband, in 1967 door Georges Colin bestudeerd.
De catalogus zelf (p. 149-817) beschrijft 1526 nummers, alfabetisch per auteur. Elk lemma bevat het broncitaat, een titelbeschrijving, de bibliotheeksignatuur met een korte typering van de band, annotaties over herkomst enz., meestal gevolgd door een uitvoerige bandbeschrijving. 90% van de titels zijn nog ter plaatse bewaard, de overige zijn aangetroffen in bv. de Biblioteca Nacional (Madrid), de British Library, de Hispanic Society (New York) en de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Na een uitvoerige literatuurlijst volgen drie registers: chronologisch (op datum van aanwinst), op drukkers (o.m. Martín Caesar, Martín Nucio, Rutgero Rescio, Jean Steelsio), op namen (opgelet: "Zwykems van Aytta, Vigle ").
Al situeert deze bibliotheek zich aan de rand van de Nederlandse boekgeschiedenis, toch is deze catalogus op zijn plaats in de bibliotheken van de Nederlanden en van de boekhistorici. Filips II laat onze gewesten niet los ... [M. d. S.]
3006.- Peter M.H. Cuijpers, Teksten als koopwaar: vroege drukkers verkennen de markt. Een verkennende analyse van de productie van Nederlandstalige boeken (tot circa 1550) en de `lezershulp' in de seculiere prozateksten. With a summary in English and an Appendix.- Nieuwkoop: De Graaf, 1998.- 400 p.: ill.; 25 cm.- (Bibliotheca Bibliographica Neerlandica, 35).- ISBN 90-6004-439-8. Fl. 180.
Hier wordt een diepgaande analyse geboden van wat de drukkers in de Nederlanden tot omstreeks 1540 op de markt brachten aan Nederlandse prozateksten. De auteur is daarbij nagegaan of de aard van de tekst en de presentatie ervan bij de verspreiding en vooral de receptie een rol hebben gespeeld; drukkers/uitgevers waren -zijn- geen mecenen maar zakenlui: teksten = koopwaar. Het is het `bedrijfseconomische' aspect dat met behulp van kwantitatieve methoden wordt bestudeerd, naast de bibliometrische methode waartoe al eerder een aanzet o.m. door Dermul (1941), recenter door Vervliet en Heijting was geleverd.
Dit boek is in drie delen opgevat, resp. gaande over het `vroege drukkerswezen als bedrijfstak', gewijd aan het eigenlijke onderzoek, en gewijd aan de presentatie van de teksten. (I1-3) Een uitvoerig hoofdstuk gaat over kostprijzen en oplagen in Europa tijdens de vroege periode van de boekdrukkunst; het brengt misschien niets nieuws maar het biedt wel een globaliserende kijk op het weinige wat over deze zaken bekend is. Vervolgens concentreert C zich op de productie van vroege drukken in de Nederlanden. Als basis heeft hij zich een `fonds' samengesteld uit CA, CA-K + HPT, NK, bestaande uit 1808 incunabelen en 4105 postincunabelen, bestaande en beschreven edities, niet uitsluitend in het Nederlands. Bepaalde categorieën als prototypografie en plano's zijn bewust uitgesloten. Een aantal grafieken illustreert het onderzoek naar taal, formaat, aantal gedrukte tekens. De statistiek toont zonodig aan hoe 1473-1485 een periode van bloei is geweest die pas in 1515 herneemt. De voornaamste productiecentra zijn, zoals bekend, Antwerpen voornamelijk na 1500, Zwolle en Deventer vnl. tot 1505, en vijf steden in Holland, over de hele periode. Een minder evident besluit is dat het aandeel van de Nederlandstalige teksten groter is qua volume dan qua titels. Dan worden de 1770 Nederlandse drukken statistisch onderzocht wat betreft hun drukkers en de tekstgenres. De drukkersactiviteit loopt evenwel niet parallel met de bovenvermelde concentratie: de twee productiefste drukkers, Hillen in Antwerpen en Pafraet in Deventer, vertegenwoordigen, alles samen, resp. 8 en 7, 6% van het geheel, terwijl de 25 productiefste 78% vertegenwoordigen. Het volume van de Nederlandse drukken is gevoelig groter dan van de Latijnse. Een poging is gewaagd om de teksten te categoriseren in functie van wat het lezerspubliek, volgens de drukker, verwachtte. Uitgangspunt was de systematische indeling in NK (ook al voldoet die niet over de hele lijn). Maar de verwevenheid van veel teksten -een ridderroman met sterk moraliserende strekking bv.- maakt een strakke categorisering moeilijk. Bovendien, zo doet C zeer terecht uitkomen, wat kunnen wij met zekerheid weten over het verwachtingspatroon van de toenmalige lezer? Wat overeind blijft, zijn de `aanpassingen' (hoewel ik niet van dat woord hou) van ontspanningslectuur voor een in wezen christelijk lezerspubliek, overigens iets anders dan teksten die tot de categorie `religie' behoren die op hun beurt profaan getint kunnen zijn. Met het genre educatie is de derde tekstsoort genoemd die C onderscheidt. (II4-5) In het tweede deel gaat C op twee tekstsoorten nader in, verhalend proza (vermaak) en artesteksten (educatie). Deze twee soorten samen maken slechts 23% van de Nederlandstalige teksten uit of, hoe statistieken gerelativeerd moeten worden. Vervolgens is hij tot de steekproevenmethode overgegaan (het moest praktisch haalbaar blijven): in hoofdzaak ridderromans en overig verhalend proza (`avontuur') en artesteksten. Dit moet hem in staat stellen `een kwantitatief toepasbare methode te vinden om de taalkundige moeilijkheidsgraad van een tekst vast te stellen'. Die heeft hij gevonden door zich op vnl. J.A.M. Pulles' Structuurschema's (1950) te inspireren: de zg. SV-methode (waarbij S voor subject = onderwerp staat en V = verbum finitum voor de persoonsvorm, en de vraag naar hun plaats in de hoofdzin). Uit een zestigtal drukken zijn ruim 900 zinnen aan dit soort onderzoek onderworpen. De volgende vraag die rijst is in hoever de drukker zelf bij de presentatie van de tekst een rol heeft gespeeld, rekening houdend met die moeilijkheidsgraad. Dat dit laatste een zeer relatief begrip is, heeft C gelukkig wel beseft: hoe weten wij in godsnaam wat bij de toenmalige lezers als moeilijk overkwam, zowel wat syntaxis als bv. gebruik van afkortingen en abbreviaturen betreft? (III6-8) Als `presentatiekenmerken', zoals C ze noemt, onderzoekt hij achtereenvolgens de interpunctie, de abbreviaturen en een aantal andere te weten het formaat, lettertype en -grootte, titelpagina, motiveringen, houtsneden, geleding in hoofdstukken en paragrafen en andere lezershulp. Nu beweert C dat de drukker zelf al deze kenmerken in de hand heeft om een tekst te structureren. Een voorlopige conclusie is evenwel dat de bestaande gebruiken inzake interpunctie en abbreviaturen gedurende tachtig jaar ongewijzigd zijn gebleven. Ik vraag me trouwens af of de drukker (lees: de zetter) in de betreffende periode dit soort ingrepen wel tot zijn bijdrage rekende. Van een andere orde zijn de meeste andere kenmerken, hierboven genoemd. C stelt terecht dat houtsneden niet per definitie een tekst begrijpelijker maken. Wat het lettertype betreft is het echter niet per definitie zo dat een groter corps leesbaarder is dan een klein; ook mogen wij niet vergeten dat wij niet gewend zijn aan het lezen van een gotiek en er dus meer moeite mee hebben dan onze voorouders. Een tekst moet wel goed gezet zijn, de regels mogen niet dansen bv. C heeft voor deze stelling overigens geen aanwijzingen gevonden. Over wervende titelpagina's is al onderzoek verricht door Vermeulen en Franssen; hier ligt de rol van de drukker/uitgever voor de hand. Een element dat C verder in zijn onderzoek betrekt, is de geleding van de tekst (hoofdstukken, paragrafen, alinea's). Ook hier weten wij niet wat de toenmalige lezer daarvan verwachtte. Wìj verwachten het wel! Samenvatting en besluit (p. 236-257!) zijn gevolgd door vijf bijlagen; de tweede vormt de bronnenlijst: de onderzochte teksten (waarom is Vorselmans Coock Boeck uit 1560 hier opgenomen?); de derde gaat, nogmaals, in op de SV-methode; de vierde en vijfde geven aan de hand van tabellen de cijfers waarop de gegevens over de interpunctie en de abbreviaturen zijn gebaseerd. In de `Gebruikte bronnen en literatuur' is de literatuuropgave langs de magere kant (geen plaats van uitgave, geen uitgever, laat staan reeksaanduiding). In de lange lijst mis ik o.a. toch nog titels: in nog andere publicaties van Kronenberg, Gumbert, L. Hellinga en Voet worden behandelde aspecten belicht; J.M.M. Hermans, I. Kok ontbreken geheel evenals J. Machiels' monografie over Arend de Keysere en K. Tilmans' studie over de Divisiekroniek. Verder bestaat het nawerk uit de lijst van de vele grafieken en tabellen, een Engelse samenvatting, 46 reproducties die een zuiver illustratieve bedoeling hebben. Géén register! Hoe wil ik weten waar zeg maar het Bedroch der vrouwen ter sprake komt? Er is zelfs geen drukkerslijst. C haalt een paar keer o.a. Eisenstein aan; hoe vind ik snel de passage terug? Bij publicaties, ook al zijn het oorspronkelijk proefschriften, waarin zoveel namen en titels worden geciteerd, zijn registers op zijn minst zo essentieel als een inleiding.
Bij deze stapsgewijs gevoerde analyse, doorgaans nogal breed uitgesmeerd (wat zijn voor en zijn tegen heeft), heb ik meer dan eens het gevoel dat de stellingen t.a.v. de druk onvoldoende getoetst zijn aan de kopij die er in ieder geval zal zijn geweest en in een aantal gevallen ook nog bestaat en waarover gepubliceerd is. Onvoldoende blijkt bijvoorbeeld of en voor welke zaken de zetter/drukker uitvoert wat hij vóór zich heeft, of zelf ingrijpt in de tekst, d.w.z. of hij en in welke mate hij vormgeeft aan de tekst. Als het een folioformaat betreft, zal hij wel beslissen om de tekst over twee kolommen te zetten, maar is hij in staat zelf aan te geven waar een nieuw hoofdstuk of paragraaf begint als dit op de legger niet aangegeven is? Lang niet alle drukkers / uitgevers zijn tegelijk editeur geweest. Ook hier weer is ons weinig concreets bekend. Men kan dus wel een gang van zaken reconstrueren op grond van een aantal vaststaande gegevens (m.n. de drukken) maar daarom is de werkelijke toedracht niet geweest zoals men die zich heeft voorgesteld. C spreekt daarom wijselijk van een analyse; dit boek heeft een waaier aan feitelijke en andere gegevens overzichtelijk samengebracht, uitspraken gestaafd (of ontkracht) en aangetoond dat de vroege drukkers in de Nederlanden zich door zakelijke voorzichtigheid en conservatisme kenmerkten, waarbij wij wel indachtig moeten zijn dat het onderzoek gebaseerd is op Nederlandstalige boeken. Aard en presentatie (vormgeving) is niet opvallend anders dan die van het handschrift. De `toon' waarin dit boek is geschreven is die van het proefschrift (ik denk tenminste dat dit zo is, want het staat niet in of naast of achter de titel); dat is wel begrijpelijk maar niet bevorderlijk voor de lectuur want men hervalt in inleidingen en `resumés' (waarom geen `samenvatting'?) al te vaak in redundanties.
Aan de vormgeving van dit boek ontbreekt een sprekende hoofdregel voor de hoofdstukken; de bijlagen hebben er wel een. Gedrukt op getint papier leest het makkelijk, met voetnoten en ligt het goed in de hand. Alleen is het jammer dat de overigens goed gekozen afbeeldingen, hoewel op hetzelfde papier afgedrukt, allemaal achterin staan (het vroegere euvel van kunstdrukpapier bestaat niet meer!) [E. C.-I.]
3007.- Ad Meskens, Familia universalis: Coignet, een familie tussen wetenschap en kunst.- [Antwerpen: Koninklijk Museum voor Schone Kunsten], 1998.- 224 p.: omslag, ill.; 23 cm. BF 500.
Begeleidende publicatie bij de gelijknamige tentoonstelling in het kader van de Vlaamse wetenschapsweek, van 2 oktober tot 13 december 1998 in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Een lijst met de publicaties van Michiel Coignet in druk en in handschrift (p. 165-170). [E. C.-I.]
3008.- Johan Koppenol, Leids heelal. Het Loterijspel (1596) van Jan van Hout.- Hilversum: Verloren, 1998.- 510 p.: omslag, ill.; 24 cm.- ISBN 90-6550-032-4. Fl. 79.
Dit boek situeert het Loterijspel van de Leidse stadssecretaris Jan van Hout (1542-1609) in zijn context. Het toneelstuk werd geschreven ter ondersteuning van een grote liefdadigheidsloterij en opgevoerd tijdens het rederijkersfeest van 1596. In de paragraaf omtrent de voorbereidingen van de Leidse gasthuisloterij (p. 62-70) komt het drukken van loterijkaarten, soms met gravures van gerenommeerde kunstenaars, en gedrukt reclamemateriaal summier aan bod. Op p. 97-101 is een bespreking te lezen van de totstandkoming van de gedrukte neerslag van de rederijkersteksten, m.n. Den lust-hof van rhetorica. Hiervan werden er twee edities gedrukt: één door Jan Jansz Orlers (1570-1646), neef van Van Hout en één door Frans van Ravelingen, en uitgegeven door de Witte Acoleyen. Jan Claesz van Dorp drukte de teksten van het zottenfeest. [J.H.]
3009.- Nugae humanisticae sub signo Erasmi: éditions, impressions et traductions des textes humanistes.- [Bruxelles]: (Musée de la Maison d'Erasme, 1999).- 81 p.: omslag, portr.; 25 x 14 cm.- (Disputatiunculae, 1).
De dynamische conservator van het Erasmushuis, Alexandre Vanautgaerden, heeft eind 1998 een eerste colloquium, `disputatiunculae' geheten, gewijd aan de problemen inherent aan vertaling en editie van humanistische teksten. Het verslag van het eerste is als nul-nummer van het tijdschrift Nugae humanisticae,verschenen, te beschouwen als een soort nieuwsbulletin.
Philippe Noble, cultureel afgevaardigde voor Vlaanderen van de Franse amabassade, hield een opmerkelijke inleiding (in het Frans): `Is vertalen altijd verraden?', met een allusie op het Italiaanse gezegde `Traduttore tradittore'. Weliswaar wijdde hij zijn beschouwingen aan een modern vertaalwerk dat hij op zich genomen had, Harry Mulisch's Ontdekking van de hemel (1992); de problemen zijn evenwel niet eigen aan een tijd, wel aan het vertalen zelf. Naar inhoud en vorm was deze voordracht een onverdeeld genot. De tekst is als eerste artikel in deze Nugae afgedrukt. Daarop volgen de samenvatting, met de gedachtenwisselingen, van de lezingen van Jean-Claude Margolin, Vanautgaerden, James Hirstein, Alain Van Dievoet, Monique Samuel, Germain Marc'hadour, René Hoven. Het overzicht van Franz Bierlaire (Univ. Luik) van het Erasmus-onderzoek in België is eveneens als artikel gepubliceerd, nuttig bibliografisch apparaat. Jean-François Gilmont leverde bij wijze van afsluiting een synthese. Volgen nog een paar andere bijdragen waaronder die van de conservator met een `Index librorum permissorum: Bibliotheca Erasmiana Anderlacensis 1994-1999'. Inmiddels heeft einde december 1999 de tweede reeks disputatiunculae plaatsgehad. [E. C.-I.]
Zie ook nr.
3136
3010.- Abraham Ortelius (1527-1598) cartograaf en humanist.- Antwerpen: Museum Plantin-Moretus; Brussel: Koninklijke Bibliotheek van België; Turnhout: Brepols, 1998.- 207 p.: omslag, portr., ill., krtn; 28 cm.- ISBN 90-5622-026-8 (bound); ISBN 90-5622-025-x (sewn). BF 1600; 750.
N.a.v. de 400-ste sterfdag van Ortelius hebben het Museum Plantin-Moretus te Antwerpen en de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel een bundel met essays uitgegeven. Hij bevat 15 opstellen omtrent verschillende aspecten van Ortelius.
R.W. Karrow schetst kort leven en werk van Ortelius. H. Elkhadem situeert het concept van het Theatrum Orbis Terrarum en heeft o.a. aandacht voor de verschillende uitgevan van Ptolemaeus' Geographia. Verder beschrijft hij de ontstaansgeschiedenis, geeft een lijst van de titels van de 53 kaarten die zich in de eerste editie bevonden en gaat tenslotte in op het wiskundig astronomische en het geografische aspect van het werk. In De cartograaf Abraham Ortelius maakt P.H. Meurer een positieve balans op van het Theatrum: Ortelius was `the right man on the right place' omdat hij met degelijke kaartontwerpen, met een vermogen als cartografisch organisator en met een sterk zakelijk inzicht orde wist te scheppen in de toenemende (stort)vloed van individuele ondernemingen op het vlak van de cartografie. Lisette Danckaert werpt een blik op de atlaskaarten van O en bespreekt zowel kaarten uit het Theatrum, de Additamenta, de Epitome als uit het Parergon. Ad Meskens bespreekt het wiskundige aspect van de cartografie ten tijde van O. Liliane Wellens-De Donder gaat dieper in op één werk van O, m.n. het Parergon, de historische atlas, die gegroeid is uit het Theatrum. Zij belicht de evolutie van het werk, a.d.h.v. de titelbladen en bespreekt enkele kaarten. Op het eind van haar verhandeling bevindt zich een lijst met de edities van het Parergon, die in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel worden bewaard. Van elk van de 17 exemplaren wordt het nummer en een korte beschrijving gegeven. G. Mangani analyseert in zijn artikel, De providentiële betekenis van het Theatrum orbis terrarum, het Theatrum in het licht van de cultuur en de innerlijke spiritualiteit. M.a.w. hij onderzoekt de relatie tussen dit werk en de sekte van het Huis der Liefde. Volgens die spirituele opvatting wordt `de wereld gezien als teken van Gods roem en de voorstelling van die wereld als een akte van geloof.' Ook zou het Theatrum een morele en irenische betekenis bevatten alsook een profetische opdracht. James Romm onderzoekt Atlantis en de theorie over de drift van de continenten in het werk van O en gaat ook verder in de 18de en 19de eeuw met de bespreking van het werk van Buffon, Alexander von Humboldt en van Antonio Snider-Pellegrini. J. Depuydt brengt ons weer met beide voeten op de grond: op basis van O's correspondentie en album amicorum verschaft hij ons een lijst van zijn vrienden en correspondenten. In de lange lijst van namen, met een biografische omschrijving en een korte bibliografie, worden een aantal drukkers/uitgevers vermeld, o.a. Hieronymus Commelinus, H. Goltzius, Zacharias Heyns, Balthasar I en Johannes I Moretus, Arnoldus Mylius, Jacobus Plancius, Christoffel Plantijn en Franciscus I Raphelengius. De drie volgende artikelen onderzoeken de relatie tussen O en een humanist: m.n. Justus Lipsius (J. De Landtsheer), Peeter Heyns (H. Meeus) en Jacobus Barlaeus (G. Tournoy). N. Büttner belicht O als verzamelaar. Omtrent de bibliotheek wordt er gezegd dat die groeide door intensieve uitwisseling van boeken met talrijke humanistische kennissen en dat hij talrijke boeken bezat met een historische inhoud. O genoot ook de reputatie van een groot bibliofiel, daarom kreeg hij de opdracht om de bibliotheek van John Rogers, Engels gezant, op de boekenbeurs te Frankfurt te verkopen. C.E. Dekesel heeft aandacht voor O als numismaat en bespreekt de verschillende edities van de Deorum dearumque capita, alsook zijn relatie met vrienden numismatici. Tenslotte is er het artikel van Dirk Imhof omtrent de productie en verkoop van O's werken door de Plantijnse uitgeverij van 1589 tot 1610, de periode waarin Jan I Moretus aan het hoofd van de Officina Plantiniana stond. In deze gedegen verhandeling, volledig gesteund op het archief in het Museum Plantin-Moretus, wordt elke editie apart besproken met zeer veel aandacht voor de materiële totstandkoming ervan, alsook voor de prijs en het beoogde publiek.
Deze uitgave is mooi verzorgd met zowel afbeeldingen in kleur als in zwart-wit en noten in de marge. Wel ontbreekt de strenge hand van een general editor die de (te) talrijke overlappingen had kunnen indijken (e.g. het gedeelte omtrent de correspondentie van O in het artikel van Dekesel komt grotendeels overeen met wat Depuydt reeds had gezegd) en bepaalde onnauwkeurigheden had kunnen schrappen. Twee voorbeelden van dit laatste: `Het portret van Ortelius door Rubens, gegraveerd door Galle, komt voor in de edities vanaf 1579' (p. 41; Rubens werd in 1577 geboren); `... de laatste in 1612 bij Plantijn in Antwerpen' (p. 42; Plantijn was reeds in 1589 gestorven). [J.H.]
Zie ook nr.
2997
3011.- Hossam Elkhadem, Het Theatrum Orbis Terrarum van Abraham Ortelius: ontstaan van de atlas.- Brussel: Koninklijke Bibliotheek van België, 1998.- 39 p.: omslag, ill.; 26 cm.- (Koninklijke Bibliotheek van België, D20). BF 100.
Dit dossier kwam tot stand n.a.v. de gelijknamige tentoonstelling in de KB Brussel. De inleiding komt overeen met wat de auteur in de bundel essays heeft geschreven (zie vorig nr.). In het catalogusgedeelte worden 1 manuscript, 49 drukken en 3 brieven van O zeer kort besproken. Interessant is wel dat bij een aantal van de drukken de afkomst vermeld wordt, m.n. de persoonlijke bibliotheek van O. [J.H.]
3012.- Dirk Imhof, De wereld in kaart: Abraham Ortelius (1527-1598) en de eerste atlas.- Antwerpen: Museum Plantin-Moretus, 1998.- 152 p;: omslag, portr., ill., krtn; 30 cm.- (Publicaties van het Museum Plantin-Moretus en het Stedelijk Prentenkabinet, 38).- BF 500.
Deze tentoonstellingscatalogus biedt een overzicht van de drukken van de werken van Ortelius aan de hand van exemplaren uit enkele Belgische verzamelingen (Antwerpen MPM, Brussel KB, Gent UB, e.a.). In de inleiding schetst de auteur de relatie tussen Ortelius en het Plantijnse huis vanaf 13 januari 1558, wanneer zijn naam voor het eerst in de boekhouding van Plantijn verschijnt, tot 1641, wanneer de koperplaten met de kaarten voor de laatste maal worden gebruikt om 25 exemplaren van het Spaanse Theatrum te drukken. In de catalogus worden 21 edities van het Theatrum besproken, 2 van de Additamentum en 11 van het Epitome. Verder worden 3 edities beschreven van de Deorum dearumque capita, 1 van de Synonymia geographica, 3 van de Thesaurus geographicus, 1 van het Itinerarium per nonnullas Galliae Belgicae partes, 1 van de Aurei saeculi imago en 1 van de Tabula itineraria. Ook worden er nog archiefdocumenten, portretten, illustratiemateriaal, losse kaarten en poëzie ter ere van Ortelius besproken. Elke beschrijving bevat een verkorte titel, het adres, de collatie, een exemplaarbeschrijving, waaronder de beschrijving van de band en het exemplaarnummer in de bibliotheek. In de bespreking komt zowel de inhoud, als de materiële totstandkoming van het boek in het atelier aan bod. Bij de meeste edities hoort één illustratie: meestal een kaart, soms een inhoudsopgave, een dedicatie, enz. [J.H.]
3013.- A. Meskens, Liaisons dangereuses: Peter Heyns en Abraham Ortelius in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 96-108.
Aan de hand van een aantal vastgoed-transacties schetst de auteur een beeld van de relatie tussen beide Antwerpenaars. Het huis De Vlasbloem in de Lange Gasthuisstraat werd gekocht door Anna Ortels, Abrahams zuster. In 1582 verkocht Peter Heyns een erfrente op zijn huis De Rode Leeuw in de Augustijnenstraat aan dezelfde Anna Ortels en ook in 1583 verkocht hij haar een erfrente op zijn huis. De relatie met Peter Heyns, die in 1580-1581 wijkmeester was geweest voor het calvinistische stadsbestuur, heeft Abraham Ortelius in de periode 1587-1588 kort in een lastig parket gebracht, maar reeds in het laatste jaar werd hij opnieuw als trouw katholiek vermeld. Consequenties op lange termijn heeft dit voor Ortelius niet gehad: hij bleef koninklijk cosmograaf en hij bleef atlassen publiceren. Een brief van Ortelius aan Heyns maakt duidelijk dat hun relatie na 1588 niet werd afgebroken; mogelijk fungeerde Zacharias, Peters zoon en leerjongen bij Plantijn en Moretus, als verbindingskanaal. [J.H.]
3014.- J. Werner, Abraham Ortelius (1527-1598), Aartsvader van onze atlas. Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam, ter herdenking van het 400ste sterfjaar van Abraham Ortelius 1598-1998 (12 juni -21 augustus 1998).- Amsterdam: Universiteitsbibliotheek; Alphen aan den Rijn: Canaletto, 1998.- 104 p.: ill.; cm.- ISBN 90-6469-739-6. Fl. 32, 50.
Naar aanleiding van het 400ste sterfjaar van Abraham Ortelius werd in de UB Amsterdam een tentoonstelling gehouden omtrent de cartograaf.
In de inleiding wordt een beeld geschetst van het leven, werk en invloed van Ortelius en elke alinea wordt in het catalogusgedeelte geïllustreerd met een aantal relevante stukken. In de eerste alinea `Naar een nieuwe wereldatlas' wordt aandacht besteed aan verschillende vroege Ptolemaeus-edities (Rome, 1490; Venetië, 1511; Straatsburg 1513). Dan wordt het leven van Ortelius beschreven, en worden er drie brieven getoond: twee van Van Meteren, en één van Postel aan Ortelius, alsook een Ptolemaeus-editie die in O's bezit was. De werken van Ortelius worden in 63 catalogusnummers behandeld: de drukken van G. Coppens van Diest, Aeg. Radaeus, Plantijn, Vrients, Moretus, Galle worden er besproken, alsook een aantal Italiaanse drukken (Brescia, 1598; Venetië ca. 1655, 1679, 1683 en 1684). Bij de bespreking gaat de meeste aandacht naar de afzonderlijke kaarten. Tenslotte maakt men de vergelijking met de atlassen van Gerard de Jode en Gerard Mercator, alsook met de `Appendix' van Blaeu (1631) en de Mercato-atlas van Janssonius (1634). De catalogus wordt afgesloten met een overzicht van Ortelius-atlassen, en van Ortelius-uitgaven en Ptolemaeus-uitgaven in de UB Amsterdam. [J.H.]
3015.- Michael A. Pegg, A catalogue of German Reformation. pamphlets (1516-1550) in libraries of Belgium and The Netherlands.- Baden-Baden: Valentin Koerner, 1999.- 286, xxvii, A-J p.; 24 cm.- (Bibliotheca bibliographica Aureliana, 173).- ISBN 3-87320-173-9. DM 200.
Michael Pegg publiceert al jaren catalogi van collecties pamfletten rond de Hervorming in Duitsland. Hij heeft duidelijk gemaakt dat er in Zwitserland of Engeland meer dan voldoende zeldzaam en uniek materiaal is bewaard om de drukgeschiedenis van de Reformatie opnieuw en nog grondiger aan te pakken. In deze nieuwe publicatie heeft hij zijn kennersblik gericht op de Nederlanden. Het bezit van negentien bibliotheken in België en Nederland is met (vrij ongebruikelijke) afkortingen aangegeven (bv. de VU in A'dam = Af, de Stadsbibliotheek Antwerpen = As) voor 3903 edities in één alfabetische orde gerangschikt. Zijn opvatting van Reformatie is gelukkig ruim: bijna de hele Erasmus komt aan bod (met uitzondering van diens bemoeienis met de klassieke oudheid) en ook de belangrijke politieke "actoren " zijn prominent aanwezig. Enkele cijfers: "Charles V " (nrs. 489-544), Erasmus (775a-1340!), Luther (2058-2933!), Melanchthon (2992-3077). De 3903 nummers zijn kort beschreven (STC-type) met literatuurverwijzing, bibliotheeksigel en herkomstgegevens. De "index of provenances " bevat bv. heel veel uit de bibliotheek van J.F. Vandevelde! Er zijn ook registers op drukkers en op vertalers/editeurs/commentatoren. Inhoud en omvang maken dit een belangrijk naslagwerk voor Belgische en Nederlandse bibliotheken met collecties oude drukken, voor onderzoekers van de Hervorming, maar ook voor bv. neolatinisten. Wat jammer toch dat bij de behandelde collecties de rijke bibliotheek van het Erasmushuis (Anderlecht) over het hoofd werd gezien. Experto crede: daar wachten meer dan vierhonderd drukken uit de hier behandelde periode (ook andere dan Erasmusteksten) op lezers. [M. d. S.]
3016.- Goran Proot, Het toneel van de Antwerpse Augustijnen (1671-1783) in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 183-294, ill.
Proot beschrijft en inventariseert een unieke verloren gewaande bundel met Augustijnentoneel uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. De toneelprogramma's of periochen bevatten notities in handschrift, die de auteurs van de stukken identificeren. Aan de hand van informatie in de bundel schetst Proot in het kort de gang van zaken bij het Augustijnentoneel. Hij beschrijft gedetailleerd de 162 gedrukte programma's en de twee handschriften in de bundel. Hij geeft niet alleen een register van drukkers, auteurs en behandelde onderwerpen, maar ook een uitvoerig register van alle leerlingen van de Augustijnen die in de stukken zijn opgetreden. [H.M.]
3017.- Goran Proot, Contribution au théâtre des jésuites flamands: les pièces perdues, les titres retrouvés in Archives et bibliothèques de Belgique = Archief- en bibliotheekwezen in België, LXVIX [68], 1998, p. 111-171, ill.
Proot heeft in Vanves een handschrift van de jezuïet Alfred Hamy gevonden met afschriften van titelbladen uit een bundel jezuïetenprogramma's die in 1929 bij een brand van de stadsbibliotheek van Duinkerke verloren ging. Proot geeft het handschrift, dat een aantal tot nog toe onbekende "Argumenta " bevat, systematisch weer. Hij corrigeert de lijst en verwijst naar gekende exemplaren en bibliografieën. Vier registers op de adressaten van de opdrachten, drukkers, behandelde onderwerpen en namen van reële personen in de titelbeschrijvingen maken de lijst goed toegankelijk. [H.M.]
3018.- Dirk Sacré, "Acroamata nuptialia " (1645) voor Balthasar II Moretus en Anna Goos: Jacobus Caterus s.j. in plaats van Casperius Gevartius? in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 155-174.
De Acroamata nuptialia (1645) was een bundeltje gedichten in het Hebreeuws, Grieks, Frans, Spaans, Italiaans, Latijn en Nederlands geschreven naar aanleiding van het huwelijk van Balthasar Moretus en Anna Goos. De auteurs van de gedichten zijn onbekend, alleen voor de Nederlandse en Latijnse werd de naam van Caspar Gevartius vooruitgeschoven. D. Sacré toont overtuigend aan dat de Antwerpse jezuïet Jacobus Caterus (1593-1657) hiervan de auteur was en tegelijk ook editeur van het geheel. Naast een biografische schets biedt Sacré een overzicht van het literaire werk van Caterus, waaronder een emblematabundel Virtutes Cardinales opgedragen aan Franciscus Kinschotius, die ook nog in verband kan worden gebracht met de "affixiones " in het Brusselse college. [H.M.]
3019.- Wayne Franits, Seks en schandaal: Romeyn de Hooghe en de pamflettenoorlog in De boekenwereld, 15, 1998-1999, p. 232-236, ill.
Romeyn de Hooghe was als graficus een belangrijk medewerker van de propagandastaf van Willem III. Hij speelde een hoofdrol in de pamflettenstrijd rond 1690 tegen de Amsterdamse regenten, die verdedigd werden door Nicolaas Muys van Holy. Daarbij beschuldigden de tegenstanders elkaar geregeld van een verdorven levensstijl, vooral aan Romeyn de Hooghe worden zijn buitensporige vleselijke lusten verweten. [H.M.]
3020.- Ilja M. Veldman, Studentenleven omstreeks 1612: Crispijn van de Passe's Academia in De boekenwereld,15, 1998-1999, p. 344-353, ill.
In 1612 gaf de graveur Crispijn de Passe in samenwerking met de Arnhemse boekdrukker Jan Janszoon de oude zijn Academia sive speculum vitae scholasticae uit. Het is een zeldzaam oblong boekje waarvan slechts enkele volledige exemplaren zijn bewaard. Het was niet alleen bedoeld om een beeld te geven van het studentenleven aan de (Leidse) universiteit maar ook als album amicorum. Veldman bespreekt elke gravure van De Passe uitvoerig en geeft aan waar hij zijn inspiratie haalde en hoe zowel het ernstige als het vrolijke studentenleven in werkelijkheid was. [H.M.]
3021.- Ilja Veldman, Love emblems by Crispijn van de Passe the Elder: Rollenhagen's "Emblemata ", "Cupid's Bow ", "Youthful Pleasures " and other "Charming and useful " prints in The emblem tradition and the Low Countries. Selected Papers of the Leuven International Emblem Conference, 18-23 August 1996; eds. J. Manning, K. Porteman and M. van Vaeck.- Turnhout: Brepols, 1999, p. 111-156, ill.- (Imago Figurata. Studies, 1B).
Crispijn van de Passe de Oude (1564-1637) produceerde een aantal embleemboeken, waaronder Rollenhagens Nucleus Emblematum (1611). Veldman probeert het aandeel van Van de Passe en van Rollenhagen in deze bundel te bepalen. Zij bekijkt daarvoor het titelblad, de Arcus Cupidinis als voorloper, de invloed van Heinsius' Emblemata Amatoria, de intellectuele kracht achter het boek, de invloed van Marcus Gheeraerts, Van de Passes interpretatie van de term "emblemata ", de relatie met de alba amicorum en met de andere werken van Van de Passe. [H.M.]
Zie ook nrs.
3022; 3023
3022.- Katrien A.L. Daemen-de Gelder, H. Damman and the emblems in Dirck Pietersz Pers's "Bellerophon " in The emblem tradition ... (cf. nr. 3021), p. 157-176.
Daemen gaat na in hoeverre het succes van de embleembundel Bellerophon met dertien edities aan D.P. Pers te wijten is. Daemen maakt duidelijk dat Pers zeer veel verschuldigd is aan de Gentse humanist Adriaan Damman, die nauw samenwerkte met de graveur Abraham de Bruyn. Omdat Pers het embleem van Damman op het titelblad blijkbaar zelf niet kan verklaren, biedt Daemen een interpretatie vanuit de wetenschap dat Damman beinvloed was door het neoplatonisme van Ficino. [H.M.]
3023.- Peter van der Coelen, Emblemata sacra? Biblical picture books and emblem Literature in The emblem tradition ... (cf. nr. 3021), p. 261-278.
Van der Coelen toont aan dat Schabaeljes Emblemata sacra (1653-1654) geen embleemboek is, maar een prentenbijbel. Hij schetst het ontstaan van dit genre van bij Luther, vergelijkt het met embleemboeken en gaat na voor welk publiek dit soort boeken was bestemd. [H.M.]
3024.- J. Spoelder & R.J.A. te Rijdt, Bij de voorplaat in De boekenwereld, 15, 1998-1999, p. 170-174, ill.
Eerste in een reeks artikelen over een portretschilderij van iemand met een prijsboek in de hand. Sedert de jaren 20 van de zeventiende eeuw werden prijsboeken van stedelijke Latijnse scholen met het stadswapen bestempeld. Dank zij rugtitel, bindwijze en ev. andere kenmerken kan het boek nader geïdentificeerd worden. Dit stukje gaat over Isaac Schull (1684-1760) en zijn prijsboek van de Latijnse school te 's-Gravenhage. Een gelijkaardig bandje bevindt zich nu in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. [E. C.-I.]
3025.- J. Spoelder & R.J.A. te Rijdt, Bij de voorplaat: Een portretidentificatie op grond van prijsboeken: Lucas van Rijp door Willem van Mieris, 1696 in De boekenwereld, 15, 1998-1999, p. 226-230, ill.
Het bovenste boek waar Lucas van Rijps linkerarm op rust, draagt het Minervastempel, gebruikt voor prijsboeken van de Latijnse school in Leiden. [E. C.-I.]
3026.- Paul G. Hoftijzer, The Library of Joannes de Laet (1581-1649) in Lias, 25, 1998, p. 201-216.
Hoftijzer probeert de bibliotheek van Johannes de Laet te reconstrueren, via sporen van aankopen in veilingcatalogi, informatie die De Laet in zijn eigen werken en in zijn briefwisseling verstrekt en vooral via de veilingcatalogus van zijn collectie. Hoftijzer bekijkt welke genres vertegenwoordigd zijn en geeft er enkele voorbeelden bij. De verdere lotgevallen van de collectie heeft Hoftijzer niet kunnen achterhalen afgezien van enkele exemplaren die in de bibliotheek van Johannes Thysius terecht zijn gekomen. [H.M.]
3027.- Ad Leerintveld, "Magnificent paper ": the library of Constantijn Huygens in Quaerendo, 28, 1998, p. 165-184, ill.
Engelse vertaling van Kroniek 22
nr. 2536. L. is bezig met het opsporen van de boeken uit de bibliotheek van Huygens (1596-1687), die o.m. in 1688, 1695 en 1701 werden geveild. Zijn lijst van thans bekende exemplaren -te herkennen aan Huygens " devies "Constanter " op de titelpagina- is (van 62 in 1996) al opgelopen tot 69 (van de geschatte 10.000!). Daarvan zijn er 43 niet in de veilingcatalogus van 1688 te vinden, maar wel in die van Huygens' zonen Christiaan (1695) en Constantijn Jr. (1701). Opgelet dus met uitspraken over Huygens' boekenbezit: niet enkel op de catalogus van 1688 te baseren! Aanvullingen blijven welkom ... Wordt hopelijk vervolgd. [M. d. S.].
3028.- La bibliothèque de l'Abbaye de Saint-Hubert en Ardenne au dix-septième siècle. Première partie: Vie intellectuelle et religieuse d'une communauté bénédictine. Deuxième partie: Edition du `Catalogus librorum Monasterij S. Huberti in Ardenna, an° Domini 1665 conscriptus'. Sous la direction de Luc Knapen.- Leuven: Bibliotheek van de Faculteit der Godgeleerdheid, 1999.- 2 dln. (xvi, 485; xliii, 636 p.); 24 cm.- ISBN 90-73683-29-7. BF 2.800.
Luc Knapen sluit met deze twee rijkgevulde banden zijn jarenlang diepgaand onderzoek naar de bibliotheek van de Benedictijnenabdij van Saint-Hubert (Ardennen) af. Enkele deelstudies lieten reeds vermoeden welke voortreffelijke totaalstudie nog zou volgen (zie Kroniek 24
nr. 2811 en 2866). In een eerste band bundelde hij een twintigtal opstellen over Vie intellectuelle et religieuse d " une communauté bénédictine: over de abdij in de 17de eeuw (J. Charneux), uitgaven van biografieën van Sint-Hubertus (J.-M. Doucet), bijbelhandschriften (D. Misonne), een driedelig Psalterium (P.-M. Bogaert), bijbeluitgaven en -commentaren (J.-P. Delville), werken van Kerkvaders (S. Gysens), scholastiek en casuïstiek (T. van Houdt), liturgie en spiritualiteit (L. Vos), antiprotestantse polemiek (L. Demoulin), juridica (C. Vael), demonen en heksen (M.-S. Dupont-Bouchat), geschiedwerken (D. Vanysacker & J. Papy), humanistica (C. Sorgeloos), filosofische en politieke geschriften (C. Opsomer & R. Halleux), bibliotheekbouw en -inrichting (L. Knapen), de bibliotheekcatalogus van 1665 (C. Coppens), het einde van de bibliotheek na de opheffing in 1796 (L. Knapen), een virtuele collectie (J.-F. Gilmont). Het geheel biedt een gevarieerd overzicht van de verzamelingen, hun gebruik en hun lotgevallen. Talrijke afbeeldingen (75!) Illustreren het besproken aspect. Tegelijk tonen zij allerlei vormen van opdrachtinscripties, eigendomsmerken, stempels etc. Een namenregister (ont)sluit deze geslaagde reeks verkenningen.
Deel II, Edition du "Catalogus ... 1665 " vormt het "pièce de résistance ": een uitvoerig geannoteerde editie van de bibliotheekcatalogus uit 1665 (Saint-Hubert, Rijksarchief, Fonds de l "abbaye de Saint-Hubert, nr. 1537). Het hoofdgedeelte bevat de beschrijving van 2153 drukken en 72 handschriften. De (soms erg) korte "titel en formaataanduiding " van de oude catalogus wordt in de editie gevolgd door de isbd(a)-beschrijving van de geïdentificeerde druk, bibliografische referenties en exemplaargegevens (staat, band, herkomst) van het eventueel teruggevonden exemplaar. De boeken zijn, naar contemporain gebruik, thematisch ingedeeld: "Scriptura sacra ", "Ius ", "Patres ", "Historici ", "Spirituales ", "Humanistae " etc. Bijlage 1 bevat St.-Hubertexemplaren van titels uit de 18de eeuw en van latere aanwinsten van oudere drukken (dan 1665). Bijlage 2 geeft de handschriften die A. Sanderus in zijn Bibliotheca Belgica manuscripta (1644) uit St-Hubert vermeldde. Bijlage 3 geeft titels vermeld in de lijst van boeken die uit de bibliotheek van St-Hubert in 1798 naar Namen zijn overgebracht. Het geheel is ontsloten door uitvoerige registers (namen en anoniemen, drukkers en uitgevers per plaats en alfabetisch, chronologisch (ca. 1470-1779), herkomsten op naam en per bewaarplaats). De meeste exemplaren zijn nu te vinden in Maredsous, Namen en Orval. Wie zich ooit aan een (zelfs gedeeltelijke) uitgave van een oude bibliotheekcatalogus heeft gewaagd kan alleen maar bewondering opbrengen voor de werkkracht en het inzicht waarmee L. Knapen deze massa gegevens heeft bijeengebracht en verwerkt. Enkele minieme bemerkingen doen helemaal geen afbreuk aan onze waardering: het is "British Library " i.p.v. "British Museum "; nr. 747 (Raphelengius 1606) is in Leiden gedrukt en niet in Antwerpen; een exemplaar van de eerste uitgave (Antwerpen: Hieronymus Verdussen, 1628, 4() van nr. 1243 bevindt zich in de bibliotheek van het Algemeen Rijksarchief te Brussel; bij nr. 2031 ontbreekt een verwijzing naar BT 7057. Er zijn ook enkele prijsboeken bewaard gebleven (zie bv. nr. 2006 en ill. 57-58 in dl. I). In het register op de herkomsten zijn ook enkele belangrijke gegevens thematisch gegroepeerd: bv. p. 622 "Achats et prix " - een uitstekend idee.
Finis coronat opus: met deze twee delen heeft Luc Knapen zijn opus magnum op voortreffelijke wijze afgesloten. Het is veel meer geworden dan enkel een uitgave van de 17de-eeuwse bibliotheekcatalogus van St.-Hubert. Het is ook een bijdrage tot de bibliotheekgeschiedenis van de regio en van de bibliotheken waar St.-Hubertexemplaren zijn beland (Maredsous, Namen enz.). Het aantrekkelijk omslag (reproductie van een lederen band met het supralibros van de abdij [i.c. scene met de bekering van Hubertus) omvat helaas wel duizend pagina's loodzwaar papier ... Gelukkig is de rijke inhoud dat gewicht meer dan waard. [M. d. S.]
Zie ook nr. 2953
3029.- F.F. Blok, Isaac Vossius en zijn kring: zijn leven tot zijn afscheid van koningin Christina van Zweden 1618-1655.- Groningen: Egbert Forsten, 1999.- 565 p.: ill.; 25 cm.- ISBN 90-6980-117-5. Fl. 140.
De bibliotheek van de zeventiende-eeuwse humanist Isaac Vossius is de trots van de Leidse Universiteitsbibliotheek. Weinigen kennen echter het leven van de man achter die boeken. F.F. Blok heeft zich meer dan een halve eeuw verdiept in de geleerdenwereld van het midden van de zeventiende eeuw, getuigen o.m. zijn proefschrift Nicolaas Heinsius in dienst van Christina van Zweden (1949) en Contributions to the history of Isaac Vossius's library (1974). Hij is een van de kenners van de indrukwekkende verzameling die de roemruchte Zweedse koningin heeft samengebracht en verspreid, met beroemde bibliothecarissen als een René Descartes bv. In deze fraai uitgegeven en uitstekend leesbare biografie wordt de lezer meegenomen in de wereld van een laat-humanistisch geleerde. Blok heeft niet alleen geput uit de omvangrijke briefwisselingen uit de Gouden Eeuw, maar hij heeft zich ook verdiept in boekhistorische bronnen als veilingcatalogi. Het is geen volledige biografie: Isaac Vossius leefde nog verder in Engeland tot 1689. Hopelijk vindt ook die periode een even gedreven biograaf. De boekhistoricus zal Bloks werk steeds met vrucht (en genoegen!) raadplegen. [M. d. S.]
3030.- A. Dewitte, De Poeticsche werken uit de bibliotheek van Olivarius de Vrede, 1638 in Biekorf, 98, 1998, p. 79-80.
Bron voor informatie over wat de humanist Vredius aan poëtische werken in zijn bibliotheek had, is Brussel, Kon. Bib., Hs. II 3077, fol. 41. [E. C.-I.]
3031.- Pierre Delsaerdt, Distributie en consumptie van boeken in de zeventiende eeuw: de boekhouding vand de Leuvense boekverkoper Georgius Lipsius (1608-1682) in Liber amicorum Raymond van Uytven... (cf. nr. 2981), p. 145-160.
Georgius Lipsius, de Leuvense drukker en boekverkoper, was vooral belangrijk op het terrein van de boekenveilingen. In 1636 zorgde hij voor de eerste Leuvense (de tweede in de Zuidelijke Nederlanden) gedrukte veilingcatalogus. Van zijn boekhouding is een register over de jaren 1637-1672 bewaard met informatie over 16 veilingen, over zijn boekhandelsactiviteit en over zijn transacties met zijn collega Hieronymus Nempe. Informatie over het koopgedrag van Lipsius' klanten leidt Delsaerdt af uit de gegevens over de veiling van de bibliotheek van de Leuvense hoogleraar filosofie en theologie Libertus Fromondus. [H.M.]
3032.- Paul Dijstelberge, Donc je suis: een filosoof en zijn boek in de zeventiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, 6, 1999, p. 123-136, ill.
Dijstelberge kiest René Descartes' Discours de la méthode op grond van de inhoud als boek van de eeuw. Uitgaande van de overeenkomst tussen Descartes en zijn uitgever Johannes Maire weidt Dijstelberge uit over het zeventiende-eeuwse auteursrecht en de uitgeversprivilegies. Hij gaat na in wat Descartes " Discours qua uiterlijk verschilt van andere zeventiende-eeuwse boeken en beschrijft het Amsterdamse exemplaar dat hij heeft gebruikt. Een vlot artikel maar niet zeer diepgaand. [H.M.]
3033.- Marion Peters, Nepotisme, patronage en boekopdrachten bij Nicolaes Witsen (1641-1717), burgemeester van Amsterdam in Lias 25, 1998, p. 83-134.
Nicolaes Witsen was tussen 1682 en 1706 dertienmaal burgemeester van Amsterdam. Dankzij deze machtspositie kon hij als "patroon " talrijke "clienten " aan zich binden. Peters heeft vooral aan de hand van zijn veilingcatalogus in het totaal 46 personen gevonden die 41 boeken en 14 dissertaties aan hem opdragen. Zij schetst zijn carrière, bekijkt de dedicaties die Witsen zelf schreef, en de conventies waaraan de dedicaties aan hem gericht beantwoorden. Onder de opdrachtschrijvers bevinden zich nogal wat geleerden, dichters, toneelschrijvers en auteurs van dissertaties waarvan Peters er enkele nader onder de loep neemt. In een bijlage volgt een volledig overzicht van de opdrachten geordend op naam van de dedicatieschrijver. [H.M.]
3034.- Jeroen Salman, Populair drukwerk in de Gouden Eeuw. De almanak als lectuur en handelswaar.- Zutphen: Walburg Pers, 1999.- 495 p.: ill.- (Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse Boekhandel. Nieuwe Reeks III).- ISBN 90-5730-056-7 + Cd-rom: Noord-Nederlandse almanakken. Een descriptieve bibliografie. Fl. 89.
In de periode 1570-1705 verschenen er in de Noordelijke Nederlanden zeer veel almanakken. Salman bekijkt ze enerzijds mentaliteitshistorisch als lectuur en anderzijds boekhistorisch als handelswaar met aandacht voor productie, distributie en consumptie.
Zijn analyse van de inhoud en de functies van de almanakken levert interessante hoofdstukken over astrologie en de relatie met de astronomie, over astrologische geneeskunde, over slechts ten dele geslaagde pogingen tot protestantisering van de almanak, over de praktische informatie en over een amalgaam van literaire genres die dienden tot vermaak.
Boekhistorisch bekijkt Salman vooral de kenmerken van het almanakbedrijf in Deventer, Amsterdam, Utrecht en Leeuwarden. Deze vier steden dienen als referentiepunt voor de rest van de Republiek. Voor de productie schenkt hij aandacht aan drukkers en uitgevers, hun gezindte, oplage en aanbod, berekenaars, samenstellers en auteurs en de relatie tot de overheid; voor de distributie aan het afzetgebied, het netwerk en de overheidscontrole; voor de consumptie aan het potentiële, het beoogde en het feitelijke publiek. Globaal vergelijkt hij dan een aantal aspecten met de situatie in de buurlanden. De bijlagen bieden een overzicht van drukkers en boekverkopers en van berekenaars en samenstellers van almanakken voor de periode 1476-1570 in Noord en Zuid, en een meer gedetailleerde lijst voor de Republiek in de periode 1570-1705.
De gebruiksvriendelijke CD bevat 859 beschrijvingen (waarvan 692 na autopsie) van Nederlandstalige almanakken uit de periode 1570-1705 gedrukt binnen de grenzen van het huidige Nederland. Het hoofdbestand wordt ondersteund met een bestand van drukwerken die met de almanakken meegebonden zijn, van boekverkopers en drukkers, van berekenaars, samenstellers en auteurs, een selectie van illustraties en een literatuurlijst met een lijst van afkortingen. [H.M.]
3035.- Dirk Sacré, Some unexplored editions of Sidronius Hosschius's (and of Becanus's) poetry (with a forgotten poem in Humanistica Lovaniensia, 47, 1998, p. 350-357.
S. zet zijn exploratie van de belangrijkste Jezuïetendichter uit de Nederlanden voort. Hij beschrijft drie onbekende Munchense edities van Hosschius " Elegiae de Christo patiente (1654, 1685 en 1712), edities van Hosschius " en Becanus' Elegiae in Brescia (1695 en z.j.) en Milaan (1713), een onbekende Italiaanse vertaling van de Lacrimae S. Petri (Rome 1817). Tot slot publiceert hij een onbekend gedicht uit het Antidotarium Gandavense (1652). [M. d. S.]
3036.- Dirk Sacré, Verdere bibliografische sprokkelingen met betrekking tot de dichter Sidronius Hosschius s.j. (1596-1653) in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. p. 175-181.
Sidronius Hosschius is zonder twijfel één van de belangrijkste Neolatijnse dichters. In Zuid-Duitse bibliotheken vond Sacré nog twee tot nu toe onbekende uitgaven van Hosschius " Elegiae de Christo Patiente door de Academische pers in Dillingen (1653) en door Johannis Hermann a Gelder & Sebastian Rauch in München (1685). [H.M.]
3037.- Edgar Mass, Les éditions des Lettres persanes in Revue française d'histoire du livre, 78 [=68], 1999, 102-103, p. 19-56, ill. (Numéro spécial: Editer Montesquieu au XVIIIe siècle).
`A Cologne, chez Pierre Marteau' = `Susanne de Caux, veuve de Jacques Desbordes à Amsterdam'. Om de editiegeschiedenis van dit werk van Montesquieu te reconstrueren heeft de auteur zich drie vragen gesteld. Navorsingen in archiefdepots in Amsterdam en Parijs, en zoektochten in bibliotheken in Duitsland en Frankrijk hebben hem in staat gesteld de bibliografie van deze drukken met fictieve adressen, te verbeteren wat betreft datering van de eerste en tweede druk, het kopierecht voor Nederland van uitgever Susanne de Caux, bijzonderheden aangaande censuur, boekhandel. Een reeks van 26 edities, tussen 1721 en 1758, herdrukken en onrechtmatige nadrukken (contrefaçons), varianten, en nog meer. Volgt een bibliografische beschrijving van de drukken Heel wat titelpagina's zijn gereproduceerd. [E. C.-I.]
3038.- Cecil Patrick Courtney, Les éditions des Considérations sur les causes de la grandeur des Romains et de leur décadence, 1734-1758 in Revue française d'histoire du livre, 78 [=68], 1999, 102-103, p. 57-78, ill.
Analoog artikel aan het vorige, maar nu over een ander werk van dezelfde auteur, al of niet met Amsterdamse impressa. [E. C.-I.]
3039.- J. Huyghebaert, Tieltse drukken van André-Benoît Stéven 1790-1794 in Biekorf, 98, 1998, p. 335-345.
Al van vóór Stéven in februari-maart 1791 een octrooi verwierf om in Tielt te mogen drukken, was hij er als drukker doende (zie Kroniek 24
nr. 2795). Teksten in verband met de opstand in de Zuidelijke Nederlanden tegen het Oostenrijkse bewind. De auteur beschrijft dertien drukken, waarvan de eerste twee uit 1790 dateren, de rest van '92 tot '93. Medio 1794 is Stéven naar Gent verhuisd waar hij meteen voor de links-republikeinse fractie begon te drukken. [E. C.-I.]
3040.- R. Van Biesebroeck, A. Wydts, tekenaar en drukker-uitgever van "Bertulpho en Ansberta " in Biekorf, 99, 1999, p. 36-37.
Korte beschrijving van een in 1720/21 in Brugge gepubliceerd anoniem toneelstuk. Het verscheen bij drukker Andreas Wydts, en is geïllustreerd met acht kopergravures van Harrewyn naar tekeningen van Wydts. [P.D.]
3041.- J. Spoelder, De prijsuitreiking van een Latijnse school in beeld in De boekenwereld, 15, 1998-1999, p. 334-343, ill.
Gedetailleerde beschrijving van een prijsuitreiking van de Delftse Latijnse school omstreeks 1725, aan de hand van een zogenaamde passe-partout-illustratie op de titelpagina van Delftse gedrukte oraties. Op de afbeelding is onder meer een grote tafel te zien die volledig met prijsboeken bedekt is. Ook andere passe-partout-illustraties met verwijzingen naar het verschijnsel prijsboek komen aan bod. Tenslotte verklaart de auteur nog de betekenis van de Ypsilon die op de band van de Delftse prijsboeken werd aangebracht. [P.D.]
3042.- J. Spoelder & R.J.A. te Rijdt, Een Middelburgse jongen met een prijsboek over Romeinse oudheden: het portret van Isaac Brungné du Buisson door Barent Luyten, 1746 in De boekenwereld, 15, 1998-1999, p. 286-292, ill.
De rugtitel van het boek dat de zestienjarige geportretteerde vasthoudt maakt duidelijk dat het gaat om Johannes Rosinus, Antiquitates Romanae (voor het eerst in 1583 te Bazel verschenen). De datering van het schilderij, 1746, en het afgebeelde prijsboek verschaffen aanvullende informatie over het personnage. A's gaan verder in op de wapenstempels van de Middelburgse prijsbanden waarin hij zes verschillende typen onderscheidt; een wrijfsel van elk is afgebeeld met beschrijving en exemplaaropgave. [E. C.-I.]
3043.- Dries Vanysacker, Particulier boekenbezit in Antwerpen in de tweede helft van de 18de eeuw, een bilan in Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor taal- en letterkunde en geschiedenis, 52, 1998 [versch. 1999], p. 277-295.
De gevolgde methoden en voornaamste resultaten van een onderzoeksproject naar particulier boekenbezit in Antwerpen in de tweede helft van de achttiende eeuw, worden hier op een rijtje gezet. Voor een meer uitgebreide bespreking van de verschillende projectfasen zie men de Kroniek 24, nrs.
2875, 2882, 2883 en 2885. [P.D.]
3044.- Gaëtan van Goidsenhoven, Le baron Denis-Benoît-Joseph de Cazier, trésorier général des finances (1718-1791) in Études sur le XVIIIe siècle, 27, 1999, p. 111-242.
In het derde hoofdstuk ('La vie privée et intellectuelle du baron de Cazier') besteedt de auteur ook een zestal pagina's (p. 172-177) aan de privé-bibliotheek van deze hoge ambtenaar van de Oostenrijkse Nederlanden. Afgaand op de veilingcatalogus (Brussel: J. Ermens, 1804) telde ze meer dan 3000 titels. Meer dan de helft van de werken dateerde uit de tweede helft van de achttiende eeuw. [P.D.]
3045.- Mirjam M. Foot, An eighteenth-century incunable collector in The Hague in Incunabula: studies ... presented to Lotte Hellinga (cf. nr. 2966), p. 371-387, ill.
Bespreking van een geheel van 72, in verschillende bibliotheken bewaarde, boeken die door eenzelfde atelier werden ingebonden, waarschijnlijk in Den Haag in de jaren 1720-1730. Opmerkelijk is dat 39 werken dateren uit de vijftiende eeuw. Voor het grootste deel gaat het om Italiaanse edities van klassieke literaire teksten. Opdat de oorspronkelijke eigenaar van deze belangrijke incunabelcollectie ooit geïdentificeerd zou kunnen worden, geeft de auteur een chronologische lijst van alle 72 werken, met de huidige locatie én de herkomsten (de niet-oorspronkelijke dus) die ze kon identificeren. [P.D.]
3046.- José de Kruif, Liefhebbers en gewoontelezers: leescultuur in Den Haag in de achttiende eeuw.- Zutphen: Walburg Pers, 1999.- 360 p.: ill.; 25 cm.- (Bijdragen tot de Geschiedenis van de Nederlandse Boekhandel, Nieuwe Reeks, 4).- ISBN 90-5730-080-X. Fl. 79, 50.
Handelseditie van een proefschrift over leescultuur in achttiende-eeuws Den Haag, in hoofdzaak gebaseerd op Haagse boedelinventarissen en op de administratie van de Haagse boekverkoper Pieter van Cleef. De resultaten van dit -ook methodologisch ongemeen boeiende- onderzoek blijken Engelsings hypothese van de achttiende-eeuwse leesrevolutie te ontkrachten. Het is omdat de boekenmarkt stagneerde dat er in de achttiende eeuw een diversificatie van het titelaanbod optrad, niet omdat er een grotere vraag bestond naar steeds meer, verschillende boeken. Voor een meer uitgebreide bespreking verwijs ik naar het Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, jaargang 2001. [P.D.]
3047.- Bruno Bouckaert, Muziek en repertoire te Gent: De 18de-eeuwse muziekinventaris van de Ekkergemse Sint-Martinuskerk als stille getuige van een veelzijdige muziekbibliotheek in Musica antiqua, 16, 1999, p. 62-79, ill.
Tot de taken van de zangmeester van een parochiekerk behoorde de zorg voor de muziekboeken. Sommige zangmeesters stelden daarom van het muziekboekenbezit een inventaris op. In het Rijksarchief te Gent vond B. Bouckaert een dergelijke inventaris terug van de Gentse Sint-Martinuskerk (gelegen in de stadswijk Ekkergem). De lijst werd opgesteld in de eerste helft van de achttiende eeuw en telt 44 titels. Uit de inventaris blijkt dat de muziekbibliotheek bijna uitsluitend uit gedrukte bundels bestond, die vooral afkomstig waren uit de ateliers van de Antwerpse muziekdrukkers Phalesius, Aertssens en De Potter. In een eerste bijlage wordt de lijst getranscribeerd, waarna alle titels met behulp van bibliografische naslagwerken werden geïdentificeerd. Op het einde volgt nog een chronologisch overzicht van de bewaarde muziekinventarissen met betrekking tot de Zuidelijke Nederlanden. [P.D.]
3048.- Pierre Delsaerdt en Dries Vanysacker, Repertorium van Antwerpse boekenveilingen 1750-1800.- Antwerpen: Universiteit Antwerpen - UFSIA, 1999.- 119 p.: 24 cm.- (Overdruk uit: De Gulden Passer, 75, 1997, p. 5-119). - Besteladres: P. Delsaerdt, Centrale Bibliotheek UFSIA, Prinsstraat 9, 2000 Antwerpen.
Overdruk met nieuwe omslag van Kroniek 24
nr. 2875.
3049.- Rietje van Vliet, De Bibliothèque impartiale, 1750-1758: geleerdentijdschrift en boekhandelstijdschrift in De Achttiende Eeuw, 31, 1999, p. 35-63.
Gaat vooral in op de problematische betrekkingen tussen de Leidse uitgever van de tweemaandelijkse Bibliothèque impartiale, Elie Luzac, en de auteur-hoofdredacteur, Samuel Formey. Die konden worden gereconstrueerd met behulp van de bewaarde correspondentie. Aanvankelijk luidde de afspraak dat alleen Formey de inhoud van het tijdschrift zou bepalen, maar Luzac beschouwde het ook als een advertentieblad voor de boekhandel, en ging zich dus geleidelijk ook met de redactie bemoeien. [P.D.]
3050.- Hans Bots, La Bibliothèque du Roi et ses rapports avec la librairie hollandaise entre 1694 et 1735 in Revue française d'histoire du livre, 78 [=68], 1999, 104-105, p. 253-270.
In 1683 telde de Bibliothèque du Roi ongeveer 40.000 banden. De auteur gaat in dit artikel in op de moeilijkheden om voornamelijk gedurende het laatste kwart van de zeventiende eeuw Hollandse boeken voor de Bibliothèque te verwerven. In 1696 slaagt de Rotterdamse boekhandelaar Reinier Leers erin een regeling ingang te doen vinden. De bron (ms. 73 in de BnF) met briefwisseling tussen de Bibliothèque en de Hollandse boekhandel, zwijgt vanaf 1735. [E. C.-I.]
3051.- Gilbert Huybens, Organisten in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de tweede helft van de 18de eeuw (I) in Orgelkunst, 21, 1998, p. 157-182, ill.
Naamlijst van 190 personen die in de tweede helft van de achttiende eeuw intekenden op gepubliceerde orgelcomposities van musici uit de Zuidelijke Nederlanden. De gegevens zijn afkomstig van intekenlijsten op 9 verschillende muziekdrukken, die apart beschreven zijn (met opgave van bewaarde exemplaren). [P.D.]
3052.- J.H., Boekverkopers voor 1800 in Biekorf, 99, 1999, p. 58.
Kort signalement van twee intekenberichten, in 1786 en 1790 verschenen in de Gazette van Gend. Het betreft een heruitgave van Vondels Vorstelijke Warande der Dieren en De Wezendlykheyd van het Ontwerp van Bourg-Fontaine, een druk van F. van Eeck in Brugge. [P.D.]
3053.- Jos van Waterschoot, Samuel Luchtmans, een reislustig boekhandelaar in De boekenwereld, 15, 1999, p. 298-306, ill.
Boekhandelaar en uitgever Samuel Luchtmans hield gedurende vijf van zijn buitenlandse reizen een dagboek bij; zij berusten in het Luchtmansarchief ondergebracht in de bibliotheek van de Vereniging met de lange naam. Het zijn geen zakenjournaals maar voor de boekhistoricus toch niet zonder belang. De reizen gingen achtereenvolgens naar Frankfort (1749), de Zaanstreek (1757), Frankrijk (1768) met onderweg een bezoek aan de Officina Plantiniana, Oost-Duitsland (1769), en ten slotte een familie-uitstap naar Kleve (1776). [E. C.-I.]
3054.- Hannie van Goinga, Alom te bekomen. Veranderingen in de boekdistributie in de Republiek 1720-1800.- Amsterdam: De Buitenkant, 1999.- 406 p.: ill.; 25 cm.- ISBN 90-76452-21-0. FL. 185.
Monumentale studie over de ontwikkelingen binnen de boekhandel in de achttiende-eeuwse Republiek. Verschillende eerder verschenen artikelen werden grondig bewerkt, nieuwe hoofdstukken werden eraan toegevoegd. Zo komen zeer diverse aspecten aan bod als boekverkopersadvertenties, de commissiehandel, de ramsj, boekenveilingen en commerciële leesbibliotheken... Het interessante is ook dat er een brug wordt geslagen naar het lezersonderzoek: het kan niet anders of veranderingen in de boekdistributie hebben een impact gehad op de leescultuur, of vice-versa. Ook omdat dit erudiete werk de vorm heeft gekregen van een uiterst smaakvol uitgevoerd boek, behoort het tot het beste wat de Nederlandse boekgeschiedenis tot nu toe heeft voortgebracht. Voor een meer uitgebreide bespreking verwijs ik naar het Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, jaargang 2001. [P.D.]
3055.- Arianne Baggerman, Het boek dat andere boeken overbodig zou maken: de mislukte lancering van een achttiende-eeuwse Nederlandse encyclopedie in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 6, 1999, p. 137-156, ill.
In 1786 probeerde de Amsterdamse uitgever Willem Holtrop middels prospectussen en advertenties intekenaren te vinden voor de eerste oorspronkelijk-Nederlandse encyclopedie. Het was een reusachtig editoriaal project, dat mikte op 40 delen in-4° en geïllustreerd en geschreven zou worden door talrijke Nederlandse medewerkers. Hoewel de plannen bij gebrek aan interesse nog in hetzelfde jaar weer werden opgeborgen, worden ze hier door A. Baggerman nauwkeurig beschreven en in de Europese context geplaatst. Ze beschouwt de mislukte onderneming immers als een graadmeter voor de mogelijkheden en beperkingen van de Nederlandse boekenmarkt op het einde van de achttiende eeuw. Een boeiend verhaal, dat ook te lezen is als een inleiding op het verschijnsel `encyclopedie' in de eeuw van de Verlichting. [P.D.]
3056.- Bernard Desmaele, La (re)publication à Tournai en 1739, de l'ordonnance du 25 juin 1729 relative à l'impression, l'introduction et la vente des livres.- Brussel: Algemeen Rijksarchief, 1999.- 20 p.: ill.; 24 cm.- (Studia, 80).- Als publicatie 2951 te bestellen, BF 100.
Op 25 juni 1729 werd in de Oostenrijkse Nederlanden een uitgebreide ordonnantie op de boekencensuur uitgevaardigd. Desmaele schetst hier de weg die een dergelijke wettekst volgde vanaf de uitvaardiging door de landvoogdes (op initiatief van de Geheime Raad) tot de publicatie door de provinciale justitieraden. In Doornik blijkt er wat te hebben geschort aan de lokale bekendmaking van de ordonnantie, want pas in 1739 werd ze daar in druk uitgegeven. Verder vergelijkt de auteur nog verschillende varianten die van de gedrukte ordonnantie bestaan: twee varianten van de Franstalige basisversie die naar alle justitieraden verzonden werd, een Franstalige en twee Nederlandstalige versies voor het hertogdom Brabant, een Nederlandstalige editie voor het graafschap Vlaanderen, en de reeds genoemde uitgave voor Doornik, 1739, een druk van Nicolas Jovenau die als bijlage (wel érg) verkleind werd gereproduceerd. Een nuttige case-study. [P.D.]
3057.- Ton Jongenelen, Van smaad tot erger. Amsterdamse boekverboden 1747-1794.- Amsterdam: Stichting Jacob Campo Weyerman, 1998.- XXVI, 86 p.: ill.; 20 cm.- (Abdera, 4).- ISBN 90-71726-03-7. FL. 29, 50.
Anders dan algemeen wordt aangenomen, vormde de censuur in de Republiek in de achttiende eeuw een belemmering voor de introductie en verspreiding van verlichte ideeën. Om deze stelling te onderbouwen, verzamelde Jongenelen verwijzingen naar verboden en vervolgde boeken in Amsterdam vanaf het herstel van het stadhouderlijk gezag in 1747 tot de Bataafse Revolutie van 1795. Daaruit blijkt inderdaad dat de censuur in genoemde periode veel actiever is geweest dan men zou denken op basis van W.P.C. Knuttels Verboden boeken in de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1914). Het corpus van dit boekje wordt gevormd door een "Bibliografie " (juister: een chronologische lijst) van 254 publicaties die in Amsterdam het voorwerp van censuur zijn geweest. Elk lemma neemt onder meer het traject van het verbod op, verwijzingen naar bestaande gedrukte catalogi en een kort commentaar op de inhoud van het verboden stuk. Samen met de substantiële inleiding vormt dit boekje de perfecte aanloop tot een meer omvattende studie van de censuur in de Republiek. [P.D.]
3058.- Luc Dhondt, De "Lettres sur l'état présent des Pays-Bas autrichiens " (1778) en het constitutionalisme van H. van der Noot in Jan Art en Luc François (red.), Docendo discimus. Liber amicorum Romain van Eenoo, I, Gent: Universiteit Gent en Academia Press, 1999, p. 395-405.
Omdat ze de lof zongen van de eigen constituties werden de `Lettres...' op 6 augustus 1778 verboden; alle exemplaren moesten worden ingeleverd. De anonieme auteur werd- ondanks verregaand onderzoek- destijds niet ontmaskerd. L. Dhondt betoogt dat er achter deze publicatie, net als de doorgaans aan Damiens de Gomicourt toegeschreven `Le voyageur dans les Pays-Bas autrichiens' verschillende auteurs schuilgingen: een brede groep van auteurs uit het intellectuele milieu in Brussel, onder wie medewerkers van de regering, en vooral Hendrik van der Noot, de latere leider van de statisten in de Brabantse Omwenteling. Stellingen die hij in deze publicatie onderschreef plaatsen zijn postume, niet bepaald lovende reputatie in een gunstiger daglicht. [P.D.]
3059.- Ton Croiset van Uchelen, Miss Isabella Henriëtte van Eeghen 1913-1996 in Quaerendo, 29, 1999, p. 162-168, portr.
De naam van `Juffrouw van Eeghen' wordt onmiddellijk geassocieerd met haar magnum opus `De Amsterdamse boekhandel 1680-1725' dat voortkwam uit haar gewone werkkring, het Amsterdamse archief. Zij kende de geschiedenis van haar geboortestad als weinigen en schreef er talloze bijdragen over in `Amstelodamum'. Haar interesse ging vooral uit naar de gilden (uiteraard in de eerste plaats naar het gilde van de boekverkopers), opvallende individuen, kloosters, Rembrandt en de Amsterdamse typografie. Haar hulpvaardigheid evenaarde haar deskundigheid. [W.W.]
3060.- Michel Berré, Grammaire scolaire et enseignement du français en Belgique entre 1830 et 1850 in Education & Société. Revue hainuyère d'histoire de l'enseignement et de l'éducation, 2, 1998, p. 5-47.
Repertorium van Franse grammatica's, gepubliceerd in België, tussen 1830 en 1850 (het jaar waarin de eerste wet op het middelbaar onderwijs gestemd werd). In de lijst zijn enkel werken voor het onderwijs opgenomen. De volgorde is chronologische per jaar en daarbinnen alfabetisch. De auteurs worden zo mogelijk gesitueerd in hun eigen milieu: net en niveau. Daarop volgen titelbeschrijving en contextuele elementen: bio-bibliografische verwijzingen, herkomst van exemplaren, approbaties, opdrachten en (steeds een interessant gegeven) de prijs. In volgende artikels zal nader op de inhoud ingegaan worden. [W.W.]
3061.- Jos A.A.M. Biemans, Jan van Krimpen, calligrapher pro pretio in Quaerendo, 29, 1999, p. 132-154, ill.
Voor Van Krimpen waren kalligrafie, typografie en het ontwerpen van letters met elkaar verbonden. Zijn gewoon handschrift had kalligrafische trekken. Een meer formeel handschrift gebruikte hij voor officiële documenten, zoals de erediploma's voor koningin Wilhelmina vanwege de universiteiten van Leiden en Amsterdam. Hij ontwierp speciale letters voor boekbanden en stofomslagen en ook voor inscripties in steen. Het artikel inventariseert verder een aantal van zijn kalligrafische stukken die ooit voor de verkoop bestemd geweest zijn. In zijn beginjaren (ca.1915) was Van Krimpen ook actief als boekbinder: die banden zijn uiteraard sober versierd. In zijn latere, zeer succesrijke jaren als letterontwerper maakte Van Krimpen zelden gewag van deze vroege activiteiten. [W.W.]
3062.- Fernand Baudin, From Paillasson to Noordzij, II in Quaerendo, 28, 1998, p. 279-295, ill.
Behandelt de overgang van `getekende' letterontwerpen naar ontwerpen via de computer. Kalligrafen zoals Rosemary Sassoon koppelden hun praktisch verworden kennis aan het nieuwe medium. Ook Gerrit Noordzij ontwikkelde zijn theorie van het handschrift vanuit zijn praktijk. [W.W.]
3063.- Paul Thiers, Kijk op het Zinstorend Miszetsel - erratablad bij de eerste uitgave van De teleurgang van den Waterhoek en de proefdruk bij deze uitgave in Jaarboek van het Stijn Streuvelsgenootschap, 4, 1998, p.315-326, ill.
Stijn Streuvels besteedde zeer veel aandacht aan de grafische kwaliteit van zijn boeken. De eerste druk van `De teleurgang van den Waterhoek' was toevertrouwd aan de Brugse firma Excelsior. Streuvels en zijn Noord-Nederlandse uitgever L.J. Veen waren niet opgetogen over het resultaat. In de boekexemplaren werd dan ook een blad `Zinstorend Miszetsel' ingeschoven. Een vergelijking tussen de bewaarde drukproef en dit blad leert dat het merendeel van de fouten door Streuvels zelf bij de revisie niet werd opgemerkt. Wel is in de definitieve druk een regel weggevallen en vervangen door een andere, dubbel gezette regel. Opmerkelijk is dat ook het blad `Zinstorend Miszetsel' zelf niet foutloos is! [W.W.]
Zie ook nr.
3170
3064.- Lisa Kuitert, "Ons Voorgeslacht " van W.J.Hofdijk. Een negentiende-eeuwse prachteditie in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 6, 1999, p.157-171, ill.
De 19de-eeuwse `prachteditie' was een boek in groot formaat met veel versiering op rug en voorplat. Hoewel fabriekswerk wilde dit type van boek tegenover de `volksuitgave' fungeren als bewijs van welstand en beschaving. Prachtuitgaven werden door middel van intekening aan de man gebracht en verschenen per aflevering. Ook werden niet zelden colporteurs ingeschakeld die langs de huizen gingen om intekenaren te werven. Al deze kenmerken zijn aanwezig in `Ons Voorgeslacht' van Hofdijk, uitgegeven door A.C. Kruseman in de jaren 1858-1864. Kruseman plande een oplage van 2500 exemplaren, maar na de eerste advertenties werden slechts 102 intekenaren genoteerd. Dank zij een ijverig colporteur werden 2300 exemplaren afgezet. Via een fondsveiling nam uitgever P. van Santen de rechten op het werk over en produceerde hij een goedkope uitgave. Restanten daarvan werden nog lang nadien verhandeld. [W.W.]
3065.- A. Van den Abeele, Drukker Joseph De Busscher: een bijkomende situering in Biekorf, 99, 1999, p. 544-545.
Joseph De Busscher werd geboren te Brugge op 6 oktober 1771 en overleed op 21 december 1826. Hij huwde Anna van der Piet, weduwe van drukker Pieter de Sloovere. De herkomst van beiden wijst op het milieu van de vrij welgestelde handeldrijvende burgerij. [W.W.]
3066.- A. Robette, Les Stapleaux, pérennité d'impressions in L'Egypte au regard de J.-J. Rifaud 1786-1852: lithographies conservées dans les collections de la Société royale d'Archéologie, d'Histoire et de Folklore de Nivelles et du Brabant Wallon.- Nivelles: Société royale d'Archéologie, d'Histoire et de Folklore de Nivelles et du Brabant Wallon, 1998, p. 206-209.
Aanzet tot een biografie van het drukkersgeslacht Stapleaux, herkomstig uit Namen, sedert 1794 te Brussel. De drukkerij is er, in de Schaarbeekstraat 12, gevestigd in de gebouwen van de drukkerij Wahlen. Na 1856 associeert E. Guyot zich met Stapleaux en zet de drukkerij vanaf 1856 verder als `Imprimerie Guyot'. [E. C.-I.]
3067.- Alfons K.L. Thijs, Van kleine kopergravuurtjes naar lithografische wandprenten: religieus beeldmateriaal van de Antwerpse drukkerij-uitgeverij Michiel Vinck (ca. 1824-1841) in Volkskunde, 100, 1999, p. 283-313, ill.
De Antwerpse drukker-uitgever Michiel Vinck stamde uit een drukkersfamilie. Aanvankelijk drukte hij devotieprentjes met behulp van reeds versleten, oude koperplaatjes. Na 1828 schakelde hij over naar de lithografie voor de verspreiding van religieus beeldmateriaal. Zijn lithografische productie is van vrij behoorlijke kwaliteit. In 1841 ging Vinck zich te Gent vestigen, waar hij zich blijkbaar niet langer met drukken of uitgeven ingelaten heeft. [W.W.]
3068.- Roger Brucher, Tjienke Dagnelie: Quand le trait se fait lumière. Sens et diversité d'une oeuvre.- La Roche-en-Ardenne: Editions Eole, 1999.- 79 p.: omslag, ill.; 24 x 24 cm. BF 895.
Monografie gewijd aan Tjienke Dagnelie die, van Nederlandse afkomst (Oosterbeek), lange tijd in Indonesië heeft verbleven waarna zij, met een Belg gehuwd in Zuid-België woont. Leerling van Joris Minne in Ter Kameren (1937-1941) werd zij gevormd als boekillustrator. Niettemin beoefent zij als grafisch kunstenaar een vijftiental verschillende technieken, waaronder het potlood, pastel, houtskool, linosnede, monotype, olie, aquarel, gouache, ja zelfs sierpapier. In bijlage geeft B een lijst van de door Dagnelie geïllustreerde werken: ruim vijftig titels waarvan de vroegste in Ter Kameren zelf en slechts op zeer beperkte oplage zijn gedrukt. Van in 1941 werkt zij voor uitgeverijen als Bernaerts, De Lage Landen, La Renaissance du livre, Labor te Brussel, Snoeck-Ducaju en zoon te Gent, Desclée de Brouwer, De Kinkhoren te Brugge, Solédi te Luik, Lannoo te Tielt, de Wereldbibliotheek te Amsterdam/Antwerpen, Wesmael-Charlier te Namen, Brepols te Turnhout, Altiora te Averbode.
Een heel aantrekkelijk, goedgemaakt en instructief boekje dat hopelijk deze onvoldoend bekende kunstenares weer voor het voetlicht brengt. [E. C.-I.]
3069.- Yoko Takagi, Le japonisme et les livres ornementés à la fin du dix-neuvième siècle en Belgique: Découverte de l'art du livre japonais et Max Elskamp in Le livre & l'estampe, 44, 1998, 150, p. 9-66, ill.; 45, 1999, 151, p. 7-51, ill.
Wie zich interesseert voor de invloed van de Japanse kunst op de boekversiering voornamelijk in België rond de eeuwwende, moet dit lezen. [E. C.-I.]
3070.- Lithografie in Nederland. Speciale uitgave van De boekenwereld.- Utrecht: Stichting Matrijs, 1998-1999, p. 7-166, ill. Fl. 20.
Het tijdschrift `De Boekenwereld' wijdde een geheel nummer aan deze grafische techniek. Het accent lag vooral op het ontstaan en de vroege toepassing ervan. Helen C.M. Marres-Schretlen i.s.m. Rob Meijer handelt over `Ontstaan en opkomst van de lithografie in Nederland'. De uitvinding van A. Senefelder werd vrij laat, pas in 1809, vanuit Duitsland in Nederland geïntroduceerd. Zij werd voor het eerst toegepast door een muziekuitgever, de Duitse immigrant L. Plattner. Aanvankelijk kenden de steendrukkerijen weinig succes, zoals M.J.V. Duval de Mercourt mocht ondervinden, ondanks de steun van Willem I. Marja Keyser becommentarieert `De stangenpers'. J.A. Brongers wijst op `Vroege lithografie in het Rijksmuseum van Oudheden' op instigatie van oprichtend directeur C. Reuvens. Dirk de Vries signaleert `Vroege steendrukken in de verzameling "Prenten Nederland " van Bodel Nijenhuis'. A.G. van der Steur wijst op de afbeelding van `Een steendrukkersatelier in 1822'. Rob Meijer besteedt aandacht aan `Jonkheer Hendrik Johan Caan. Pleitbezorger van het geheel gelithografeerde Nederlandse boek' en wijst de mooiste voorbeelden van dit soort boeken aan. Dezelfde handelt daarna over `Papyrografie plus draagbaar lithopresje': een tweevoudige uitvinding die niet aansloeg; in de `papyrografie' wilde Senefelder de lithostenen vervangen door geprepareerde kartons. Meijer wijst ook op `Een vroege toepassing van de `steenplaatdruk' door 't Nut', de `Algemeene ophelderende verklaring van het oud letterschrift'. Korte bijdragen zijn die van Jan Tholenaar over `De steengravure', van A.G. van der Steur over `Porseleinkaartjes' en `De achterkanten van carte-de-visite-foto's' en van R.E.O. Ekkart over `Johann Peter Berghaus en zijn litho's naar foto's'. Jos van Waterschoot belicht `Een totale schipbreuk': de lithodrukker A.J. Bogaerts te Breda was niet in staat aan de eisen van H. Suringar inzake een landkaart te voldoen. Enkele bijdragen (C.H.Slechte, A.G. van der Steur en C. Greven) handelen over de kunstenaars J. Braakensiek en J. Veth. Een uitvoeriger stuk is dat van Lieske Tibbe over R.N. Roland Holst. Zijn grafisch oeuvre bestaat voor het grootste deel uit litho's. Hij koos daarmee voor mogelijke verspreiding onder het grote publiek, en wel onder de arbeidersstand. Het nummer is goed geïllustreerd en sluit met (adres)lijsten van steendrukkers en een `voorlopige' bibliografie.
Een goed en interessant initiatief; wel zijn een aantal bijdragen al te beknopt en komen er nogal wat overlappingen voor. [W.W.]
3071.- Leontine Buijnsters-Smets, H.P. Oosterhuis, een veelgevraagd illustrator van kinderboeken in de negentiende eeuw in De boekenwereld, 15, 1998-1999, p. 176-189, ill.
Haatje Pieters Oosterhuis (1784-1854) was in zijn tijd zeer bekend als boekillustrator. Uitgevers uit heel Nederland deden op hem een beroep voor kinderboeken met de meest uiteenlopende thematiek. Zijn kracht lag in het weergeven van het huiselijk leven. Zeker tien graveurs en/of lithografen hebben zijn werk in prent gebracht. [W.W.]
3072.- M. Paulissen, Ferdinand Crollen, boekbinder en drukker (1833-1897). Een genealogisch onderzoek in De Gulden Passer, 76-77, 1998-1999, p. 295-331, ill.
F. Crollen werkte zich op uit een sociaal laag niveau: zijn vader was bakker, maar eindigde zijn leven als dagloner. Na een opleiding van twee jaar bij de binder M. Behn te Sint-Truiden werkte Crollen vier jaar te Hasselt bij H. Poppe. Die twee werkgevers waren Duitsers; zij maakten deel uit van een netwerk van Duitse boekbinders die zeer mobiel waren. In 1864 maakte Crollen zich zelfstandig te Hasselt. Hij huwde er Maria Joanna Bollen, die als dienstmeid hem geen sociale opgang kon waarborgen. Toch verwierf Crollen relatieve welstand. In zijn atelier stelde hij een aantal mensen te werk, onder wie drie zoons. Naast een binderij hield hij ook een boekhandel en bezorgde hij inlijstingen. Zijn jongste zoon zette het bedrijf verder. Het artikel geeft zeer vele en zeer precieze genealogische details. [W.W.]
3073.- A.A. Struik, The dust-jacket: cloth of gold in the auction room in Quaerendo, 28, 1998, p. 185-214, ill.
Overzicht van het voorkomen, bewaren en verzamelen van de stofomslag, de doorgaans bedrukte losse wikkel rond boeken. De oudst bekende stofomslag komt in 1832 rond een Engels boek voor. In Nederland dateert het oudste exemplaar uit 1866 (rond J.J.L. ten Kate, `De Schepping', gedrukt te Utrecht bij Kemink & Zoon). Sommige bibliotheken bewaren stofomslagen, verzamelen ze zelfs of leggen ten minste een representatieve collectie aan; elders worden zij gewoon weggegooid. [W.W.]
3074.- A.S.A. Struik & Tanja de Boer, Machinaal en mooi: industriële boekbanden uit de collectie Struik.- Den Haag: Museum van het Boek/Museum Meermanno Westreenianum; Amstelveen: Grafische Cultuurstichting, 1999.- 38 p.: ill.; 22 x 12 cm. Fl. 21, 50.
Catalogus van een tentoonstelling in het Museum van het Boek. De Amsterdamse uitgever en collectioneur A.S.A. Struik (°1926) schonk zijn 8000 exemplaren omvattende collectie Nederlandse industriële boekbanden in 1991 aan de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam en in 1994 meer dan 3000 buitenlandse industriële banden aan het Museum van het Boek. De collectie omvat de periode 1840-1940. Voor de tentoonstelling werd door Struik zelf een keuze uit zijn collectie buitenlandse banden gemaakt. Ze zijn alle fraai in kleur gereproduceerd en gaan vergezeld van een individuele commentaar, per band, van de collectioneur zelf. Men wordt zowel getroffen door de deskundigheid (inzake materialen en fabricage) als door het esthetisch plezier waarmee elk object benaderd wordt. Er zijn banden uit Duitsland, Frankrijk, de Angelsaksische wereld en Scandinavië. [W.W.]
Zie ook nr.
3175
3075.- Roger De Kesel, Les sociétés belges de bibliophilie in Le livre & l'estampe, 45, 1999, 152, p. 113-123.
De voorzitter van de `Société royale des bibliophiles et iconophiles de Belgique' schetst bij wijze van dankwoord tijdens een ontvangst door de `Société des bibliophiles rémois' te Reims, een overzicht van de geschiedenis van de bibliofielenverenigingen in België. [E. C.-I.]
3076.- A. Dewitte, De bibliotheek van het Engels klooster te Brugge in Biekorf, 98, 1998, p. 270.
Het oude-boekenbestand telt ca. 22.000 titels, vnl. uit de achttiende eeuw; daarnaast een veertigtal handschriften. Enkele titels worden vermeld. Opgave van literatuur. [E. C.-I.]
3077.- "Reizen in den geest ": de boekenwereld van Guido Gezelle. Teksten: Els Depuydt, An De Vos [e.a.]. Samenstelling: Ludo Vandamme.- Brugge: De Biekorf, 1999.- 208 p.: ill.; 30 cm.
Catalogus van de tentoonstelling, georganiseerd in het Gezellejaar 1999 door de Openbare Bibliotheek `Biekorf' te Brugge. In een inleidende bijdrage behandelt An de Vos `De Bibliotheek van Guido Gezelle in het Gezellearchief te Brugge'. Zij doet het verhaal van een odyssee. Gezelle schonk regelmatig boeken weg (o.a. oude drukken aan de Gentse Academie waarvan hij lid was) zodat bij zijn dood de overblijvende collectie niet geheel representatief mocht heten. Die werd verdeeld onder drie erfgenamen: Jozef en Caesar Gezelle en Stijn Streuvels. De boeken van Jozef Gezelle werden aangekocht door L. Scharpé en na diens dood door de stad Brugge. Ook boeken van Caesar Gezelle kwamen in het bezit van de stad. Onder de ongeveer 1300 `Gezelleboeken' die daar nu berusten is slechts een deel met zekerheid als Gezelles handexemplaren geïdentificeerd. Verdere studie dringt zich op.
Andries van den Abeele schenkt aandacht aan `Drukkers en uitgevers rond Guido Gezelle': dat moeten er rond de honderd geweest zijn! Het contact met drukkers van gelegenheidswerk is meestal toevallig tot stand gekomen. Voor de eigen bundels deed Gezelle doorgaans een beroep op drukkers te Roeselare.
Luc Vints gaat zeer gedetailleerd in op `De Belgische katholieke missiebeweging in de negentiende eeuw ten tijde van Gezelle'. In Gezelles jeugdjaren is die gericht op Noord-Amerika en Engeland. Rond 1850, wanneer Gezelle hoopt ooit zelf missionaris te kunnen worden en wanneer hij ook bij anderen ijverig voor dit ideaal propaganda maakt, wordt de missionering vanuit België met meer kracht en vooral met meer institutionele organisatie ter hand genomen. Tal van congregaties worden met dit doel gesticht of aangepast. Ook de seculiere missiebeweging komt aan bod in speciale seminaries. Op het einde van Gezelles leven ligt Congo als nieuw missiegebied beschikbaar. Voor de katholieke bevolking, van hoog tot laag, was de intense missiebeleving een bewijs voor een nieuw elan van de Kerk.
Na deze drie inleidende studies volgt de `reis in de geest' aan de hand van Gezelles bibliotheek. De notities zijn van de hand van Els Depuydt en W. Muylaert. Zij gaan uit van bewaarde boeken naast begeleidend materiaal (brieven, portretten, efemeer drukwerk). Na Nederland (met Friesland) komen landen uit alle continenten aan bod. Er wordt nadruk gelegd op Gezelles zeer ruime taalkundige belangstelling. Een apart woord van lof verdienen de illustraties in dit werk: die zijn voortreffelijk gereproduceerd. [W.W.]
3078.- D. Geirnaert & R. Tempelaars, Negentien Leidse Gezellebrieven in Opstellen omtrent Guido Gezelle 1899-1999. Extranummer van Biekorf, 99, 1999, p. 346-388.
Uitgave en studie van Gezelles briefwisseling met o.m. Willem de Vreese, G.J. Boekenoogen en L.D. Petit. In bijlage (p. 387-388) "Boeken afkomstig uit Gezelles bezit, thans bewaard te Leiden bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) of in de Universiteitsbibliotheek (UB) ": 12 titels (1554-1805), meest met ex-libris van Willem de Vreese. [M. d. S.]
3079.- Lori van Biervliet, Ontstaansgeschiedenis van het Gezellemuseum 1926-1950 in Biekorf, 99, 1999, p. 434-460.
De gedachte aan een Gezellemuseum ontstond in 1924, in het kader van de Gezelle gedenkdagen ter gelegenheid van de vijfentwintigste verjaardag van Gezelles overlijden. Er werd toen een tentoonstelling aan memorabilia georganiseerd door L. de Wolf. De stad Brugge kocht het huis in de Rolweg aan in 1925; in 1926 werd de stichting Gezelle-museum vzw opgericht en kreeg ze van de stad de toestemming om zich in het geboortehuis te vestigen. De verzameling handschriften groeide vooral aan door stukken uit het bezit van Cordelia van de Wiele, Gezelles secretaresse, en van Cesar Gezelle. In 1949 werden geschriften uit de nalatenschap van Hendrik van Doorne verworven. In hetzelfde jaar liet de familie twee kisten documenten en brieven triëren, waarbij de papieren met confidentiële inhoud uit het museum verwijderd werden. [W.W.]
3080.- Ludo Vandamme, Het Gezellearchief in de Openbare Bibliotheek Brugge in Biekorf, 99, 1999, p. 461-412.
Eens verworven door de stad Brugge in 1971, werd het Gezellearchief ondergebracht in de hoofdbibliotheek van de Stedelijke Openbare Bibliotheek Brugge. Hoe Gezelle zelf met zijn archief omging, is onduidelijk. In 1899 kwam de nalatenschap van de Gezellepapieren aan twee jonge neven: Cesar Gezelle en Frank Lateur, alias Stijn Streuvels. Een halve eeuw lang werd het archief samengebracht, bewaard en geraadpleegd in het geboortehuis. Het vormt een ietwat complex geheel, minder een archief dan een verzameling. Het bijeenbrengen was vooral het werk van Paul Allossery, de eerste conservator. Het archiefonderdeel correspondentie omvat ca. 4.000 documenten. Het latere archief bestaat uit handschriften van Gezelles poëzie en ander literair werk. Centraal in het filologisch archief staat de waardentas, 200.000 fiches met lexicografisch materiaal. [W.W.]
3081.- Ria Jansen-Sieben (red.), 's Levens felheid in één band: handschrift-Van Hulthem. Met bijdragen van Jos A.A.M. Biemans, Bernard Bousmanne [e.a.].- [Brussel]: Centrum voor de Bibliografie van de Neerlandistiek, [1999].- 147 p.: omslag, ill., facs.; 25 cm. BF 500.
Hans van Dijk, 's Levens felheid in één band: handschrift-Van Hulthem.- Brussel: Koninklijke Bibliotheek van België, 1999.- 44 p.: ill.; 26 cm.- (Koninklijke Bibliotheek van België, D 22). BF 100.
Codices miscellanearum: Brussels Van Hulthem Colloquium 1999 = Colloque Van Hulthem, Bruxelles 1999. Ed. R. Jansen-Sieben & H. van Dijk.- Brussels = Bruxelles: Archives et Bibliothèques de Belgique = Archief- en Bibliotheekwezen in België, 1999.- 89 p.: omslag, ill.; 24 cm.- (Archief- en Bibliotheekwezen in België, extranummer 60).- ISSN 0775-0722. BF 300.
N.a.v. de restauratie van het handschrift-Van Hulthem, tot `Cultureel Ambassadeur van Vlaanderen' uitgeroepen, organiseerde de KB Brussel een tentoonstelling. Het dossier van de hand van prof. dr. Hans van Dijk vormt een goede inleiding op de diverse aspecten van het handschrift: de vroegere bezitter, het handschrift als materieel object, de inhoud (met vooral aandacht voor de abele spelen en de reis van Sint-Brandaan) en de functie ervan.
De catalogus bij de tentoonstelling volgt hetzelfde schema, maar mist de helderheid van het dossier. Eerst wordt de figuur van Charles van Hulthem belicht door Luc François. Hij biedt ons een overzicht van de verschillende politieke functies die Van Hulthem heeft bekleed, maar over zijn verzameling wordt met geen woord gerept; dit tracht men goed te maken door de catalogusnummers die erop volgen. In het tweede deel komt de inhoud van het handschrift aan bod: eerst algemeen (Saskia Hutten), dan een inhoudsoverzicht. Hierop worden drie teksten uit het handschrift nader onderzocht: de Brandaan (W.P. Gerritsen), de Borchgravinne van Vergi (R. Jansen-Sieben) en de abele spelen (H. van Dijk). Na elk van de drie besprekingen komen een aantal catalogusnotities m.b.t. manuscripten, oude en nieuwe drukken, kaarten en (kunst)voorwerpen die in verband staan met de besproken tekst. Het derde deel bespreekt het fenomeen van verzamelhandschriften en stelt de vraag welke de functie was van het handschrift. Het vierde deel handelt over de eerdere restauraties en de conservatie van het handschrift, door de restauratrices Lieve Watteeuw en Ann Peckstadt.
De besprekingen in het catalogusgedeelte zijn zeer ongelijk, zowel wat de lengte, de inhoud als de literatuurbibliografie betreft. Zo is het bijvoorbeeld jammer dat onder het nummer I.13 vijf ex-librissen van Charles van Hulthem zijn afgebeeld, maar er niets over gezegd wordt. Soms wordt er iets over de inhoud gezegd, over de auteur en het werk, soms over het exemplaar, soms over de illustraties, soms helemaal niets. De literatuuropgave bij de verschillende items is ontmoedigend: nu eens is er geen, dan is ze niet recent of is ze onvolledig; slechts twee voorbeeldjes: bij de bespreking van de `Borchgravinne van Vergi' wordt het artikel van Duchateau en De Schutter niet vermeld en bij de incunabelen uit de verzameling van de KB Brussel (afgekort als KBR) wordt zelfs niet naar Polain verwezen. Dit handschrift, door sommigen de `Nachtwacht van de Middelnederlandse letterkunde' geheten -waarom niet het `Lam Gods van de Middelnederlandse letterkunde', gezien de tijd, variatie in de genres en vragen bij de onderliggende samenhang van de verschillende delen?- verdiende veel beter.
Tenslotte nog een opmerking over de materiële uitvoering: het boek is te strak gebonden om de mooie facsimiles volledig tot hun recht te laten komen.
Net vóór het jaareinde verschenen de handelingen van het colloquium aan het handschrift gewijd, duidelijk alléén voor een internationaal publiek bestemd: geen enkele bijdrage in het Nederlands. Lezenswaard is, ook voor bibliologen, de bijdrage van Peter Gumbert over het fenomeen verzamelhandschrift; zie hierover ook in de catalogus door Hans van Dijk. [J.H.]
3082.- Robrecht Lievens, Charles van Hulthem als vriend in Spiegel der letteren, 41, 1999, p. 229-277, ill.
Handelt (bijna) niet over de boeken-mens Van Hulthem, maar des te meer over de nagenoeg onbekende persoon Van Hulthem. L. kwam op het spoor van een correspondentie (35 brieven!) van de Gentse politicus uit diens Parijse jaren (1798-1805). VH bleek bevriend te zijn geweest met de Franse filosoof Maine de Biran (1766-1824). De brieven zijn gepubliceerd in diens Oeuvres (dl. VI, 1930), maar zijn bij alle VH-kenners (inclusief F. Leleux!) onbekend gebleven. Onderwerpen zijn: vriendschap, politiek, lectuur, bezoeken, belangstellingssferen, ontmoetingen, vrouwen (dan toch?), Vlaanderen en (een beetje) bibliofilie. Niet te missen. [M. d. S.]
3083.- Claude Sorgeloos, Le rachat de la bibliothèque du chanoine Puissant par le général Willems: une lettre de Prosper Verheyden (1932) in Le livre & l'estampe, 45, 1999, 152, p. 43-51.
In de bewuste brief, bewaard in de `Fonds Puissant' van de Universiteit te Bergen (Hg), treedt Verheyden op als een bemiddelaar die op verzoek van generaal Jacques Willems (1870-1957), toenmalig voorzitter van de `Societé des bibliophiles et iconophiles de Belgique', een poging onderneemt kanunnik Edmond Puissant (1860-1934) er toe te bewegen tenminste een deel van zijn bibliotheek aan de generaal te verkopen. Twee jaar later sterft de kanunnik en al zijn boeken zijn in Mons gebleven en bewaaard in de sindsdien opgerichte UB. [E. C.-I.]
3084.- Marco Daane, Een papieren kaartenhuis. De geschiedenis van Regenboog, Gents `oorlogs'-tijdschrift in Revolver, 26, 1999, p. 5-44, ill.
Wordingsgeschiedenis van het bibliofiele tijdschrift `Regenboog' met `verluchting' door Jozef Cantré. Het eerste nummer werd geregistreerd op 1 maart 1918 en verspreid in april van dat jaar. `Regenboog' werd gepubliceerd door Hippoliet Meerts uitgeverij Plantyn. Onbekend tot nu toe is het feit dat er ook een tweede nummer moet verschenen zijn, en wel in juli 1918. Geen enkel exemplaar daarvan is bewaard gebleven in openbare bibliotheken of archieven. Wel zijn persreacties overgeleverd. In dat nummer zouden o.m. verzen van A. Jolles, K. van de Woestijne en R. Minne opgenomen zijn. [W.W.]
3085.- W.A. Laseur m.m.v. Jos van Heel, Het Museum Meermanno-Westreenianum 1848-1960: een bijdrage tot de geschiedenis van het museum en zijn bewoners.- 's-Gravenhage: Museum van het Boek / Museum Meermanno-Westreenianum, 1998.- 236 p.: portr., ill.; 24 cm.- ISBN 90-73930-21-9. Fl. 44, 90. Distributie: SeaPress/Uitgeverij Lakerveld bv, Postbus 43250, NL-2504 AG Den Haag.
Heel lang was het Museum Meermanno-Westreenianum (MMW) een geheime tip voor de echte boekenkenners. Het vergde enige moed (en een goede timing) om het pand met de zwaar beletterde voorgevel te betreden. Men kwam dan ook meteen in de vroege negentiende eeuw terecht. Langzaam drong het door dat men in een schatkamer was beland: Egyptische en Griekse voorwerpen, munten, oude meubels, portretten, maar ook rijen marokijnbanden met Latijnse titels en ongelooflijk vroege jaartallen. Het statige huis bleek een van de grote Nederlandse incunabelcollecties te bevatten. Thans is het een dubbelmuseum: ook het Museum van het Boek heeft er zich in een gelukkige symbiose genesteld om de draad op te nemen waar de oorspronkelijke collectie was geëindigd. Nu dat "actieve " museum zich voorspoedig ontwikkelt lijkt het ogenblik gekomen om terug te blikken naar het vertrekpunt: de schitterende collectie die het Koninkrijk der Nederlanden met flink wat tegenzin in 1848 aanvaarde. Oud-bibliothecaresse W.A. Laseur verzamelde jarenlang materiaal voor de geschiedenis van het huis en zijn bewoners. Met hulp van J.J. van Heel heeft zij die op een aangename wijze beschreven, in een bedachtzame stijl die goed harmonieert met de sfeer van het huis.
Het boek begint met een uitvoerige levensschets van W.H.J. baron van Westreenen van Tiellandt (1783-1848). Op jeugdige leeftijd reeds begon hij te verzamelen onder invloed van de kenner van het oude Nederlandse boek Jacob Visser (1724-1804) en van de grote antiquaar Pieter van Damme (1727-1806). Toen de stad Den Haag het legaat van Van Westreenens achterneef Johan Meerman (1753-1815) niet wenste te aanvaarden werd diens rijke bibliotheek, die Johan van zijn vader Gerard Meerman (1722-1771) had geërfd en ook flink had uitgebreid, in 1824 geveild. Het werd één van de monumentale veilingen uit de legendarische negentiende eeuw. Van Westreenen slaagde erin o.m. 63 incunabelen en 45 handschriften te kopen. Tot zijn overlijden groeide zijn collectie gestaag met middeleeuwse handschriften, Nederlandse incunabelen, Elzeviers enz. Huis en boeken legateerde hij aan het Rijk. Na talrijke strubbelingen kwam het Museum Meermanno-Westreenianum tot stand, onder beheer van de bibliothecarissen van de Koninklijke Bibliotheek. Mevrouw Laseur laat hen allen even voor het voetlicht komen in hun relatie tot het MMW (van Holtrop en Campbell tot Brummel). Zij beschrijft dan het beheer van het museum (personeel, gebouw, inrichting en verzamelingen). De inwonende custodes (van Zuijdevelt tot Knuttel) worden dan geschetst, met enige aandacht voor de particuliere trekjes. Tot slot komen aan bod: de tuin en het Fonds van het museum. In bijlagen volgen handige overzichten van alle bij het MMW betrokken personen en van de indelingen van het gebouw, een literatuurlijst en een register.
Dit - noblesse oblige - stijlvol uitgegeven boek is een voortreffelijke bijdrage tot de Nederlandse bibliotheekgeschiedenis. Met de geschiedenis van de Koninklijke Bibliotheek (zie Kroniek 24 nr.
2806-2087) en van het MMW is Den Haag een van de best beschreven boekensteden van boekenland Nederland. [M. d. S.]
3086.- Gerard Jaspers, `Durch Tausch erworben': een ruil van Baron van Westreenen met de Königliche Bibliothek Bamberg in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 1999, p. 145-176, ill.
Tenminste twee drukken heeft baron Van Westreenen in 1840 met de bibliotheek in Bamberg geruild tegen een zg. incunabel van Anton Koberger en een Missale Benedictinum uit 1481: het Boeck des gulden throens van Otto van Passau (Utrecht 1480), een missaal voor het bisdom Utrecht uit 1540 en drie catalogi. Echter, wat de baron in ruil kreeg, bleek noch een Koberger te zijn, noch een benedictijns missaal uit genoemd jaar. Het uitgesponnen, intrigerende relaas over wat er en hoe dat is geschied, leest u best zelf! [E. C.-I.]
3087.- Andries Van den Abeele, The Albion Library (1844-1847 of 1857), een Engelse uitgever in Brugge in Biekorf, 99, 1999, p. 276-277.
James Ralfe (1787-1857), geboren te Portsmouth, vestigde zich in 1844 in Brugge als boekhandelaar en houder van een leeskabinet. Hij moet zijn diensten praktisch uitsluitend ter beschikking gesteld hebben van de Engelse kolonie in Brugge, want hij komt niet voor in Brugse jaaralmanakken als boekhandelaar. Hij trad ook als uitgever op, o.a. voor de Engelse auteur Thomas Forster toen die te Brugge woonde. De door hem uitgegeven werken dragen dikwijls een Brits co-adres. Vermoedelijk liet hij drukken te Brugge, maar liet hij de uitgave mede financieren door een Engels vakgenoot met het oog op een te verwachten grotere afzet in Engeland. [W.W.]
3088.- Serge Bouffange, Livres d'éducation et politique éditoriale Casterman, 1830-1880 in Education & Société. Revue hainuyère d'histoire de l'enseignement et de l'éducation, 2, 1998, p. 49-79.
Voor de uitgeverij Casterman was het verspreiden van katholieke waarden een eerste roeping. De uitgeverij verspreidde zowel schoolboeken als devotie- en gebedenboeken, liturgische werken, fictie en (hagiografische) biografieën. Opvallend was dat Casterman deze hele gamma bestreek, dat de uitgeverij in haar soort de grootste van het land werd en tevens een niet gering deel van de markt in Frankrijk inpalmde. De 19de eeuw was gunstig voor het schoolboek in België: het aantal scholen nam sterk toe en het analfabetisme daalde. De productietechnieken van het boek zorgden voor meer aantrekkelijke werken. Succesauteurs, die soms nog uit het Ancien Regime stamden (Fénelon) kregen het gezelschap van nieuwe grootheden zoals Michel Thil-Lorrain en Adolphe Siret. [W.W.]
3089.- Jacques Hellemans, La contrefaçon, facteur de vitalité de l'édition bruxelloise in Le livre & l'estampe, 45, 1999, 152, p. 53-80.
Het ligt voor de hand dat het onrechtmatig nadrukken (van Franse auteurs) in België voor de Brusselse uitgevers geen windeieren legde. Begrijpelijk dus ook dat dit typisch Belgisch / Brusselse fenomeen van de `contrefaçon' vaak onder de aandacht wordt gebracht. Het jaar tevoren verscheen van de deskundige ter zake, François Godfroid, Aspects inconnus et méconnus de la contrefaçon en Belgique (Bruxelles: Académie royale de langue et littérature françaises, 1998, 924 p.). [E. C.-I.]
3090.- Nel van Dijk, Een onverbiddelijke bestseller! De promotie van literair werk in de twintigste eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 6, 1999, p. 173-187, ill.
Promotie van literatuur is pas in de huidige eeuw en eigenlijk pas na de Tweede Wereldoorlog tot bloei gekomen. Verschillende partijen waren daarbij betrokken: de uitgeverij, de boekhandel, de dag- en weekbladkritiek, de overheid en de auteurs zelf. Reeds in de 19de eeuw was Louis Couperus zeer bedreven in het propageren van eigen werk, vooral door zijn activiteit als voordrachtskunstenaar. In de 20ste eeuw ontwikkelden Jan Cremer en Gerard Reve grote zin voor publiciteit. Een recent middel om reclame voor literatuur te maken zijn de grote commerciële prijzen (AKO Literatuurprijs, Libris Literatuurprijs, Gouden Uil). En dan is er nog het Internet! [W.W.]
3091.- Adrienne & Luc Fontainas, Publications de la Librairie Deman: bibliographie. Préface de François Chapon.- Bruxelles: Archives et Musée de la Littérature, 1999.- X, 374 p.; 22 cm.- (Documents pour l'histoire des francophonies, 2).- ISBN 2-87168-015-9. BF 450.
In 1997 verscheen van het echtpaar Fontainas een biografie (zie Kroniek 23
nr. 2766). Nu is de bibliografie van de Brusselse uitgever Edmond Deman (1857-1918) aan de beurt. De schrijver van het woord vooraf, François Chapon, stelt de uiteenlopende maar o zo noodzakelijke gaven, eigen aan de auteurs, om tot een goede bibliografie te komen, niet zonder een vleugje ironie in het licht. Zoals vrijwel elke goede bibliografie veronderstelt ook deze een niet te meten investering aan tijd en energie vooraleer de definitieve beschrijving op papier staat. Deman, zelf kunstverzamelaar, specialiseerde zich in fraaie uitgaven, door kunstenaars versierde of geïllustreerde uitgaven. Fernand Khnopff ontwierp vijf uitgeversmerken voor hem. Veel heeft Deman niet uitgegeven: een vijftigtal boeken en vijf platenalbums, in kleine oplagen; hij was wat men noemt een bibliofiele uitgever. Leven deed hij van de boekhandel. Hij liet drukken bij de bekende Veuve Monnom en Alexandre Berqueman, bij Gustave Fischlin te Brussel en bij anderen. De (Franse en) Frans-belgische auteurs en de illustratoren behoren grotendeels tot de artistieke kringen van het ogenblik rond `Les XX' en `La Libre Esthétique': Verhaeren, Van Rysselberghe, Redon.
De in 1986 verschenen bibliografie (Le Bulletin du bibliophile) bleek achteraf een goede aanzet te zijn van wat het uiteindelijk moest worden. De vele bijzondere exemplaren, de verschillende omslagen, opdrachten, nummeringen en dies meer werpen een licht op hoe alles in zijn werk is gegaan. Zoveel mogelijk exemplaren zijn opgespoord en in detail geanalyseerd. De 55 boeken zijn chronologisch geordend; voor elk is een klassieke titelbeschrijving gegeven met extra aandacht voor de zeer gedetailleerde paginering; in vijf rubrieken volgen (1) de analytische beschrijving, (2) de editie, (3) de versiering, (4) de vindplaatsen niet alleen van de exemplaren maar ook van de betreffende correspondentie, de manuscripten, opmaakinstructies en drukproeven, (5) literatuuropgave. Vervolgens is een kort hoofdstuk gewijd aan de zestien boeken niet door Deman uitgegeven, waarvan een deel van de oplage voor hem is gedrukt. En dan zijn er natuurlijk zijn boekhandelscatalogi, bulletins, prijs- en veilingcatalogi die wegens hun efemeer karakter lang niet alle bewaard zullen zijn. Zelfs aan uitgaveprojecten die om uiteenlopende redenen niet tot stand zijn gekomen, wordt aandacht gewijd; het zijn er véél. Een lijst van geciteerde werken en registers ronden de bibliografie af.
Wie dacht dat uit vijftig boeken en nog wat anderssoortige publicaties zoveel informatie allerhande te halen viel? Misschien is ze niet altijd even goed opzoekbaar gemaakt. Wat ik mis bijvoorbeeld, is in de titelbeschrijving, de aanduiding van de drukker (hij komt wel verder in de beschrijving voor, maar het is een zoektocht) en, daarmee gepaard gaande, een drukkersregister. Een afzonderlijk register voor de boekversierders en de illustratoren zou ook dienstig geweest zijn. Alleen degene die geheel met de wereld van Deman vertrouwd is, vindt in het ene grote register wat hij zoekt. Maar ach, er is zóveel waarvoor wij de auteurs dankbaar moeten zijn. [E. C.-I.]
3092.- L. Van Acker, Schoolboeken in het Westland, 1810 in Biekorf, 99, 1999, p. 161-174.
In een circulaire van 18 december 1810 vroeg de prefect van het Leiedepartement aan alle kantonbesturen hem zo vlug mogelijk een lijst te bezorgen van de personen die boeken verkochten. Het kanton Haringe was reeds op 29 december klaar met een lijst van occasionele boekhandelaars. Hun waar bestond uit religieuze literatuur, gebruikt als schoolboek, en uit almanakken. De productie van Gentse drukkers overheerste, vooral die van B. Poelman. De vraag van de prefect was niet gratuit: korte tijd later werden de religieuze boeken aangeslagen die niet strookten met de door Napoleon voor zijn hele rijk uitgevaardigde keizerlijke catechismus. [W.W.]
3093.- Marieke van Delft, De `Flora Batava': het eerste overzicht van de Nederlandse wilde planten in woord én beeld in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 1998, p. 115-143, ill.
Van dit botanische `woordenboek der Nederlandsche taal' verscheen het eerste deel in 1800, het laatste in 1934 (461 afleveringen in 28 delen), met over de 2.000 afbeeldingen. Tekst, illustratie en de illustratietechniek zijn in handen van diverse personen geweest. De auteur gaat in deze boeiende bijdrage in op het waarom van zo'n uitgave, wie er bij betrokken waren, op welke wijze het werd gepubliceerd en wat de wetenschappelijke waarde ervan is. Initiator was uitgever Jan Christiaan Sepp en Zoon; achtereenvolgens werd de uitgave verdergezet door De Breuk & Smits te Leiden, de Erven Loosjes te Haarlem, Martinus Nijhoff, Den Haag. De tekenaars, het drukken en het inkleuren worden besproken; ook het economisch aspect komt even aan de orde. Met het einde van de onderneming was ook de taak voltooid: alle inheemse Nederlandse planten zijn er in opgenomen. De Flora bewijst nog steeds haar nut al was het maar om de gestandaardiseerde plantennamen in het Nederlands. [E. C.-I.]
3094.- Paul Thiers, Bibliografie van "De teleurgang van den Waterhoek " van Stijn Streuvels in De huid van Mira. Jaarboek van het Stijn Streuvelsgenootschap, 4, 1998, p. 343-350 (noten p. 387).
Stijn Streuvels, De teleurgang van den Waterhoek. Tekstkritische editie door Marcel de Smedt en Edward Vanhoutte.- Antwerpen: Manteau, 1999.- 316 p.: ill.; 22 cm.- ISBN 90-223-1538-X (geb. met cd-rom); 90-223-1535-5 (gen.).
Thiers bibliografie van de veertien uitgaven van de "Teleurgang " (1927-1987) heeft ook aandacht voor de vormgeving. De nieuwe editie van het werk wordt hier vermeld omdat het een van de eerste is waarbij de hele "overlevering " en drukgeschiedenis van een twintigste-eeuws Vlaams literair (proza)werk gedocumenteerd en gereconstrueerd werd. De cd-rom bevat de teksten van de tijdschriftversie, van de eerste en tweede druk, evenals digitale facsimiles van het handschrift en van door Streuvels bewerkte exemplaren van de eerste drukversies. [M. d. S.]

Go Top
Archives et bibliothèques de Belgique - Archief- en bibliotheekwezen in België, Nog niet gepubliceerd: nrs. 3095-3212.
KRONIEK VAN HET GEDRUKTE BOEK
IN DE NEDERLANDEN TOT 2000

-26-
Afgesloten op 31 december 2000
door
Elly COCKX-INDESTEGE (Brussel)
Pierre DELSAERDT (Leuven)
Johan HANSELAER (Gent)
Hubert MEEUS (Antwerpen)
Marcus de SCHEPPER (BRUSSEL)
Werner WATERSCHOOT (Gent)

Redaktieadres: E. Cockx-Indestege,
Koninklijke Bibliotheek, Keizerlaan 4,
B-1000 Brussel
Tel.: 32 (0)2 519 54 35. Fax: 32 (0)2 466 51 87
E-mail


Met ingang van Kroniek 26 is besloten de grens van 1940 te verleggen tot 2000: dit wordt hoofdstuk H. 1940-2000. Wel zal een strengere selectie worden doorgevoerd, terwijl de publicatie duidelijk een historisch karakter moet hebben.
Na de algemeenheden zijn de notities chronologisch gerangschikt en per thema of onderwerp (in vetjes) volgens een vast schema gegroepeerd: 1. Literatuurbericht en Vakwoordenboeken; 2. Bibliografie (methodologie en repertoria); 3. Drukmateriaal; 4. Zetten en drukken; 5. Drukkers, steden, regio's; 6. Boekversiering en -illustratie; 7. Boekband; 8. Bibliotheken en Bibliofilie; 9. Boekhandel en Uitgeverij; 10. Onderwerpen.
De lezers van de Kroniek worden er aan herinnerd dat zij de redactie attent kunnen maken op recent verschenen publicaties en haar overdrukken van eigen artikelen kunnen doen toekomen. Een en ander wordt in dank aanvaard.

3095.- Lexikon des gesamten Buchwesens - LGB2. Hrsg. Severin Corsten [et al.].- Stuttgart: A. Hiersemann.- 1998-1999. Band 5, Lieferung 40. Band 6, Lieferung 41, 42.
3096.- Die Buchkultur im 15. und 16. Jahrhundert. Zweiter Halbband. - Hamburg: Maximilian Gesellschaft, 1999.- 423 p.: ill.; 31 cm.- ISBN 3-921743-40-0 (Gesamtwerk); ISBN 3-921743-42-7.
Zoals in de eerste band, verschenen in 1995 (zie Kroniek 22 nr. 2431), bestaat ook deze uit capita selecta. Anneliese Schmitt behandelt `Tradition und Innovation von Literaturgattungen und Buchformen in der Frühdruckzeit', Stephan Füssel `Die Bedeutung des Buchdrucks für die Verbreitung der Ideen des Renaissance-Humanismus', Norbert H. Ott, `Leitmedium Holzschnitt: Tendenzen und Entwicklungslinien der Druckillustration in Mittelalter und Früher Neuzeit', Wolfgang Schmitz, `Reformation und Gegenreformation in der Entwicklung von Buchdruck und Buchhandel', Ursula Rautenberg, `Buchhändlerische Organisationsformen in der Inkunabel- und Frühdruckzeit'. De in de eindnoten verkort geciteerde literatuur is achterin integraal opgenomen (p. 377-412)! Een cumulatief register sluit het boek af. [E. C.-I.]
3097.- Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 1999.- Amsterdam: De Buitenkant, 2000.- 167 p.: ill.; 22 cm.- ISBN 90-76452-52-0; ISSN 1383-4584.
De voor de Kroniek relevante artikels zijn afzonderlijk besproken. Zie voor de vorige jaarboeken de vorige Kronieken! Het linnen van de band is ditmaal donkerkarmijn. [E. C.-I.]
Zie ook nrs.
3110; 3114
3098.- Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis.- Leiden: Nederlandse Boekhistorische Vereniging, 7, 2000.- 241 p.: omslag, ill.; 23 cm.- ISBN 90-75133-07-3; ISSN 1381-0065.
In dit zevende jaarboek staan weer stuk voor stuk lezenswaardige bijdragen; de meeste ervan zijn afzonderlijk besproken. Eén artikel, van Eef Overgaauw, handelt over een handschrift dat vermeld wordt omdat het in de sfeer van de Broeders des Gemenen Levens ligt; bovendien is het een mooi staal van kritische benadering met wikken en wegen. Johan de Zoete doet in het kort het verhaal van het in 1893 opgerichte Museum Enschedé in Haarlem, en presenteert het project `inventarisatie' van de kern- en de deelcollecties (resp. bv. stempels en matrijzen, letterproeven, drukvormen; bibliotheek, machines en gereedschappen, familiearchief, enz.). P.J. Verkruysse hangt een beeld op van het electronische en gedigitaliseerde oude-boekenbezit in Spanje; de nodige dosis ironie is nooit ver weg! Frans A. Janssen geeft een besprekingsartikel ten beste n.a.v. het verschijnen van de Typographia Batava en Marieke van Delft verzorgt weerom een lijst met publicaties op het terrein van de boekwetenschap verschenen in 1999.
De vormgeving lag opnieuw bij Rudo Hartman, Den Haag. Op het omslag prijkt een embleem uit het liber amicorum van Homme van Harinxma, een handschrift onlangs door de KB Den Haag verworven. [E. C.-I.]
3099.- Marieke van Delft & Marco de Niet, Bibliopolis, developing the one-stop shop for the history of the book in the Netherlands in Quaerendo, 30, 2000, p. 240-249, ill.
Daar waar een gedrukte geschiedenis van het gedrukte boek in de Nederlanden niet op subsidies van de overheid kon rekenen, kon er wel geld vrijkomen voor een electronisch bestand op het Internet. Met het nieuwe middel is echter het begrip `Netherlands' vernauwd tot `Nederland'. Vlaanderen valt dus uit de boot, al zijn er in de loop der eeuwen veel banden geweest, zoals ieder boekhistoricus wel weet. Dit is bijzonder jammer. [E. C.-I.]
3100.- Nieuwe media in De boekenwereld, 16, 1999-2000, p. 57-111, ill.
Bijna de gehele aflevering is gewijd aan de nieuwe media (omslagtitel) in de wereld van het boek. In het openingsartikel van Marieke van Delft over `Boekwetenschap op Internet': een bibliografisch naslagapparaat waarvan de aangetroffen informatie echter kritisch moet worden gewogen. Tot het met vrucht zoeken en vinden draagt Bibliopolis bij. Over `Bibliopolis en ommelanden' heeft dezelfde auteur samen met Marco de Niet een bijdrage geschreven. Een gedrukte en uitgegeven geschiedenis van het gedrukte boek in de Nederlanden kon destijds niet op subsidie rekenen. Van de nood een deugd makend is het nu een gedigitaliseerd project geworden voor de geschiedenis van het gedrukte boek in Nederland (Vlaanderen valt nagenoeg uit de boot). Beter één vogel in de hand, zeg maar, dan twee in de lucht! [E. C.-I.]
3101.- Carmelia Opsomer, Les arts d'écriture en pays wallon in Un double regard sur 2000 ans d'art wallon.- [Bruxelles]: La Renaissance du livre: Crédit communal, 2000, p. 189-205, ill.
Overzicht in vogelvlucht van het geschreven en gedrukte boek in Zuidelijk België. [E. C.-I.]
3102.- Hoort wonder! Opstellen voor W.P. Gerritsen bij zijn emeritaat. Red. Bart Besamusca, Frank Brandsma, Dieuwke van der Poel.- Hilversum: Verloren, 2000.- 192 p.: omslag, ill.; 24 cm. (Middeleeuwse Studies en Bronnen, 70).- ISBN 90-6550-614-4.
Tekstoverlevering houdt niet op met de uitvinding van de boekdrukkunst. In deze fraaie en prettig leesbare bundel korte opstellen -waarbij (ver)wonderlijke vaststellingen tot nadere vraagstelling en onderzoek stimuleren- staan er enkele die de biblioloog/bibliograaf ook moet kennen. Zo is er het gesprek over een lied uit het Antwerps Liedboek van Jan Roelants (1544) door Jeske van Dongen in `Melodieën voor het Windeken: een gesprek aan tafel': hoe is de overlevering van dergelijke liederen -tekst en wijze- wel verlopen? Annette Hemmes-Hoogstadt, Toppers van toen met een stel `gouwe ouwen' heeft het over de inhoud van het Kamper Liedboek, omstreeks 1540 door Jan Petersz te Kampen gedrukt. Marjolein Kool betreedt het grensgebied tussen raadsels en rekensommen, waarbij de eerste enkel met rekenen te ontraadselen zijn, de tweede met een `weetje' op te lossen. In `Raden of rekenen?' vertrekt zij van een gebrekkig raadsel uit Een nieu clucht boecxken door Pauwel Stroobant te Antwerpen omstreeks 1600 gedrukt. Jaap Tigelaar interesseert zich voor Die alder excellenste cronyke van Brabant in 1498 door Roland van den Dorpe te Antwerpen gedrukt (`Het voorhuidje van Onze-Lieve-Heer in Antwerpen'). [E. C.-I.]
Zie ook nr.
3133
3103.- Ed Schilders, Met behulp van een krommen spijker: pater Bonaventura Kruitwagens tweede `Campbell' in De boekenwereld, 17, 2000-2001, 1, p. 12-21, ill.
Sappig geschreven relaas van een bibliofiele vondst n.a.v. de opruiming van het franciskanenklooster te Weert. Niet dat een exemplaar van Campbells Annales voor de niet-incunabulist die S is, zo bijzonder is. Maar als het gaat om het handexemplaar van pater Kruitwagen dat hij na de complete vernietiging bij het bombardement van zijn bibliotheek te Rotterdam in 1940, opnieuw zocht en vond en op de hem zo eigen manier uitvoerig van aantekeningen voorzag in de jaren die hem nog restten, krijgt zo'n boek een heel andere waarde. [E. C.-I.]
3104.- Lotte Hellinga, Compositors and editors: preparing texts for printing in the fifteenth century in Gutenberg-Jahrbuch, 2000, p. 152-159.
Dit terrein is door de auteur al langer omgewoeld en geëffend. In dit gelegenheidsoverzicht gaat het over het verschijnsel tekstvarianten en de oorzaken ervan, de verhouding zetter - tekstbezorger, wie de structuur in een gedrukte tekst aanbracht op welke kopij (`intermediate document'), het belang van dit type document voor de teksttransmissie. [E. C.-I.]
3105.- Henri-Jean Martin, Mise en page et mise en texte du livre français: la naissance du livre moderne (XIVe-XVIIe siècles). Avac la collaboration de Jean-Marc Chatelain, Isabelle Diu, Aude Le Dividich et Laurent Pinon.- (Partis): Ed. du Cercle de la Librairie, (2000).- [8], 491 p.: ill.; 31 cm.- ISBN 2-7654-0776-2.- 6.528 BF
Henri-Jean Martin (1924), de auteur met Lucien Febvre van het L'apparition du livre en directeur van de Ecole pratique des hautes études in Parijs, wil in dit monumentale boek uitgebreid en met véél illustratiemateriaal aantonen dat de tekst nooit van het object boek te scheiden is, dat dit laatste de draagwijdten aangeeft en dat de analyse van dat boek onontbeerlijk is om de bouw en de verspreiding ervan te begrijpen. Het geschreven woord is van een andere aard dan het gesproken en elke tijd is, bij het overdragen van tekst, sterk door de technische evolutie bepaald. De bronnen (zoals de rol van de humanisten, de Broeders van het gemene leven en Windesheim) en de wegen (zoals de rol van de Sorbonne) van de vernieuwing zijn uitvoerig, maar niet altijd even nauwkeurig, besproken. Drukletter, beeld, tekstgenre zijn de belangrijke aspecten die de typografische vormgeving (mise en page) van een gestructureerde tekst (mise en texte) bepalen. Deze studie is op Frankrijk gericht maar grensoverschrijdende voorbeelden, waaronder Deventer, worden aangehaald. Eén van de grote verdiensten is, afgezien van het gestelde doel, de overvloed aan illustraties, onontbeerlijk om gedachtengang en ontwikkeling doorheen de tijd te kunnen volgen. [E. C.-I.]
3106.- Ergänzungen und Korrekturen zu Schwenke/Schunke [und zu Kyriss] in Einbandforschung: Informationsblatt des Arbeitskreises für die Erfassung und Erschliessung historischer Bucheinbände (AEB), 6, 2000, p. 28-33, ill.
Tussentijdse resultaten van voortgezet onderzoek bijgedragen door verschillende auteurs (cf. Kroniek 25
nr. 2944). Interessant voor de Nederlanden kunnen zijn Trier, Soest, Luik en Keulen. [E. C.-I.]
3107.- Le livre voyageur: constitution et dissémination des collections livresques dans l'Europe moderne (1450-1830). Actes du Colloque international organisé par l'Ecole nationale supérieure des sciences de l'information et des bibliothèques (ENSSIB) et le Consortium of European Research Libraries (CERL), à la Bibliothèque municipale de Lyon et à l'ENSSIB les 23 et 24 mai 1997. Ed. Dominique Bongé-Granda.- Paris: Klincksieck, 2000.- 312 p.; 26 x 14 cm. (Cahiers d'histoire du livre, 4). ISBN 2-252-03269-3.
Inleiding van H.-J. Martin, inleidend hoofdstuk van L. Hellinga die het uitgangspunt duidelijk stelt: de vaststelling dat collecties boeken zich al heel vroeg over heel Europa hebben verspreid en dat dit niet enkel een technische aangelegenheid was maar een graad van beschaving aanwees. In de registers zijn o.m. te vinden Amsterdam, Anvers, Louvain, Pays-Bas... [E. C.-I.]
3108.- P.G. Hoftijzer & O.S. Lankhorst, Drukkers, boekverkopers en lezers in de Republiek. Een historiografische en bibliografische handleiding, 2de, herz. en vermeerderde uitg. - Den Haag: Sdu, 2000.- xiv, 265 p.: ill.; 24 cm.- (Nederlandse cultuur in Europese context; monografieën en studies, 1 = IJkpunt 1650, 1).- ISBN 90-12-08933-6. Fl. 39, 90.
Onmisbaar vertrekpunt voor wie zich met de boekgeschiedenis van Nederland m.b.t. de periode 1540-1800 vertrouwd wil maken. Beide auteurs hebben hun sporen ruim verdiend op dit terrein en zijn erin geslaagd een voortreffelijke status quaestionis te maken van wat reeds is gepresteerd en van wat nog zou moeten/kunnen. Na enkele algemene beschouwingen ( "Boekgeschiedenis tussen ambacht en wetenschap ") volgt een historiografisch overzicht (p. 7-39), een "Bronnenoverzicht " (p. 41-66), "Bibliografische naslagwerken " (p. 67-107), "Studies van verschillende onderdelen " (p. 109-149), "Het boek in de samenleving " (p. 151-178), een epiloog, een "Bijlage " (p. 183-242: een selectieve bibliografie van 994 nrs.), een lijst van illustraties en een register op persoonsnamen (p. 249-265: inclusief de in de tekst genoemde vakgeleerden).
Wie de tweede druk vergelijkt met de eerste (zie Kroniek 22
nr. 2432) merkt meteen dat de hoofdstukken sterk zijn uitgebreid (deels omdat de onhandige eindnoten gelukkig zijn verbouwd tot voetnoten). De selectieve bibliografie groeide zelfs van 609 tot 994 nrs.! Het geheel is niet alleen herzien en vermeerderd, maar ook, waar nodig, verbeterd. Zo is er nu ook aandacht voor de Belgische bibliotheken en hun geschiedenis (p. 48-49). Zodoende is het belangrijkste opnieuw overzichtelijk bijeengebracht en gepresenteerd, bovendien ook nog bijgewerkt tot en met 1999. Dit boek is nu de nagenoeg volmaakte inleiding op, en handleiding bij het boekhistorisch onderzoek voor Nederland (en voor de beginperiode ook wel voor België). Het wordt nu echt tijd voor de "Zuiderlingen " om een pendant te brengen. Bibliothecarissen en boekhistorici: koop dit boek meteen en plaats het bij de basiswerken! Verwijder de eerste druk echter niet: het is leerzaam bepaalde paragrafen te vergelijken, maar beide uitgaven horen vooral naast elkaar te staan omwille van de iconografie. De 40 illustraties uit de eerste druk zijn aangegroeid tot 76 in de tweede, maar ... die tweede uitgave bevat er ook andere dan de eerste. Zo kunnen we nu kijken naar twee echt verschillende portretten van bv. Kronenberg, Kruitwagen, Nijhoff en Van Selm. De Nederlandse boekgeschiedenis heeft nu een heuse traditie. [M. d. S.]
3109.- Leo Stappers, Makeblyde: catalogus van kerk- en devotieboeken, 1500-1900 uit de bibliotheek van de trappistenabdij O.L.V. Onbevlekt Ontvangen Tegelen.- Steyl: [in eigen beheer], 1999.- n.gep.; 29 x 20, 5 cm. 50 Fl.
De trappistenabdij O.L.V. Onbevlekt Ontvangen te Tegelen is een stichting van na de Franse revolutie (1884). Het gros van de boeken is verworven na de Tweede Wereldoorlog, via giften, veilingen en antiquariaten. De publicatie - `voor eigen gebruik'- van deze `bestandsopname' betekent niet dat de bibliotheek niet verder wordt uitgebouwd.
742 boeken van 1513 tot 1899 zijn, geordend op auteur, uitvoerig beschreven en bovendien via een chronologisch register, een register per type en een topografisch drukkersregister ontsloten. Een laatste register heeft betrekking op goedkeuringen en approbaties voor vertalingen. De nummers bevatten toelichting over de druk (custoden, vignetten, en dgl., de typering, bv. kerkboek, getijdenboek, meditatie, catechese, ascese) en het exemplaar (de staat, de band, eigendomssporen, zelfs de laatste herkomst (veiling, enz.). Hoewel de beschrijvingen duidelijk geïnspireerd zijn op een aantal voorbeelden is er een eigen stramien ontworpen. Bij de drukplaatsen is voornamelijk Amsterdam en Antwerpen overvloedig vertegenwoordigd, verder komen ook goed Brussel, Gent, Keulen, Parijs en Wenen aan bod.
Een controle aan de hand van en een verwijzing naar de BCNI en eventueel enkele andere catalogi van dit soort boeken zou niet misstaan hebben. Wie weet doet de lezer/gebruiker van deze catalogus misschien ontdekkingen in deze zo goed als onbekende collectie. [E. C.-I.]
3110.- Jan de Jong & Jaak Hubregtse, De grenzen van het boek in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 1999 (cf. nr. 3097), p. 117-132, ill.
Methodologisch en terminologisch interessante bijdrage voor een randgebied dat niet echt zijn plaats heeft in deze Kroniek, nl. het boekobject. Toch bestaan er sedert de zesde eeuw! En kan er dus een geschiedenis van worden geschreven. Dit artikel is daartoe een bijdrage. De auteurs handelen vooral over de grote variëteit boekobjecten met een speciale functie (fopboeken), bv. reliekhouder, simpliciakast, gemakstoel. Kunst om de kunst is er natuurlijk ook: de keramieken boekjes, de boeken van Kubach-Wilmsen (denk aan de ingang van de Bib. Wittockiana) en andere. Een grensoverschrijdende gedachtenwisseling over het onderwerp zou vruchten kunnen afwerpen. [E. C.-I.]
3111.- Bruxelles et le livre. Sept siècles de bibliophilie. Exposition à la Bibliothèque royale de Belgique du 6 octobre au 18 novembre 2000. Catalogue par Marianne Delvaulx-Diercxsens ... [et al.]. - Bruxelles: Société royale des bibliophiles et iconophiles de Belgique, 2000. - 199 p.: ill.; 27 cm. BF 1200.
Na Le livre au féminin (zie Kroniek 22
nr. 2495) lag het voor de hand dat de tentoonstelling van de "Société " in het magische jaar 2000 zou zijn gewijd aan de "culturele hoofdstad " Brussel. Het is verbazend hoe weinig de boekgeschiedenis van de hoofdstad van de (Zuidelijke) Nederlanden is bestudeerd. Veel meer dan enkele artikels van bv. A. Vincent (1925 en 1935) en E. Cockx-Indestege/A. Rouzet (1978) is er niet als overzicht. Wel is de periode 1475-1600 bibliografisch ontsloten (Campbell, Nijhoff-Kronenberg, Belgica Typographica). Op dit ogenblik wordt er door Jeroen Nilis en Laurence Meunier gewerkt aan een catalogus van de Brusselse drukken 1601-1800 in de (Brusselse) Koninklijke Bibliotheek. De negentiende eeuw is gedeeltelijk bestudeerd: de "contrefaçons " en "préfaçons " van Franse literaire werken (bv. Balzac), de Franse "art nouveau "-literatuur rond uitgever E. Deman enz. De twintigste eeuw is nagenoeg helemaal "terra incognita ". Ook deze tentoonstelling vult die leemte niet op - dat kon ook moeilijk zonder voorstudies. Wel wordt een ruim (276 nrs.) overzicht getoond van belangrijke en representatieve werken uit de bovenlaag van de boekproductie (het bibliofiele materiaal). Aan bod kwamen : 1( handschriften uit Brusselse kloosters (11), 2( Brusselse incunabelen (5), 3( zestiende-eeuwse drukken uit Brussel of ermee in verband te brengen (Reformatie, de Opstand) (13), 4( de gevarieerde productie uit de 17de en 18de eeuw (Brusselse drukken met Nederlandse, Franse, Spaanse literatuur, muziek, devotie, recht, geschiedenis enz.) (34, resp. 37), 5( een ruime keuze uit de 19de (74) en 20ste (73) eeuw, 6( prenten en affiches uit de hele periode (29). Talrijke getoonde stukken droegen een bibliofiel karakter: goed bewaarde exemplaren in mooie of bijzondere banden, met handschriftelijke opdrachten of andere belangrijke herkomsten.
De (uit-sluitend Franstalige) catalogus omvat volgende onderdelen: Jean-Marie Duvosquel "Regards sur l "histoire de l "imprimerie et de l "édition à Bruxelles depuis la fin du XVe siècle " (p. 5-9), beschrijvingen van de 276 getoonde objecten (p. 11-169), "Notices sur les éditeurs et imprimeurs " (p. 171-182) en registers op "Auteurs, compositeurs, oeuvres anonymes " (p. 183-185), "Graveurs, illustrateurs, oeuvres anonymes " (p. 186-187), "Editeurs et imprimeurs, copistes " (p. 187-189), "Relieurs " (p. 189-190) en "Provenances " (190-191), en een "Bibliographie " (p. 193-198). De catalogusnotities zijn nogal ongelijk van omvang en, vooral, van kwaliteit. Eén blik volstaat om de stukken van vaklui te herkennen tussen de tekstbrokjes van "amateurs ". Er is blijkbaar geen duidelijke redactionele lijn getrokken: soms is de boekband zeer gedetailleerd beschreven, dan weer in heel vage termen, soms is er een wetenschappelijke bibliografie, dan weer helemaal geen ... Gelukkig zijn er registers, en maken vooral de illustraties een goede indruk. Tentoonstelling en catalogus hebben het oog gestreeld en de appetijt gewekt. Hopelijk wordt er eindelijk eens ernstig werk gemaakt van de Brusselse boekgeschiedenis. Die is, mede door de centrale functies van de stad (hof en regering, maar ook regionaal centrum), een uitvoerige en evenwichtige studie waard. Het zou niet meer dan wetenschappelijk objectief en democratisch gerechtvaardigd zijn dat er dan ook ruime aandacht zou zijn voor de Nederlandstalige aspecten en relaties van Brussel. De eenzijdige Franse invalshoek uit de tentoonstellingscatalogus moet worden bijgestuurd. De twee overzichtsstukjes (p. 5-9 en 171-182) geven immers de indruk alsof er na 1550 in Brussel bijna uitsluitend in het Frans en voor Fransen werd gepubliceerd: Nederlands, Latijn, Spaans, Italiaans, Duits, Grieks worden nagenoeg genegeerd, om van Russisch, Hebreeuws, Arabisch nog maar te zwijgen. Maar ja, wat wil je: "onbemind maakt onbekend ". Dat een Waalse dame (Angèle Manteau) de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw zo diepgaand vanuit Brussel heeft beïnvloed, valt uit deze tentoonstelling niet af te leiden ... Zou het geen mooie taak zijn voor een "Belgische " vereniging om de veeltalige werkelijkheid van dit rijke boekenland eindelijk eens echt recht te doen? [M. d. S.]
3112.- Alfons K.L. Thijs, Private en openbare feesten, communicatie, educatie en omgaan met macht (Vlaanderen en Brabant, 16de-midden 19de eeuw) in Volkskunde, 101, 2000, p. 81-15., ill.
Onderzoek over de meest essentiële functies van feesten, waarbij vooral de initiatiefnemers en de organisatoren de aandacht krijgen. Omdat heel wat van deze festiviteiten een gedrukte neerslag bestaat, zitten in dit lange artikel gegevens over drukken en drukkers verscholen (bv. van het type planodruk of van het genre gelegenheidsgedicht). Alle opgenomen afbeeldingen zijn waardevol, want afkomstig uit een particuliere collectie en in een aantal gevallen vermoedelijk uniek. [E. C.-I.]
3113.- J.F. Heijbroek (red.), Geschiedenis in beeld [omslag: 1500-2000].- Zwolle [etc.]: Waanders [etc.], 2000.- 296 p.: ill.; 32 cm.- ISBN 90-400-9466-7. Fl. 59, 50.
Catalogus bij tentoonstellingen te Amsterdam (Rijksmuseum), Dordrecht (Dordrechts Museum) en Rotterdam (Historisch Museum) gewijd aan het fenomeen "historische atlassen " en andere verzamelingen historieprenten. Aan bod komen "De Atlas van Frederik Muller " (p. 11-23, Amsterdam), "De Atlas Van Stolk " (p. 24-37, Rotterdam), "De collectie van mr. Simon van Gijn " (p. 38-51, Dordrecht), "Enkele kanttekeningen bij de productie en het gebruik van historieprenten " (p. 52-63). Dan volgt een zeer ruime keuze uit de drie atlassen (p. 64-289, één prent per pagina), een "Keuze uit de literatuur " (p. 290-291) en een "Register op persoonsnamen " (p. 292-295). Een fraai én nuttig kijkboek. [M. d. S.]
3114.- Jan Storm van Leeuwen, Beschermen, vormen en versieren: observaties over de boekband in Jaarboek van het Nederlands Genootschap van bibliofielen 1999 (cf. nr.3097), p. 45-116, ill.
Plezierig geschreven verhaal over wat er zo al allemaal aan een boekband te zien en te zoeken valt. Aan de hand van dertien voorbeelden die alle in de KB Den Haag berusten. Dus géén systematisch historisch overzicht voorzien van noten, maar wèl een reeks goedgekozen capita selecta die a.h.w. een stramien vormen voor een geschiedenis van de boekband, en met een selectieve oriënterende literatuurlijst. Zo komen aan bod een hulselband, stempelbanden van verschillende herkomst, de zemen-broekband, een Kortjakje-band, een huwelijksband, een uitgeversband, een prijsband en een imitatieband. Zéér aan te bevelen lectuur voor de belangstellende `banden'leek èn voor de deskundige. [E. C.-I.]
3115.- J. Spoelder, Prijsboeken op de Latijnse school: een studie naar het verschijnsel prijsuitreiking en prijsboek op de Latijnse scholen in de Noordelijke Nederlanden, ca. 1585-1876, met een repertorium van wapenstempels. With a summary in English.- Amsterdam & Maarssen: APA - Holland Universiteitspers, 2000.- XIX, 852 p.: ill.; 23 cm.- ISBN 90-302-1222-5. Fl. 282.
Op de valreep kan dit boek nog gesignaleerd worden, maar het kwam te laat om er in deze Kroniek nog de nodige aandacht aan te besteden. Wordt vervolgd. [E. C.-I.]
3116.- Paul Gerhard Schmidt, Das Bücherfass: mit Büchern unterwegs in Humanismus im Norden: Frühneuzeitliche Rezeption antiker Kultur und Literatur an Nord- und Ostsee. Ed. Thomas Haye.- Amsterdam: Rodopi, 2000, p.353-372.- (Chloe: Beihefte zum Daphnis, 32).
Aangenaam leesbaar artikel over het transport van boeken: hoe droeg men boeken mee, hoe nam men een (hand-)bibliotheek mee op reis? Over buidelboeken en boekentonnen dus, met als apotheose de boekenkist van Hugo de Groot. Lezen! [M. d. S.]
3117.- Claude Sorgeloos, La bibliothèque du Cultura Fonds: acquisitions 1991-1999 in Le livre & l'estampe, 46, 2000, n° 154, p. 7-256, facsim.
In 1990 bood de Brusselse antiquaar Eric Speeckaert in zijn catalogus `Labore et Constantia' 510 edities van Chr. Plantin aan. Het geheel werd in 1991 aangekocht door baron Piet van Waeyenberge en vormde de basis van de bibliotheek van het Cultura Fonds. In de volgende jaren is ernaar gestreefd die oorspronkelijke collectie aan te vullen, enerzijds met andere uitgaven van Plantin (zoals diens eerste druk uit 1555 La Institutione di una fanciulla nata nobilmente), anderzijds met werken van door hem uitgegeven humanistische auteurs (G. Canter, Th. Poelman, L. Torrentius). Voorts zijn zestiende-eeuwse werken aangekocht die van belang zijn voor onze geschiedenis en die niet (meer) in het eigen land aanwezig waren. Als specimina van dit streven kunnen drie topstukken uit de drukkerij van Hubertus Goltzius te Brugge, de eerste `private press' in de Nederlanden, gelden: de C.Iulius Caesar met een opdracht aan Gaspar Schetz, thesaurier van Antwerpen; de Vivae omnium fere imperatorum imagines, het exemplaar van Goltzius' mecenas Marcus Laurinus zelf; de 'Fastos magistratuum' in een wapenband van Antoine Du Verdier. Deze drie werken zijn - wat kenners niet verwondert - verworven uit de bibliotheek van Otto Schäfer. Onder de aanwinsten zijn verder boeken uit de Leuvense kloosters van Sint-Gertrudis en Sint-Maarten en uit het Brusselse huis van de Broeders des Gemenen Levens.
Uit de bibliotheek van het slot Nordkirchen is een lot van achtenvijftig werken aangekocht, die ooit deel uitmaakten van de Arenberg-collectie. Met deze aanwinst werd de beperking tot de zestiende eeuw en tot de oude Nederlanden opgeheven. De verzameling biedt nu meer zicht op de geschiedenis van het boek doorheen de eeuwen. In dit verband hoort ook de aanschaf van een aantal incunabelen en van een uitzonderlijk Brugs getijdenboek.
Na een uiteenzetting over doelstelling en verwezenlijkingen van het Cultura Fonds volgt een alfabetische catalogus van de 456 aanwinsten uit de periode 1991-1999. Naast titelbeschrijving omvat elk nummer ook collatie, bibliotheeksignatuur en gegevens over band en herkomst. Wat opvalt - en daarin toont zich een weloverwogen aankooppolitiek - is dat een naar verhouding aanzienlijk aantal boeken nog steeds zijn oorspronkelijke zestiende- of zeventiende-eeuwse band bezit. Naast unica, zoals een complete Grammatica latina van Antonius Caucius en een Plantijns Officium Beatae Mariae Virginis met houtsneden moet men wijzen op kostbare luxe-drukken op perkament, zoals een Plantijns Missale en Hieronymus Natalis' Evangelicae historiae. Het gebruik van de catalogus wordt vergemakkelijkt door vijf indices: op niet in de titel vermelde auteurs en medewerkers; op illustratoren; op drukkers; op herkomst; op binders.
Een kleine aanvulling bij deze zorgvuldige catalogus: de vroegste bezitter van Lipsius' Diva Virgo Hallensis (nr. 262) is tien tegen een de jezuïet Andreas Schott geweest. [W.W.]
3118.- Alexandre Van Autgaerden, Index librorum permissorum: Bibliotheca Erasmiana Anderlechtensis 1994-2000 in Nugae humanisticae sub signo Erasmi, Numéro 1 - Hiver 2000, p. 93-117.
Van 1954 tot 1994 heeft de voormalige conservator van het Erasmushuis te Anderlecht (Brussel) zich rusteloos ingespannen om Erasmiana te verwerven voor de bibliotheek van dit museum. De catalogus van de bijna 900 zestiende-eeuwse drukken nadert zijn einde. In afwachting van het verschijnen hiervan, geeft de nieuwe conservator een lijst van de nieuwe aanwinsten: een niet onaanzienlijke oogst op korte tijd! [E. C.-I.].
3119.- Otto S. Lankhorst, Les ventes de livres en Hollande et leurs catalogues (XVIIe-XVIIIe siècles) in Les ventes de livres et leurs catalogues XVIIe-XXe siècle. Actes des journées d "étude (...) (Paris, 15 janvier 1998) et (...) (Villeurbanne, 22 janvier 1998), réunis par Annie Charon et Elisabeth Parinet, avec la collaboration de Dominique Bougé-Grandon. Paris: Ecole des chartes, 2000, p. 11-28, ill.- (Etudes et rencontres de l "Ecole des chartes, 5).- ISBN 2-900791-36-7. FF 150.
Uitstekend overzichtsartikel over boekenveilingen en veilingcatalogi in Nederland (1600-1800). Over o.m.: het project Book sales catalogues, Nederlandse catalogi in Franse bibliotheken (m.n. in de Bibliothèque nationale de France: herkomst van de grote collecties Q en ?), de gang van zaken bij veilingen in Nederland en de betrouwbaarheid van de gedrukte catalogi. De bundel Les ventes de livres zelf bevat naast bijdragen over de studie van veilingen en catalogi in Frankrijk (bv. Lyon [Dominique Varry, p. 29-48], de "Bibliothèqe du roi " [Françoise Bléchet, p. 77-98], 18de-eeuwse Parijse verzamelaars [Michel Marion, p. 129-133], Crébillon [Jean Viardot, p. 135-155; en Catherine Volpilhac-Auger, p. 157-167], literaire handschriften [Thierry Bodin, p. 169-190]) ook volgende artikels van ruimer belang: Giles Mandelbrote "La nouvelle édition de Graham Pollard et Albert Ehrmann, The distribution of books by catalogue ... Bilan des travaux préparatoires: catalogues français " (p. 49-76), Yann Sordet "Source bibliographique et modèle bibliophilique: le recours au catalogue de vente de Gabriel Martin à Seymour de Ricci " (p. 99-118), Nicole Masson "Typologie des catalogues de vente " (p. 119-127). Otto S. Lankhorst besluit de bundel met "Eléments de bibliographie " (p. 203-205). [M. d. S.]
3120.- Marco de Niet & Frederik Schreuder, Tijd gebonden: almanakken en kalenders van de Koninklijke Bibliotheek. Verschenen ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling in de Koninklijke Bibliotheek, 4 december 2000 t/m 23 februari 2001.- Den Haag: Koninklijke Bibliotheek, 2000.- 68 p.: omslag, ill.; 21 cm.- (Tentoonstellingscatalogi en -brochures van de Koninklijke Bibliotheek; ISSN 0169-3557). Fl. 20.
Zeer fraaie kleine publicatie bij een tentoonstelling n.a.v. de eeuwwisseling. Vijfentwintig bijzondere almanakken en kalenders worden in kleur afgebeeld en in woorden getypeerd. Het accent ligt op inhoud, vormgeving, bibliografische bijzonderheden of boekband. Enkele voorbeelden: "1583 - kalenderhervorming ", "1608 - anti-paaps ", "1666 - Hebreeuws ", "1783 - verboden ", "1818 - vrijmetselaars ", "1820 - Suriname ". Met bibliografische gegevens en literatuur is dit leuke boekje een handige inleiding tot een boeiend "tijdloos " onderwerp. [M. d. S.]
3121.- Hubert Meeus, Antwerp as a centre for the production of emblem books in Quaerendo, 30, 2000, p. 228-239, tab.
De productie van embleemboeken te Antwerpen wordt hier synthetisch gepresenteerd en kwantitatief vergeleken met de Amsterdamse. Plantijns successen met humanisten als Alciato, Junius en Sambucus worden geëvenaard door de Moretussen en vooral door Hendrik Aertssens, met religieuze bundels van David, Sucquet, Poirters en Herman Hugo. De twee afbeeldingen aangekondigd op p. 239 zijn helaas niet afgedrukt! [M. d. S.]
3122. - Jaap Harskamp, Building collections: the Low Countries in the British Library in The Low Countries, 8, 2000-2001, p. 264-266, ill.
Kort overzicht van wat de British Library te bieden heeft aan minder bekende boeken uit en over de Lage Landen. En dat is heel veel - experto crede! [M. d. S.]
3123.- 10 maal 10 voor taal. Een keuze uit de aanwinsten Nederlandse letteren 1982-2000. (Tentoonstelling van 1 augustus tot 5 september 2000 samengesteld door Chris Coppens m.m.v. Ingrid de Pourcq ter gelegenheid van het driejaarlijks congres van de "Internationale Vereniging voor Neerlandistiek "). - Leuven: Universiteitsbibliotheek, 2000. [22] p.: ill.; 21 cm.
De "recente " aanwinsten m.b.t. Nederlandse literatuur zijn slechts een onderdeel van de bloeiende laatste decennia van de Leuvense Universiteitsbibliotheek (zie Leuven in books, books in Leuven, Kroniek 25
nr. 2954). De honderd handschriften, autografen, drukken tonen een verrassend rijke oogst: incunabelen, een Bredero (Lied-boeck 1622), emblemen, bijbelse en vrijmetselaarsverzen, volksboeken, Vlaamse poëzie en proza, een clandestiene bundel van G. Achterberg, de archiefcollectie van uitgeverij Orion enz. Korte beschrijvingen. Registers op auteurs, illustratoren (en binders), drukkers en uitgevers, herkomsten (opdrachten etc.). [M. d. S.]
3124.- Sipke van der Land, Het verhaal van de psalmen. Samenstelling: Gert-Jan Buitink, Sipke van der Land.- [Brasschaat]: Boekmakerij Gert-Jan Buitink, (2000).- 140 p.: omslag, ill.; 24 cm.- ISBN 90-800792-10-9.
In samenwerking met het Nederlands Bijbelgenootschap heeft de verzamelaar Gert-Jan Buitink een fraaie catalogus uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling georganiseerd in de Sint-Trudoabdij te Male bij Brugge. Deze psalmboeken, van de 16de tot en met de 20ste eeuw in velerlei talen, zijn naderhand in een aantal grote kerken in Nederland te zien geweest. De auteur heeft in een ongecompliceerde taal het verhaal van de psalmen uit de doeken gedaan, vooral voor christenen `in het zuiden' heel nuttig: de psalmen in de Bijbel, in vertaling, in de katholieke traditie, in de calvinistische. Elk hoofdstuk is gevolgd door de presentatie van de betreffende boeken, van de zestiende eeuw tot op vandaag. Een beetje jammer dat de beschrijving van de boeken als editie en als exemplaar de boekhistoricus op zijn honger laat. De laatste bladzijden zijn aan de verzamelaar en zijn verzameling gewijd. [E. C.-I.]
3125.- Medioneerlandistiek: een inleiding tot de Middelnederlandse letterkunde. Red. Ria Jansen-Sieben, Jozef Janssens, Frank Willaert.- Hilversum: Verloren, 2000.- 345 p.:ill.; 24 cm. (Middeleeuwse studies en bronnen, LXIX). ISBN 90-6550-613-6. Fl. 49.
In vijfentwintig korte, gemakkelijk toegankelijke essays (een helder synthese-verzicht of een specifiek geval), wil dit boek een handreiking zijn voor aankomende neerlandici en belangstellende leken. Tegelijk is het bedoeld als hommage aan prof. dr. Wim Gerritsen, `onvermoeibaar voorman van de Middelnederlandse filologie', n.a.v. zijn afscheid als hoogleraar (Univ. Utrecht). Een paar artikelen hebben rechtstreeks betrekking op het gedrukte boek en komen dan ook afzonderlijk aan de orde. In enkele andere gaat het over een materie die van uit codicologische hoek is bekeken maar waar de biblioloog ook zijn voordeel mee kan doen: Theo Coun laat in `Codicologie of archeologisch graafwerk in middeleeuwse boeken' de boekband of wat daar van rest meespreken en behandelt de opstelling van de boeken op de plank in middeleeuwse bibliotheken. Hij geeft ook een paar afbeeldingen (afb. 3 is echter niet de kettingband uit het Sint-Gertrudisklooster te Leuven maar een van J. Pandelaert met o.m. een Lucretiapaneel; tussen p. 184 en 185 in Verheydens publicatie betreft het pl. XV). Dirk Geirnaert geeft boeiende voorbeelden van ` "Membra disiecta ": banden met het versneden verleden'' en het is genoegzaam bekend dat die nog al eens in banden zijn aan te treffen. Jo Reynaerts bijdrage over `Auteurstypen' gaat bij wijze van inleiding over het begrip auteur en copyright in de late Middeleeuwen en de vroeg Moderne tijd. Dirk Coigneau betreedt het hem zo vertrouwde veld van de rederijkerij: `Bedongen creativiteit: over retoricale productieregeling'. Nog andere bijdragen zoals over Middelnederlandse Bijbelvertalingen en teksteditie zijn voor èlk boekhistoricus lezenswaard. [E. C.-I.]
Zie ook nrs.
3132; 3177
3126.- Paul Needham, Counting incunables: the IISTC CD-ROM in Huntington Library Quarterly, 61, 2000, p. 457-529.
Zeer uitvoerige bespreking in artikelvorm van de Illustrated Incunable Short Title Catalogue. Opgezet door Lotte Hellinga als ISTC einde jaren 1970, daarna aangevuld met plaatjes van sleutelpagina's en op CD-ROM beschikbaar is die nu aan haar tweede uitgave toe (huidige General Editor is Martin Davies, London: Primary Source Media, in association with the British Library, 1998; prijs niet genoemd). Het is uiteraard niet de bedoeling een bespreking te gaan bespreken! Daarom geef ik de verschillende hoofdstukken bij wijze van inhoudsopgave. Aan de lezer om zelf te oordelen over Needhams bespreking. `From Panzer to Hain' (I), het begin van de repertoriëring van incunabelen; `From Hain to Reichling' (II); `The Gesamtkatalog der Wiegendrucke' (III); `ISTC and IISTC' (IV); `Searching IISTC' (V); `Place of publication' (VI); `Date of publication, year of publication' (VII); `Format field' (VIII); `Language field' (IX); `Locations field' (X); `Bibliography field' (XI); `Image information and microfiche fields' (XII); `All fields' (XIII); `Author and title fields' (XIV); `The end of the fifteenth century in IISTC: incunables and post-incunables' (XV); `The completeness of IISTC' (XVI); `Preferred attributions in IISTC' (XVII). In de samenvatting geeft hij twee aanbevelingen: bij volgende uitgaven zullen de correctie en het editeren met grote nauwgezetheid moeten gebeuren, terwijl de zoekprogramma's voor verbetering vatbaar zijn. [E. C.-I.]
3127.- Lotte Hellinga, Fragments found in bindings and their role as bibliographical evidence in `For the love of the binding': Studies in bookbinding history presented to Mirjam Foot. Ed. David Pearson.- (London): The British Library; (New Castle DE): Oak Knoll Press, 2000, p. 13-33, ill.
Luxueus uitgegeven feestbundel voor de boekbandhistorica van de British Library, Mirjam Foot. Slechts een paar bijdragen handelen (ook) over drukken of banden uit de Nederlanden.
De centrale vraag is: Wat kunnen fragmenten van druk of handschrift in een band aangetroffen, reveleren voor de verspreiding van drukken en hun gebruiksduur, voor de ontstaansplaats en dus soms voor het bestaan van niet eerder geïdentificeerde drukken? LH bestudeert hier een veertigtal (waarover gegevens over band en provenance bekend zijn) fragmenten van schoolboeken, Doctrinale-edities en Donatusdrukken, behorend tot de zg. Nederlandse prototypografie en wijd verspreid (van Holland tot Hildesheim, van Groningen tot de Bovenrijn). Het gaat om gedrukte fragmenten, onderscheiden in proefdruk of maculatuur van de drukker (printers' waste) en delen van een uitgave door de binder herbruikt (binders' waste), resp. 11 en 30. In het eerste geval zullen de locaties van druk en band niet ver van elkaar leggen. Andersom kan de vraag worden gesteld of een niet gedetermineerd fragment in een wèl gedetermineerde band in eenzelfde regio kan gelocaliseerd worden. Voor fragmenten uit een gebruikt boek -achterhaald of versleten- liggen de zaken anders: band en eigendomsmerken uit de tijd vertellen iets over de verspreiding van de druk. Naast Peter Schoeffer haalt LH het voorbeeld van Ludovicus Ravescot en van Jan van Westfalen aan: drukkers die ook als boekverkopers optraden voor eigen drukken en/of voor andere drukkers. Aldus worden kunnen fragmenten een bewijs leveren voor de verspreiding van boeken. Maar i.v.m. de schoolboeken dringt zich nu nog volgende vragen op: maken de nu bekende gegevens over de verspreiding van de fragmenten het mogelijk de drukken als het werk van verschillende drukkers of van één enkele (zoals tot nu is aangenomen) te zien; en, zijn die via een handelsnetwerk verspreid of door de drukkers voor de lokale markt? Aan de concluderende overwegingen voegt LH ook nog het aspect tekst en letter toe: de ene wordt meer in het oostelijk gebied, de andere meer in het westelijk gebied van verspreiding aangetroffen. In de Appendix zijn de fragmenten kort geïdentificeerd met aanduiding van band en eigendomsmerken. Veeleer dan voor de prototypografie is deze studie van wezenlijk belang voor de verspreiding in de tijd van deze vroegste Nederlandse drukken. [E. C.-I.]
Zie ook nrs.
3128; 3130; 3160; 3176; 3210
3128.-Joseph A. Dane, An example of Netherlands prototypography in the Huntington in Huntington Library Quarterly, 61, 2000, p. 401-409, ill.
De auteur is doende bandvondsten uit incunabelen systematisch te registreren. Zeldzaam zijn de fragmenten in Amerikaanse bibliotheken. Het boek waarin A de fragmenten heeft aangetroffen, komt uit de bibliotheek van Leander Van Ess, via Sir Thomas Phillipps door de Huntington gekocht in 1924. Het gaat om een zg. `Sammelband' met twee Straatsburgse incunabeldrukken; van de Zuidduitse band reproduceert A wrijfsels van de losse stempels. De fragmenten behoren tot de Nederlandse prototypografie: een Ars minor gedrukt in het zg. Pontanustype (Hellinga type 4); in de ISTC komen 112 Donatusfragmenten voor waarvan 21 in dit type. Naast een complete Speculum humanae salvationis (Goff S-659) en een blad van een Doctrinale (Goff A-515), beide in het Speculumtype, is dit nu het derde voorbeeld van Nederlandse prototypografie in de Huntington Library. Jammer voor de auteur dat de studie van L. Hellinga (zie
nr. 3127) nog niet verschenen was! [E. C.-I.]
3129.- Elly Cockx-Indestege, Queeste naar het gebruik van drukwerk van de Brusselse fraters in Rita Schlusemann, Jos M.M. Hermans & Margriet Hoogvliet (eds.), Sources for the History of Medieval Books and Libraries.- Groningen: Egbert Forsten, [2000], p. 31-60, ill. - (Boekhistorische reeks; 2).
Onderzoek naar de verspreiding en het gebruik van de producten van één pers, i.c. de Brusselse fraters. Het gaat hier om 37 edities, waarvan er vijf- à zeshonderd exemplaren verspreid liggen over 150 Europese en Amerikaanse bibliotheken. In het onderzoek werd aandacht besteed aan de banden, de rubicering, de decoratie, de bezitters en andere gebruikssporen. Het gaat hier om lombarden, die letterlijk onder de loep worden genomen. De bezitters werden in kaart gebracht adhv de exemplaren van vier werken: Polycraticus, Opuscula Gersonis, de Epistolae van Petrus Blesensis en de Collationes van Cassianus. Voor elk van deze werken geeft A. de bezitters op, hetzij aan de hand van de band of het eigendomsmerk, vermeld in het boek. Tenslotte worden een aantal voorbeelden van gebruiksporen besproken: doorgehaalde woorden, onderstrepingen, vertikale strepen, handjes of indices. In haar conclusie resumeert A. de vragen die bij haar zijn opgekomen wat de rubricering betreft. Zij besluit dat penwerkdecoratie meestal is gebeurd, afhankelijk van koper of bezitter. De banden werden eveneens op last van de kopers gemaakt, wat de verkoop van boeken in albis bevestigt. De verspreiding van de drukwerken is vooral in noordelijke en oostelijke richting geschied.
Een uitvoerige bespreking van de hele bundel staat elders in dit tijdschrift. [J.H.]
3130.- Elly Cockx-Indestege, Crutched Friars, Lambs, Roses, and Crosses: Brussels incunables on the shelves of the Crutched Friars at the turn of the sixteenth century in `For the love of the binding' (zie nr. 3127), p. 35-51, ill.
Stapsgewijs vordert het onderzoek van de verspreiding tot in de vroege zestiende eeuw van de drukken van de Broeders van het gemene leven te Brussel. Bewaarde banden en andere provenancegegevens van vijftien wiegedrukken in acht kruisherenbibliotheken wijzen op een verspreiding in het Maasland en ten oosten daarvan. [A]
3131.- Mariken Goris, Boethius in het Nederlands: studie naar en tekstuitgave van de Gentse Boethius (1485), boek II.- Hilversum: Verloren, 2000.- 429 p.: omslag, facs.; 24 cm. (Middeleeuwse studies en bronnen, 72).- ISBN 90-6550-630-6. Fl. 88, 15.
Wie van de bibliografen of historici van het oude boek kent niet de grote foliant met De vertroosting van de wijsbegeerte van Boethius in een prachtige druk van Arend de Keysere te Gent? Ongetwijfeld velen, maar wie heeft zich aan de lectuur ervan gewaagd? Dit is de eerste grote verdienste van Goris. Het onderzoek inclusief teksteditie kadert, als ik het goed zie, in een veel ruimer onderzoek; getuige hiervan de recent verschenen studies waarnaar verwezen wordt (M.P. Angenent, G.M. Cropp, B. van Dommelen, M.J.F.M. Hoenen, I. Johnson, L. Nauta, N.F. Palmer, en voornamelijk W. Wissink).
Boethius schreef De consolatione philosophiae tijdens zijn gevangenschap te Pavia, begin zesde eeuw. In afwachting van de definitieve uitspraak, filosofeert hij bij monde van Vrouwe Wijsbegeerte over de onberekenbaarheden en wisselvalligheden van het leven en zoekt troost en wijsheid in haar woorden. De dialoog in proza is door verzen ondebroken. Vooral vanaf de negende eeuw, en tot lang na de uitvinding van de boekdrukkunst, is het een echte bestseller gebleken (118 incunabeledities) die in verschillende talen is vertaald, waaronder het Nederlands. Omdat de Consolatio zo omvangrijk is, heeft G, in navolging van Wilma Wissink (die Boek I heeft bestudeerd), het tweede van de vijf `boeken' voor haar rekening genomen; hierin speelt Fortuna de hoofdrol.
Bij wijze van inleiding gaat G eerst in op de vertroostingsliteratuur, op Boethius' Consolatio tot in de Middeleeuwen toe met als eindpunt de `Gentse Boethius'. Daarna volgt de studie van Boek II, van de vertaling van de metra en van de prozadelen, van de bronnen en van de commentaar. Een derde hoofdstuk is gewijd aan de Consolatio en de vroege boekdrukkunst. In een tweede deel volgt de tekstuitgave van Boek II. Wij zijn rijk voorzien in nawerk: literatuur en bronnen, lijst met emendaties t.o.v. de incunabeldruk, woorden uit de Nederlandse vertaling die niet in het MNW staan, afwijkingen met Bieler (editeur van de Latijnse tekst), register op het hele eerste gedeelte, registers op autoriteiten, namen en begrippen.
Met de druk van A. Koberger in 1473 en van C. Mansion in 1477, behoort de Gentse Boethius tot een unieke groep in de tekstoverlevering: alle drie bieden zij de tekst van Boethius plus een uitvoerige commentaar. De Keysere onderscheidt zich dan nog eens van de twee andere doordat hij, als enige, de Latijnse tekst van B geeft plus een vertaling in de volkstaal plus een commentaar in de volkstaal. G onderzoekt de relatie tussen de vertaalde tekst en de commentaar, èn de bronnen van die commentaar; zij komt tot de conclusie dat de vertaler en de commentator één en dezelfde moeten zijn, terwijl beide teksten op zichzelf staan. De vertaler blijft vooralsnog anoniem maar moet wel in Gent worden gezocht (taal). Ook het tijdstip waarop de vertaling -en de (zeer uitvoerige) commentaar- zijn ontstaan, blijft nog in het duister. De hoofdbron is de Latijnse commentaar van Renier van Sint-Truiden maar G heeft een nieuwe, belangrijke bron ontdekt, Manipulus florum van Thomas Hibernicus; verder zijn nog Valerius Maximus, Thomas van Cantimpré en de Koran aan te wijzen. Welke legger De Keysere voor zijn druk heeft gebruikt, is helaas nog steeds niet uitgemaakt. Dat de uitvoering kadert in de handschriftelijke traditie is bekend (vgl.
nr. 3132 in deze Kroniek). G gaat er echter niet verder op in; zij vestigt alleen de aandacht op het gebruik van een groter corps voor de hoofdtekst en een kleiner voor de commentaar. De `tafele' of inhoudsopgave is zeer uitvoerig maar verwijst niet naar de folio's, maar naar de onderwerpen in de commentaar: duidelijk een andere visie op wat de moderne lezer van een inhoudsopgave zou verwachten.
Over het beoogd publiek van een uitgave kan men oeverloos speculeren. G wil hiertoe een aanzet geven en legt eerst de Koberger-, de Mansion- en de De Keyseredruk naast elkaar: in het eerste geval is een Latijnkundig publiek beoogd (Latijnse tekst met brede interlinie) en dient het Duits (kleine interlinie) slechts als hulp. Mansion heeft duidelijk op een Franstalig publiek gemikt -zoals hij met zijn hele fonds trouwens doet-, en De Keysere wil met zijn hoofdzakelijk Nederlandse teksten, met het Latijn als controlemogelijkheid, ook de welgestelde leken benaderen. Zij merkt fijntjes op dat de Gentse Boethius misschien wel op de plank bij de leden van het kapittel van de heilige Veerle stond; de Gentenaar, d.i. de anonieme vertaler, weet immers dat daar een `librarie' aanwezig is. Verder kan een aantal concrete aanwijzingen of gegevens die exemplaren aan het licht brengen, de idee verscherpen die men zich kan vormen over wie zoal zich dit toch kostbaar boek zal aangeschaft hebben. Op dit punt heeft G Machiels kunnen aanvullen. Zo is een van de Brusselse exemplaren (KB, INC C 370) in het bezit geweest van de priorij van de reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus in Valkenbroek, vulgo dictu de Facons, te Antwerpen. De door Polain vermelde (nr. 749 in het Supplement) variante in dit exemplaar heeft G niet tot een excursie geleid. De tekstverschuiving (tussen h2 en h6; in de teksteditie overigens niet duidelijk aangegeven) zal vermoedelijk `het gevolg zijn van een verkeerde handeling in de drukkerij' (p. 163), maar heeft in deze studie evenmin tot nader onderzoek aangezet. Gebruikssporen tenslotte zijn onderzocht, maar rubricering, penwerkversiering en oorspronkelijke band van de exemplaren blijven onbesproken. In het kader van een receptieonderzoek verdient het op zijn minst aanbeveling zoveel mogelijk nog bestaande exemplaren hierbij te betrekken en die, elk met hun eigen bijzonderheden, in een overzicht te bieden. Interessant is te vernemen hoe deze trits incunabelen heeft nagewerkt; hierbij is natuurlijk het afschrift door Jan van Kriekenborch (BnF, ms.néerl. 1) van de Gentse druk vermeld.
Over de teksteditie, die wezenlijk op dezelfde wijze als Boek I (dat nog moet verschijnen!) is gebeurd, zal ik hier niet uitweiden. Zoals in de oude druk zijn ook hier twee lettercorpsen gebruikt voor tekst + vertaling en commentaar.
Handelseditie van het proefschrift op 24 oktober 2000 aan de Katholieke Universiteit Nijmegen verdedigd, is ook deze uitgave van Verloren weer puik verzorgd: een prettig leesbaar boek dat goed in de hand ligt. Wij zijn het inmiddels al geruime tijd gewend - het verdient slechts navolging. De structuur van deze dissertatie was niet voor de hand liggend. Het eerste gedeelte van deze publicatie is Inleiding genoemd; een inleiding heeft m.i. een andere functie als wat G hier allemaal heeft ondergebracht. Het boekhistorisch aspect is onvoldoende onderzocht, het wordt aangeraakt maar meestal is er niet dieper op ingegaan. Hoe weinig over bv. de vormgeving van De Keysere's druk wordt gezegd, toch moeten wij dit nog op twee plaatsen gaan zoeken. G heeft dit ook wel aangevoeld en overlapping proberen te vermijden, maar het resultaat is niet onverdeeld gunstig. De Gentse Boethius is ontleed, vergeleken met andere drukken, in zijn kader geplaatst. Het gezicht op het geheel had wellicht gewonnen door De Keysere's boekproductie zelf grondiger door te lichten. Aan de `Bibliografie' schort wat. Mij is niet duidelijk welke het criterium is voor `Gerefereerde literatuur'; in de Secundaire literatuur zijn steken gevallen: `Axters, 1937' (quid?); van Vervliets Liber librorum bestaat een Nederlandse versie (hier is de Engelse geciteerd); Edmunds 1991 (geciteerd in noot 166, p. 145) staat niet in de bibliografie. Verkort geciteerde vormen zijn niet in een lijst ondergebracht: zo moet je de hele literatuur doorlopen om bv. Bieler op het spoor te komen. Literatuur i.v.m. boekproductie, waar G ongetwijfeld haar voordeel mee had kunnen doen, is nauwelijks vermeld: literatuurhistorici versus boekhistorici! Toch is en blijft dit een mooi, leerrijk, goed geschreven en prettig te lezen boek; (echter, moet bij herhaling zo nodig van `clusters' worden gesproken? Kunnen bepaalde zaken niet gewoon gegroepeerd worden?). Latinisten, medioneerlandici en boekhistorici zullen er ongetwijfeld genoegen en profijt aan beleven. [E. C.-I.]
3132.- Werner Waterschoot, Arend de Keysere drukt Boethius in Medioneerlandistiek... (zie nr. 3125), p. 103-112.
Na een overzicht in vogelvlucht van de nieuwe techniek (van de boekdrukkunst), wordt het fonds van De Keysere van korterbij bekeken; elk van de titels is in zijn context geplaatst waardoor dit een levendig overzicht is geworden, hoe summier ook. Bij de Consolatio wordt langer stil gestaan. Vóór 1500 verschenen zestig drukken, waaronder een Franse vertaling in 1477 bij Mansion te Brugge. Maar De Keysere kon een meerwaarde bieden: hij drukte de Latijnse tekst samen met een Nederlandse vertaling plus commentaar. W bespreekt verder de vormgeving van het boek, de druk zelf en de oplage, en de invloed die het boek op een Gruuthuse uitoefende. [E. C.-I.]
Zie ook nr. 3131
3133.- Rob Resoort, Werken op locatie: verrassingen in de Nederlandstalige drukken van de Gesta Romanorum in Hoort wonder! (zie nr. 3102), p. 133-139.
De auteur toont aan dat wij, i.c. de medioneerlandici maar bij uitbreiding boek- en andere historici en filologen, zich niet blindelings mogen laten meeslepen door de nieuwe hulpmiddelen als daar zijn de digitale weergave en scanning van primaire bronnen (cd-roms). Zij zijn een hulp, maar de bron levert soms maar haar geheimen bij onderzoek van het originele document. Enkele voorbeelden, waaronder Die gesten of gheschienisse van Romen, Gouda, G. Leeu 1481 (CA 826), illustreren dit terechte standpunt. [E. C.-I.]
3134.- Willem Heijting, Succes in numbers: a bibliometric analysis of the publications of Gheraert Leeu in Quaerendo, 29, 1999, p. 275-296, tab.
Herziene versie van een oorspronkelijk in het Nederlands verschenen studie (zie Kroniek 19
nr. 2063). [E. C.-I.]
3135.- Van Dirk Martens tot Pieter Coecke van Aelst (1450-1550). Stedelijk Museum Oud-Hospitaal Aalst 23 juni - 17 september 2000.- Aalst: Stadsbestuur, 2000.- 72 p.: ill.; 29, 6 cm. - [geen ISBN-nummer]. BF. 500.
In het kader van het Keizer Karel-jaar wil de tentoonstelling in het Oud-Hospitaal van Aalst een beeld tonen van de 15de en 16de eeuw aan de hand van twee van haar belangrijkste inwoners. Voor de bibliofiel en de geïnteresseerde in het oude boek is de cataloog (en de tentoonstelling) bedroevend. Leven en werk van één van onze eerste drukkers (in de cataloog wordt met geen woord gerept over Jan van Westfalen!) wordt geschetst op drie paginas (met grote letters en brede randen) en getoond met vier postincunabels (twee Antwerpse en twee Leuvense). De beschrijvingen zijn bijzonder kort: titel, adres, bewaarplaats (steeds Stadsarchief Aalst) en een korte notitie. M.b.t. Pieter Coecke wordt het Aalsters exemplaar getoond van zijn Nederlandse Serlio (Amsterdam, 1606!) en van zijn illustraties bij de inkomst van Filips II in 1549 (Antwerpen, G. van Diest voor P. Coecke, 1550).
Kortom deze cataloog is in feite een boek omtrent het werk van Pieter Coecke van Aalst en de kunst van zijn tijd. Het ware beter geweest Dirk Martens niet in de titel te vermelden, want hier wordt hij enkel gebruikt als randgarnituur, een positie onwaardig voor een der belangrijkste figuren uit de hele geschiedenis van Aalst. [J.H.]
3136.- Editions, impressions et traductions des textes humanistes in Nugae humanisticae sub signo Erasmi, Numéro 1 - Hiver 2000, p. 9-64.
Definitieve uitgave van nummer één van het nieuwe tijdschrift Nugae humanisticae, verschenen op het ogenblik dat het derde colloquium werd gehouden. In 1999 verscheen een voorlopige uitgave als een nulnummer (zie Kroniek 25
nr. 3009). Fraai gezet uit de Joanna en de Joanne Expert, in een vormgeving van Sign' te Brussel en op opdikkend papier door Impri-Compo te Brussel gedrukt, draagt de omslag de hand van Fernand Baudin voor de titel van het tijdschrift. De publicatie van de tweede en derde disputatiunculae zijn in het vooruitzicht gesteld. [E. C.-I.]
3137.- J.A. Gruys, Typographia Batava, 1541-1600: A milestone in Dutch bibliography in Papers of the Bibliographical Society of America, 94, 2000, p. 131-141.
Dit `Review essay' gewijd aan Paul Valkema Blouws levenswerk gaat veeleer over de historiografie van de Nederlandse bibliografie, te beginnen met een klare duiding van de adjectieven die daarbij in de loop der tijden gehanteerd zijn en de verklaring daarvoor. Aan te bevelen lectuur voor elke `Nederlandse' bibliograaf. [E. C.-I.]
3138.- Rodolphe Peter(+) & Jean-François Gilmont, Bibliotheca Calviniana: Les oeuvres de Jean Calvin publiées au XVIe siècle. Ecrits théologiques, littéraires et juridiques. T.I: 1532-1554. T.II: 1555-1564. T.III: 1565-1600.- Genève: Librairie Droz, 1991-2000.- 3 dln (1165, 677 p.): facs.; 25 cm. (Travaux d'Humanisme et Renaissance, 255, 281, 339). FS
Met het verschijnen van het derde deel (waarvoor medewerking van Christian Krieger werd verkregen) is de monumentale bibliografie van Calvijns theologische, literaire en juridische geschriften voltooid. Een bespreking is in deze Kroniek niet direct op haar plaats maar om twee redenen is een signalement wenselijk. Eerst en vooral is dit een model van persoonsbibliografie waarbij de inhoud even grondig is geanalyseerd als het object boek; de inbreng in dezen van de bewerker, J.-F. Gilmont, is wezenlijk te noemen. Voorts is het goed te beseffen dat hier een niet onaardig aantal Nederlandse drukken (vooral uit de laatste tijdspanne) thuishoort (Amsterdam, Antwerpen, Delft, Dordrecht, Emden, Leiden). [E. C.-I.]
3139.- H.D.L. Vervliet, Printing types of Pierre Haultin (ca. 1510-87). Part I: Roman types. Part II: italic, Greek and music types in Quaerendo, 30, 2000, p. 87-129, 173-227, ill.
Na een kort biografisch overzicht, waarin A. het belang van Haultin onderstreept, beschrijft hij, bijzonder gedegen, in dit eerste deel 15 lettertypes romein.
Elke beschrijving is opgebouwd volgens een vast schema: grootte, eerste verschijning, vroeg voorkomen (vooral zestiende eeuw), vermeldingen in type specimens (tot en met de achttiende eeuw), de beide laatste streven geen volledigheid na. Daarop volgen bewaarplaats van de matrices, sleuteltypen, eigentijdse toeschrijvingen, een geschiedenis van het lettertype en literatuur. In de geschiedenis wordt uitgelegd waarom een bepaald type aan Haultin wordt toegeschreven, welke de relatie is met andere en expliciete verwijzingen naar de inventarissen van Plantijn. De beschrijving wordt geïllustreerd met een afbeelding van het besproken lettertype. Een must voor elkeen die zich met typenonderzoek bezig houdt. [J.H.]
3140.- Robrecht Lievens, Een zettersgrapje: A a a a in Quaerendo, 30, 2000, p. 164-166.
Een reden waarom een zetter/kopiïst kan ingrijpen in een tekst, is dat hij zich amuseert. A geeft hiervan twee voorbeelden: een aanpassing van Reynaert die vos (Gouda: Leeu, 1479) en één in Die excellente Cronike van Vlaandren (Antwerpen: Vorsterman, 1531). Hierin is de naam Adriaen vervangen door A en drie a's. A vermoedt dat de zetter op deze idee gekomen is door een vaak geciteerde bijbelse reminiscentie aan Jeremias I, 6! [J.H.]
3141.- Gilbert Dumon, Schilder Pieter Coucke van Aalst in Vlaamse Stam, 36:6, 2000, p. 244-251.
In het Stadsarchief te Gent werd het persoonlijk archief van de familie Coucke (of Coecke) gevonden. Een van de documenten bevat een genealogie van de familie Coucke, gemaakt in opdracht van Pieter Coucke, advocaat bij de Raad van Vlaanderen en overleden in 1590. Op basis van dit document en de rest van het archief werd de stamboom van Pieter Coucke van Aalst gereconstrueerd. [J.H.]
3142.- Nathalie Coilly, Une plaque "Spes " à la bibliothèque de l "Arsenal: l "acte de foi du relieur luthérien Jacob Bathen in Bulletin du bibliophile, 2000, p. 416-418, ill.
Er is weer een "Spes "-band opgedoken: in de Parijse "Arsenal " (8( J 1831 Rés.). Hij zit rond een Leuvense druk uit 1531 - maar de titel ervan wordt nergens meegedeeld! A. heeft het verder alleen over de mogelijke lutherse gezindheid van Bathen. [M. d. S.]
3143.- Karel Mannaerts, De bibliotheek van raadsheer Pierre Lapostole (+ 1532) in Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, 103, 1999 [versch. 2000], p. 125-173, ill.
Pierre Lapostole (Doornik 1446-1532) was hoogleraar civiel en kerkelijk recht te Leuven, en van 1501 af raadsheer van de Grote Raad te Mechelen. In het aartsbisschoppelijk archief van Mechelen is een uitvoerige inventaris van zijn bezittingen bewaard (Archief van de Zestig Gebroeders (LX), reg. 409, f. 141r-188v), waaronder ook een lijst van boektitels. M. publiceert de 457 titels met voor elk een korte poging tot identificatie (met voorrang voor drukken uit de Nederlanden - dat hoeft niet altijd zo te zijn geweest: een Bazelse of Parijse of Keulse druk had soms meer belang dan een Antwerpse of Leuvense). Er is een register van persoonsnamen toegevoegd. Enkele conclusies: 2, 5 % boeken in het Nederlands, 13, 5 % in het Frans en de rest in het Latijn. Recht was goed voor 27 %, literatuur (klassieke auteurs vooral) 30%, wetenschappen (geneeskunde) 17 %, geschiedenis 17 %, godsdienst 9 %. Voor de identificatie is blijkens de lijst van "Gebruikte werken " (p. 167-168 - met enkele curieuze sigla) géén gebruik gemaakt van Adams, Machiels, Moreau, VD-16 enz. Dat is dan wel een gemiste kans. Toch is nu weer een belangrijke vroege bibliotheekcatalogus bekendgemaakt. [M. d. S.]
3144.- Andrea Carlino, Paper bodies: A catalogue of anatomical fugitive sheets 1538-1687. Translated by Noga Arikha.- London: Wellcome Institute for the History of Medicine, 1999.- xvi, 352 p.: ill.; 25 cm. (Medical History, Supplement No. 19, 1999).
Anatomische bladen met beweegbare onderdelen zijn in de zestiende en zeventiende eeuw over heel Europa verspreid. De efemere aard van het type document -een planodruk- maakt dat wij ze na vier eeuwen als zeldzaam, broos, beschadigd en onvolledig hebben leren kennen. Wat ook al doet vermoeden dat er meer geweest zijn dan thans bekend. En wat bekend is, ligt verspreid in bibliotheken in Europa en Amerika, waar enkele van deze vestigia, eertijds als bindmateriaal gebruikt, niet meteen als een zelfstandige druk zijn erkend en behandeld. Het is de grote verdienste van Andrea Carlino van de nu bekende bladen (`typographical artefacts') een bibliografie te hebben samengesteld die, in haar optiek (een dissertatie), trouwens verder moest reiken dan alleen maar een bibliografisch werkinstrument.
De auteur heeft voornamelijk onderzocht voor welk publiek deze bladen bestemd waren, hoe ze gebruikt werden, of het resultaat aan de initiatiefnemers beantwoordde, of er vraag naar deze dingen bestond, welke de relatie er tussen deze bladen en de anatomische iconografie in de grote traktaten van de Renaissance bestaat en welke betekenis aan het fenomeen kan worden gehecht. Dankzij de studies van L. Choulant, Le Roy Crummer, J.G. de Lint, F.N.L. Poynter en L.H. Wells om de voornaamste te noemen, was al veel over het onderwerp bekend, gegevens die de auteur nu samen met haar eigen observaties en bevindingen heeft uitgebreid. De inleiding is in vier hoofdstukken onderverdeeld. (1) De uitbeelding van het menselijk lichaam tijdens de Renaissance. Zo heeft de combinatie van woord en beeld haar eigen plaats in de beeldcultuur van de anatomie tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw: het beeld prevaleert op de beperkte uitdrukkingsmogelijkheden van de taal. (2) De productie van anatomische bladen en de verspreiding van de anatomische kennis in de zestiende eeuw. Inhoudelijk hebben deze bladen niet veel bijgebracht; toch kenden ze een grote verspreiding, zelfs door een Vesalius in de hand gewerkt. (3) De geboorte van een anatomisch beeld. Hier is de genealogie van de afbeeldingen aan de orde. (4) Gebruik en functie van anatomische afbeeldingen. Sommige waren bestemd voor medici en studenten, andere voor barbiers en chirurgijns, nog andere hadden meer van de volksprent. Grote tekstverschillen onderling zijn er niet en het godsdienstig-morele karakter (Gnooti seauton en Memento mori) is nooit ver weg.
De bibliografie is chronologisch geordend. Het is niet duidelijk of de beschrijvingen op autopsie berusten. Wel zijn edities opgenomen waarvan geen exemplaar (meer) is aan te wijzen, slechts uit de literatuur bekend. Vaak is maar één van de twee bladen meer bewaard. In de meeste gevallen zijn de bladen gereproduceerd. In de hoofding zijn het jaar van verschijnen en de drukker aangegeven, en de omstandigheid of het om één of een paar bladen gaat. Volgen een transcriptie van titel en impressum, de afmetingen (naar één exemplaar), een korte beschrijving i.v.m. de tekst, literatuuropgave, bekende exemplaren. Veel, zoniet de meeste edities waren al bekend (zie boven). Toch kon aan het bibliografisch onderzoek meer aandacht zijn besteed dan nu het geval is. Een beetje jammer maar het veronderstelt wel dat men alle exemplaren de visu gaat onderzoeken. Laten wij de `Catalogue' (62 nummers) voorlopig beschouwen als een goed uitgangspunt van wat vandaag de dag bekend is en voor aanvullingen allerhande vatbaar. De oudste bekende druk is van 1538, de laatste gedateerde van 1687. Antwerpse drukkers hebben zich natuurlijk niet onbetuigd gelaten: Cornelis Bos (1539-1540), Joannes Crinitus (1540), Sylvester van Parijs (tussen 1540 en 1550). Voor het overige leveren Italië en Duitsland het grootste aantal. In de `Bibliography' gaat het niet om handschriften en gedrukte werken, maar wel om bronnen (handschriften en drukken) en literatuuropgave. Een verkorte-titellijst van de beschreven drukken en een register van namen en zaken ronden het boek af (géén lijst van bibliotheken!).
Het lag a.h.w. in de lijn der verwachting dat deze studie door het Wellcome Institute for the History of Medicine zou worden gepubliceerd. Deze instelling èn haar uitstekende bibliotheek zijn toonaangevend op het gebied van de geschiedenis van de geneeskunde en hebben door middel van publicaties, retrospectieve en lopende bibliografieën onmisbare werkinstrumenten geleverd. [E. C.-I.]
3145.- A. Saunders, French Emblem Books or European Emblem Books: Transnational Publishing in the Sixteenth and Seventeenth Centuries in Bibliothèque d'Humanisme et Renaissance, 63:2, 1999, p. 415-428.
Embleemboeken zijn vanaf de 16de eeuw een internationaal verschijnsel. In het begin werden Franse embleemboeken enkel in Frankrijk gedrukt, maar vanaf 1560-1570 speelde C. Plantin in Antwerpen een belangrijke rol in de internationale verspreiding van Franse embleemboeken. [J.H.]
3146.- De Geleerde Wereld van Keizer Karel. Wereldwijs. Wetenschappen rond Keizer Karel: Catalogus tentoonstelling. Red. Tineke Padmos & Geert Vanpaemel.- Leuven: Universitaire Pers, 2000.- 427 p.: ill.; 24, 9 cm. (Symbolae Facultatis Litterarum Lovaniensis Series B/vol. 19).- ISBN 90-5867-071-6. BF 1100.
Meer dan 120 oude drukken en enig archiefmateriaal omtrent het drukkersbedrijf maken van deze tentoonstelling èn bijhorende publicatie een boek dat de aandacht van de boekhistoricus verdient. [J.H.]
3147.- Ziek of gezond ten tijde van Keizer Karel: Vesalius en de gezondheidszorg in de 16de eeuw. ed. R. Van Hee.- Gent: Academia Press, 2000.- IV, 336 p.: omslag, ill.; 30 cm.- ISBN 90-382-0248-2. (Te verkrijgen bij Story-Scientia in Gent, of Ef & Ef in Thorn).
Een pleiade van professoren heeft het onderwerp onder twaalf invalshoeken bekeken en daar een opstel aan gewijd, voorzien van voetnoten en (elk !) een literatuurlijst. Personenregister. [E. C.-I.]
3148.- Frans A. Janssen, The first English and the first Dutch printer's manual: a comparison in Quaerendo, 30, 2000, p. 154-163, ill.
Janssen vergelijkt Joseph Moxon, Mechanik exercises on the whole art of printing (1683-1684), het oudste gedrukte handboek voor drukkers met David Wardenaars, Beschryving der boekdrukkunst (1801) dat alleen in handschrift is overgeleverd. Moxon beperkt zich tot een puur technische beschrijving. Wardenaar wijst ook op een aantal sociaal-economische aspecten van het drukkers- en zettersberoep. Ondanks de vele overeenkomsten zijn er ook in de technische beschrijving toch substantiële verschillen. Janssen benadrukt dat men er al te vaak van uit gaat dat de druktechniek tijdens de handpersperiode overal identiek was. [H.M.]
3149.- Marieke van Delft, Drukkers voor Lodewijk Elzevier, Jan Paets Jacobszoon en Jan Bouwensz in Boekverkopers van Europa, p. 267-280. (cf. nr. 3150)
De Leidse drukkers Jan Paets Jacobszoon en Jan Bouwensz drukten de meeste werken van Lodewijk Elzevier. Paets en Bouwensz werkten intensief samen. Paets was naast drukker vooral ook boekverkoper en uitgever, in tegenstelling met Bouwensz, die zich vooral tot drukken beperkte. Het was dan ook vooral Bouwensz die voor Elzevier drukte, zij het dat deze nog met een aantal andere drukkers samenwerkte. [H.M.]
3150.- B.P.M. Dongelmans, P.G. Hoftijzer, O.S. Lankhorst (red.), Boekverkopers van Europa. Het 17de-eeuwse Nederlandse uitgevershuis Elzevier.- Zutphen: Walburg Pers, 2000.? 352 p.: ill.; 25 cm.- (Bijdragen tot de Geschiedenis van de Nederlandse boekhandel. Nieuwe Reeks, V).- ISBN 90 5730 116 4. Fl. 75, 52.
Naar aanleiding van de 450ste verjaardag van de geboorte van Lodewijk (I) Elzevier in Leuven werd in Leiden van 20 tot 22 november 1997 een colloquium georganiseerd. Bijna alle teksten daarvan zijn opgenomen in deze bundel, die een status quaestionis wil bieden van het Elzevieronderzoek. Omdat de Elzeviers actief waren van 1583 tot 1712, in Leiden, Amsterdam, Den Haag en Utrecht krijgt de lezer als achtergrond in de inleiding een wat al te summier genealogisch overzicht van de belangrijkste leden in het geslacht Elzevier.
De bundel opent met een Latijnse lofprijzing op Daniel Elzevier door Gillis Ménage (1663) met een Nederlandse vertaling door M.G.M. Van der Poel. O.S. Lankhorst en P.G. Hoftijzer schetsen de evolutie van de Elzevierstudie respectievelijk in de 18de eeuw en de eerste helft van de 19 de eeuw en in de recentere periode. De interesse van de verzamelaars en de vragen die zij opwierpen, vormde al van in de 18de eeuw een stimulans voor het boekhistorisch onderzoek. Het werk van Alphonse Willems (1880) blijft nog steeds een mijlpaal in de Elzevierstudie. B.P.M. Dongelmans stelt vast dat het onderzoek sindsdien meer "voortgang " dan "vooruitgang " heeft vertoond. In een bijlage bij zijn artikel presenteert hij de lijst van schuldenaren van Daniel Elzevier. P. Hoftijzer toont ook dat niet iedereen zo onvoorwaardelijk enthousiast was over de Elzevier hype.
Na de inleidende artikels over de evolutie van het onderzoek komen een aantal segmenten van het uitgeversfonds aan bod. P. Begheyn bekijkt het vrij kleine aantal drukken van jezuïeten en schenkt ook aandacht aan de anti-jesuitica. In een bijlage voegt hij een short-title lijst van de jezuïetendrukken en een brief van Louis Elzevier aan Athanasius Kircher en één van Pierre Le Moyne aan Johannes Elzevier toe. J.A. Gruys bekijkt elk deel van de "Republieken ", een reeks van 33 landenbeschrijvingen o.a. door Johan de Laet, en reproduceert bijna van elke editie een titelblad. J. Kingma wijst op de talrijke filosofische werken in het fonds van Lodewijk (III) en concentreert zich dan op het werk van Descartes dat dankzij de Elzeviers een grote en goede verspreiding heeft gekend, wat hen ook geen windeieren heeft gelegd. M. Van der Poel geeft een overzicht van de uitgaven op het vlak van de klassieke filologie en van de tekstuitgaven van de in meerderheid klassieke Latijnse auteurs. Vele van deze edities waren Statenuitgaven, teksten die op het programma van de Latijnse scholen stonden. Van enkele courante auteurs publiceerden de Elzeviers variorumedities. Van der Poel besluit zijn bijdrage met een aansporing tot de filologen om wat meer aandacht te schenken aan het boekhistorische aspect van de tekstoverlevering. J. Bos vraagt aandacht voor het zeer omvangrijke academische drukwerk, theses en disputaties, van de Leidse officina. De tijdgenoten waren niet altijd tevreden over de kwaliteit ervan en ook bij Willems ontbreekt het. Daarnaast biedt Bos een lijst van 97 STCN beschrijvingen van Leidse Elzevierdrukken die niet in Willems staan.
De Elzeviers hadden een bijzondere relatie met Frankrijk. P. J. Smith bekijkt hun aandeel in de uitgave van Franse literatuur eerder anekdotisch. Vooral controversiële edities o.a. van Molière, La Rochefoucauld en het verboden werk van Rabelais genieten zijn aandacht. H. Bots nuanceert het positieve beeld met citaten uit de correspondentie van Franse auteurs die zich beklagen over de manier waarop de Elzeviers hen behandelen. Anderzijds werden zij in Frankrijk gewaardeerd voor het grote aanbod in hun boekhandel, die weliswaar werd gehinderd door de belemmerende maatregelen van de Franse overheid.
B. Bennich-Björkman bekijkt de goede handelscontacten met Denemarken (1620-1680) en Zweden (1635-1680), die nog bevorderd werden door de aanwezigheid van Nederlandse geleerden als Isaac Vossius en Nicolaas Heinsius aan het Zweedse hof. H. De Canck neemt de relatie met de Officina Plantiniana in de periode 1641 - 1656, als Balthazar II Moretus de leiding heeft, onder de loep. Maar zijn conclusies baseert hij slechts op het archiefmateriaal uit 1643 en 1649. Balthazar Moretus wordt op p. 187 ten onrechte debiteur genoemd van de Elzeviers want uit de cijfers blijkt dat hij voor meer waarde leverde dan hij van hen inkocht. Het begrip 'stapelmarkt " lijkt mij trouwens niet van toepassing op de Noord-Nederlandse boekhandel in de 16de en 17de eeuw. De vrij intensieve handel met Engeland komt aan bod bij F. Korsten. Hoewel de Elzeviers geen enkel Engelstalig werk drukten, gaven zij bijna honderd werken van Britse of met Engeland in verband staande auteurs uit. M. Keblusek beschrijft de relatie van de Elzeviers met één voorname klant, hertog August van Wolfenbüttel, die veel transacties en aankopen via zijn vertegenwoordiger in Den Haag, Lieuwe van Aitzema, liet verlopen.
P. Dijstelberge stelt de niet altijd rationele motieven om vooral de kleine formaten van de Elzeviers te verzamelen in vraag, maar komt na vergelijking met enkele andere uitgevers toch tot de conclusie dat de Elzeviers terecht om hun typografische kwaliteiten worden gewaardeerd. Ondanks de vaak betwistbare cijfers waagt J. Schaeps het om een kwantitatieve analyse te maken van de prenten in de Leidse productie beschreven door Willems. De Elzeviers munten niet uit door geïllustreerde boeken en of men daarom de boeken die alleen een titelprent hebben, ook als boeken met prenten mag beschouwen is betwistbaar, net zoals de magere conclusies van de kwantitatieve analyse. L. Schlüter en P. Vinken hebben de Nederlandse versie van hun publicatie over het Elsevier "Non Solus- drukkersmerk (1997) opgenomen (cf. Kroniek 24
nr. 2858).
O. Lankhorst besluit de bundel met een bibliografie over de familie en het uitgeversbedrijf Elzevier (1580-1712), die niet alleen systematisch geordende secundaire literatuur biedt maar ook een overzicht van gepubliceerde en ongepubliceerde brieven van en aan de Elzeviers. Wie belangstelling heeft voor de geschiedenis van het Elzevier-onderzoek, krijgt ook literatuur over de Elzevier-bibliografen.
Een zeer uitvoerig register op persoonsnamen maakt de verzorgde en mooi geïllustreerde bundel zeer toegankelijk. Ik hoop wel dat de uitgever niet alle exemplaren met een extra stempel op het titelblad heeft ontsierd.
Eén waarschuwing is echter nog nodig. Elzevier-verzamelaars en onderzoekers lijden soms aan de Elzevir(i)omanie -over de spelling is men het blijkbaar niet eens- die een merkwaardige invloed heeft op het omgaan met getallen. Zo zijn er volgens de inleiders 4200 uitgaven van de Elzeviers (p. 7), Begheyn werkt met het cijfer 5300 (p. 59), Korsten werkt met 1600 nummers (p. 195), Bos telt in de STCN 4200 titels maar schat "nog vele honderden, zo niet duizenden meer " (p. 239), Smith waagt zich niet aan cijfers maar probeert er onderuit te komen met "het grote aantal ". Zelfs als het om kleinere aantallen gaat leveren de cijfers problemen op. Zo beweert Gruys dat de KB Den Haag 62 van de 66 edities van de "Republieken " bezit en het Museum Meermanno-Westreenianum bezit er 51, waarvan er 22 niet in de KB zijn, en samen zouden dat er evenveel zijn als de collectie van Winterthur namelijk 63 ?! De lezer, die op zoek is naar betrouwbare cijfers, weze gewaarschuwd. [H.M.]
Zie ook nr. 3149
3151.- H. van 't Veldt, Beminde broeder die ik vand op 's werelts pelgrimswegen: Jan Luyken (1649-1712) als illustrator en medereiziger van John Bunyan (1628-1688).- Utrecht: De Banier, 2000.- 559 p.: ill.; 24 cm.- ISBN 90-336-0479-5. Fl. 55.
Dit werk vertoont de typische kenmerken van een academisch proefschrift waarbij de auteur niet alleen het onderwerp behandelt maar ook nog overvloedig de achtegrond schetst. Zo wijdt hij 200 bladzijden een het leven van Luyken. Hij bekijkt gedetailleerd zowel Luykens literaire als grafische werk en zijn opvattingen tegen de achtergrond van Amsterdam in die tijd. Na een uitvoerig hoofdstuk over de stand van het Buynyanonderzoek en één over Nederlands-Engelse betrekkingen en de receptie van Bunyan in Nederland, komt de auteur tot een overzicht van het Bunyancorpus van Luyken. Hij reproduceert de 28 illustraties van Luyken bij Bunyan en onderzoekt de picturale traditie waarin ze kaderen. Hij gaat ook na in hoeverre de prenten van Luyken nagevolgd zijn in latere edities van Buynyan in Nederland en in het buitenland.
In bijlage biedt Van 't Veld nog een bibliografie van Luykens werken. Het boek bevat talrijke illustraties met zeer veel interessante prenten. Daarom is het te betreuren dat de kwaliteit van de reproducties vaak veel te wensen overlaat, waardoor een aantal details gewoon niet te herkennen zijn. [H.M.]
3152.- Garrelt Verhoeven, Antiquarische adversaria II: Een nieuwe Oudtheyt in De boekenwereld, 17, 2000-2001, p. 78-80, ill.
Een pas opgedoken roofdruk van Hugo de Groots Tractaet vande outheyt vande Batavische nu Hollandsche Republique (eerste druk: Den Haag, Hillebrant Jacobsz, 1610, 4() blijkt te zijn gedrukt met het lettermateriaal van Adriaen Roman te Haarlem. Die had zijn vader Gillis Rooman in 1610 opgevolgd en zag blijkbaar brood in De Groots historisch essay. De roofdruk telt vijf katernen in octavo en was duidelijk bestemd voor een minder kapitaalkrachtig publiek. [M. d. S.]
3153.- Margit Thofner, Princely pieties: the 1598-1617 accessions of the Royal Library in Brussels in Quaerendo, 30, 2000, p. 130-153.
Aan de hand van twee afschriften van de inventaris van 1614-1617 van de Koninklijke Bibliotheek van het paleis op de Coudenberg in Brussel komt Thøfner tot het besluit dat na 1598 het accent bij de nieuwe aanwinsten vooral lag op werken uit de religieuze sfeer en dit in tegenstelling met de voorafgaande periode waarbij aanwinsten uit allerlei genres werden verworven. Dit had minder te maken met een bewuste politiek van de aartshertogen Albrecht en Isabella dan met de boekverkopers die een bepaalde perceptie van het hof hadden en daardoor vooral dit soort boeken aan de bibliotheek schonken. Ook al bestond er een soort wettelijk depot, uit het lijstje van Thøfner blijkt dat slechts zeer weinig uitgevers het toepasten. Isabella zette auteurs en uitgevers er wel toe aan om devotionele werken te publiceren. Zo ligt zij bv. aan de basis van Van Veens Amoris Divini Emblemata. In bijlage biedt Thøfner een geannoteerde transcriptie van 84 boeken gepubliceerd tussen 1598 en 1617 in de inventaris. [H.M.]
3154.- Inger Leemans, De Sexshop van Europa. De Nederlandse productie en verspreiding van pornografische romans in de zeventiende eeuw in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 7, 2000, p. 81-96, ill.
Leemans toont aan dat pornografische romans op het einde van de zeventiende eeuw in Nederland niet alleen werden gedrukt maar ook werden geconsumeerd. De uitgevers Timotheus ten Hoorn, Jan Bouman, Hieronymus Sweerts en de illustrator Romeyn de Hooghe worden ervan verdacht pornografie te produceren en te verspreiden, bovendien was de op vele terreinen tegendraadse Franse immigrant Jean Maximilien Lucas waarschijnlijk een belangrijke persoon achter de schermen. In de tweede helft van de eeuw werd er zelfs heel wat oorspronkelijk Nederlands libertijns proza geschreven dat al vlug in verschillende andere talen werd vertaald. Nederland voorzag toen zowel zichzelf als de rest van Europa van erotische literatuur. [H.M.]
3155.- Johan Gerritsen, Emanuel van Meteren's Commentariën and STC in Quaerendo, 30, 2000, p. 35-50, ill.
Van Meterens Commentariën op de Nederlandse Opstand verschenen voor het eerst in het Nederlands in 1599 en werden meteen herdrukt. De titelpagina van de eerste druk bestaat in drie varianten, en dat is nog maar het begin van de bibliografische ellende. Twee vervangbladen (in exemplaren in Brussel en Groningen) blijken zelfs in Engeland te zijn gedrukt! De herdruk 1609-1611 (vaak foutief "1608 " genoemd) is ook al een bibliografisch kluwen. G. heeft dit nu voorbeeldig ontrafeld en meteen de beschrijvingen in de (Engelse) New STC (17845.3 en 17845.7) gecorrigeerd. Eén minieme opmerking: het Brusselse exemplaar is daar te vinden onder VB 10213 C 1 RP i.p.v. onder L.P.V.10213.I.c. [M. d. S.]
3156.- Francis Pottiée-Sperry, Les éditions des "Essais " de Montaigne en néerlandais au XVIIe siècle in Bulletin du bibliophile, 2000, p. 147-152, ill.
Alle de werken van de Heer Michel de Montaigne, vertaald door Jan Hendrik Glazemaker, verschenen te Amsterdam in 1674, 1680 en 1692. Het betreft hier echter slechts één druk, in drie uitgaven. Enkel de titelpagina verschilt, en enkel de uitgave van 1692 heeft een frontispiece, door Laurens Scherm. A. wijst op het belang van de Engelse en Nederlandse vertalingen, toen er in de periode 1669-1724 geen Franse uitgaven meer op de markt kwamen (censuur). [M. d. S.]
3157.- Raf van Laere, Toneel uit het Hasselts augustijnencollege in Limburg / Het oude land van Loon 78, 1999, p. 311-314.
De Provinciale Bibliotheek van Limburg bezit een bundel 17de-eeuwse toneelprogramma's waarvan enkele afkomstig zijn uit het Hasseltse augustijnenklooster. De bundel bevat ook enkele volledige gedrukte toneelstukken o.a. van Jan Vos en Cornelis de Bie en een spel in handschrift van E.D. Moy. [H.M.]
3158.- Rietje van Vliet, Elie Luzac in conflict met Georg Conrad Walther: een Duits privilege voor de Fables van La Fontaine in De boekenwereld, 16, 1999-2000, p. 214-226, ill.
De Leidse drukker, uitgever en boekverkoper Elie Luzac begon met de Fables van La Fontaine uit te geven, zoals zovelen, zonder privilege. Het privilege dat hij nochtans heeft gehad, en wel van de keurvorst van Saksen -hij had een contract gekregen om in Göttingen een boekhandel te openen en er aan de Universiteitsbibliotheek en de Hofbibliothek in Hannover te leveren- heeft helaas tot niets gediend: vooraleer hij tot publicatie kwam, was de geldigheidsduur namelijk verstreken. De oorzaken van de vertraging lagen nochtans niet geheel bij hem: hij moest wachten tot de Parijse editie van Desaint en Saillant (in 1739 aangekondigd maar waarvan pas in 1755 het eerste deel verscheen) er was om te kunnen beschikken over de tekeningen van Jean-Baptiste Oudry. De Amsterdamse graveur Jan Punt was ongetwijfeld de beste keuze, maar feit is dat het boek pas in 1761 op de markt kwam. Met alle nare gevolgen vandien voor Luzac. Of: `wat een uitgever lijden kan'.[E. C.-I.]
3159.- Pierre Mouriau de Meulenacker, A propos des Lettres à Eugénie du prince Charles-Joseph de Ligne in Le livre & l'estampe, 36, 2000, 153, p. 7-52, ill.
Van de eerste editie, verschenen in 1774, bestaan twee `uitgaven' of emissies, één met een Parijs impressum, en één met een Brussels-Parijs adres. Informatie over zoveel mogelijk exemplaren heeft de auteur in staat gesteld vast te stellen dat beide uitgaven bovendien een wisselend aantal cancellantia en varianten in het gebruik van de vignetten vertonen. Precies dankzij deze vignetten kon de druk aan de Luikse drukker Plomteux worden toegeschreven. Een goede oefening in analytische bibliografie die navolging verdient. [E. C.-I.]
3160.- Jan Storm van Leeuwen, It glitters and is more than gold: fore-edge paintings in the Dutch Royal Library in `For the love of the binding'... (zie nr. 3127), p. 221-239, ill.
De typische snedeversiering bij de boekband die pas bij het uitwaaieren van het boekblok te voorschijn komt -en daarom `verdekt geschilderde snede' heet- is van Engelse oorsprong; het oudst bekende exemplaar dateert van 1649. In Nederland is het een grote zeldzaamheid. De Haagse KB bezit acht zulke banden, waarvan twee Nederlands zijn. De ene komt uit de Leidse binderij, 1723?, de andere is van Zacharias Romberg of uit zijn omgeving, te Amsterdam, ca. 1735. Deze beide zijn uitvoerige beschreven dan de zes andere, een fraai geschenk aan de boekbandhistorica Mirjam Foot, Nederlandse van geboorte. [E. C.-I.]
3161.- De alleronaangenaamste arbeid uit welke de ziel weinig voedzel trekt: De Praefatio van Mr. Hendrik Constantijn Cras tot zijn Catalogus Bibliothecae Publicae Amstelaedamensis (1796) uit het Latijn vertaald en van aantekeningen voorzien door Chris L. Heesakkers en ingeleid door Piet Visser.- (Amsterdam): Vossiuspers, 2000.-40 p.: omslag; 21 cm. Fl. 15.
H.C. Cras was hoogleraar in de rechten aan het Athenaeum illustre te Amsterdam. In 1784 werd hij bovendien bibliothecaris. In die hoedanigheid heeft hij zich de reorganisatie van de bibliotheek tot doel gesteld; in 1796 volgde de publicatie van een catalogus. Dat een en ander niet steeds probleemloos is verlopen, valt af te lezen uit de inleiding die hij tot de catalogus schreef, en die hier in een uitstekend Nederlands is weergegeven. Bibliothecarissen, schept moed: het is altijd een ondankbare maar o zo nuttige taak geweest en het zal altijd wel zo blijven! [E. C.-I.]
3162.- Godelieve Spiessens, Zeven muziekinventarissen van de Antwerpse Sint-Jacobskerk de annis 1677-1755 in Provinciale Commissie voor geschiedenis en volkskunde [Antwerpen]. Jaarboek 1998-1999, p. 5-45.
Normaliter tot stand gekomen bij het aantreden van een nieuwe zangmeester, blijken enkele inventarissen lijsten van gedrukte boeken op te geven. De inventarissen zelf, hier niet gepubliceerd, staan in een register Antwerpen, Archief Sint-Jacobskerk, Kerkfabriek 107.
3163.- Matthijs van Otegem, Het boek van meester Jacobus Boschman in De boekenwereld, 16, 1999-2000, p. 155-163, ill.
Aan de hand van één bepaald boek, De eenige troost of Heidelbergsche Katechismus door Mattheus Gargon (Leiden, S. Luchtmans, 1710) dat in het bezit is geweest van Jacobus Boschman probeert A een stramien te ontwikkelen om op systematische wijze historisch leesonderzoek te doen. Om de vragen `wie, wat, waarom en hoe' te kunnen beantwoorden zijn in het recente verleden tal van wegen bewandeld, meestal echter omwegen. A laat het boek spreken: inhoud, al dan niet luxueuze wijze van uitgave, gebruikte lettertypen, zonder daarbij het belangrijkste element (maar helaas het minst vaak voorkomend) te vergeten: gebruikssporen, aantekeningen. Die zijn er in onderhavig boekje in overvloed en laten dan ook toe enige conclusie te formuleren aangaande het boekgebruik (leescultuur) van de Texelse schoolmeester en predikant Boschman (+ 1727). Leescultuur, of hoe men het ook noemen wil, blijft ongetwijfeld meer vragen oproepen dan er geredelijkerwijs kunnen worden beantwoord. [E. C.-I.]
3164.- Jerome Machiels, Van religieuze naar openbare bibliotheek.- Brussel: Algemeen Rijksarchief, 2000.- 103 p.; 29 x 20, 5 cm. (Dossiers, 2de reeks).- 200 BF (Bestelnr. Publ. 3150, Algemeen Rijksarchief, Ruisbroekstraat 2, 1000 Brussel).
Inventarissen van kloosterbibliotheken door Jozef II afgeschaft en aanwezig op het Algemeen Rijksarchief (nrs. 24-51).- Brussel: Algemeen Rijksarchief, 2000.- 399 p.; 29 x 20, 5 cm. (Reprints, 169).- 800 BF (Bestelnr. Publ. 3362).
`Van religieuze naar openbare bibliotheek 1773-1803' was de titel van een tentoonstelling georganiseerd door het Algemeen Rijksarchief n.a.v. de publicatie in facsimile van de handgeschreven inventarissen van de opgeheven kloosterbibliotheken in België in vier delen voorzien).
Elk boekhistoricus van de Lage Landen weet dat een aanzienlijk gedeelte van het oude-boekenbestand sporen van oud kloosterbezit vertoont. Nog vóór de Franse Revolutie heel Europa ondersteboven haalde, was Jozef II al met de opruiming begonnen. In 1783 vaardigde hij een edict uit waarbij de kloosters die hij als onnuttig beschouwde, werden afgeschaft. Tegelijk richtte hij een comité op voor de `Religiekas' die belast werd met hele organisatie van de afbouw en het beheer van het bezit. Eén van de taken bestond er in een inventaris aan te leggen van het hele kloosterbezit, bibliotheek inbegrepen. In het fonds Comité voor de Religiekas' in het Brusselse Algemeen Rijksarchief zijn nog zo'n honderdvijftig bibliotheekinventarissen bewaard (genummerd van 24 tot 148), tussen februari en september 1784 opgesteld en naar vestigingsplaats en kloosternaam geordend. Inzoverre de instructies door de administratoren goed zijn uitgevoerd (soms met behulp van een lokale boekhandelaar), zijn van elk boek opgegeven het formaat, de auteursnaam, het onderwerp, plaats en jaar van uitgave en naam van uitgever. Al die inventarissen kwamen uiteindelijk terecht bij het Comité te Brussel of rechtstreeks bij veilinghouder J. Ermens, die al van in 1785 met openbare verkopen begon, soms wel soms niet met een gedrukte catalogus. Het eerste deel dat thans voorligt, gaat van Aalst tot halfweg Brugge (jammer dat deze kloosterrijke stad over twee delen is verspreid).
In een inleidende studie doet Machiels het verhaal van die overgang via drie grote stappen: de liquidatie van de jezuïetenbibliotheken -de orde werd al in 1773 opgeheven-, de afschaffing van de kloosters door Jozef II en de afschaffing van alle kloosters tijdens de Franse bezetting, gevolgd door de oprichting van openbare bibliotheken. Deze studie, gesteund op de bronnen, is ongemeen rijk aan informatie. Ik betreur alleen dat de tekst van deze house-made publicatie niet beter gestructureerd is en niet wat fraaier oogt; dat zou de leesbaarheid ten stelligste bevorderen. [E. C.-I.]
3165.- Kees van Strien, Thomas Hollis and his donation to Leiden University Library, 1759-70 in Quaerendo, 30, 2000, p. 3-34, ill.
De Engelse Thomas Hollis (1720-1774), sportief begaafd en als koopman o.m. in Amsterdam opgeleid, zei spoedig de corrupte handelspraktijken vaarwel en speelde al snel een rol in de wereld van genootschappen als de Royal Society en de Society of Antiquaries. Hij trad als mecenas op en bekostigde publicaties. Op die wijze leerde hij de wereld van het boek kennen en begon grote belangstelling te tonen voor typografie en boekband. Nog bij zijn leven begiftigde hij (eeuwig jongman gebeleven) talrijke bibliotheken in binnen- en buitenland, waaronder Groningen, Leiden en Utrecht. De UB Leiden kreeg van de bibliofiel, die blijkbaar ook andere dingen dan boeken verzamelde, zilveren penningen, wassen portretten, gravures en negen boeken, alle prachtig gebonden en met goudstempeling versierd door Richard Montagu en John Matthewman. [E. C.-I.]
3166.- Jan-Wim Wesselius, The first Talmud translation into Dutch: Jacob Fundam's Schatkamer der Talmud (1737) in Studia Rosenthaliana, 33, 1999, p. 60-66, ill.
In 1737 verscheen bij Arent van Huyssteen te Amsterdam in vijf afleveringen (samen 600 pagina's) een gedeeltelijke Nederlandse vertaling van de Talmud. Die vertaling was het werk van een bekeerde Sefardische jood, Jacob Fundam (fl. 1722-1744). A bespreekt ontstaan, inhoud en waarde van deze vertaling n.a.v. de verwerving van het tweede bekende exemplaar door de Amsterdamse Bibliotheca Rosenthaliana (Ros 20 G 46). Tot dan was slechts het exemplaar van de British Library bekend (4084 b 45). [M. d. S.]
3167.- Frits Huiskamp, Naar de vatbaarheid der jeugd. Nederlandstalige kinder- en jeugdboeken 1800-1840: een bibliografische catalogus.- Leiden: Pimavera Pers, 2000.- 568 p.: ill.; 25 cm.- ISBN 90-74310-42-7. Fl. 149.
Voor de periode 1800-1840 heeft de auteur 4650 Nederlandse kinderboeken achterhaald, een opvallend getal tegenover de 1700 nummers die P.J.Buijnsters en L.Buijnsters-Smets voor de hele achttiende eeuw opgespoord hadden. Die toename is gestimuleerd door de onderwijswetgeving in en na de Franse Tijd. In een korte inleiding wijst Huiskamp op - soms verrassende - resultaten van zijn onderzoek. Dat 33% van de auteurs anoniem blijft, verwondert niet echt bij dit soort literatuur, maar wel dat na de 61% Nederlandse afkomst de sterkste buitenlandse bijdrage uit Duitsland komt (23%) voor Frankrijk (8%) en Engeland (6%). De schrijver wijst daarvoor op de populariteit in Nederland van de piëtistisch-humanistische pedagogische denkbeelden van Duitse filantropijnen. Opvallend is ook de hoge technische kwaliteit die Huiskamp aan een deel van de productie toeschrijft: hij roemt de uitgevers Houtgraaf, Maaskamp en Guykens en de illustratoren R. Vinkeles, J. van Meurs, J. Punt en C. Bogerts.
De bibliografische beschrijving geeft naast de klassieke ingrediënten (auteur, titel, uitgever, illustrator) ook fingerprint, korte genre-aanduiding, vindplaatsen (met aanwijzing van exemplaren die aan autopsie onderworpen zijn) en verwijzingen. Te onthouden valt dat 'de catalogus...ook titels [bevat] die overgenomen zijn uit bronnen, zoals alfabetische naamlijsten, recensies, uitgeverslijsten en advertenties' (p.19), wat de aanwezigheid van 'ghost-editions' dus niet kan uitsluiten. Ook zijn alleen die Vlaamse kinderboeken vermeld, 'die zich in Nederlandse collecties bevinden of in Nederlandse bronnenlijsten genoemd worden' (p.7). De ordening is overigens klaar en de beschrijvingen zijn correct. Na het eigenlijke catalogusgedeelte volgen nog drie lijsten biografische notities: over auteurs, over illustrators, en over uitgevers en boekhandelaars. De laatste twee overzichten zijn nuttig, in de eerste komen onnauwkeurigheden voor: Prudens van Duyse was nooit hoogleraar aan de Gentse universiteit (p.497); J.M. Schrant was te Gent geen hoogleraar in de theologie, wel in Nederlandse taal, geschiedenis en welsprekendheid (p.506); een Franse 'abbé' (p.499) is niet noodzakelijk een 'abt'.
Het boek is goed geproduceerd met fraaie illustraties. [W.W.]
3168.- Paul van Capelleveen, Charles Ricketts en de nieuwe Nederlandse boekkunst 1890-1895 in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 7, 2000, p. 7-25, ill.
Charles Ricketts (1866-1931) richtte samen met zijn compagnon Charles Shannon de Vale Press op. Zij publiceerden ook een tijdschrift, The dial. Rickets streefde ernaar de productie en verzorging van een boek geheel in eigen hand te houden. Voor sommige boeken leverde hij tekst, houtsneden en decoratie, lettertype, typografie en bandontwerp. Op The dial werd de aandacht gevestigd door Jan Veth. Boekbanden van Ricketts werden geïmiteerd door uitgeverij Veen en door de binder Elias P. van Bommel. [W.W.]
3169.- Piet Verkruijsse, Dicht- en drukkunst: Typografenpoëzie aan de vooravond van de eerste Nederlandse vakvereniging in Kunst & LetterKunst: Opstellen voor George Vis.- Amsterdam: C.J. Aarts, 2000, p.138-154.
De Nederlandse typografen verenigden zich in 1866 in de oudste vakbond van Nederland, de Algemeene Nederlandsche Typografenbond. In de jaren daarvoor werden ter gelegenheid van koppermaandag (maandag na Driekoningen, de jaarlijkse feestdag van de boekdrukkers) feestboekjes gedrukt met daarin zowel sociale verzuchtingen als lofprijzingen aan het adres van Laurens Janszoon Coster, in wie men de uitvinder van de drukkunst begroette. In bijlage volgt een uitvoerige lijst van deze zeldzame boekjes. [W.W.]
3170. - Paul Thiers, Kijk op het "Zinstorend Miszetsel "-erratablad bij de eerste uitgave van "De teleurgang van den Waterhoek " en de proefdruk bij deze uitgave. Addendum in Jaarboek van het Stijn Streuvelsgenootschap, 5, 1999 [versch. 2000], p. 299-300.
Aanvulling op Kroniek 25
nr. 3063. [M. d. S.]
3171.- Michel B. Fincoeur & Marguerite Silvestre, Au faubourg de la Flandre à Molenbeek, l'Etablissement géographique de Bruxelles (1830-1880) in Archief- en bibliotheekwezen in België, 70, 1999, p. 191-226, ill.
Philippe Vandermaelen (1795-1869) publiceerde in de periode 1825-1827 een Atlas universel, de eerste atlas op uniforme schaal die kon gemonteerd worden op een globe. Samen met zijn broer Jean-François, die meer in plantkunde geïnteresseerd was, vestigde hij een geografisch instituut op het ouderlijk domein in Sint-Jans-Molenbeek. De broers richtten er een groot lithografisch atelier voor cartografie op en legden een indrukwekkende bibliotheek aan. Hun bedrijf ontwikkelde zich tot ezn wetenschappelijk centrum dat door vele geleerden geraadpleegd werd. Na de dood van de twee broers werd het geheel ontmanteld. Joseph Vandermaelen, zoon van Philippe, had nog een inspanning geleverd om de cartografische publicaties nieuw leven in te blazen, maar de techniek werd als verouderd ervaren: in de plaats van lithografie kwamen metallografie en fotografie. In 1878 werden boeken en geologische kaarten aan de Belgische staat verkovht. In 1880 kreeg de Koninklijke Bibliotheek exemplaren van alle eigen publicaties van het bedrijf. De rest werd geveild. Het grote domein is naderhand ingepalmd door de voortschrijdende urbanisatie van de eens rurale gemeente. [W.W.]
3172.- P.J. Buijnsters en L. Buijnsters-Smets, Moeder Hubbard en haar wonderhond in Holland in De boekenwereld, 16, 1999-2000, p.202-212, ill.
De Engelse Sarah Catherine Martin publiceerde anoniem in 1805 The Comic Adventures of Old Mother Hubbard and her Dog. Het was een nonsensicale geschiedenis die zij zelf illustreerde. Het boek werd onmiddellijk als kinderboek geaccepteerd. Het grappig werkje werd enorm populair als vermakelijk verhaal zonder gemoraliseer. Een eerste Nederlandse bewerking verscheen ca. 1825 bij J. Noman te Zaltbommel. In tegenstelling tot het oorspronkelijk komisch prentenboek werd in elke episode de gelegenheid tot omstandige moralisatie aangegrepen. Een latere uitgave bij Gebroeders Van Arum ca. 1830 sloot zich dichter bij de oorspronkelijke uitgave aan en was dan ook weer aantrekkelijker. Ook een editie bij J. Scholz te Mainz was van kwaliteit dankzij de taalvaardigheid van een anonieme vertaler-dichter. Bewerkingen in het Nederlands verschenen tot 1937. De auteurs zijn erin geslaagd negentien Nederlandstalige versies te traceren. Onnodig te zeggen dat alle edities zeer zeldzaam geworden zijn. [W.W.]
3173.- Van mannekesblad tot strip. Redactie Patricia Vansummeren, Harry de Kok, Jan Smet.- Turnhout: Stad Turnhout, 1999.- 32 p.: ill. ; 27 cm.
Verzorgde drietalige brochure (in het Nederlands, Duits, Frans) bij een tentoonstelling in het Taxandriamuseum te Turnhout en in het Stadtmuseum Herrenmühle te Hammelburg. Aan het begin van de volksprenten-industrie in Turnhout stond Philip Jaak Brepols die deze prenten over het hele gebied van het koninkrijk der Nederlanden verspreidde. Zijn succes bezorgde hem concurrentie van Petrus Frans Wellens, Petrus Delhuvenne, Stefaan Splichal en Glénisson-Van Genechten. Rond het midden van de negentiende eeuw werd Van Genechten zulke mededinger van Brepols, dat die laatste firma de productie afbouwde. Op het einde van die eeuw startte Brepols weer met een nieuwe lithografische reeks. Geleidelijk werd sjablonneren vervangen door chromolithografie. Tot het einde van de volksprenten-industrie in 1922 behield Brepols zijn toonaangevende positie.
De thema's van de prenten waren zeer divers: religieus, moraliserend, hekelend. Een van de meest geliefde voorstellingen was `De Trap des Ouderdoms' met de opeenvolgende fases van het mensenleven. Grote bijval genoten ook `floskaartjes', prenten die in zesendertig plaatjes de menselijke hiërarchie uitbeeldden van keizer en keizerin tot knecht en meid met als laatsts koppel: leven en dood.
Als illustraties zijn een aantal representatieve prenten zeer fraai gereproduceerd. [W.W.]
3174.- H.T.M. van Vliet, Versierde verhalen: de oorspronkelijke boekbanden van Louis Couperus' werk [1884-1925].- Amsterdam; Antwerpen: L.J. Veen, 2000.- 399 p.: ill.; 22 cm.- ISBN 90-204-5822-1. Fl. 49, 90.
De oorspronkelijke uitgevers van Couperus hebben zich ingespannen om zijn werk zo fraai mogelijk uit te geven. Vooral L.J. Veen verdient hiervoor een eresaluut. Dat streven viel samen met de grote aandacht voor de boekversiering op de grens van de negentiende en twintigste eeuw. Een eerste deel van het werk, 'De geschiedenis', verhaalt de samenwerking tussen Couperus en Veen. Van Vliet kon daarvoor putten uit het grote archief-Veen in Den Haag (Letterkundig Museum) en Amsterdam (Bibliotheek van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels). In een tweede deel, 'De beschrijving', wordt van elke titel een volledige bibliografische beschrijving geleverd, naast een geschiedenis van ontstaan, productie en variaties van de boekbanden aan de hand van brieven en andere documenten. Alle banden worden daarbij in kleur gereproduceerd.
Veen blijkt het kruim van de Nederlandse boekverzorgers aan het werk gezet te hebben: J. de Praetere, R.N. Roland Holst, K. Sluyterman, H.P. Berlage, J. Toorop, C.A. Lion Cachet, C. Lebeau, J.G. van Caspel. Veen ging virtuoos met dit materiaal om. Niet zelden werd een bandontwerp opnieuw gebruikt, ook wanneer dat niet in overeenstemming was met de geest van het latere werk. Toen de populariteit van Couperus afnam, liet zijn uitgever steeds meer kleine partijen binden, wat tot een onoverzichtelijk kluwen van verschillende banden voor dezelfde oplage leidde. Het is een zeer grote verdienste van Van Vliet, orde in deze chaos gebracht te hebben. Per titel heeft men nu een overzicht (en dank zij de royale illustratie ook de visu) van de mogelijke varianten van de banden per titel - hoewel de auteur veiligheidshalve stelt dat verrassingen nog steeds niet uitgesloten zijn.
Een opmerking bij de afbeeldingen in kleur van de banden: een beschrijving 'lichtgroen' (p.143) staat bij een band die er in reproductie grijs uitziet (vgl. ook p.165 en p.164, nr.1). Hier is complete overeenstemming niet gewaarborgd.
Als geheel is het werk een mijn van informatie en methodologisch gezien een model in het genre. [W.W.]
3175.- A.S.A. Struik & Marja Keyser, Nederlandse industriële boekbanden: een keuze uit de collectie van A.S.A. Struik in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam.- Amsterdam: Universiteitsbibliotheek, 2000.-103 p.: omslag, ill.; 24 cm. Fl. 58.
Albert Struik verzamelt sinds jaren boeken en boekjes voorzien van fraaie omhulsels (banden en omslagen), bedrukt of bestempeld (m.b.v. een pers) op papier of op linnen, In Nederland of daarbuiten verschenen. Stapsgewijs schenkt hij delen van die enorme collectie aan bibliotheken. In 1999 stelde het Museum van het Boek/Museum Meermanno Westreenianum in Den Haag een keuze uit de buitenlandse productie uit de periode 1840-1940 tentoon met een catalogus onder de titel Machinaal en mooi (zie Kroniek 25
nr. 3074). Nu is Amsterdam aan de beurt met een selectie van 280 exemplaren van Nederlandse, en enkele malen van Belgische origine, uit de periode 1830-1940. De verzamelaar heeft zelf grote inspaningen geleverd om de ontwerpers te achterhalen (cf. Kroniek 22 nr. 2595). De banden zijn met de assistentie van Marja Keyser beschreven en alle in kleur gereproduceerd. Opmaak en typografie lagen in handen van Sander Pinkse Boekproductie Amsterdam terwijl de uitvoering toevertrouwd werd aan het Grafisch Productiebedrijf Gorter te Steenwijk. Een schitterend boekje! [E. C.-I.]
3176.- Christian Coppens, A mid-nineteenth-century book-trade binder: Florent Pollender and the firm of Hanicq-Dessain in Mechelen in `For the love of the binding' (zie nr. 3127), p. 303-318, ill.
Het drukkers-, uitgevers- en boekhandelsbedrijf Hanicq te Mechelen, in 1855 door Dessain van Luik opgekocht -met zetel onder de benaming Hanicq-Dessain te Mechelen- heeft faam verworven met zijn liturgica en devotionalia; 1975 betekende het definitieve einde. De bestudering van het archief (voor zover kon worden gered) bracht een onvermoede boekbindersactiviteit aan het licht. In drie van de bewaarde registers zijn tal van interessante gegevens samen te lezen, als namen van binders, hoeveelheden te binden titels, leveringstermijnen, prijzen, gebruikte materialen, benamingen. Dit soort boeken werd doorgaans gebonden verkocht, zowel in luxe banden als eenvoudige. Toch gaat het niet echt om uitgeversbanden (ze zijn niet machinaal; maar zijn alle uitgeversbanden dit wel ?). CC noemt ze boekhandelaarssbanden (book-trade binding): ze zijn veelal zeer gelijkend maar wel handgemaakt en dus uniek. Over de met name genoemde binders is niet veel bekend. Aan één van hen, Florent Pollender, geboren Duitser, actief bij Hanick van 1844 tot 1857, wordt bijzondere aandacht besteed. Uit het archief blijkt bijvoorbeeld dat zijn banden naar alle windstreken gingen: van Mexico tot China, dat hij in één jaar bijna 3.000 boeken bond en ook boeken restaureerde. Veel banden zijn helaas niet van hem bekend. [E. C.-I.]
3177.- Elly Cockx-Indestege & Marcus de Schepper, `Il n'en existe pas d'autre exemplaire dans notre littérature.': handschriften en oude drukken uit de Nederlanden van C.P. Serrure naar de hertog van Arenberg, en verder in Medioneerlandistiek (zie nr. 3125), p. 287-301, ill.
Engelbert August, achtste hertog van Arenberg (1824-1875), was een bevlogen bibliofiel. Van zijn voorouders erfde hij een aanzienlijke bibliotheek die hijzelf nog ongemeen vergrootte. Hij was erop uit ware schatten te vergaren, kostbare handschriften als de Eerste bliscap van Maria of Wapene Martijn van Jacob van Maerlant naast zeldzame oude drukken. Voor deze collectie stelde hij een bibliothecaris aan, Charles de Brou, die het contact met de wereld van het boek moest verzorgen. De hertog kocht boeken uit het bezit van Richard Heber, Jan Baptist III Verdussen, Frans Jozef Vergauwen, Jan Frans van de Velde en François Borluut de Noortdonck. Zo ontstond een buitengewone collectie over de oude Nederlanden. Die was als een bijzondere verzameling in een aparte bibliotheek opgesteld. Nog voor het einde van de negentiende eeuw bleek die collectie in kisten verpakt te zijn, en dus onbereikbaar voor de wetenschap. Na de Eerste Wereldoorlog werd het bezit van de Arenbergs, die de Duitse nationaliteit behouden hadden, onder sekwester geplaatst. De boeken doken onder en kwamen met mondjesmaat op veilingen tevoorschijn. Een aanzienlijke partij van de bijzondere Nederlandse collectie werd verworven door Lessing J. Rosenwald. Dankzij hem was het M.E. Kronenberg dan toch nog mogelijk veel van de gezochte werken te kunnen beschrijven.
De voornaamste leverancier voor deze collectie bleek Constant Philip Serrure (1805-1872) geweest te zijn, hoogleraar in de middeleeuwse en Belgische geschiedenis aan de Gentse universiteit. Als hartstochtelijk verzamelaar verkeerde hij permanent in geldnood, waardoor hij via de Brou aan de hertog van Arenberg regelmatig het resultaat van veertig jaar verzamelen aanbood, zoals een collectie prozaromans, waarvan een groot deel unica, en het handschrift van de Eerste bliscap. Daarnaast kon hij nog handschriften van Maerlant, Boendale en de Brabantsche Yeesten voorleggen. De hertog en de hoogleraar bezaten van het beste dat er op de markt van het oude Nederlandse boek te krijgen was. [W.W.]
3178.- Marika Ceunen, Gilbert Huybens, Veronique Vandekerchove, Edward Van Even en zijn tijd. Catalogus bij de tijdelijke tentoonstelling. Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens, Leuven, 18 mei - 16 juli 2000.- 135 p.: ill.; 24 cm. (Ethnologica Flandrica, 16. Jaarboek van de Leuvense Vereniging voor Volkskunde).- ISSN 0774-3297.
Diverse activiteiten van de Leuvense archivaris Edward van Even (1821-1905), voornamelijk bekend om zijn twee monumentale publicaties, Louvain monumental (1860) en Louvain dans le passé et le présent (1895), komen hier aan bod. G. Huybens brengt een overzicht van diens leven en werk onder de vorm van efemeriden. M. Ceunen beschouwt Van Even als archivaris: hij interesseerde zich minder voor ordening van archiefstukken dan voor hun inhoud. V. Vandekerchove wijst op de belangrijke aanwezigheid van Van Evens verzamelingen in de stedelijke kunstcollecties. De catalogus beschrijft dan ook kunstvoorwerpen (schilderijen, beeldhouwwerken...) naast prenten en de boeken die Van Even publiceerde. Daar trekken natuurlijk de aandacht `Het landjuweel van Antwerpen in 1561' (een publicatie van originele stukken die hij in 1862 aan de Brusselse Koninklijke Bibliotheek verkocht) en Willem Boonens `Geschiedenis van Leuven geschreven in de jaren 1593 en 1594'. Als dank voor dit laatste monumentale werk schonk het Leuvense stadsbestuur Van Even een exemplaar met ingekleurde illustraties. De a.s. lente te verwachten facsimile-uitgave met uitvoerige inleiding, registers en bibliografie (Leuven, Peeters), bood een welkome aanleiding de figuur van Van Even in zijn tijd door een tentoonstelling te belichten. Een fraaie catalogus werd door de Leuvense Vereniging voor Volkskunde uitgegeven. [W.W.]
3179.- Jos van Heel, Jong geleerd, oud gedaan: Pieter van Damme, Jacob Visser en hun vriendschap met Willem van Westreenen in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 7, 2000, p. 49-63, ill.
Als beginnende verzamelaar ontving Willem Hendrik Jacob baron van Westreenen van Tiellandt (1783-1848) hulp van de landsadvocaat Jacob Visser en van de Amsterdamse antiquaar en numismaat Pieter van Damme. Visser maakte Westreenen wegwijs in de wereld van de oudste boekdrukkunst, terwijl Van Damme zijn gids op numismatisch gebied was. Voor de veiling van Van Dammes collecties stelde Westreenen de catalogus samen. [W.W.]
3180.- W. van den Berg, De bibliothecaris doet een boekje open in De boekenwereld, 17, 2000-2001, p. 62-76, ill.
In 1822 was de classicus Jacob Geel (1789-1862) in de functie van onderbibliothecaris der Leidse universiteitsbibliotheek aangesteld. Voor een betere organisatie en catalogisering wilde hij te rade gaan bij Duitse collega's. In 1826 kon hij met een toelage van het curatorium op stap. Geel bezocht een aantal Duitse universiteiten en woog het aldaar in praktijk gebrachte steeds nauwkeurig af aan de Leidse problematiek. In een verslag aan de Leidse curatoren blijkt dat hij zich voor veel, maar toch niet in alles liet leiden door Duitse vakgenoten, in het bijzonder door Friedrich Ebert te Dresden. Naast problemen van catalogisering en ordening komen ook logistieke, schijnbaar triviale kwesties ter sprake: houtworm, vochtigheid en al wat het leven van de zorgzame bibliothecaris kan bezwaren. Een instructief stuk. [W.W.]
3181.- Paul Post, De bibliotheek van Van Lier in De boekenwereld, 16, 1999-2000, p.138-154, ill.
In de negentiende eeuw bezaten de gebroeders Isouard, Lion en Joseph van Lier vijf schouwburgen en een toneelbibliotheek. Bij het overlijden van de laatste broer in 1930 werd de bibliotheek geveild en en bloc gekocht door de industrieel Bernard van Leer (die er o.a. een privé-circus op na hield). In 1944 werden de boeken door de bezetter in beslag genomen en naar Duitsland overgebracht. Na de oorlog werd de verzameling gerecupereerd: 127 kisten. In 1956 werd de collectie aan het Toneelmuseum geschonken dat de boeken inventariseerde en dubbels op de antiquarische markt verkocht. [W.W.]
3182.- V. Arickx, Pastoor Felix Pernel van Pittem en zijn bibliotheek, 1820 in Biekorf, 100, 2000, p.267-274.
De Koninklijke Bibliotheek Albert I kon de veilingcatalogus van de bibliotheek van deze geestelijke kopen, een drukje van Weduwe De Moor & Zoon te Brugge. De veiling had plaats te Pittem zelf op 14 juli 1820 en bracht 520 gulden op. De catalogus telt 319 nummers, ingedeeld volgens het formaat. Latijnse werken overheersen (202 nummers) naast Franse (141 nummers) en Nederlandse (79 nummers). Het grootste deel van de Latijnse werken handelt over theologie en aanverwante gebieden. In het Nederlandse gedeelte vallen vooral verzamelingen preken en historische werken op. [W.W.]
3183.- M.R. Radermacher Schorer 1888-1956, minnaar van het `schoone' boek.- Amsterdam: De Buitenkant; Den Haag: Museum van het Boek, 1998.- 141 p.: omslag, portr., ill.; 25 cm.- ISBN 90-70386-97-6. Fl. 65.
Het Museum van het Boek wijdde een tentoonstelling aan en bracht een bundel opstellen uit over Radermacher Schorer, befaamd bibliofiel en mecenas uit Utrecht. Tanja de Boer heeft de collectie nu systematisch onderzocht en de aanzet geleverd tot een monografie. Een tentoonstelling (27.08-22.11) was hier al een interimresultaat van .Een fraaie publicatie, de bibliofiel waardig. [E. C.-I.]
3184.- Rik van Daele, De kunsthistorische collectie van Gustave Maes (1851-1904) in Annalen van de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 103, 2000, p.221-272, ill.
Deze succesvolle zakenman (hij was als zodanig in doende met Raoul Warocqué) en filantroop ontwikkelde zich tot een groot verzamelaar van antiquiteiten, schilderijen en boeken. Na zijn dood werd een deel van zijn boekenbezit door tussenkomst van Prosper Thuysbaert na de Eerste Wereldoorlog aan de Leuvense universiteitsbibliotheek geschonken: meer dan 630 titels, ca. 1150 banden. Deze schenking telt weinig bibliofiele werken. Dat deel van de collectie werd binnen de familie gehouden of was reeds geveild bij Fiévez te Brussel in 1908. Onder de 922 nummers die aldaar verkocht werden, kwamen veel geïllustreerde boeken en gravures voor. [W.W.]
3185.- Wim D'hooge, De veilingcatalogus van de nagelaten boeken van de Ekerse pastoor P.F. de Vos (1827) in Jaarboek Heemkring Ekeren 17, 1999, p. 92-100, ill.
Korte analyse van het boekenbezit van P.F. de Vos (1747-1827) aan de hand van het geannoteerde Brusselse exemplaar van diens veilingcatalogus. [M. d. S.].
3186.- Emile Van Balberghe & René Fayt, Les éditions attestées de "Messieurs " Gay et Doucé (Bruxelles, 1877-1882) in Le livre & l'estampe, 46, 2000, 153, p. 53-121, ill.
Bibliografie (62 nummers) van de Brusselse uitgeverij Gay et Doucé, gespecialiseerd in erotica, pornographica en andere curiosa. [E. C.-I.]
3187.- Susanne Janssen, Onderzoek naar twintigste-eeuwse literaire uitgeverijen, en stand van zaken in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 7, 2000, p. 65-79, ill.
Status quaestionis van de problematiek: een aantal recente publicaties ter zake wordt besproken. Doorgaans wordt hierin een gedetailleerde beschrijving van de ontwikkeling van een individueel uitgeverijfonds geboden. Gewenst is theorievorming over de werkzaamheid van literaire uitgeverijen, wat comparatieve studie vereist naast aandacht voor het extern functioneren van literaire uitgeverijen (promotie) en voor het fondsbeleid, in casu het aantrekken van auteurs. [W.W.]
3188.- Sjoerd van Faassen, Een Dunhill-pijp, een bokma of een haring: Jan van Nijlen en de bibliofiele reeks Palladium in De Vlaamse Gids, 84, 2000, 2, p. 22-28.
De literaire reeks Palladium vond haar ontstaan in een vijftal uitgaven die Jan van Krimpen tussen 1917 en 1920 in eigen beheer verzorgde; pas in laatst genoemd jaar wordt de titel van de reeks aangegeven. Model staat de bibliofiele reeks De Zilverdistel omstreeks de eeuwwende 1909-1910 door Jan Greshoff en Jacques Bloem opgezet waar zich snel P.N. van Eyck aansluit. Hoe het allemaal verder is verlopen wordt in dit artikel uiteengezet: de functie die elk er had, de moeilijkheden die rezen in de menselijke relaties, en tenslotte de uitgaven zelf, van 1920 tot 1927, jaar van het laatst verschenen deel. [E. C.-I.]
3189.- Jos Verheyen, De prijs van een boek: Gezelles Kerkhofbloemen uit 1888 in De Leiegouw, 42, 2000, p.145-150, ill.
De vijfde `merkelijk vermeerderde uitgave' van Kerkhofblommen verscheen bij uitgever A. Siffer te Gent. Uit een kostenberekening, door Siffer aan Gezelle gestuurd, bleek dat de kostprijs 0, 60 fr. en de verkoopprijs aanvankelijk 1 fr. zou zijn. Daarop zou Siffer verlies lijden, gezien de verzendingskosten, het eigen werk en het risico van onverkochte exemplaren. Het boekje werd dan ook uiteindelijk tegen 1, 5 fr. verkocht. [W.W.]
3190.- `Geld verdienen zal ik er nooit aan'. Briefwisseling Ed. Hoornik en A.A.M.Stols 1938-1954. Bezorgd door Anky Hilgersom.- Den Haag: Letterkundig Museum, 1999.- 562 p. : ill.; 22 cm. (Achter het Boek, 33).- ISBN 90-73978-72-6. Fl. 58.
Toen A.A.M. Stols in 1932 uit Brussel naar Nederland terugkeerde, was een markt voor bibliofiele uitgaven ten gevolge van de economische crisis vrijwel onbestaande geworden. Stols moest zich dan ook toeleggen op handelsedities, waarvoor hij literaire adviseurs nodig had. In 1938 gaf hij een bundel van Ed. Hoornik uit, die in de volgende jaren een van zijn voornaamste raadgevers inzake poëzie zou worden. Hoornik was zeer goed thuis in het poëtisch milieu en wierf menig dichter aan voor de serie Helikon. In de oorlog was Stols met tweeënzestig titels naast De Bezige Bij de grootste producent van clandestien drukwerk. Dat gebeurde vooral op `verzwegen' papier en via antedateren. Na de oorlog moest Stols optornen tegen een aantal nieuwe, zeer dynamische uitgeverijen: De Bezige Bij, G.A. van Oorschot, Moussault's Uitgeverij, De Arbeiderspers, Bert Bakker/D.A. Daamen. Stols slaagde er nauwelijks in, nieuwe auteurs aan zich te binden. In 1948 werd de serie 'Helikon' stopgezet. Hoornik vond een nieuwe uitgever in Bert Bakker. De uitvoerig geannoteerde editie biedt tal van bijzonderheden over de poëtische uitgaven in het fonds van Stols. Het geheel is goed geïllustreerd met foto's van titelbladzijden (ook van uiteindelijk niet verschenen bundels), prospectussen en portretten. Het werk is voorzien van een uitvoerig register. [W.W.]
3191.- Lisa Kuitert, Over boekententoonstellingen in Kunst & LetterKunst: Opstellen voor George Vis.- Amsterdam: C.J. Aarts, 2000, p.87-92.
In de negentiende eeuw verzorgde de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels tentoonstellingen van de Nederlandse boekproductie. Bedoeling was het werk van uitgevers te propageren, vooral dan `prachtedities' met indrukwekkende stempelbanden. Tegen dat soort boeken reageerden later de `boekvercierders' en na hen de voorstanders van zuivere typografie. In 1925 werd het Nederlandsch Verbond van Boekenvrienden opgericht door o.m. Menno Hertzberger, Willem de Vreese, C.P. Burger en S.H. de Roos. Het Verbond verzorgde van 1926 tot 1932 tentoonstellingen van `beste boeken', d.w.z. boeken die in materieel opzicht het best verzorgd waren. Na de Tweede Wereldoorlog werd deze rol overgenomen door de Commissie voor Propaganda van het Nederlandse Boek. [W.W.]
3192.- L.G. Saalmink, Met inachtneming van de tegenwoordige kleederdragt: de drukgeschiedenis van Hieronymus van Alphens Kleine Gedichten voor kinderen met het jaartal 1821 in Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis, 7, 2000, p. 109-124, ill.
In 1778 verschenen de kindergedichten van Van Alphen voor het eerst, en met groot succes (7e dr. in 1778, 15de in 1785). Later volgen geïllustreerde edities en werden de prentjes zelfs afzonderlijk op de markt gebracht. In 1787 werden de twee Vervolg(en) bij het eerste deel gevoegd. S. heeft eerder aangetoond dat het jaartal "1787 " voor minstens acht (!) drukken staat (met verschillend zetsel). In 1821 verwierf uitgever Van Terveen (Utrecht) ook het kopijrecht voor de platen. Nauwkeurige analyse toont aan dat ook "1821 " voor een reeks drukken staat, te dateren tussen 1821 - 1851! Om monopolieredenen werd de gegraveerde titelpagina met het jaartal "1821 " gehandhaafd. In bijlage geeft S. een bibliografische beschrijving van de acht verschillende drukken. [M. d. S.]
3193.- Carine Dujardin m.m.v. Luc Vints, Zingt Jubilate: liturgica uit de KADOC-collectie. Tentoonstelling.- Leuven: Katholiele Universiteit, 2000.- 16 p.: ill.; 30 cm.
Om de collectie liturgica (1795-ca. 1990) van het KADOC (Katholiek Documentatie- en Informatiecentrum, Universiteit Leuven) meer bekendheid te geven, stelde C. Dujardin een tentoonstelling samen, waarvan een bescheiden maar goede catalogus a.h.w. een aanzet kan leveren van een bibliografie, indien middelen dit ooit mogelijk maken. [E. C.-I.]
3194.- Garrelt Verhoeven, The prison of Weltevreden in De Boekenwereld, 17, 2000-2001, p.22-24, ill.
Een typisch negentiende-eeuws reisboek.De Amerikaanse avonturier Walter M.Gibson vestigde zich op Java, waar hij uitstekend overeenkwam met de inheemse bevolking, maar minder met de Nederlandse machthebbers. Hij werd veroordeeld tot gevangenschap in de gevangenis van Weltevreden bij Batavia. Na vijftien maanden kon hij ontsnappen en vluchtte hij op een vertrekkend passagiersschip. Later bereisde hij weer de Grote Oceaan en werd hij zelfs minister-president van Hawaii. Over zijn verblijf te Weltevreden publiceerde hij een sterk geromantiseerd relaas 'The prison of Weltevreden' met grote belangstelling voor levenswijze, taal en cultuur van de inlandse bevolking. Een eerste druk verscheen in 1855 in New York bij J.C. Riker. Een jaar later was een Londense titeluitgave beschikbaar op naam van Sampson Low, Son, and Comp. [W.W.]
3195.- Didier Kervyn de Marcke ten Driessche, Bibliographie des éditions des Fables de Pitje Schramouille de Roger Kervyn de Marcke ten Driessche in Le livre & l'estampe, 46, 2000, 153, p. 123-133, ill.
Gentenaar van geboorte heeft Roger Kervyn de Marcke ten Driessche (1896-1965) zich jong in Brussel gevestigd, er rechten gestudeerd maar zich ook met het`Marols' vertrouwd gemaakt, het Brusselse dialect dat in de Marollenwijk (tussen Hoog- en Blaesstraat) wordt (werd) gesproken. In zijn Fables evoceert hij met de glimlach en nooit grof, gesprekken en gedragingen van de autochtone Brusselse bevolking in die wijk. De eerste druk verscheen in 1923, de veertiende in 2000! Bibliografie (13 edities) van dit Brussels volksboek. Ze verschenen op één uitzondering na, alle te Brussel, tussen 1923 en 2000. [E. C.-I.]
3196.- Karel F. Treebus, Fons van der Linden, a versatile bookmaker in Quaerendo, 29, 1999, p. 297-302.
N.a.v. het overlijden schetst een van zijn studenten, de nu zelf al niet meer zo jonge Karel Treebus en befaamd vormgever, de loopbaan van boekverzorger Fons van der Linden (1923-1998). Behalve (typo)grafische ontwerpen maken, publiceerde hij over de grafische technieken, letter en schrift, (linnen) boekband. Zijn opleiding kreeg hij in de drukkerij Boosten & Stols te Maastricht; hij werkte bij verschillende drukkerijen, waaronder de Staatsdrukkerij & -Uitgeverij waar men lange jaren geleden al inzag hoe belangrijk goed verzorgd drukwerk wel is. [E. C.-I.]
3197.- Jan Middendorp, Renoveren of vernieuwen? Letters in het digitale tijdperk in De Vlaamse Gids, 84, 2000, 2, p. 17-21, ill.
De beeldcultuur waarin wij leven en het spelelement hierin zijn er mede oorzaak van dat er de laatste vijftien jaar een explosie van nieuw ontworpen lettertypen is. Toch mag men niet beweren dat er ooit te veel zijn, als ze maar gelegitimeerd worden door duidelijke `uitgangspunten, beweegredenen en zelfgekozen beperkingen'; extreem kan een bepaald lettertype slechts voor één welbepaald doel zijn ontworpen. Het is dus oppassen geblazen met de honderden `funfonts', gebruikt in de publiciteit en voor korte slagzinnen.
Volgen enkele voorbeelden uit de Nederlandse typografische cultuur: Gerrit Noordzij die de stelling toetreedt dat er geen wezenlijk verschil is tussen handschrift en typografie. Nieuwe letteruitgeverijen rijzen uit de grond: FontShop opgericht door Erik Spiekermann, The Enschedé Fount Foundry (TEFF) van Peter Matthias Noordzij, de Dutch Type Library (DTL) van Frank E. Blokland. Behalve nieuw ontworpen letters zijn er ook `oude' die aan een elektronische `revival' toe zijn; een bekend voorbeeld is de digitale versie van de Albertina van Chris Brand. Evert Bloemsma daarentegen bedenkt enkel nieuwe vormen, gedicteerd door een nieuwe relatie van ontwerper en gebruiker met de techniek. Doel moet altijd de betere leesbaarheid blijven. Besluit van dit uitstekend (geschreven) artikel is: de hedendaagse typograaf zal een nieuw soort letter-kunde moeten ontwikkelen. [E. C.-I.]
3198.- Elly Cockx-Indestege & Georges Colin, Fernand Baudin, typograaf: en leven in dienst van de lezer. Ten geleide: Pierre Cockshaw. Woord vooraf: John Dreyfus.- Brussel: Koninklijke Bibliotheek, 2000.- 95 p.: portr., ill.; 24 cm.- ISBN 90-6637-105-6. BF: 300 (gebonden), 200 (gebrocheerd).
In de geschiedenis van de typografie in België neemt Fernand Baudin (1918) een unieke plaats in, omdat hij niet alleen het vak van boezkverzorger en typograaf heeft beoefend, maar er ook theoretische beschouwingen over heeft gepubliceerd. Zijn La typographie au tableau noir (1984) en L'effet Gutenberg (1994) behoren nu al tot de klassieken in het genre.
Aan het werk van Fernand Baudin besteedde de Brusselse Koninklijke Bibliotheek in de lente van 2000 een uitstekend gedocumenteerde tentoonstelling. Dit boekje deed dienst als catalogus, maar dank zij de talrijke illustraties behoudt het zijn waarde ook los van de tentoonstelling. Daarnaast is het wachten op de `catalogue raisonné' van Baudins oeuvre, die in de inleiding (p. 17) wordt aangekondigd.
Dat Baudin in de Koninklijke Bibliotheek gehuldigd werd, heeft te maken met het feit dat hij daar sedert 1958 de typografie van de meeste publicaties verzorgde. Iedereen die belangstelling heeft voor de geschiedenis van het boek in de Nederlanden, bezit wel een tentoonstellingscatalogus van de Koninklijke Bibliotheek, en dus een voorbeeldig uitgevoerd boekdeel dat door de handen van Baudin is gegaan. Het is daarom jammer dat er op dat aspect van Baudins carrière niet dieper wordt ingegaan in de inleidende teksten. Over het algemeen moet de lezer het trouwens stellen zonder veel bioigrafische informatie. De inleiding raakt even de jeugdjaren van Baudin en de opleiding in Ter Kameren aan, maar beperkt de beschouwingen over zijn carrière en levensloop verder tot de internationale contacten die hij gelegd heeft binnen typografgische verenigingen als de Association des Compagnons de Lure en A.Typ.I. Ik had wat meer inlichtingen verwacht over de `binnenkeuken' en over het -weinig vanzelfsprekende- parcours van een typograaf in België.
Daartegenover staat dan weer dat het catalogusgedeelte bijzonder grondig en overzichtelijk is uitgevoerd. De 105 stukken zijn chronologisch geordend en voor een niet-gespecialiseerd publiek beschreven. Omdat de commentaren de nadruk leggen op de vraag hoe de typograaf de leesbaarheid van de teksten heeft trachten te optimaliseren, hebben ze een grote pedagogische waarde.
Een catalogus met een dergelijke inhoud moest wel door de handen van een hedendaagse boekverzorger gaan. De vormgeving werd toevertrouwd aan Antoon De Vylder, die de grote lijnen van zijn ontwerp voor een gelijkaardig boekje over Louis Van den Eede (zie nr. 3198) overnam een aanpaste aan de eigen esthetiek van het werk van Baudin. Door deze aanpak slaagde hij erin twee werkjes die onafhankelijk van elkaar tot stand kwamen, een eenheid te geven die niet bibliografisch, maar louter typografisch is. [P.D.]
3199.- Pierre Delsaerdt, Tonia Dhaese, Louis Van den Eede, een halve eeuw typografie in Vlaanderen. Met bijdragen van Paul van Calster e.a.- [Antwerpen]: Mercatorfonds, 1999.- 78 p.: portr., ill.; 24 cm.- ISBN 90-6153-436-4. BF 500.
Oeuvrecatalogus van boekverzorger Louis Van den Eede wiens loopbaan in 1965 een krachtige impuls kreeg dank zij de Bank van Parijs en de Nederlanden die met het Mercatorfonds haar eigen uitgeverij had. In de lokalen van de centrale bibliotheek van de UFSIA te Antwerpen kwam ter illustratie een overzichtstentoonstelling. Louis Van den Eede heeft vrijwel steeds boeken ontworpen met behulp van de zg. plakproef, een wijze van ontwerpen die gaandeweg sedert het midden van de jaren 80 vervangen is door het computerontwerpen. Op dit ogenblik is het plakproef-tijdvak definitief afgesloten. Het stemt tot grote vreugde dat er, met een tentoonstelling en een publicatie, aandacht wordt geschonken aan mensen wier hele leven in het teken heeft gestaan van boeken maken. Typograaf Antoon De Vylder heeft dit bijzonder fraaie boekje verzorgd: gezet uit de gedigitaliseerde VandenKeere door De Diamant Pers te Zandhoven, werd de tekst door Die Keure te Brugge gedrukt. Een uitgebreidere bespreking is in De Gulden Passer jg. 76-77, 1998-1999, verschenen. [E. C.-I.]
3200.- Jelle Kingma e.a., Susanne Heynemann, typografe.- Den Haag: Museum van het Boek / Meermanno Westreenianum; Groningen: Universiteitsbibliotheek, 1998.- 142 p.: ill.; 21 cm.- ISBN 90-367-0920-2. Fl. 29, 50.
Oeuvrecatalogus van een in het zuiden minder bekende typografe of boekverzorgster, Susanne Heynemann (Berlijn 1913), gevestigd achtereenvolgens te Amsterdam, Utrecht en Groningen.
Doorgaans stond zij zowel voor het binnenwerk als voor omslag of band in. Zij heeft gewerkt voor Querido, de `Amsterdamsche Boek- en Courantmij', de Stichting De Roos, J.B. Wolters en Wolters-Noordhoff. Behalve bellettrie heeft Susanne Heynemann véél schoolboeken en wetenschappelijke werken vormgegeven. Het belang van een goede typografische vormgeving voor school- en studieboeken kan trouwens niet genoeg benadrukt worden: indeling in hoofdstukken, paragrafen, plaatsen van afbeeldingen, grafieken en dies meer, het gebruik van letter naar type en corps - het is allemaal niet evident, maar o zo noodzakelijk om lectuur en studie te bevorderen. [E. C.-I.]
3201.- Martine Sanders, Zeventien jaargangen in Musica antiqua, 17, 2000, p. 180.
N.a.v. het stopzetten van dit tijdschrift, oordeelde de redactie het wenselijk een overzicht van de lay-out gedurende de zeventien jaar te geven. Wijze van aangeleverde teksten en vormgeving hebben in de loop van de laatste twintig jaar inderdaad een hele evolutie doorgemaakt. [E. C.-I.]
3202.- Het zegel van de libel: Sub Signo Libelli bevattende een bibliografie van de pers, najaar 1983-februari 1999.- Amsterdam: De Buitenkant ; Den Haag: Museum van het Boek, 1999.- 140 p.: portr., ill.; 22 cm.- ISBN 90-76452-512. Fl. 39.
Aanvulling op de eerder verschenen oeuvrecatalogus door Ronals Breugelmans, 1983, van deze privépers die uitmunt in klassieke perfectie. Colleges analytische bibliografie van wijlen Wytze Hellinga vormden voor Ger(rit) Kleis dè uitdaging om er zelf met zetten en drukken te beginnen. Kleis kiest zelf de teksten : voornamelijk literaire zowel nieuwe vertalingen in het Nederlands als oorspronkelijk werk in het Nederlands. Beperkte oplagen buiten het commerciële circuit maken van SSL een echte privépers want. Aanvankelijk te Utrecht gevestigd, is SSL einde 1991 naar Amsterdam verhuisd; sedert eind 1995 werkt Kleis te Geesbrug (Drenthe). [E. C.-I.]
3203.- In koeien van letters: 50 jaar Grafische vormgeving in Vlaanderen. (Auteurs: Herman Lampaert, Christian Lapinne).- Brussel: Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO), 1998. Tweede druk.- 346 p.: omslag, ill.; 19 x 19 cm.- ISBN 90-74886-02-7. (Uitgeput).
Overzicht in kroniekvorm van de (typo)grafische vormgeving in Vlaanderen sedert de Tweede Wereldoorlog, gepaard met een tentoonstelling in het Museum voor sierkunst en vormgeving te Gent van 20 december 1997 tot 1 maart 1998. Grafische vormgeving is niet hetzelfde als boekverzorging of typografie maar is er wel uit gegroeid: `Boekarchitectuur is de moeder aller vormgevingen' (p. 198). Opmerkelijk is het scharnierjaar 1985: de computer die het kleine zelfstandig ontwerpbureau heeft veroverd. Uit de titel blijkt niet dat de publicatie, goed geïllustreerd, tweetalig (Nederlands Engels) is. [E. C.-I.]
3204.- Gerard Post van der Molen & Ronald Rijkse, 't Geluck waeit niemend in den mond: 20 jaar margedrukker De Ammoniet.- Amsterdam: Univesiteitsbibliotheek; Middelburg: Zeeuwse Bibliotheek, 2000.- 256 p.: ill.; 25 cm.- ISBN 90-72151-18-6.
Bibliografie van de privépers De Ammoniet. [Niet gezien]. [E. C.-I.]
2305.- Elly Cockx-Indestege en Marieke van Delft, Letterheren in de marge. Bibliofiel drukwerk in Vlaanderen en Nederland in Ons erfdeel, 43, 2000, p. 201-219, ill.
Oriënterend artikel over bibliofiele drukkers in Vlaanderen en Nederland. Eerst wordt het begrip `bibliofiel' benaderd, als substantief (iemand die bijzondere boeken op selectieve wijze verzamelt en ze met de grootste zorg koestert) en als adjectief (kenmerken, eigen aan de boeken die de bibliofiel verzamelt). Het valt de auteurs op dat in Vlaanderen, onder Franse invloed, bibliofilie zich uit in het verzamelen van geïllustreerde werken, eerste drukken en bijzondere banden, terwijl in Nederland meer aandacht bestaat voor de vormgeving dankzij de aanwezigheid van letterontwerpers en typografen.
In Nederland zijn de bibliofiele drukkers verenigd in de stichting `Drukwerk in de Marge'. Die slaat een brug tussen de producenten en de kopers van het bibliofiele boek: van de ca. 450 leden zijn er ruim 100 drukkers. De leden worden van allerlei activiteiten op de hoogte gehouden via een `Nieuwsbrief' en een `Bulletin' en een jaarlijkse margemarkt.
In Vlaanderen wordt meer individualistisch gewerkt. Vooral het kunstenaarsboek is er populair met aandacht voor grafiek in verschillende technieken. `DRUKsel' organiseert er sinds drie jaar te Gent een beurs `van aparte boekwerken & bibliofiel drukwerk'. Het artikel sluit met een beschouwing van het werk van een aantal representatieve bibliofiele drukkers uit Noord en Zuid. [W.W.].
3206.- Lood en oud ijzer: 25 jaar Stichting Drukwerk in de Marge 1975-2000. (Eindredactie: Kees Thomassen).- [S.l.]: Stichting Drukwerk in de Marge, 2000.- 156 p.: omslag, ill.; 25 cm.
Onder redactie van Kees Thomassen, zelf drukker in de marge, verscheen een fraai boek met een overzicht van de thans actieve drukkers in de marge: ruim 140! Aan dit succes is de Werkgroep Techniek en Informatie onder leiding van die andere margedrukker, Gerard Post van der Molen, niet vreemd. Belangrijk is dat de drukkers zich geheel vrij voelen in het bespelen van de drukpers, waardoor een breed scala boeken ontstaat, gaande van zuivere klassieke typografie tot `uitbundige' kunstenaarsboeken. De vormgeving van dit boek lag in handen van Sander Pinkse, Amsterdam. [E. C.-I.]
3207.- Het imaginaire museum van de Universiteitsbibliotheek.- Leuven: Vrienden van de Universiteitsbibliotheek, 2000.- Jaargang 13, nr 1.
Verzameling korte stukjes van verschillende invalshoeken bekeken. Ons belangt hier aan Jan Roegiers, Het oudste boek, of onverwachte relicten (p. 5), over boeken die na veel omzwervingen weer thuis zijn; Dirk van Eldere, De schenker, of een stukje papier als aandenken (p. 8-9), over mecenaat en Marnix Beyen, Etienne van Cauwenbergh, of het gevecht met de eeuwigheid (p. 10-11), over de hoofdbibliothecaris die de UB tot tweemaal toe heropbouwde. [E. C.-I.]
3208.- Marie-Cécile Bruwier, L'Egypte vue par les Occidentaux dans les collections de la Bibliothèque de l'Université de Mons-Hainaut.- Mons: Université, 2000.- V, 197 p.: omslag, ill.; 23 cm.- ISBN 2-87325-015-1.
Raoul Warocqué (1870-1917) ligt niet enkel voor de bibliotheek van Mariemont aan de grondslag voor de belangrijke verzameling gedrukte werken i.v.m. Egypte, ook voor wat sedert 1966 de universitaire bibliotheek van Mons is. Tijdens de afgelopen jaren heeft deze bibliotheek al meer van haar grote schatten onder het stof uitgehaald en aan het publiek getoond. Slechts woorden van lof voor deze initiatieven.
De oudste druk is de Lyonese Breydenbach uit 1488, de jongste een Parijse druk uit 1867. Verder ontmoeten wij er Antwerpse edities van P. Apianus, P. Belon, J. Goropius Becanus, drukken uit Arras, Rijsel, Amsterdam e.a. plaatsen van uitgave. Alle zijn ze keurig volgens de standaardnormen door R. Plisnier (UB Mons) beschreven, met opgave van de oude eigendomsmerken, weliswaar zonder enige aanduiding over de band. Verwijzingen naar standaardrepertoria (BT, Baudrier, Labarre...) ontbreken. De toelichting op de inhoud, soms ook op de geschiedenis van het boek, is uitvoerig en goed: boeiende lectuur.
In eigen beheer uitgegeven, is gelukkig enige aandacht aan de lay-out besteed. Indien men een zetspiegel uitgevuld verkiest, is het wenselijk om woordafbrekingen in te voeren; daar is toch niets op tegen? De onderscheiden elementen in een klein corps kunnen beter alleen op een nieuwe regel beginnen, zonder een witregel. Het zou fraaier ogen èn ruimte besparen! [E. C.-I.]
3209.- Michel B. Fincoeur, De la révision des manuels scolaires comme révélateur des ambiguités d'un vichysme belge in Archief- en bibliotheekwezen in België, 70, 1999, p. 103-150.
Na de Duitse inval in 1940 ontsnapte het boek uiteraard niet aan de aandacht van de bezetter. Verkoop en uitlening van anti-Duitse geschriften werd reeds in augustus 1940 verboden. In 1941 verscheen een lijst van `ongewenste' literatuur. Ook werd de censuur ingevoerd. Die werd uitgeoefend door de Abteilung Propaganda binnen de Militärverwaltung. De Abteilung Propaganda zelf hing daarnaast rechtsreeks af van het Ministerie voor Propaganda in Berlijn. De dagbladpers werd gecontroleerd via het agentschap Dechenne, dat reeds in het interbellum een quasi-monopolie bezat op dat gebied. Vanaf augustus 1940 kwamen ook de schoolboeken in het visier. Op 8 oktober 1940 werd door de secretaris-generaal van het ministerie van onderwijs een commissie voor de herziening van de schoolboeken opgericht. Zij telde zowel traditioneel-patriottische leden, zoals de ULB-historicus Paul Bonenfant en later André Puttemans, als voorstanders van de `Nieuwe orde' zoals Robert van Roosbroeck en Jef van de Wiele. Op een totaal van 4999 nageziene werken werden er 141 definitief afgekeurd en 423 voorlopig verwijderd; 182 nummers moesten aangepast worden en 4235 konden in gebruik blijven. De bezetter streefde naar een reductie van het aantal handboeken, maar daar ging de commissie niet op in. Als geheel wordt haar activiteit door de auteur ingeschat als `un vichysme belge': zoals in het FRanse regime begaf men zich op het pad van de collaboratie in de (illusoire) hoop te redden wat er te redden viel.
De studie is goed onderbouwd, steunt in hoge mate op archiefstukken en biedt een ruime blik op vele aspecten van het boekwezen tijdens de bezetting. [W.W.]
3210.- Anna Simoni, Secret, loud and clear in `For the love of the binding' (zie nr. 3127), p. 337-350, ill.
Hoe zag het clandestiene boek er in Nederland tijdens WO II uit? De jas van de producten van de sluikpersen is één van de vele aspecten die S hier onderzoekt en in verschillende kategorieën onderbrengt, als kleurensymbolisme, weerstand, gevangenneming, hoop, spotprenten. De besproken en gereproduceerde boekomslagen zijn alle in de British Library bewaard. [E. C.-I.]
3211.- Michel B. Fincoeur, De uitgeverswereld in België tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het voorbeeld van de `Editions de la Toison d'Or' in Hun kleine oorlog: de invloed van de Tweede Wereldoorlog op het literaire leven in België. Red. Dirk de Geest, Paul Aron Dirk Martin.- (Leuven): Peeters: Soma, 1998, p. 49-79.
Schets van de situatie in de wereld van het boek kort na de Duitse invasie in mei 1940: pers, bibliotheken, boekhandel, uitgeverij. Uit grondig (archief)onderzoek blijkt hoe inhoud en verspreiding van boeken door het `systeem' waren gecontroleerd, hoe het mechanisme werkte, hoe censuur werd uitgevoerd, welke bedoelingen de bezetter had. Dit heeft de auteur aangetoond aan de hand van de `Editions de la Toison d'Or', collaborerende uitgeverij, opgericht om de Duitse cultuur te verspreiden. Lezers, schrijvers en uitgevers komen ter sprake. Wat doen uitgeverijen zoals, om hier slechts de Vlaamse te noemen, De Nederlandsche Boekhandel, De Sikkel, Lannoo en Standaard-Boekhandel? De auteur laat verstaan dat dit slechts een gedeeltelijke, hoewel diepgaande, benadering is en om het beeld volledig te maken, de studie van de andere uitgeverijen moet worden ondernomen. Een voorbeeld in haar soort. [E. C.-I.]
3212.- Jan van Impe, Vandaag 1940-1942 in Ex Officina, 13, 2000, 2, p. 7, ill.
Enkele bijzonderheden over het `vergeten' oorlogstijdschrift `Vandaag',Vlaams, volks en sociaal van strekking (hoofdredactie: Betsie Hollants), met goed verzorgde lay-out. [E. C.-I.]
Go Top
     
     
Over deze site   Home page: www.boekgeschiedenis.be
Ontwikkeling © Johan Hanselaer
Laatste aanpassing: